Subsidieregeling Peuteropvang Capelle aan den IJssel 2020

Geldend van 08-08-2020 t/m heden

Intitulé

Subsidieregeling Peuteropvang Capelle aan den IJssel 2020

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;

gelet op de Algemene subsidieverordening Capelle aan den IJssel 2017 (ASV);

overwegende dat:

  • -

    het college op basis van artikel 3 van de ASV bij subsidieregeling vaststelt welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie;

  • -

    het college op basis van artikel 3 van de ASV bij subsidieregeling tevens kan bepalen welke doelgroepen in aanmerking komen voor subsidie;

  • -

    de ASV op het verstrekken van subsidies van toepassing is, voor zover daarvan niet bij subsidieregeling wordt afgeweken;

  • -

    de ASV op onderdelen bij subsidieregeling kan worden aangevuld;

  • -

    door het Rijk en de VNG in 2016 bestuursafspraken zijn gemaakt met als doel om in gezamenlijkheid te stimuleren dat in 2021 alle peuters naar een voorschoolse voorziening kunnen gaan omdat goede voorschoolse voorzieningen bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en aan een goede start op de basisschool;

  • -

    het Rijk op grond van het Besluit kinderopvangtoeslag van 18 oktober 2004 de opvang van kinderen van werkende ouders/verzorgers met recht op kinderopvangtoeslag faciliteert door het verlenen van kinderopvangtoeslag aan deze ouders/verzorgers;

  • -

    deze ouders/verzorgers per 1 januari 2018 ook recht op kinderopvangtoeslag hebben als zij gebruik maken van peuteropvang;

  • -

    de gemeente op grond van de eerdergenoemde bestuursafspraken verantwoordelijk is voor een financieel laagdrempelig opvangaanbod voor peuters waarvan de ouders/verzorgers niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag;

  • -

    de gemeente verantwoordelijk blijft voor de bekostiging van een aanbod voorschoolse educatie voor de VVE-doelgroep;

  • -

    het met ingang van 1 augustus 2020 op grond van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie voor gemeenten verplicht is een VVE-aanbod te doen van 960 uur aan peuters behorende tot de VVE-doelgroep in de periode dat zij in leeftijd tussen de 2,5 en 4 jaar oud zijn.

Besluit vast te stellen de Subsidieregeling Peuteropvang Capelle aan den IJssel 2020.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht.

  • b.

    CJG: het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan den IJssel.

  • c.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente.

  • d.

    Gemeente: de gemeente Capelle aan den IJssel.

  • e.

    IKC: integraal kindcentrum, een intensieve pedagogische samenwerking of samenvoeging van ten minste één onderwijs- en één kinderopvangorganisatie.

  • f.

    Inkomensafhankelijke ouderbijdrage: de door ouders/verzorgers, afhankelijk van de hoogte van het bruto jaarinkomen, aan de aanbieder van kinderopvang te betalen bijdrage voor (de eerste) acht uur peuteropvang. Voor het bepalen van de hoogte van deze bijdrage hanteert de aanbieder van peuteropvang de kinderopvangtoeslagtabel.

  • g.

    Kinderopvangtoeslagtabel: de jaarlijks door het ministerie van SZW vastgestelde toeslagtabel die wordt gehanteerd om de hoogte van de kinderopvangtoeslag te bepalen waarbij het gezamenlijke inkomen van ouders/verzorgers uitgangspunt is.

  • h.

    KOT: kinderopvangtoeslag.

  • i.

    KOT-ouders: ouders/verzorgers die kinderopvangtoeslag ontvangen.

  • j.

    Niet-KOT-ouders: ouders/verzorgers die geen kinderopvangtoeslag ontvangen.

  • k.

    LRK: Landelijk Register Kinderopvang.

  • l.

    Normtarief kinderopvang: de door het Rijk via de Belastingdienst maximaal vergoede uurprijs voor kinderopvang. Dit tarief wordt jaarlijks door het ministerie van SZW vastgesteld.

  • m.

    Peuter: kind in de leeftijd van 2 jaar tot 4 jaar (behorende tot de VVE-doelgroep) of van 2,5 tot 4 jaar (niet behorende tot de VVE-doelgroep) dat staat ingeschreven op een adres in de gemeente en dat ook feitelijk in de gemeente woont.

  • n.

    Peuteropvang: de opvang van peuters, niet behorende tot de VVE-doelgroep, in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar voor maximaal acht uur per week verdeeld over minimaal twee dagdelen in een voorschoolse voorziening, gericht op:

    • -

      het bevorderen van de ontwikkeling en ontplooiing door spel en omgang met leeftijdgenootjes, in nauw overleg met ouders/verzorgers;

    • -

      het signaleren van eventuele ontwikkelingsproblemen en zorgen voor het inzetten van de juiste hulp.

  • o.

    SISA: Samenwerkingsinstrument Sluitende Aanpak, een signaleringssysteem voor risico’s in de ontwikkeling van kinderen.

  • p.

    VVE-peuteropvang: de opvang van peuters, behorende tot de VVE-doelgroep, in de leeftijd van 2 tot 4 jaar voor maximaal zestien uur per week verdeeld over minimaal drie dagdelen in een voorschoolse voorziening waarbij een VVE-aanbod wordt gegeven, gericht op:

    • -

      het bevorderen van de ontwikkeling en ontplooiing door spel en omgang met leeftijdgenootjes, in nauw overleg met ouders/verzorgers;

    • -

      het voorkomen en bestrijden van educatieve achterstanden;

    • -

      het signaleren van eventuele ontwikkelingsproblemen en zorgen voor het inzetten van de juiste hulp.

  • q.

    Voorschoolse voorziening: een voorziening voor (VVE-)peuteropvang in de gemeente die voldoet aan de eisen van de Wet kinderopvang en is geregistreerd in het LRK.

  • r.

    VVE: voorschoolse educatie.

  • s.

    VVE-aanbod: een aanbod voorschoolse educatie.

  • t.

    VVE-doelgroep: peuters die voldoen aan een of meer van de volgende criteria en aan wie het CJG derhalve een VVE-indicatie heeft afgegeven:

    • -

      ouders/verzorgers hebben een laag opleidingsniveau;

    • -

      er is (risico op) een taalachterstand;

    • -

      er is een sociaal-medische indicatie (SMI).

  • u.

    VVE-indicatie: een door het CJG aan ouders/verzorgers afgegeven verklaring dat hun peuter tot de VVE-doelgroep behoort.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Het bepaalde in deze subsidieregeling is alleen van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten.

Artikel 3. Activiteiten

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor het door de subsidieontvanger plaatsen van een peuter in diens voorschoolse voorziening.

  • 2. De subsidie voor peuteropvang wordt verleend voor maximaal acht uur per week.

  • 3. De subsidie voor VVE-peuteropvang wordt verleend voor maximaal zestien uur per week. Voor peuters die tussen de 2,5 tot 4 jaar zijn geldt voor de subsidieontvanger een wettelijke verplichting van 960 uur VVE-aanbod gedurende een periode van 60 weken.

Artikel 4. Prestatieafspraken

Met subsidieontvangers kunnen in de subsidiebeschikking afzonderlijke afspraken worden gemaakt over de specifiek te verrichten activiteiten en de in dat kader te leveren exacte prestaties.

Artikel 5. Subsidieontvanger

Subsidie wordt verstrekt aan een bij notariële akte opgerichte rechtspersoon die aanbieder is van een voorschoolse voorziening.

Artikel 6. Hoogte van de subsidie

  • 1. Subsidie voor peuteropvang voor een peuter van KOT-ouders bestaat uit een jaarlijks door het college vast te stellen bedrag per uur als opslag op het normtarief kinderopvang;

  • 2. Subsidie voor peuteropvang voor een peuter van niet-KOT-ouders bestaat uit twee componenten:

    • a.

      een aanvulling op de inkomensafhankelijke ouderbijdrage tot het normtarief kinderopvang;

    • b.

      een jaarlijks door het college vast te stellen bedrag per uur als opslag op het normtarief kinderopvang.

  • 3. Subsidie voor VVE-peuteropvang voor een peuter van KOT-ouders bestaat uit twee componenten:

    • a.

      een jaarlijks door het college vast te stellen bedrag per uur als opslag op het normtarief kinderopvang;

    • b.

      een volledige vergoeding van de kosten voor het negende tot en met het zestiende uur dat de peuter van de VVE-peuteropvang gebruik maakt, tot en met het door het college vast te stellen opslagbedrag per uur.

  • 4. Subsidie voor VVE-peuteropvang voor een peuter van niet-KOT-ouders bestaat uit drie componenten:

    • a.

      een aanvulling op de inkomensafhankelijke ouderbijdrage tot het normtarief kinderopvang;

    • b.

      een jaarlijks door het college vast te stellen bedrag per uur als opslag bovenop het normtarief kinderopvang;

    • c.

      een volledige vergoeding van de kosten voor het negende tot en met het zestiende uur dat de peuter van de VVE peuteropvang gebruik maakt, tot en met het door het college vast te stellen opslagbedrag per uur.

Artikel 7. Subsidieduur

  • 1. De subsidie wordt verstrekt per kalenderjaar, voor een periode van maximaal 40 (school)weken in dat kalenderjaar.

  • 2. De subsidie eindigt met ingang van de datum waarop de peuter geen gebruik meer maakt van de voorschoolse voorziening of uiterlijk op de dag dat de peuter 4 jaar wordt.

Artikel 8. Aanvraag

Bij een aanvraag om subsidie verstrekt de aanvrager, in afwijking van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, onder a, b en c van de ASV de volgende gegevens:

  • a.

    de wijze waarop invulling of uitvoering wordt gegeven aan de verplichtingen bedoeld in artikel 15, vierde en, indien van toepassing, vijfde lid;

  • b.

    een overzicht van het aantal peuters waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij gespecificeerd wordt:

    • i)

      het aantal peuters inclusief verwacht aantal uren peuteropvang, uitgesplitst naar

    • ii)

      KOT-ouders en niet-KOT-ouders;

    • iii)

      het aantal peuters inclusief verwacht aantal uren VVE-peuteropvang, uitgesplitst naar KOT-ouders en niet-KOT-ouders.

Artikel 9. Aanvraagtermijn

  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt, in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de ASV, ingediend vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het gemeentelijke begrotingsjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Aanvragen ingediend na de datum genoemd in het eerste lid worden niet in behandeling genomen.

Artikel 10. Beslistermijn

  • 1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de ASV, beslist het college op een aanvraag om subsidie binnen acht weken nadat de uiterste aanvraagdatum, te weten 1 oktober, is verstreken.

  • 2. Het college kan de termijn genoemd in het eerste lid eenmaal met ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 11. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1. Jaarlijks wordt door de gemeenteraad de programmabegroting vastgesteld met daarin een verdeling van de beschikbare middelen per subsidieregeling. De aldus in de programmabegroting opgenomen middelen gelden voor deze subsidieregeling als subsidieplafond in de zin van artikel 4:22 van de Awb.

  • 2. De verdeling van het subsidieplafond voor subsidies die conform artikel 9, eerste lid, zijn aangevraagd voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, vindt plaats op basis van een verdeling naar rato over de subsidieaanvragen die voor toewijzing in aanmerking zouden komen als hierdoor het subsidieplafond niet zou worden overschreden. De subsidieaanvragen die voor de voorgeschreven aanvraagdatum zijn ontvangen en die voldoen aan de eisen voor het doen van de aanvraag om subsidie, worden eerst getoetst aan de overige artikelen van de ASV. Als de beoordeling op grond van de ASV geen aanleiding geeft om de aanvraag af te wijzen, wordt de aanvraag getoetst aan deze subsidieregeling. Indien het totaalbedrag van de aanvragen die na deze toetsing voor toewijzing in aanmerking komen het subsidieplafond overschrijdt, worden de beschikbare middelen naar rato over de aanvragen verdeeld, tot het maximum van het subsidieplafond.

Artikel 12. Bevoorschotting

  • 1. In afwijking van artikel 13, eerste tot en met derde lid, van de ASV, geldt dat het subsidiebedrag voor het eind van ieder kwartaal in vier gelijke delen als voorschot wordt uitbetaald.

  • 2. De hoogte van het voorschot kan tussentijds worden aangepast als de rapportage bedoeld in artikel 13 daartoe aanleiding geeft.

Artikel 13. Rapportage

  • 1. In het kader van de verplichting bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de ASV dient elke subsidieontvanger binnen vier weken na afloop van ieder kwartaal een rapportage in met daarin gegevens die nodig zijn voor:

    • a.

      het controleren van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten;

    • b.

      het bepalen van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten in relatie tot het voorschot, bedoeld in artikel 12, eerste lid;

    • c.

      de uiteindelijke vaststelling van de subsidie na afloop van het subsidiejaar.

  • 2. De gegevens worden door de subsidieontvanger aangeleverd via het monitorsysteem bedoeld in artikel 15, eerste lid.

Artikel 14. Aanvraag tot vaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 15, tweede lid, onder b en artikel 16, tweede lid, onder b van de ASV, dient de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling een overzicht in van het aantal peuters waarvoor een subsidie is verleend, waarbij gespecificeerd wordt:

    • a.

      het aantal peuters zonder een VVE-indicatie inclusief contractueel afgenomen aantal uren, uitgesplitst naar KOT-ouders en niet-KOT-ouders;

    • b.

      het aantal peuters met een VVE-indicatie inclusief contractueel afgenomen aantal uren, uitgesplitst naar KOT-ouders en niet-KOT-ouders.

  • 2. In aanvulling op artikel 15, tweede lid, van de ASV, dient de subsidieontvanger tevens een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant, te overleggen bij zijn aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

  • 3. In afwijking van artikel 16, tweede lid, onder c van de ASV, hoeft de subsidieontvanger geen balans van het afgelopen subsidiejaar te overleggen bij zijn aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 15. Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de gegevens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, aan te leveren via een door het college bekostigd monitorsysteem. De informatie over dit systeem wordt door het college aan de subsidieontvanger verstrekt bij het besluit waarmee de subsidie wordt verleend. Het gebruik van genoemd monitorsysteem is kosteloos voor de subsidieontvanger.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht een aansluitovereenkomst af te sluiten met de leverancier van het monitorsysteem bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De aansluitovereenkomst bedoeld in het tweede lid geeft aan welke gegevens in het monitorsysteem ingevoerd dienen te worden. De subsidieontvanger is verplicht al deze gegevens, compleet, te verstrekken.

  • 4. Aanvullend op de landelijke kwaliteitseisen gelden voor subsidieontvangers de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger werkt met een observatiesysteem om de ontwikkeling van peuters te volgen op de domeinen sociaal-emotioneel, taal/geletterdheid en rekenen, gerelateerd aan de kerndoelen van het primair onderwijs;

    • b.

      de subsidieontvanger moet zich inspannen om persoonlijk contact te hebben met de basisschool bij de overgang van peuters over wie beroepskrachten in dienst van de subsidieontvanger zorgen hebben;

    • c.

      als de subsidieontvanger deel uit maakt van een IKC is hij verplicht om persoonlijk contact te hebben met de basisschool bij de overgang van alle peuters met een opvallende ontwikkeling.

    • d.

      als de subsidieontvanger deel uit maakt van een IKC, maakt de subsidieontvanger gebruik van de zorgstructuur van de basisschool;

    • e.

      beroepskrachten in dienst bij de subsidieontvanger weten de juiste stappen te zetten als zij over de ontwikkeling van een peuter opvallende of afwijkende signalen krijgen. In die gevallen heeft de subsidieontvanger een aantoonbare samenwerking met het CJG-team;

    • f.

      de subsidieontvanger maakt gebruik van het SISA-systeem voor het melden van signalen die duiden op een verstoring van de ontwikkeling van een kind;

    • g.

      de subsidieontvanger informeert ouders/verzorgers over zijn beleid en activiteiten op het gebied van peuteropvang. Dit gebeurt onder meer via de website van de subsidieontvanger, nieuwsbrieven, op haal- en brengmomenten en tijdens tienminutengesprekken of andere activiteiten en bijeenkomsten gericht op ouders/verzorgers.

  • 5. Aanvullend op de landelijke kwaliteitseisen en de verplichtingen uit het vierde lid, gelden voor VVE-peuteropvang de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger werkt met een VVE-programma dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut en gericht is op het stimuleren van de domeinen taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling;

    • b.

      alle beroepskrachten in dienst bij de subsidieontvanger beschikken over ten minste taalniveau 2F voor schrijfvaardigheid.

  • 6. Bij de subsidieverlening kunnen aan de subsidieontvanger nog andere verplichtingen worden opgelegd.

Artikel 16. Slotbepalingen

  • 1. De Subsidieregeling Peuteropvang 2019 wordt ingetrokken.

  • 2. Deze subsidieregeling treedt in werking op 1 augustus 2020.

  • 3. Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling peuteropvang 2020.

Ondertekening

Capelle aan den IJssel, 14 juli 2020.

Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,

de secretaris,

drs. A. de Baat

de burgemeester,

mr. P. Oskam

Artikelsgewijze toelichting

Algemeen

Deze subsidieregeling is opgesteld om uitvoering te geven aan de gemeentelijke voorschoolse inzet op het gebied van onderwijskansen, zoals beschreven in ‘Kansen voor ieder kind, notitie onderwijskansenbeleid’, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 april 2020.

Deze regeling bevat op onderdelen specifieke aanvullingen of wijzigingen op de ASV.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In de begripsomschrijving van ‘peuter’ wordt een onderscheid gemaakt tussen kinderen van 2 tot 4 jaar en kinderen van 2,5 tot 4 jaar. De reden voor dit onderscheid is dat kinderen behorende tot de VVE-doelgroep vanwege gemeentelijk beleid al vanaf hun tweede jaar in aanmerking komen voor gesubsidieerde peuteropvang.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

Artikel 3. Activiteiten

Zoals blijkt uit de omschrijving van het begrip peuter in artikel 1 wordt alleen subsidie verleend voor het bieden van opvang aan een peuter die staat ingeschreven op een adres in de gemeente Capelle aan den IJssel en die ook feitelijk in de gemeente woont.

Wat betreft de wettelijke verplichting die is vermeld in het derde lid van dit artikel: met ingang van 1 augustus 2020 is het voor gemeenten verplicht om een VVE-aanbod te doen van 960 uur aan peuters behorende tot de VVE-doelgroep in de periode waarin zij tussen de 2,5 en 4 jaar oud zijn. Uitgaande van maximaal 16 uur VVE-peuteropvang per week en van 40 weken per jaar, komt dit aanbod uit op 960 uur in 60 weken.

De gemeente legt de verplichting om aan de VVE-doelgroep een aanbod te doen van 960 uur neer bij de subsidieontvanger. Of er al dan niet volledig van dit aanbod gebruik wordt gemaakt, is een keuze van de ouders/verzorgers. Uiteraard verstrekt het college alleen subsidie voor de uren die een peuter daadwerkelijk naar een voorschoolse voorziening gaat. Als bij de verantwoording blijkt dat er een te hoog voorschot voor deze groep peuters is afgegeven, dan wordt de teveel betaalde subsidie teruggevorderd.

Voor peuters uit de VVE-doelgroep in de leeftijd van 2 tot 2,5 jaar geldt de wettelijke aanbodverplichting niet. De uren die deze peuters gebruik maken van VVE-peuteropvang tellen niet mee voor de 960-uurverplichting.

Artikel 4. Prestatieafspraken

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

Artikel 5. Subsidieontvanger

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

Artikel 6. Hoogte van de subsidie

De gemeentelijke subsidie is een bedrag per uur en kan uit verschillende componenten bestaan:

  • -

    een aanvulling op de inkomensafhankelijke ouderbijdrage tot het normtarief voor kinderopvang in geval ouders/verzorgers niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag;

  • -

    een opslag bovenop het normtarief voor kinderopvang. Dit opslagbedrag wordt jaarlijks door het college vastgesteld en met subsidieaanvragers gecommuniceerd;

  • -

    een vergoeding van alle kosten voor het negende tot en met zestiende uur dat ouders/verzorgers met kinderen uit de doelgroep van voorschoolse educatie van de peuteropvang gebruik maken, ongeacht of zij wel of niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag.

Artikel 7. Subsidieduur

Er wordt subsidie verstrekt voor maximaal veertig schoolweken. Er wordt geen subsidie verleend voor een periode langer dan veertig weken.

Artikel 8. Aanvraag

Bij een aanvraag om subsidie hoeft de aanvrager niet te voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, tweede lid, onder a tot en met c van de ASV. Wat er wél wordt gevraagd staat beschreven in dit artikel. Door het invullen van het door het college vastgestelde aanvraagformulier met bijlage(n) geeft de aanvrager alle benodigde informatie.

Artikel 9. Aanvraagtermijn

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

Artikel 10. Beslistermijn

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

Artikel 11. Subsidieplafond en wijze van verdeling

De raad stelt met een subsidieplafond voor (VVE-)peuteropvang een maximum aan het bedrag dat voor subsidies beschikbaar is. Als het totaal van de aanvragen die voor toewijzing in aanmerking komen het subsidieplafond overschrijdt, worden de beschikbare middelen naar rato over de aanvragen verdeeld, tot het maximum van het subsidieplafond.

Om te bepalen of een aanvraag voor toewijzing in aanmerking komt, wordt eerst onderzocht of de aanvragen op tijd zijn ingediend en compleet zijn, alsmede of zij voldoen aan de overige eisen die in de ASV worden gesteld. In dit kader wordt ook afgewogen of er een reden is om de aanvraag af te wijzen op grond van een van de afwijzingsgronden van artikel 9 van de ASV. Vervolgens worden de aanvragen getoetst aan deze subsidieregeling. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of de aanvraag activiteiten betreft die op grond van de subsidieregeling in principe kunnen worden gesubsidieerd en of de aanvrager behoort tot de doelgroep van de subsidieregeling. Als het totaalbedrag van de aanvragen die na deze procedure zouden kunnen worden toegewezen het bedrag van het subsidieplafond overschrijdt, wordt dit bedrag naar rato verdeeld.

Artikel 12. Bevoorschotting

In het tweede lid van dit artikel staat beschreven dat de hoogte van het voorschot tussentijds kan worden aangepast als uit de tussentijdse verantwoording blijkt dat de subsidieontvanger minder peuters opvangt dan hij bij de aanvraag heeft voorzien. De hoogte van het aangepaste voorschot zal dan worden gebaseerd op het subsidiebedrag zoals dat, gezien de werkelijk geplaatste peuters, waarschijnlijk uiteindelijk zal worden vastgesteld.

Artikel 13. Rapportage

Normaliter moet een partij die een subsidie ontvangt van € 50.000 of hoger op grond van de ASV één keer per jaar, uiterlijk op 1 september, een tussenrapportage aanleveren. In plaats van de tussenrapportage dient iedere subsidieontvanger per kwartaal een rapportage aan te leveren.

Deze kwartaalrapportage bestaat uit gegevens die de subsidieontvanger moet uploaden in een daarvoor bestemd monitorsysteem. Uitleg over dit systeem staat beschreven in artikel 15 en de toelichting daarop.

Artikel 14. Aanvraag tot vaststelling

Het overzicht bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt automatisch opgemaakt wanneer de subsidieontvanger het monitorsysteem gebruikt (beschreven in artikel 15). Dit overzicht wordt opgesteld aan de hand van de datasets die de subsidieontvanger per kwartaal aanlevert.

Doordat het monitorsysteem een koppeling maakt tussen de verschillende groepen peuters en het aantal uren dat zij gebruik maken van de voorschoolse voorziening en de daarbij behorende subsidies, dient dit overzicht als financiële verantwoording bij de aanvraag tot vaststelling.

Artikel 15. Verplichtingen

Het eerste tot en met derde lid van dit artikel hebben betrekking op het gebruiken van het door het college bekostigde monitorsysteem. De subsidieontvanger is verplicht om bij het indienen van een kwartaalrapportage (zie artikel 13) gebruik te maken van dit systeem. Er is geen andere manier mogelijk om kwartaalrapportages in te dienen. Het college betaalt de (licentie)kosten voor het gebruik van dit monitorsysteem. Voor de subsidieontvanger zijn hier dus geen kosten aan verbonden.

De subsidieontvanger is verplicht een aansluitovereenkomst af te sluiten met de leverancier van het monitorsysteem. In deze aansluitovereenkomst worden onder andere afspraken vastgelegd over de exacte (persoons)gegevens die moeten worden aangeleverd en de beveiliging, verwerking en vernietiging van de gegevens.

Ter informatie: het college heeft een verwerkersovereenkomst en hoofdovereenkomst afgesloten met de leverancier van het monitorsysteem. De verwerkersovereenkomst ziet toe op de juiste verwerking van de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (UAVG).

In het vierde en vijfde lid van dit artikel staan aanvullende verplichtingen op landelijke wet- en regelgeving met betrekking tot de kwaliteit van peuteropvang, zoals vastgelegd in de Wet kinderopvang, de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang, het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en het inspectiekader van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD).

In het vierde lid, onder g, kan bij het beleid en de activiteiten waarover de subsidieontvanger geacht wordt met ouders/verzorgers te communiceren bijvoorbeeld worden gedacht aan (wijzigingen in) het pedagogische beleid en praktijk, het VVE-programma en inspraak- en klachtenmogelijkheden voor ouders/verzorgers.

Artikel 16. Slotbepalingen

Dit artikel spreekt voor zichzelf.