Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Westerveld houdende regels omtrent jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld)

Geldend van 08-08-2020 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2020

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Westerveld houdende regels omtrent jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld)

LEESWIJZER

In deze leeswijzer maken we u wegwijs in de verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In de verordening staat wat het college van burgemeester en wethouders (het college) van de gemeente Westerveld voor u kan doen wanneer u jeugdhulp nodig heeft of maatschappelijke ondersteuning. En u leest ook welke voorwaarden en regels er gelden. Het college voert de regels uit. Het college moet in deze verordening rekening houden met doelen en regels die landelijk zijn afgesproken. Daarnaast heeft het college haar eigen doelen en regels. U leest daar alles over in hoofdstuk 2.

Wilt u van jeugdhulp gebruik maken, dan is het goed om te weten welke stappen u daarvoor moet zetten. Wilt u van maatschappelijke ondersteuning gebruik maken dan moet u ook weten welke stappen u moet zetten. U leest alles over deze stappen, of procedures, in hoofdstuk 3, 4 en 5.

Natuurlijk wilt u graag weten wat u van het college mag verwachten bij jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning. Daarover leest u meer in hoofdstuk 6.

Heeft u vragen of wilt u graag hulp van een onafhankelijke deskundige, dan heeft u recht op gratis hulp van een zogenaamde Onafhankelijke Cliënt Ondersteuner. Informatie hierover staat in hoofdstuk 3 van deze verordening.

U kunt ook kijken op de website van de gemeente Westerveld: www.gemeentewesterveld.nl

HOOFDSTUK 1: BEGRIPPEN

In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?

  • Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.

  • Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.

  • Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.

  • Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.

1.1. Begrippen

Jeugdwet

Wmo

andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.

Algemene Kinderbijslagwet: Deze wet bepaalt dat iedereen die in Nederland woont of werkt, recht heeft op kinderbijslag voor de eigen, stief- of pleegkinderen tot 16 jaar die tot zijn huishouden behoren of die door hem worden onderhouden.

Algemene wet bestuursrecht: deze wet bevat algemene regels voor de verhouding tussen de overheid en inwoners, bedrijven en dergelijke.

bemoeizorg: een vorm van hulpverlening die zich richt op zorgmijders: mensen die in behoeftige omstandigheden leven maar de stap naar de reguliere hulpverlening nog niet kunnen, of niet meer willen maken. Bemoeizorg is gericht op het toe leiden naar zorg of hulp.

CIZ: Centrum indicatiestelling Zorg

collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).

college: college van Burgemeester en Wethouders

fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op hulp-op-maat is, en om de duur en hoogte van die hulp-op-maat vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt.

gebruikelijke hulp: hulp die in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten van de persoon die hulp vraagt. Hierbij kan worden gedacht aan de partner, ouders, inwonende kinderen en anderen met wie de cliënt samen voor een langere tijd een woning bewoont. Het gaat bijvoorbeeld om het helpen met eten koken, stofzuigen, kinderen aankleden en naar school brengen.

gemeenteraad: Zelfstandig onderdeel van de Nederlandse staat met zelfbestuur en autonomie. In de tekst wordt hiermee bedoeld: als besloten door de gemeenteraad

gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het resultaat dat hij wil bereiken bespreekt.

hulp: ondersteuning bij jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo

hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo en een voorziening die op een inwoner of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.

hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft.

inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 3.6 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen.

inwoner: de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van het college (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door het college, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van het college is ingeschreven.

jeugdhulp: Ondersteuning van en hulp en zorg aan inwoners en hun ouders bij psychische of psychosociale problematiek. Het stimuleren aan deelname aan de maatschappij van inwoners en het gezin en het ondersteuning bij of overname van activiteiten op het gebied van persoonlijke verzorging

jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener- en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft.

leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling.

medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt.

onderzoeksverslag: Het verslag, zoals in de Wet wordt bedoeld. Een plan van aanpak dat het college opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en het college mogelijke oplossingen aandraagt. In het onderzoeksverslag wordt de motivatie van het college weergegeven.

persoonlijke situatie: alle omstandigheden, persoonskenmerken en mogelijkheden die van belang zijn, inclusief de behoefte die de inwoner heeft.

persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd.

perspectiefplan: plan wat de overgang van 18- naar 18+ beschrijft met daarin de benodigde zorg. Dit wordt opgesteld door de jeugdhulpaanbieder.

Pgb: Persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen.

Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het Pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden.

professional: iemand die beroepsmatig hulp verleent.

puntbestemmingen: bestemmingen waar veel naar toe wordt gereisd, buiten de straal van 25 km. De puntbestemmingen betreffen:

  • Station Assen;

  • Station Beilen;

  • Station Hoogeveen;

  • Station Meppel;

  • Station Steenwijk;

  • Station Wolvega;

respijtzorg: zorg aan iemand die hulp nodig heeft, met als doel om diens mantelzorger(s) te ontlasten en vrijaf te geven.

sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers).

voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, Pgb of geldbedrag.

vrij toegankelijke hulp: hulp die beschikbaar is zonder verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts of besluit van het college.

Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

HOOFDSTUK 2: INLEIDING

2.1 Welke wetten? 

Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende wetten:

  • 1.

    Jeugdwet en;

  • 2.

    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

2.2 Waarom deze regels?

In Nederland vinden we de volgende doelen belangrijk:

  • 1.

    mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;

  • 2.

    mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;

  • 3.

    mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en

  • 4.

    kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.

De wetgever heeft wetten gemaakt om deze doelen te bereiken.

Het is de taak van het college om haar inwoners te helpen bij het bereiken van de doelen. Welke regels hiervoor gelden zijn vastgesteld in deze verordening. De regels in de verordening vullen de wettelijke regels in de Wmo en Jeugdwet aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld.

De Adviesraad Sociaal Domein (ASD)heeft over deze regels op 20 maart 2020 een advies gegeven. Dat advies is te vinden in de bijlage bij deze verordening.

2.3 Uitgangspunten

De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels:

  • 1.

    zijn bedoeld om de doelen van de Jeugdwet en Wmo te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen;

  • 2.

    zijn goed leesbaar;

  • 3.

    regelen niet meer dan nodig is;

  • 4.

    houden de administratieve lasten van college en inwoners zo laag mogelijk;

  • 5.

    kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners;

  • 6.

    zijn onderling afgestemd op elkaar;

  • 7.

    respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de bedoeling van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.

2.4 Kernwaarden

Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt het college rekening met de doelen van de Jeugdwet en Wmo. Het college zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit past bij deze doelen. Het college past de volgende kernwaarden toe:

  • 1.

    inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de genoemde doelen;

  • 2.

    inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken;

  • 3.

    het college helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk);

  • 4.

    kwetsbare groepen hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving.

  • 5.

    per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen.

  • 6.

    De begrippen in deze verordening, worden toegelicht in hoofdstuk 1

2.5 Artikel en wet

Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel is aangegeven welke wetten op dat artikel van toepassing zijn.

Het betreft de Jeugdwet, de Wmo en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Jeugdwet

Wmo

Awb

Algemene Kinderbijslagwet

HOOFDSTUK 3: DE HULPVRAAG EN DE VERVOLGPROCEDURE

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan het college hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat het college van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één route is. Dit is de basis. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route.

3.1. Stap 1: Melding

Jeugdwet

Wmo

1. Indienen hulpvraag

Jeugdwet

Wmo

Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden. Inwoners kunnen zich hierbij laten ondersteunen door een gratis onafhankelijk cliëntondersteuner (paragraaf 4.4.). Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner in behandeling te nemen. De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:

  • a.

    schriftelijk, door de vraag per brief naar het college te sturen;

  • b.

    mondeling, via de balie in het gemeentehuis;

  • c.

    telefonisch, via het gemeentelijke nummer 14-0521;

  • d.

    digitaal, via het contactformulier op de website van de gemeente Westerveld

2. Ontvangstbevestiging

Jeugdwet

Wmo

Het college bevestigt de melding binnen 2 dagen per brief/e-mail aan de inwoner. In deze ontvangstbevestiging wordt uitgelegd hoe de werkwijze verder verloopt.

3. Persoonlijk plan

Jeugdwet

Wmo

De inwoner kan een persoonlijk plan maken. Het college is verplicht om het plan te bespreken bij het gesprek.

4. Cliëntondersteuning

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Verantwoordelijkheid gemeente

    Het college moet gratis onafhankelijke cliënt ondersteuning (OCO) bieden voor de inwoner en zijn mantelzorger. Het college is hierin verantwoordelijk op onderstaande gebieden:

    • a.

      Wmo-ondersteuning (zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving);

    • b.

      Jeugd en gezin;

    • c.

      Wonen;

    • d.

      Onderwijs;

    • e.

      Zorg gefinancierd door de zorgverzekeraar vanuit de Zvw;

  • 2.

    Hieraan wordt toegevoegd dat OCO in de gemeente Westerveld zich ook richt op ondersteuning bij bezwaar en beroep.

  • 3.

    OCO:

    • a.

      richt zich op vraagverheldering en verwijst door;

    • b.

      De persoon die aan vraagverheldering doet is onafhankelijk ;

    • c.

      Een traject duurt gemiddeld 6 weken;

  • 4.

    Financiering

    OCO is gebaseerd op subsidie en vrij toegankelijk. Het is daarom niet mogelijk hiervoor een persoonsgebonden budget te krijgen.

5. Gegevens

Jeugdwet

Wmo

Het college verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn. Als het gaat om gegevens die het college niet zelf kan inzien, dan vraagt het college aan de inwoner om die gegevens binnen 10 werkdagen te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.

3.2. Stap 2: Gesprek na melding

Jeugdwet

Wmo

1. Uitnodigen voor gesprek

Jeugdwet

Wmo

Een inwoner die zich heeft gemeld bij het college, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker. Dit kan (direct) telefonisch plaatsvinden of anders op een geschikte locatie

2. Doel en werkwijze gesprek

Jeugdwet

Wmo

Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van zijn persoonlijke situatie en het resultaat dat de inwoner wil bereiken. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een ondersteuner of familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.

3. Inhoud gesprek

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    De medewerker bespreekt met de inwoner welke resultaten hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker:

    • a.

      de behoefte van de inwoner: wat is de hulpvraag?

    • b.

      de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat?

    • c.

      de mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem.

    • d.

      de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?

    • e.

      in hoeverre er sprake is van gebruikelijk hulp. In hoofdstuk 3 en 4 wordt gebruikelijke hulp verder toegelicht.

  • 2.

    De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van het college om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren.

3.3. Stap 3: Onderzoek

Jeugdwet

Wmo

1. Advisering

Jeugdwet

Wmo

Het college zorgt ervoor dat de medewerker de deskundigheid heeft die nodig is om het onderzoek goed uit te voeren. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt het college ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt het college bij de beoordeling van hulpvraag. Het college stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2. Onderzoeksverslag

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Uit het onderzoeksverslag blijkt onder meer welk resultaat de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. Het onderzoeksverslag beschrijft de volgende onderdelen:

    • a.

      het college stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is;

    • b.

      het college stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn;

    • c.

      het college onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere (algemene)voorzieningen of organisaties;

    • d.

      het college bepaalt welke (aanvullende) hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste resultaatresultaat te bereiken. 

  • 2.

    De medewerker stuurt zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 6 weken na het gesprek de inwoner een onderzoeksverslag toe.

  • 3.

    Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het onderzoeksverslag, waardoor dit niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan stuurt hij de inwoner hierover een brief of mail.

3. Afzien van meldingsonderzoek

Jeugdwet

Wmo

Het college kan besluiten om af te zien van een meldingsonderzoek, indien alle benodigde informatie al bekend is. Te denken valt aan de situatie waarbij inwoners een herhaalde melding of aanvraag doen zonder nieuwe feiten of omstandigheden te melden.

3.4. Stap 4: Aanvraagprocedure

Jeugdwet

Wmo

1. Aanvraag Jeugdhulp

Jeugdwet

Het onderzoeksverslag wordt ondertekend en teruggestuurd door de inwoner. De ondertekening bevat twee onderdelen:

  • a.

    akkoord op de verslaglegging van het onderzoek; eventuele correcties kunnen worden aangegeven via de mail of in het verslag;

  • b.

    de aanvraag.

2. Aanvraag Wmo

Wmo

Bij een Wmo hulpvraag dient de inwoner een aanvraag in met een aanvraagformulier van het college. Dit kan digitaal en schriftelijk.

3. Beoordeling

Jeugdwet

Wmo

Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt het college alle gegevens die van belang zijn en in het onderzoeksverslag zijn opgenomen.

3.5. Stap 5: Beslissing

Jeugdwet

Wmo

1. Inhoud besluit

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Het doel van het besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Het college stelt het besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het onderzoeksverslag bevat de motivering voor het besluit.

  • 2.

    In het besluit wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is;

    • b.

      wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;

    • c.

      hoe en door wie de hulp wordt gegeven en;

    • d.

      welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden;

    • e.

      In geval van een Pgb hoe hoog het Pgb is;

    • f.

      Hoe de besteding van een Pgb verantwoord wordt.

  • 3.

    In hoofdstuk 5 wordt verder inhoud gegeven op welke manier ondersteuning kan worden gegeven en welke voorwaarden er worden gesteld aan zorg in natura en Pgb.

2. Beslistermijn

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Bij een aanvraag Jeugdhulp beslist het college binnen 8 weken na de aanvraag.

  • 2.

    Bij een aanvraag Wmo beslist het college binnen 2 weken na de aanvraag.

  • 3.

    De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als het college de aanvraag niet binnen de termijn kan behandelen.

3. Verval van recht

Jeugdwet

Wmo

Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen 6 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

3.6. Uitzonderingen

Jeugdwet

Wmo

1. Bemoeizorg

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Is er sprake van bemoeizorg waarbij duidelijk is dat de inzet van hulp-op-maat gewenst is dan kan het college afzien van de werkwijze in hoofdstuk 2. Zo kunnen inwoners die als gevolg van hun beperking zelf geen hulpvraag kunnen of willen stellen toch hulp krijgen.

  • 2.

    In de situatie van betreffende inwoner wordt regelmatig beoordeeld of er nog sprake van bemoeizorg is.

2. Spoedeisende situaties

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    In spoedeisende situaties zorgt het college ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, kan afgeweken worden van de normale procedure.

  • 2.

    Het kan dan gaan om de volgende hulp:

    • a.

      het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;

    • b.

      het vragen van een spoedmachtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;

    • c.

      het bieden van hulp-op-maat voor maatschappelijke ondersteuning.

3.Jeugdhulp via arts e.a.

Jeugdwet

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat de inwoner jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de inwoner doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over doorverwijzingen.

  • 3.

    Het college stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij het college zelf

HOOFDSTUK 4: JEUGDHULP

Kinderen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door het college. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te voorkomen en te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop.

4.1. Gebruikelijke hulp Jeugdhulp

Jeugdwet

1. Wat is gebruikelijke hulp?

Jeugdwet

Het college bekijkt eerst of er sprake is van gebruikelijk hulp. Dit betreft de normale dagelijkse hulp, zorg en begeleiding die de ouder(s) geacht worden te bieden aan de inwoner. Als uitgangspunt geldt dat ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en naar eigen inzicht opvoeden van hun kinderen (zorgplicht). Het halen en brengen van inwoners onder de 12 jaar binnen een straal van 6km valt onder gebruikelijke hulp.

2. Toetsing gebruikelijke hulp

Jeugdwet

Bij het toetsen of er sprake is van gebruikelijke hulp binnen de Jeugdwet maakt het college gebruik van de nieuwste CIZ-indicatiewijzer. Bij de jeugd-ggz maakt het college gebruik van de richtlijn, zoals opgenomen in het Handboek Indicatiestellingjeugd-ggz.

4.2. Algemene voorzieningen Jeugdhulp

Jeugdwet

1. Verschillende voorzieningen

Jeugdwet

Het college zorgt ervoor dat inwoners zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt het college alle inwoners, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met de volgende vrij toegankelijke hulp:

  • a.

    het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen;

  • b.

    informatie, advies en trainingen;

  • c.

    jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts);

  • d.

    jongerenwerk;

  • e.

    opvoedondersteuning;

2. Signalen over zorgen

Jeugdwet

Het college zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden

4.3. Hulp-op-maat

Jeugdwet

1. Hulp-op-maat

Jeugdwet

Het college kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden:

  • a.

    ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en cursussen;

  • b.

    een plek in een pleeggezin of verblijf in een instelling. Pleegzorg heeft hierbij de voorkeur;

  • c.

    specialistische jeugdhulp in de vorm van individuele of groepsbegeleiding, ondersteuning, specialistische diagnostiek en behandeling;

  • d.

    persoonlijke verzorging zonder hoog medisch risico;

  • e.

    vervoer van de inwoner van en naar een plek waar jeugdzorg wordt aangeboden;

2. Indicatie

Jeugdwet

Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, of een besluit van het college.

3. Afweging

Jeugdwet

De beschrijving en daarmee het afwegingskader van de mogelijke hulp-op-maat is te vinden op www.jeugdhulpzuiddrenthe.nl

4.4. Overgang van 18- naar 18+

Jeugdwet

1. Verantwoordelijkheid gemeente

Jeugdwet

Het college is er verantwoordelijk voor dat inwoners uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Op basis van een perspectiefplan (door de aanbieder met inwoner opgesteld voor de 18e verjaardag) kan de hulp aan de inwoner voortgezet worden in de Jeugdwet of de Wmo.

2. Perspectiefplan

Jeugdwet

Dit perspectiefplan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen:

  • a.

    scholing, werk of participatie;

  • b.

    wonen;

  • c.

    inkomen;

  • d.

    zorg en ondersteuning;

  • e.

    vrije tijd;

  • f.

    het netwerk van de jongeren.

3. Verlengde Jeugdhulp

Jeugdwet

Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd wanneer de hulp niet onder een andere wet zou kunnen doorlopen. Dit heet verlengde Jeugdwet. De jeugdhulp kan doorlopen tot maximaal het 23e levensjaar, als sprake is van één van de volgende 3 situaties:

  • 1.

    De inwoner ontving al jeugdhulp voor zijn 18e jaar en voortzetting van deze hulp is noodzakelijk;

  • 2.

    Voordat de inwoner 18 jaar werd is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is;

  • 3.

    Na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd, wordt binnen een termijn van een half jaar vastgesteld dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.

4. Verlengde Pleegzorg

Jeugdwet

De pleegzorg wordt standaard ingezet tot 21 jaar wanneer de inwoner in het gezin verblijft. Pleegzorg kan worden verlengd tot 23 jaar tenzij:

  • a.

    de pleegjongere na zijn/haar 18e zelf geen hulp meer wil;

  • b.

    de pleegjongere geen hulp meer nodig heeft;

  • c.

    de pleegjongere 23 jaar wordt.

4.5. Regeling zak- en kleedgeld

Jeugdwet

Algemene Kinderbijslagwet

1. Verantwoordelijkheid ouders

Jeugdwet

Ouders zijn in principe financieel verantwoordelijk voor het onderhouden van hun kind of kinderen. Het kan zijn dat ouders door financiële problemen niet in staat zijn om dit te doen. Het college kan dan een vervangende bijdrage voor zak- en kleedgeld verstrekken.

2. Regels

Jeugdwet

Het college toetst de situatie aan de volgende punten:

  • 1.

    de inwoner staat onder toezicht van een gezinsvoogd en kan niet meer thuis wonen. Een vertegenwoordiger van de plek waar de inwoner woont heeft minimaal één keer de ouder(s) aangeschreven en deze gewezen op de financiële verantwoordelijkheid en / of;

  • 2.

    de ouders kunnen voor minimaal 6 maanden niet voldoen aan hun financiële verantwoordelijkheid. Dit toetst het college aan het gezamenlijk inkomen en vermogen van de ouders en / of;

  • 3.

    het is in het belang van de inwoner om het contact over de bijdrage met ouders te vermijden en / of;

  • 4.

    de ouders wonen op een onbekende plaats.

3.Wie vraagt aan?

Jeugdwet

De gezinsvoogd vraagt de bijdrage aan. In de aanvraag maakt de gezinsvoogd de situatie duidelijk aan de hand van de punten die in lid 2 worden genoemd.

4. Algemene Kinderbijslagwet

Jeugdwet

Algemene kinderbijslagwet

De vervangende bijdrage voor zak- en kleedgeld is gelijk aan de maximale kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet

5. Afwijken

Jeugdwet

Het college kan van bovenstaande artikelen gemotiveerd afwijken als daar aanleiding voor is.

4.6. Afstemming met andere hulp

Jeugdwet

1. Aansluiting

Jeugdwet

Het college zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner of zijn ouders wordt gegeven volgens het principe 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. Om dat te bereiken maakt het college afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere betrokken personen of organisaties. Die afspraken gaan over:

  • a.

    procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp;

  • b.

    communicatie met andere organisaties en het college;

  • c.

    afbakening van taken en verantwoordelijkheden;

  • d.

    aansluiting tussen algemene voorzieningen en hulp-op-maat;

  • e.

    uitwisseling bij ernstige zorgen over veilig opgroeien van inwoners.

HOOFDSTUK 5: MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 

Voordat hulp wat door het college wordt ingezet, wordt onder andere bekeken in hoeverre er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarnaast kan ook worden bekeken of de inwoner gebruik kan maken van vrij toegankelijke onafhankelijke cliënt ondersteuning (OCO). De afgestemde professionele hulp die het college geeft is in principe ‘in natura’: het college zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld (een persoonsgebonden budget of Pgb) gefinancierd worden. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier het college de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer het college een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen.

Het college vindt het belangrijk dat inwoners binnen hun mogelijkheden mee kunnen doen. Dat kan vanuit een vrij toegankelijke voorziening die het college heeft geregeld. Daarnaast is soms hulp op maat nodig. Welke hulp dat kan zijn wordt verder in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen.

5.1. Gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning

Wmo

1. Gebruikelijke hulp bij zelfstandig leven en meedoen

Wmo

  • 1.

    Er is sprake van gebruikelijke hulp bij een kortdurende zorgsituatie, die een periode van maximaal drie maanden beslaat en waarin uitzicht is op herstel.

  • 2.

    In een zorgsituatie die langer dan drie maanden duurt wordt gebruikelijke hulp verwacht bij:

    • a.

      begeleiding op het terrein van maatschappelijke deelname. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van een huisarts, het bezoeken van sociale activiteiten;

    • b.

      begeleiding bij het normale maatschappelijke verkeer binnen de levenssfeer. In ieder geval betreft dit het bezoeken van vrienden, familie;

    • c.

      het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het doen van administratie.

2. Gebruikelijke hulp bij ondersteuning bij het huishouden

Wmo

Als de cliënt zijn/haar huishoudelijke taken niet meer kan uitvoeren wordt van de huisgenoten verwacht dat zij afhankelijk van de leeftijd deze taken overnemen wanneer zij daartoe in staat zijn.

3. Gebruikelijke hulp bij het verplaatsen

Wmo

Gebruikelijke hulp wordt verwacht bij:

  • 1.

    verplaatsingen met een incidenteel karakter die gepland kunnen worden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie, huisarts;

  • 2.

    structurele verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de intensiteit van de verplaatsingen en de dag invulling van de huisgenoot.

4. Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke hulp per leeftijdscategorie

Wmo

  • a.

    kinderen tot 5 jaar geen eigen bijdrage;

  • b.

    5-12 jaar kleine taken zoals opruimen, tafel dekken, afwassen en dergelijke;

  • c.

    12-18 jaar: Bovengenoemde taken aangevuld met bedden verschonen, stofzuigen en dergelijke;

  • d.

    18-23 jaar: moet een éénpersoonshuishouden kunnen voeren en alle voorkomende werkzaamheden kunnen verrichten;

  • e.

    vanaf 23 jaar moet iemand een meerpersoonshuishouden kunnen voeren met alle bijbehorende taken.

5. Uitzonderingen

Wmo

In de volgende situaties wordt ervan uitgegaan dat de huisgenoot minder gebruikelijke hulp biedt of kan bieden:

  • a.

    de huisgenoot is overbelast of dreigt te worden overbelast;

  • b.

    de huisgenoot heeft beperkingen en mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren;

  • c.

    de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting;

  • d.

    de huisgenoot is minimaal 3 etmalen per week niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter;

  • e.

    er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan stapeling van zorgtaken.

5.2. Algemeen gebruikelijke oplossingen

Wmo

  • 1.

    Wanneer algemeen gebruikelijk?

    Een oplossing is algemeen gebruikelijk als deze:

    • a.

      in betekenende mate wordt aangeschaft voor personen zonder beperking en;

    • b.

      financieel bereikbaar is voor personen met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum, al dan niet door reservering voor de kosten.

5.3. Algemene voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

Wmo

1. Welke voorzieningen?

Wmo

Het college zorgt ervoor dat inwoners binnen hun mogelijkheden mee kunnen doen. Om dat te bereiken kan het college alle inwoners en hun sociale netwerk in ieder geval helpen met:

  • a.

    welzijnsactiviteiten gericht op ontmoeting;

  • b.

    algemeen maatschappelijk werk;

  • c.

    collectieve dagbesteding;

  • d.

    collectieve rolstoelvoorzieningen;

  • e.

    collectieve vervoersvoorzieningen.

5.4. Hulp-op-maat

Wmo

  • 1.

    Doelen Hulp op maat

    Hulp op maat is een op de inwoner afgestemde maatwerkvoorziening en wordt (aanvullend)geboden als andere vormen van hulp niet of onvoldoende toereikend zijn. Hulp op maat richt zich op de volgende onderdelen:

    • a.

      een ingevulde dag hebben;

    • b.

      deelname aan de samenleving;

    • c.

      zelfstandig leven en wonen;

    • d.

      verplaatsen dichtbij huis;

    • e.

      geschikte woning;

    • f.

      huurderving;

    • g.

      een schone en leefbare woning;

    • h.

      beschermd wonen;

    • i.

      maatschappelijke opvang.

2. Een ingevulde dag hebben

Wmo

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, hulp-op-maat kunnen krijgen.

  • 2.

    De hulp-op-maat betekent dat inwoners mee kunnen doen aan begeleide groepsactiviteiten voor maximaal 10 dagdelen per week.

  • 3.

    De afwegingskaders staan vermeld in hoofdstuk 13.

3. Deelname aan de samenleving

Wmo

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om veilig de dag door te komen, hulp-op-maat kunnen krijgen.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-op-een of in een groep plaatsvinden. Het betekent, dat de begeleider toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën, maar neemt deze niet volledig over.

  • 3.

    In hoofdstuk 13 wordt verder ingegaan op de afwegingen die gemeente maakt bij het inzetten van hulp-op-maat.

4. Verplaatsen in en om de woning

Wmo

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat kunnen krijgen.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner.

5. Verplaatsen dichtbij huis

Wmo

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op maat kunnen krijgen.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan in het aanbieden van:

    • a.

      de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer;

    • b.

      een taxi;

    • c.

      een scootmobiel of;

    • d.

      het gebruikmaken van een vervoermiddel.

  • 3.

    Voor het gebruik van collectief taxivervoer geldt een kilometergrens van 2.000 kilometer per jaar.

  • 4.

    De kilometergrenzen in dit artikel gelden voor ritten binnen de regio.

  • 5.

    het lokaal verplaatsen rond de woning gaat tot een straal van 25 kilometer rond de woning, met uitzondering van puntbestemmingen.

  • 6.

    Het college kan afwijken van het maximaal aantal kilometers. Dit moet wel goed worden uitgelegd.

  • 7.

    Al naar gelang de behoefte van de inwoner kan het college puntbestemmingen wijzigen. Het college moet dat in dat geval goed communiceren.

6. Geschikte woning

Wmo

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. Dit gebeurt door de noodzakelijke gebruiksruimten bouwkundig aan te passen.

  • 3.

    Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt door het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning.

  • 4.

    Geen bouwkundige aanpassing wordt verricht aan ruimten die moeten worden gerenoveerd. Hiervoor wordt een termijn van 20 jaar gehanteerd.

  • 5.

    Als de woning door een aanpassing wordt vergroot dan moet de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpassen.

  • 6.

    Bij verkoop van een woning binnen 10 jaar (of 120 maanden) na verstrekkingsdatum van de hulp-op-maat dient het bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald. Bij verkoop van de woning moet de woningeigenaar dat binnen één week melden. Het afschrijvingsschema luidt als volgt:

    • a.

      tussen 1-24 maanden 100%;

    • b.

      tussen 25-48 maanden 80%;

    • c.

      tussen 49-72 maanden 60%;

    • d.

      tussen 73-96 maanden 40;

    • e.

      tussen 97-120 maanden 20%;

    • f.

      na 120 maanden 0%.

  • 7.

    De laatste versie van Het Handboek toegankelijkheid van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland ofwel CG-Raad wordt bij het vaststellen van de aanpassing als afwegingskader gehanteerd.

7. Gemeenschappelijke ruimten

Wmo

  • 1.

    Wanneer een (woon)ruimte is bedoeld voor een bepaalde doelgroep (conform het geldende bestemmingsplan), dan kan van de woningeigenaar of vereniging van eigenaren worden verwacht dat deze (woon)ruimte met de volgende aanpassingen daarvoor is uitgevoerd:

    • a.

      het toegankelijk maken van gemeenschappelijke toegangsdeuren;

    • b.

      het voorzien van stallingsmogelijkheid voor vervoersvoorzieningen op adequate loopafstand;

    • c.

      het verwijderen van drempels;

    • d.

      het voorbereiden van toegangsdeuren op elektrisch openen;

    • e.

      het voorbereiden van woningen op domotica.

  • 2.

    Indien gemeenschappelijke ruimten toch moeten worden aangepast zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor een ieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind.

  • 3.

    Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.

8. Huurderving

Wmo

  • 1.

    Het verstrekken van de tegemoetkoming in de kosten van huurderving betreft alleen de periode dat de woonruimte van de aanvrager ten gevolge van het verrichten van een woningaanpassing niet bewoond kan worden en daardoor voor dubbele woonlasten komt te staan. De tegemoetkoming wordt alleen verleend als de aanvrager niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben.

  • 2.

    De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van huurderving bedraagt de werkelijke kosten gedurende maximaal zes maanden waarbij de eerste twee maanden niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Voorwaarde voor het verstrekken van de tegemoetkoming is dat de woning voor meer dan €4.800,- moet zijn aangepast.

9. Verhuizen

Wmo

  • 1.

    Als de woning van de inwoner niet of slechts tegen hoge kosten (meer dan €6.500,-) aangepast kan worden, weegt het college af of verhuizen een passende oplossing is.

  • 2.

    Het college zorgt voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten als de inwoner met een hulpvraag verhuist naar een geschikte(re) woning. De hoogte van het bedrag staat vermeld in hoofdstuk 13.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Mocht het college over gaan tot het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding, dan heeft iemand 18 maanden om een geschikte woning te vinden. Deze moet voldoen aan een vooraf opgestelde programma van eisen. Het college ziet het vinden van een geschikte woning primair als de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.

10. Een schone en leefbare woning

Wmo

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, toilet, trap en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, het doen van boodschappen, het zorgen voor eten en drinken, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de hulp-op-maat.

  • 3.

    Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van Huishoudelijke Ondersteuning.

  • 4.

    Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook uit het overnemen van de gebruikelijke zorgtaken van deze kinderen bestaan.

  • 5.

    5. Bij het vaststellen van het benodigde aantal uren / minuten maakt het college gebruik van het Normenkader Huishoudelijke Hulp van bureau HHM. Het normenkader is te vinden op https://www.hhm.nl/actueel/handreiking-normenkader-huishoudelijke-ondersteuning.

  • 6.

    De afwegingskaders binnen dit normenkader maken onderdeel uit van deze verordening.

11. Beschermd wonen

Wmo

Tot en met 2021 zijn de uitvoerende taken beschermd wonen inclusief toezicht belegd bij de centrumgemeente Assen. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de laatst geldende verordening van de gemeente Assen. Deze verordening is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Assen.

12. Maatschappelijke opvang

Wmo

Tot en met 2021 zijn de uitvoerende taken maatschappelijke opvang inclusief toezicht belegd bij de centrumgemeente Assen. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de laatst geldende verordening van de gemeente Assen. Deze verordening is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Assen.

5.5. Mantelzorg

Wmo

1. Ondersteuning mantelzorger

Wmo

Het college zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven in een situatie waarin steeds toezicht nodig is, hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden.

2. Mantelzorgwaardering

Wmo

  • 1.

    Het college waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt het college een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.

  • 2.

    De mantelzorgwaardering heeft de volgende vorm:

    • a.

      in de vorm van vouchers;

    • b.

      maatwerk.

  • 3.

    Voorwaarden mantelzorgwaardering

    • 1.

      Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door degene die mantelzorg verleent aan een inwoner.

    • 2.

      De mantelzorger verleent langdurig (8 uur per week en langer dan 3 maanden) en onbetaald zorg.

    • 3.

      Degene die mantelzorg verleent hoeft geen inwoner van Westerveld te zijn.

    • 4.

      een waardering kan worden aangevraagd via https://www.welzijnmw.nl/waarderingwesterveld/

      • a.

        Een medewerker kan ook een mantelzorger aanmelden;

      • b.

        Een waardering in de vorm van maatwerk wordt getoetst.

HOOFDSTUK 6: VORMEN VAN ONDERSTEUNING EN EIGEN BIJDRAGE

De afgestemde professionele hulp die het college geeft is in principe ‘in natura’: het college zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp door de inwoner zelf worden geregeld en dat het college dat vergoedt in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb). In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier het college de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer het college een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen

6.1. Zorg in natura

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Uitgangspunten

    • 1.

      De inwoner die hulp van het college krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen verstrekt.

    • 2.

      Het college zorgt ervoor dat de leverancier van een dienst of product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.

    • 3.

      Het college zorgt ervoor dat de leverancier van een dienst of product (indien van toepassing) de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft.

    • 4.

      De leverancier informeert de inwoner over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product.

6.2. Persoonsgebonden budget (Pgb)

Jeugdwet

Wmo

1. Uitgangspunten

Jeugdwet

Wmo

In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (Pgb) krijgen als voldaan is aan de voorwaarden die de wet (Wmo / jeugdwet) stelt.

  • 1.

    Het Pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het Pgb kan niet besteed worden aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      ondersteuning door anderen bij het aanvragen en beheren van een Pgb-administratie;

    • c.

      kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s);

    • d.

      een vrij besteedbaar bedrag.

  • 2.

    Een Pgb is mogelijk wanneer naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Pgb.

  • 3.

    Het Pgb wordt door het college vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het Pgb dat de inwoner heeft gemaakt (Pgb-plan). Het college levert een vast format voor het Pgb-plan aan. In het format staan de kwaliteitseisen voor een Pgb beschreven. Hierin legt de inwoner uit wat de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten zijn. De activiteiten worden verbonden aan de doelen. Er wordt inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen.

  • 4.

    Als de hulp wordt gegeven door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt dit altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien en geldt het informele tarief. Wordt de hulp gegeven door een ander uit het sociale netwerk die beroepsmatig de hulp verleent, dan gelden de regels voor beroepsmatig verleende hulp en geldt het professionele tarief.

  • 5.

    Hulp uit het sociale netwerk is alleen mogelijk als deze persoon kan motiveren dat de hulp niet tot overbelasting leidt, en dat de inwoner zelf kan inkopen en zelf kan beheren.

  • 6.

    Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon of organisatie verantwoorde dienstverlening kan leveren.

  • 7.

    Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden:

    • a.

      problematische schuldenproblematiek;

    • b.

      ernstige verslavingsproblematiek;

    • c.

      aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

    • d.

      een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

    • e.

      een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

    • f.

      een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

    • g.

      het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

    • h.

      twijfels op overige gronden over de Pgb-vaardigheid.

  • 8.

    Wanneer er sprake is van een vertegenwoordiger, dan wordt de Pgb vaardigheid van de vertegenwoordiger beoordeeld. Een vertegenwoordiger kan alleen de aan het Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren wanneer:

    • a.

      Wanneer hij niet zelf de ondersteuning uitvoert en ook geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning.

    • b.

      er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.

  • 9.

    Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring om het beheer van het Pgb op verantwoorde wijze uit te voeren.

2. Geen Pgb

Jeugdwet

Wmo

Het college verstrekt geen Pgb in de volgende situaties:

  • a.

    de kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was;

  • b.

    er is sprake van een spoedeisende situatie;

  • c.

    het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer.

3. Pgb tarieven

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    De Pgb tarieven van producten en diensten voor hulp-op-maat zijn weergegeven in hoofdstuk 12. De wijze van totstandkoming hiervan zijn weergegeven in hoofdstuk 12. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een Pgb Professioneel tarief en een Pgb informeel tarief (sociaal netwerk).

  • 2.

    Als de Pgb tarieven veranderen ten gevolge van een aanbestedingstraject worden deze door de gemeenteraad vastgesteld.

  • 3.

    De hoogte van het Pgb voor beroepsmatig verleende hulp (Pgb professionele tarief) bedraagt maximaal 100% van het tarief voor gecontracteerde hulp in natura. Als uit het Pgb-plan blijkt dat de hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht wordt dat tarief gehanteerd.

  • 4.

    Het ZZP tarief Huishoudelijke ondersteuning is gebaseerd op 75% van het professionele tarief. Dit omdat voor schoonmaken geringe opleidingskosten zijn verbonden en de ZZP’er niet de overheadkosten heeft die een bedrijf met meerdere personeelsleden wel heeft.

  • 5.

    De hoogte van het Pgb voor hulp door personen uit het sociale netwerk (informeel tarief) is 50% van het laagste toepasselijke tarief dat een door het college gecontracteerde aanbieder hiervoor zou hanteren tot een maximum van €20,- per uur. Deze methodiek is afgeleid van de methodiek binnen de Wet langdurige zorg (Wlz)

4. Indexering

Jeugdwet

Wmo

De Pgb tarieven die in hoofdstuk 13 worden vermeld worden jaarlijks door het college geïndexeerd volgens de methodiek die in hoofdstuk 13 staat aangegeven.

5. Eigen bijdrage

Wmo

  • 1.

    Het college vraagt voor hulp-op-maat aan de inwoner een eigen bijdrage. Dat gebeurt bij:

    • a.

      een ingevulde dag hebben;

    • b.

      deelname aan de samenleving;

    • c.

      verplaatsen in en om de woning;

    • d.

      verplaatsen dichtbij huis;

    • e.

      geschikte woning.

  • 2.

    Het college hanteert het landelijk geldende abonnementstarief.

6. Uitzonderingen

Wmo

Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd zolang:

  • 1.

    De inwoner getrouwd is of een partner heeft en minimaal één van beiden de AOW leeftijd nog niet heeft bereikt;

  • 2.

    de hulpvraag nog moet worden onderzocht;

  • 3.

    er sprake is van bemoeizorg;

  • 4.

    er sprake is van respijtzorg;

  • 5.

    er sprake van kosten voor:

    • a.

      een (sport)rolstoel;

    • b.

      verhuis- en inrichtingskosten;

    • c.

      collectief vraagafhankelijk vervoer;

    • d.

      huurderving;

    • e.

      hulp-op-maat voor een inwoner onder de 18 jaar.

  • 6.

    Het gezinsinkomen van de inwoner tot 110% van de geldende bijstandsnorm behoort.

HOOFDSTUK 7: AFSPRAKEN TUSSEN INWONER EN HET COLLEGE

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop het college en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop het college zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan het college maatregelen treffen.

7.1. De rol van het college en inwoner

Jeugdwet

Wmo

1. Oplossing

Jeugdwet

Wmo

Het college zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Het college en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. Het college zorgt in ieder geval voor het volgende:

  • 1.

    Het college respecteert de privacy van de inwoner.

  • 2.

    Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen het college aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

  • 3.

    Het college wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.

2. Medewerking

Jeugdwet

Wmo

De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent in ieder geval het volgende:

  • 1.

    De inwoner informeert het college zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner.

  • 2.

    Als er al hulp-op-maat is gegeven dan informeert de inwoner het college zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat hierop van invloed kan zijn.

3. Beëindiging hulp-op-maat

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Het college kan een hulp-op-maat gemotiveerd beëindigen als:

    • a.

      de hulp-op-maat niet langer passend of nodig is;

    • b.

      de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de hulp-op-maat zijn verbonden;

    • c.

      de hulp-op-maat is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;

    • d.

      het college niet langer kan vaststellen of de hulp-op-maat kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de hulp-op-maat;

    • e.

      de inwoner niet binnen 6 maanden gebruik heeft gemaakt van de hulp-op-maat.

  • 2.

    De hulp-op-maat kan met terugwerkende kracht worden ingetrokken.

4. Terugvordering hulp-op-maat

Jeugdwet

Wmo

Het college kan de hulp-op-maat of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 7.1. lid 3 sub 1.

5. Controle

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Het college kan naar aard van het onderwerp controleren en onderzoeken of de inwoner recht heeft op de hulp-op-maat en of hij de juiste hulp-op-maat heeft aangevraagd of ontvangt. Het college kan daarvoor gebruik maken van:

    • a.

      (on)aangekondigde huisbezoeken;

    • b.

      signalen en tips van organisaties of particulieren;

    • c.

      overige onderzoeksmethoden.

  • 2.

    De controle van de hulp-op-maat is ook bedoeld om de kwaliteit van de hulp-op-maat te beoordelen en om te kijken of de hulp-op-maat op de juiste manier wordt uitgevoerd of gebruikt.

  • 3.

    Bij beëindiging van de hulp-op-maat op verzoek van de inwoner, onderzoekt het college wat de reden is van de beëindiging. Het college gaat ook na of de hulp-op-maat tot de einddatum terecht is verstrekt.

6. Voorkomen van fraude

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Het college streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert het college inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de hulp-op-maat.

  • 2.

    Er is een fraudemeldpunt waar inwoners en organisaties hun signaal kunnen afgeven.

7. Onderwerpen inspraak

Jeugdwet

Wmo

De wijze waarop inspraak is geregeld staat vermeld in de Verordening Adviesraad Sociaal Domein.

8. Leveranciers

Jeugdwet

Wmo

Leveranciers zijn verplicht om inwoners die gebruikmaken van hun diensten, inspraak te geven en daarover regels te maken. De gemeente bepaalt over welke onderwerpen de inspraak gaat en welke vorm de inspraak heeft. Het college controleert of de zorgaanbieder of leverancier zich houdt aan de regels voor inspraak.

HOOFDSTUK 8: KRITIEK OP DE UITVOERING

Het college probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoner het niet eens zijn met de aanpak van het college. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Daarbij is aangesloten bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman

8.1. Doelen klacht- en bezwaarprocedure

Jeugdwet

Wmo

Awb

1. Hoe ziet het college een klacht

Jeugdwet

Wmo

Awb

Het college ziet een klacht of bezwaar als:

  • a.

    een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken;

  • b.

    een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken;

  • c.

    een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoner te verbeteren;

  • d.

    een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en

  • e.

    een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren.

2. Procedure

Jeugdwet

Wmo

Awb

  • 1.

    De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor het college overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen enkele zin heeft.

  • 2.

    De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door het college uiten via een eenvoudige en effectieve klachten- en bezwaarprocedure.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.

  • 4.

    Het college zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.

8.2. klachten over het college

Wmo

Awb

1. Procedure

Jeugdwet

Wmo

Awb

  • 1.

    De inwoner kan een klacht indienen over:

    • a.

      het gedrag van medewerkers en de bejegening van de inwoner;

    • b.

      de manier waarop het college meldingen en aanvragen heeft afgehandeld;

    • c.

      de manier waarop het college hulp-op-maat en diensten heeft uitgevoerd.

2. Klachtenregeling Jeugdwet

Jeugdwet

Omdat het college ook zelf Jeugdhulp kan uitvoeren heeft het college hiervoor een aparte klachtenregeling.

3. Klachten over andere personen of organisaties

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door het college is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met het college hebben gedeeld.

  • 2.

    Het college controleert of de klachtenregeling van personen of instanties die zijn ingehuurd wordt nageleefd.

  • 3.

    Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de ingehuurde persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij het college.

  • 4.

    De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of instanties die het college heeft ingehuurd, kan dit melden bij het college. Het college regelt hoe die melding wordt behandeld.

4. Vertrouwenspersoon

Jeugdwet

Wmo

Het college zorgt ervoor dat de inwoner die hulp van het college krijgt, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kan spreken. De inwoner kan bij deze vertrouwenspersoon terecht voor een vertrouwelijk gesprek over bijvoorbeeld ongewenste omgangsvormen, problemen, klachten en vragen in verband met de geboden hulpverlening.

HOOFDSTUK 9: KWALITEIT EN CONTRACTERING

De diensten en producten die het college levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. Het college moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.

9.1. Uitgangspunten

Jeugdwet

Wmo

1. Criteria

Jeugdwet

Wmo

Alle professionele diensten en producten die het college in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn.

  • 1.

    De criteria van de diensten en producten:

    • a.

      passen bij de behoefte van de inwoner;

    • b.

      zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner;

    • c.

      voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;

    • d.

      respecteren de rechten van de inwoner;

    • e.

      worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd;

    • f.

      worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld.

2. Contractering

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Bij contractering verwacht het college van leveranciers dat zij:

    • a.

      diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen en;

    • b.

      als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht.

  • 2.

    De leverancier moet aantonen dat bij de kostprijs rekening is gehouden met:

    • a.

      het soort dienst of product;

    • b.

      de omvang van het diensten-of productenpakket dat wordt geleverd;

    • c.

      de arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is;

    • d.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • e.

      personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel;

    • f.

      kosten als gevolg van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage-en administratieve verplichtingen;

    • g.

      het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten.

3. Toezicht

Jeugdwet

Wmo

Voor zover de wet daar niet in voorziet kan het college een toezichthouder aanstellen om de bovengenoemde criteria bij dienstverleners te toetsen en zo nodig maatregelen te treffen.

HOOFDSTUK 10: VAN OUD NAAR NIEUW

In dit hoofdstuk wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat het college bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat het college van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.

10.1. Onderzoek naar de werking van de verordening

Jeugdwet

Wmo

1. Termijn

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Het college onderzoekt elke twee jaar of de verordening voldoende bijdraagt aan de kernwaarden die het college wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt het college systematisch informatie over de dienstverlening via management informatie, gesprekken met aanbieders en inwoner en/of ouder. Het college houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

  • 2.

    De gemeenteraad bespreekt een verslag van dit onderzoek en past de verordening aan als dat nodig is.

2. Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)

Jeugdwet

Wmo

Het college kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als het toepassen van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de Jeugdwet of de kernwaarden van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.

3. Intrekken oude verordeningen en regels

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    De volgende documenten worden ingetrokken per 1 januari 2020:

    • a.

      Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2015;

    • b.

      Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Westerveld;

    • c.

      Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Westerveld 2018.

4. Overgangsrecht

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Een inwoner houdt recht op lopende hulp-op-maat die is verstrekt op grond van de ingetrokken Verordeningen en regels. Dit recht loopt door totdat het college een nieuw besluit over die vorm van hulp-op-maat heeft genomen.

  • 2.

    Voor aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening waarop nog geen besluit is genomen, gelden de bepalingen in deze verordening.

5. Ingangsdatum en naam

Jeugdwet

Wmo

  • 1.

    Deze verordening inclusief begrippen en paragrafen wordt genoemd: verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld.

  • 2.

    De verordening treedt na besluitvorming en bekendmaking in werking en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van

De voorzitter,

De griffier,

HOOFDSTUK 11: AFWEGINGSKADERS PRODUCTEN EN DIENSTEN 

11.1. Afwegingskaders diensten begeleiding maatschappelijke ondersteuning

Wmo

Overzicht van te adviseren activiteiten functie Begeleiding

Overzicht van handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit

  • 1.

    Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie.

Deze activiteit richt zich voornamelijk op de beperkingen en stoornissen in de sociale redzaamheid, oriëntatiestoornissen, probleemgedrag en psychosociale functies.

En/of

  • 2.

    Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid.

Deze activiteit richt zich voornamelijk op de beperkingen in de sociale redzaamheid en het zich bewegen en verplaatsen.

Hulp bij het initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en de gevolgen daarvan wegen. Bijvoorbeeld bij:

  • Eenvoudige handelingen als verzorging, aankleden, eten en drinken. Of meer complexe handelingen als regelen van sociale contacten en vrijetijdsbesteding, kleding kopen, verplaatsing in verkeer.

  • Regelen van randvoorwaarden op gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met instanties.

  • Hulp bij plannen, stimuleren en voor bespreken van activiteiten; bijv. invullen en vormgeven van spanningsvolle momenten in de dag structuur (bijv. bed rituelen), vrije tijd en sociale contacten.

  • Hulp bij initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning in dagelijkse routine; toezicht en ondersteuning bij opstaan, wassen, aankleden, eten, drinken, op tijd zijn voor een afspraak.

  • Inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten; ondersteunen bij misgaan van zaken, tijd nemen om vooraf gaand en achteraf moeilijk te hanteren situaties te bespreken en organiseren.

  • Hulp bij zich aan regels/afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag. Gedragsbegeleiding en toezicht in situaties waar de cliënt, buiten gebruikelijke ondersteuning en toezicht, extra begeleiding en toezicht nodig heeft.

Hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of bij oplossen van praktische problemen buiten de dagelijkse routine;

  • Hulp bij het beheren van geld; afhankelijk van leeftijd ondersteuning bij beheer van zak- en kleedgeld en mogelijk andere uitgaven.

  • Hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving, bij bijvoorbeeld ernstig autistisch gedrag of andere stoornis die communicatie ernstig bemoeilijkt.

  • 3.

    Het bieden van toezicht

Toezicht op- en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders (bijvoorbeeld tijdens werk);

  • Toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, gevaar in verkeer of andere activiteiten door ontbreken van inzicht in gevaar of door ernstig impulsief gedrag.

  • 4.

    Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid

    + het bieden van toezicht

Oefenen gaat samen met activiteiten 1 en 2. De van toepassing zijnde tijd wordt bij deze activiteiten opgeteld.

Oefenen door de cliënt zelf:

  • Oefenen met vaardigheden zoals gebruik hulpmiddelen voor communicatie, stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag;

  • Oefenen van mantelzorger/gebruikelijke verzorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de cliënt

  • Hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen)

  • Hulp bij gebruik openbaar vervoer (alleen in de zin van oefenen)

11.2. Afwegingskaders Individuele Begeleiding Basis

Wmo

Ondersteuning basis betreft het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden en handelingen. Er wordt begeleid in taken waarbij stimulans en activering nodig is. Ook kunnen er taken worden overgenomen die de cliënt niet meer kan verrichten en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd. Er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de cliënt, om bijvoorbeeld het gedrag te kunnen bijsturen of bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte te voorkomen. Het ziektebeeld van de cliënt is ook niet zo complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de cliënt.

11.3. Afwegingskaders Persoonlijke verzorging als onderdeel van individuele begeleiding basis

Wmo

1. Inzet

Wmo

Ondersteuning bij de persoonlijke verzorging kan als individuele begeleiding worden ingezet. Indien er bij de cliënt sprake is van behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop en de ondersteuning bij de persoonlijke zorg daaraan gerelateerd is dan wel te relateren is, dan valt deze ondersteuning onder de ZVW.

2. Lichte ondersteuning

Wmo

Lichte ondersteuning is mogelijk voor verschillende ondersteuningsgebieden waaronder die van het huishouden zoals ondersteuning bij zelfzorg, bij post en eenvoudige administratie en bij het onderhouden van sociale contacten. De volgende kenmerken zijn van toepassing:

  • a.

    Niet gericht op aanleren van vaardigheden, het gaat om behouden van, helpen of overnemen.

  • b.

    Sterke signaleringsfunctie en melding van bijzonderheden in de zorgbehoefte, belasting van de mantelzorger en knelpunten op gebied van zorgverlening

  • c.

    De cliënt functioneert al een aantal jaren (minimaal 2) stabiel en de verwachting is dat dit voortzet

  • d.

    Er is geen sprake van moeilijk verstaanbaar gedrag of sterke beïnvloedbaarheid waardoor gedragsverandering kan ontstaan

  • e.

    De cliënt staat open voor aansturing, weinig weerstand. Of weerstand kan voldoende weerlegd worden door een combinatie van lichte en middelzware dan wel zware ondersteuning.

  • f.

    Er is geen specifieke deskundigheid ziektebeeld vereist, omgang met handicap of ziektebeeld stelt geen specifieke eisen. Of de specifieke eisen die de handicap of het ziektebeeld stellen kunnen voldoende worden ondervangen door een combinatie van lichte en middelzware dan wel zware ondersteuning.

  • g.

    De ondersteuning is planbaar. Er is geen acute zorg nodig.

  • h.

    Gericht op ondersteunen zelfzorg. Te denken aan aansturen in persoonlijke hygiëne, aangeven kleding in de was, wassen/douchen maar de cliënt voert het zelfstandig uit, aansturen in gezond voedingspatroon, week-menu opzetten.

  • i.

    Gericht op relatiemanagement: te denken aan: hulp bij maken van afspraken met bestaande sociale contacten, eenvoudige hulp bij onderhouden sociale contacten zoals een kaartje sturen, verjaardag plannen, hulp bij vragen naar bestaande ondersteuning zoals regelen vervoer.

  • j.

    Gericht op post/administratie/financiën: te denken aan: hulp bij post lezen, begrijpen en beantwoorden, opruimen, ordenen, sorteren.

  • k.

    Begeleider kan eventueel terug vallen op een eindverantwoordelijke.

11.3.

Afwegingskaders Individuele begeleiding Plus

Wmo

1. Inzet

Wmo

  • 1.

    Bij individuele begeleiding plus zijn de resultaten en aandachtsgebieden gelijk aan die van begeleiding basis. De aard van de begeleiding is intensiever en de expertise van de begeleider is specialistischer omdat de begeleidingsbehoefte van de cliënt hierom vraagt. Er is dan sprake van meerdere kenmerken uit de toelichting.

  • 2.

    Het gaat om meer complexe ziektebeelden en/of meer complexe activiteiten.

    • a.

      Er zijn zodanige stoornissen en beperkingen dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is.

    • b.

      De intensiteit van de begeleiding is complexer omdat er begeleiding nodig is in het reguleren van emoties, gedachten; een zeer beperkte leerbaarheid; een beperkt ziekte inzicht of beperkte motivatie.

    • c.

      Het te behalen doel kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.

    • d.

      Specifieke deskundigheid is noodzakelijk in zowel ziektebeeld/handicap, signalering en omgang met gedrag.

    • e.

      Er kan sprake zijn van gedragsstoornissen en instabiele ziektebeelden. Er is sprake van meerdere hulpverleners, en de begeleider moet in de rol van uitvoeringscoördinator de lopende zorg op elkaar afstemmen (één gezin, één plan).

11.4. Afwegingskaders Begeleiding Groep

Wmo

1. Inzet

Wmo

Bij het toekennen van begeleiding groep zal gelet worden op de sociale redzaamheid van de cliënt, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie, en het vertonen van matig of zwaar probleemgedrag. Vanzelfsprekend zal de mate van de problematiek leidend zijn in de keuze voor de soort ondersteuning; een lichte beperking van de zelfredzaamheid zal leiden tot een lichte vorm van ondersteuning en ernstige beperking tot een zwaardere vorm. Activiteiten bestaan uit het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen, het aansturen van gedrag, het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie en het overnemen van toezicht. Bij het voeren van regie valt te denken aan: dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, problemen oplossen, plannen en uitvoeren van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties, organisatie van de huishouding, en structuur aanbrengen in het dagelijks leven.

Bij de vormgeving van de begeleiding groep zijn de verwachte resultaten, zoals geformuleerd in het onderzoeksverslag, leidend.

Welke doelen kunnen centraal staan?

  • a.

    het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de cliënt

  • b.

    het helpen van de cliënt om te leren omgaan met zijn fysieke en/of cognitieve belemmeringen;

  • c.

    het stimuleren van het aangaan en onderhouden van sociale contacten (sociaal isolement voorkomen);

  • d.

    het compenseren of actief herstellen van het beperkte/afwezige regelvermogen van de cliënt;

  • e.

    het activeren van nog aanwezige functies (fysiek/mentaal), waardoor de cliënt langer thuis kan wonen;

  • f.

    het voorkomen van achteruitgang in fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden;

  • g.

    het aanleren/onderhouden van arbeidsvaardigheden.

  • h.

    het bieden van een veilige omgeving waarin sociale contacten en activiteiten kunnen plaatsvinden;

  • i.

    het ontlasten van mantelzorgers, waardoor de cliënt langer thuis kan wonen;

11.5. Afwegingskaders Begeleiding groep Licht

Wmo

1. Inzet

Wmo

Deze ondersteuning is bedoeld voor inwoners die niet volledig zelf de regie over hun leven kunnen voeren.

  • a.

    De inwoner kan niet altijd zelf goed aangeven wat hij bedoelt of wat hij nodig heeft, dus hierin is een actieve rol van een ander nodig.

  • b.

    Ook op het gebied van relaties en sociale participatie kan hulp nodig zijn.

  • c.

    Er kunnen lichte problemen zijn bij bewegen en verplaatsen.

  • d.

    Er kan ook regelmatig sturing op gedrag en cognitief functioneren nodig zijn.

  • e.

    Het accent ligt op stimuleren en oefenen van vaardigheden gericht op het behouden van de zelfredzaamheid.

  • f.

    Waar cliënten vaardigheden niet zelf kunnen aanleren, kunnen ze deze met lichte begeleiding voldoende uitvoeren.

  • g.

    Het voorkomen van isolement of verwaarlozing is een doel van de begeleiding groep

  • h.

    Wanneer het enige doel van de begeleiding groep, het ontlasten van mantelzorgers is, dan valt dit onder licht.

11.6. Afwegingskaders Begeleiding Groep Midden

Wmo

1. Inzet

Wmo

Deze ondersteuning is bedoeld voor inwoners die niet zelf de regie over hun leven kunnen voeren. Zaken moeten deels worden overgenomen.

  • a.

    De inwoner kan zelf niet goed inschatten of communiceren wat hij nodig heeft, en is beperkt leerbaar in nieuwe vaardigheden.

  • b.

    Deze ondersteuning kan nodig zijn voor inwoners die zich niet zelfstandig kunnen bewegen en verplaatsen (ook niet met hulpmiddelen).

  • c.

    Begeleiding groep ‘midden’ is onder andere beschikbaar voor sterk ontregelde gezinnen en voor cliënten met een verstandelijke handicap in combinatie met probleemgedrag.

  • d.

    Het accent ligt op stimuleren en deels overnemen van vaardigheden en handelingen. Waar mogelijk richten de doelen zich op verbetering. De cliënt is vaak verminderd leerbaar.

  • e.

    De cliënt is niet meer zelfredzaam en heeft een lichte mate van individuele aandacht nodig bij ADL, het reguleren van emoties of probleemgedrag.

11.7. Afwegingskaders Begeleiding Groep Zwaar

Wmo

1. Inzet

Wmo

Deze ondersteuning is bedoeld voor de meest complexe situaties waardoor specialistische inzet nodig is.

  • a.

    Het gaat om inwoners met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen.

  • b.

    Er is veelal sprake van multi-complexe situaties met problemen op verschillende levensgebieden binnen het systeem.

  • c.

    Ook kan ondersteuning nodig zijn bij sociaal-emotionele problematiek (zoals gedragsproblemen, problemen in psychisch functioneren en sterke oriëntatie-problemen) die samenhangen met de stoornis.

  • d.

    Er is in de laatste twee jaar sprake geweest van acute opname of zwaar medisch ingrijpen, zwaar overlast in de buurt, aanraking met justitie en/of destructief, agressief risicovol gedrag.

  • e.

    Of: ondanks dat bovenstaande de afgelopen twee jaar niet aan de orde is geweest, is het risico hierop in aantoonbaar aanwezig.

  • f.

    Het accent ligt op het overnemen van vaardigheden, en deels begeleiding bij achteruitgang met behoud van kwaliteit van leven. Er is intensief toezicht nodig bij het functioneren van de cliënt. Vaardigheden kunnen niet meer worden aangeleerd.

11.8. Afwegingskaders Vervoer naar dagbesteding (eventueel met rolstoel) 

Wmo

1. Inzet

Wmo

Als een cliënt in aanmerking komt voor Begeleiding Groep wordt ook onderzocht of de cliënt in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Allereerst zal gekeken worden of er een geschikte dagbesteding in de buurt van de cliënt is om de reisafstand en reistijd te beperken. Bij voorkeur vindt de dagbesteding plaats in de omgeving van de cliënt. Wanneer een inwoner met het openbaar vervoer naar de dagbesteding kan reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of hier met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) kan komen dan is dat uiteraard voorliggend. Als dat niet kan wordt vervoer van en naar de groepslocatie toegevoegd aan het maatwerk. De aanbieder is dan verantwoordelijk voor het vervoer.

11.9. Afwegingskaders Kortdurend verblijf / Respijtzorg

Wmo

1. Inzet

Wmo

Om mantelzorgers te ontlasten kan iemand kortdurend logeren in een instelling. Dit kan ook een planbare, voorzienbare afwezigheid zijn, zoals een geplande ziekenhuisopname van de mantelzorger. De zorgaanbieder zorgt bij kortdurend verblijf voor opvang, maar ook voor het eventueel benodigde toezicht, dagbesteding en begeleiding. Ook maaltijden en drinken vallen hieronder. Dit verblijf kan gecombineerd worden met huisartsgeneeskundige of verpleegkundige zorg vanuit de Zvw. Het is aan de huisarts in samenspraak met de (wijk)verpleegkundige om te beoordelen of deze zorg adequaat geleverd kan worden via visites van huisarts en/of verpleegkundige. Het is ook mogelijk om een begeleider/verzorger thuis te laten overnachten. Het gaat hier wel om kortdurend verblijf, waarbij we in weken denken en niet in maanden met een maximum van drie etmalen per week. Er moet bij dit product altijd worden gekeken naar de Subsidieregeling eerstelijns verblijf 2015.

11.10. Afwegingskaders Vraagverheldering

Wmo

1. Inzet

Wmo

Het is wel duidelijk dat er behoefte is aan ondersteuning, alleen het hoe en wat (de vraag achter de vraag) is nog niet duidelijk. Het kan zijn dat er verschillende opties moeten worden uitgeprobeerd. Bijvoorbeeld in combinatie met dagbesteding voordat een helder beeld is ontstaan en doelen kunnen worden geformuleerd. Daarom is dit een combinatieproduct van begeleiding en dagbesteding. Er is geen acute of spoedeisende situatie. De vraagverhelderaar heeft een belangrijke rol bij de vorming van het onderzoeksverslag.

11.11. Afwegingskaders Vraagverheldering en stabilisatie

Wmo

1. Inzet

Wmo

Als omschreven vraagverheldering, maar er spelen daarnaast ook dermate onrust gevende factoren dat dit het slagen van een onderzoeksverslag in de weg staat. Deze factoren dienen eerst te worden gestabiliseerd. Er speelt geen acute situatie, maar dit kan het wel worden als er niet tijdig wordt gehandeld. Zoals bijvoorbeeld overzicht bieden in inkomsten of omgaan met financiën. Het kan zijn dat er verschillende opties moeten worden uitgeprobeerd bijvoorbeeld in combinatie met dagbesteding voordat een helder beeld is ontstaan en doelen kunnen worden geformuleerd. Daarom is dit een combinatieproduct van begeleiding en dagbesteding.

11.12. Afwegingskaders Beschermd wonen

Wmo

1. Inzet

Wmo

Beschermd wonen is voor volwassenen met psychische of psychosociale problemen, die (tijdelijk) niet zelfstandig kunnen wonen. Ook niet met hulp van bijvoorbeeld een mantelzorger of met begeleiding van een hulpverlener. De hulp-op-maat voor Beschermd wonen biedt een veilige woonomgeving en begeleidt de bewoners in hun zelfredzaamheid, zodat zij mee kunnen blijven doen in de samenleving of op termijn weer zelfstandig kunnen wonen. In Drenthe is de gemeente Assen centrumgemeente voor de aanvragen van beschermd wonen. Dit betekent dat zij de indicatie voor beschermd wonen stellen. De Inwoner vraagt de indicatie wel aan bij de eigen gemeente. Het college doet het onderzoek en verstuurt de aanvraag en het advies naar gemeente Assen. Zij nemen hierover een besluit in de vorm van een beschikking.

2. Beschermd woonklimaat

Cliënten die door hun beperkingen behoefte hebben aan een beschermd woonklimaat die gericht is op het bieden van structuur en ondersteuning van alle dagelijkse activiteiten wonen vaak in een zogenaamde woonvorm voor beschermd wonen. Dit is geen grote instelling maar een cluster van vaak “gewone” woningen waarbij op kleine schaal cliënten uit een bepaalde doelgroep (psychiatrie, verstandelijke beperking, ouderen) bij elkaar wonen. Soms is er sprake van een eigen leefeenheid, soms alleen van een eigen slaapkamer. Er zijn gemeenschappelijke ruimten, waar de cliënten elkaar en de aanwezige begeleiders ontmoeten. Cliënten krijgen begeleiding bij het brengen van structuur in hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende dag invulling. Voor een deel van de cliënten is beschermd wonen een opstapje naar zelfstandig wonen.

HOOFDSTUK 12: TARIEVEN

Pgb tarieven

Wmo

1. Pgb Maatschappelijke ondersteuning

Wmo

Product

Tarief PGB professioneel

Tarief ZZP

Tarief PGB informeel

PA Eenheid

Indexeringsnorm

Individuele begeleiding basis

€ 49,20

€ 49,20

€ 20,00

Per uur

OVA index

€ 0,82

€ 0,82

NVT

Per minuut

OVA index

Individuele begeleiding plus

€ 75,00

€ 75,00

NVT

Per uur

OVA index

€1,25

€1,25

NVT

Per minuut

OVA index

Begeleiding groep licht

€31,44

€31,44

NVT

Per dagdeel

OVA index

Begeleiding groep midden

€40,58

€40,58

NVT

Per dagdeel

OVA index

Begeleiding groep zwaar

€57,65

€57,65

NVT

Per dagdeel

OVA index

Respijtzorg

€179,54

€179,54

NVT

Per etmaal

OVA index

Persoonlijke verzorging

€49,20

€49,20

€ 20,-

Per uur

OVA index

€0,82

€0,82

NVT

Per minuut

OVA index

Vervoer dagbesteding niet-rolstoelgebonden

€12,51

€12,51

NVT

Per dag

CPIAH

Vervoer dagbesteding rolstoelgebonden

€22,51

€22,51

NVT

Per dag

CPIAH

Vraagverheldering

€ 1.263,09

€ 1.263,09

NVT

éénmalig

OVA index

Vraagverheldering & stabilisatie

€ 2.258,47

€ 2.258,47

NVT

éénmalig

OVA index

Huishoudelijke ondersteuning

€ 28,80

€21,60

€14,40

Uur

CAO VVT

€ 0,48

€0,36

€0,24

minuut

CAO VVT

Verhuiskosten (één / tweepersoons huishouden)

€ 2080,00

NVT

NVT

éénmalig

CPIAH

Verhuiskosten elk gezinslid meer

€ 261,00

NVT

NVT

éénmalig

CPIAH

Sportrolstoel (voor de duur van 3 jaar)

€ 3000,00

NVT

NVT

éénmalig

CPIAH

De frequentie betreft eenheid per week

2. Pgb Jeugdhulp

Jeugdwet

Product

Tarief Pgb professioneel

Tarief Pgb informeel

PA eenheid

Indexeringsnorm

Begeleiding licht

€ 46,20

€ 20,-

Uur

OVA

Begeleiding midden

€ 53,40

NVT

Uur

OVA

Begeleiding zwaar

€ 58,20

NVT

Uur

OVA

Dagbesteding basis

€ 13,20

NVT

Uur

OVA

Dagbesteding intensief

€ 17,40

NVT

Uur

OVA

Vervoer dagbesteding niet-rolstoelgebonden

€6,25

NVT

Per dag

CPIAH

Vervoer dagbesteding rolstoelgebonden

€9,25

NVT

Per dag

CPIAH

Wonen met begeleiding

€ 137,55

NVT

Etmaal

OVA

Begeleid kamer wonen

€ 74,72

NVT

Etmaal

OVA

Logeren

€ 220,62

NVT

Etmaal

OVA

GGZ Basis

€ 82,20

NVT

Uur

OVA

GGZ Specialistisch

€ 90,60

NVT

Uur

OVA

Medicijncontrole

€ 90,60

NVT

Jaar

OVA

Vaktherapie

€ 63,-

NVT

Uur

OVA

Gezinsbehandeling licht

€ 61,20

NVT

Uur

OVA

Echtscheidingsproblematiek

€ 61.20

NVT

Uur

OVA

Gezinshuis

€ 148,80

NVT

Etmaal

OVA

De frequentie betreft eenheid per week

3. indexeringsnormen

Jeugdwet

Wmo

De volgende indexeringsnormen zijn van toepassing:

  • a.

    OVA: Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling

  • b.

    CPIAH: Consumenten Prijs Index Alle Huishoudens peildatum 1 oktober

  • c.

    CAO VVT: Collectieve Arbeidsovereenkomst Verpleeg- & Verzorgingshuizen & Thuiszorg

  • d.

    CAO O en Z: Collectieve Arbeidsovereenkomst Overheid en Zorg

4. opbouw tarieven

Jeugdwet

Wmo

In onderstaande tabellen staat de opbouw van de tarieven weergegeven. Dit heeft betrekking op:

Huishoudelijke ondersteuning, Maatschappelijke ondersteuning (individuele begeleiding, persoonlijke verzorging, begeleiding groep en respijtzorg) en Jeugdhulp.

Cao

De van toepassing zijnde cao.

Bedrag behorende bij loonschaal en periodiek

De van toepassing zijnde loonschalen en bijbehorende periodieken.

Percentage van voorkomen loonschaal, periodiek, bedrag (1) binnen het resultaatgebied (totaal van percentages is gezamenlijk 100%)

Het percentage van voorkomen van de loonschaal, periodiek en bijbehorende bedrag binnen het product (totaal van percentages moet gezamenlijk 100% zijn). Bijvoorbeeld: FWG 10: 10%, FWG 15: 90%.

Bruto Uurtarief

Het bruto uurtarief wordt berekend op basis van de gegevens zoals hierboven vermeld. Mocht het tarief volgens de Cao onder het wettelijk minimumloon liggen dan geldt het wettelijk minimumloon.

Vakantietoeslag

Het van toepassing zijnde percentage vakantietoeslag conform Cao.

Eindejaarsuitkering

Het van toepassing zijnde percentage eindejaarsuitkering conform Cao. De eindejaarsuitkering wordt berekend aan de hand van het bruto tarief, exclusief vakantiegeld.

Jaaruren op basis van Cao

De jaaruren op basis van het Cao

Werkgeverslasten

De werkgeverslasten conform Cao

Verlof

Verlofpercentage conform Cao

Scholing

Percentage per jaar in tijd besteed aan scholing van de medewerkers.

Indirecte uren

Met indirecte uren wordt verstaan indirecte inwonergebonden tijd. De indirecte inwonergebonden tijd betreft de activiteiten, werkzaamheden en contacten die de aan de inwoner toegewezen in te zetten gekwalificeerde medewerker moet uitvoeren om de inwoner, tijdens de directe ondersteuning van en met de inwoner, de in het onderzoeksverslag omschreven ondersteuning te kunnen bieden, maar waarbij de inwoner zelf niet direct betrokken is. Hieronder vallen:

  • a.

    Het voorbereiden van de ondersteuning;

  • b.

    Verslaglegging en rapportage van de ondersteuning;

  • c.

    Reistijd van en naar de inwoner/begeleidingslocatie;

  • d.

    Collegiaal overleg en afstemming aangaande de inwoner;

  • e.

    No show;

  • f.

    Contacten die een directe relatie hebben met het onderzoeksverslag. Hieronder vallen niet verlof, ziekteverzuim en scholing en activiteiten, contacten en overleg die geen directe relatie hebben met de inwoner en of het onderzoeksverslag.

Ziekteverzuim

De van toepassing zijnde en te herleiden ziekteverzuimpercentage van het laatste boekjaar op voor aanvang raamovereenkomst.

Overhead

Overhead is het geheel aan functies (sturing en ondersteuning) en kosten die nodig zijn om de direct bij de inwoner in te zetten medewerkers te kunnen laten functioneren maar niet direct of indirect inwonergebonden zijn en nog niet zijn benoemd in deze format. Zoals niet limitatief indirect personeel zoals management, staf, algemene en administratieve functies, automatisering/informatisering, inkoop, facilitair, P&O, opleidingstijd en secretariële ondersteuning, personeel in de zorg, personele kosten, materiele kosten, kosten inhuur, uitbestedings-kosten en overige kosten zoals huisvestingskosten, afschrijvingskosten en huurkosten. Opleidingskosten van direct in te zetten personeel mag niet in de overhead worden meegerekend aangezien deze reeds zijn opgenomen in andere elementen. Dit is enkel anders voor wat betreft de opleidingskosten van indirect personeel.

Bijdrage opleidingskosten

Geen nadere toelichting

Reiskosten per uur (n.v.t. bij begeleiding groep)

Geen nadere toelichting

Risico

Het percentage risico en resultaat in. Hieronder vallen tevens kosten als gevolg van specifieke vereisten, rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (uitgaande van de aangegeven versimpelde uitvoering ten opzichte van de huidige overeenkomst).

Directe locatiekosten (in geval van begeleiding groep)

De directe locatiekosten waar de activiteiten dag invulling wordt aangeboden. Deze kosten mogen niet reeds zijn opgenomen in de overhead kosten.

Gemiddelde groepsgrootte

Geen nadere toelichting

Aanvullende kosten

Aanvullende kosten in die nog niet zijn opgenomen bij de verschillende producten

5. Tarieven Afschrijvingen Hulpmiddelen

Wmo

De afschrijvingen voor hulpmiddelen die gelden zijn als volgt: