Verordening fysieke leefomgeving

Geldend van 01-01-2024 t/m 31-12-2023

Intitulé

Verordening fysieke leefomgeving

De raad van de gemeente Deventer,

gelezen het voorstel van het college van …, nr. …,

overwegende dat op 1 janauri 2021 de Omgevingswet in werking treedt,

overwegende dat de gemeenteraad op 25 oktober 2017 de Nota van uitgangspunten bestemmingsplan 'Deventer, stad en dorpen', heeft vastgesteld, waarin is uitgesproken dat het wenselijk is om vooruitlopende op de Omgevingswet regels omtrent de fysieke leefomgeving samen te voegen in één verordening,

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 96 van de Wet bodembescherming, artikel 8 van de Woningwet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet,

besluit vast te stellen de

Verordening fysieke leefomgeving

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Afdeling 1.1 Begrippen

Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen

Bijlage 1 bij deze verordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

Hoofdstuk 2 Ambulante handel

Afdeling 2.1 Algemene bepalingen ten aanzien van vergunningen voor standplaatsen

Artikel 2.1.1 Verbodsbepaling

Het is verboden om zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen.

Artikel 2.1.2 Soorten vergunningen

De vergunning wordt verleend:

  • a.

    Als vaste standplaatsvergunning, voor het innemen van een vaste standplaats op een markt gedurende maximaal vijf jaar;

  • b.

    Als seizoensplaatsvergunning, voor het innemen van een vaste standplaats op een markt gedurende een periode van maximaal zes maanden;

  • c.

    Als dagplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt gedurende één dag;

  • d.

    Als standwerkvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt voor het optreden als standwerker;

  • e.

    Als individuele standplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op andere plaatsen dan op een markt.

Artikel 2.1.3 Vereisten vergunningaanvraag

  • 1. Een vergunning wordt schriftelijk of langs elektronische weg aangevraagd in de daarvoor opengestelde periode.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een dagplaatsvergunning ook mondeling of anderszins worden aangevraagd bij de marktmeester, met dien verstande dat dit gebeurt op de dag van de markt waarvoor een dagplaatsvergunning wordt aangevraagd, en voor aanvang van die markt.

  • 3. Bij een aanvraag om vergunning moet een geldig identiteitsbewijs overgelegd worden.

Artikel 2.1.4 Algemene toetsingscriteria

  • 1. Een vergunning voor een standplaats op een markt, bedoeld in Artikel 2.1.2, aanhef en onder a tot en met d, kan worden verleend aan:

    • a.

      een handelingsbekwame natuurlijke persoon die voortdurend ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en die tevens gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten;

    • b.

      een rechtspersoon die voortdurend ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De natuurlijke persoon die, al dan niet door middel van andere rechtspersonen, de rechtspersoon bestuurt, en de natuurlijke persoon die een rechtspersoon op de markt vertegenwoordigt, dienen gerechtigd te zijn in Nederland arbeid te verrichten.

  • 2. Er kan per persoon maximaal één vergunning per markt verleend worden.

  • 3. Een vergunning voor een standplaats op een markt, bedoeld in Artikel 2.1.2, aanhef en onder a tot en met d, kan worden geweigerd:

    • a.

      indien de aanvrager als vergunninghouder, of degene die hem als vergunninghouder heeft vervangen, vertegenwoordigd of bijgestaan, zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepaling heeft overtreden;

    • b.

      indien de aanvrager als vergunninghouder of zijn vervanger als vergunninghouder zijn standplaats niet ten minste tien maal per dertien weken heeft ingenomen, met inachtneming van Artikel 2.6.3;

    • c.

      indien de aanvrager als vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 228 van de Gemeentewet;

    • d.

      indien de aanvrager als vergunninghouder of zijn vervanger of vertegenwoordiger als vergunninghouder de marktmeester belemmert in het uitoefenen van zijn functie dan wel de door de marktmeester gegeven aanwijzingen niet opvolgt.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in Afdeling 2.3 en Afdeling 2.4 neemt het college bij het nemen van besluiten omtrent het verlenen van standplaatsvergunningen voor een markt het geldende inrichtingsplan in acht.

Afdeling 2.2 Inrichtingsplan markt

Artikel 2.2.1 Inrichtingsplan

  • 1. Het college stelt voor elke markt een inrichtingsplan vast.

  • 2. Het inrichtingsplan bevat in elk geval:

    • a.

      een aanduiding van de dagen en de uren waarop, en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd) en een aanduiding van de omstandigheden waaronder de markt wordt afgelast;

    • b.

      een kaart van de markt;

    • c.

      een lijst met artikelgroepen of branches, bevattende de maximum aantallen standplaatsvergunningen die voor één of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kunnen worden afgegeven;

    • d.

      welk type vergunning kan worden verstrekt.

  • 3. Op de kaart van de markt zijn aangegeven:

    • a.

      de grenzen van de markt;

    • b.

      de plattegrond en opstelling van de markt;

    • c.

      de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor standplaatsvergunning;

    • d.

      de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor één of meer branches of artikelgroepen;

    • e.

      de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor standwerkers;

    • f.

      de plaatsen die bestemd zijn als seizoensplaats.

  • 4. Het inrichtingsplan bevat marktspecifieke nadere eisen op uitvoeringsniveau zoals over luidsprekers, meet- en weegwerktuigen, elektriciteit, gasinstallaties, bakken en braden en afvoer van verbrandingsgassen en dampen.

Artikel 2.2.2 Mandaatverboden

  • 1. De bevoegdheid tot het vaststellen van inrichtingsplannen kan niet worden gemandateerd.

  • 2. De bevoegdheid tot het wijzigen van inrichtingsplannen kan niet aan de marktmeester worden gemandateerd.

Afdeling 2.3 Vaste standplaatsvergunningen en seizoensplaatsvergunningen

Artikel 2.3.1 Selectiestelsel

  • 1. Voor de toekenning van een vaste standplaatsvergunning wordt het selectiestelsel gehanteerd.

  • 2. Het college maakt ten minste een keer per jaar en zoveel vaker als gewenst bekend dat voor de markt één of meer vaste standplaatsvergunningen kunnen worden verleend, voor welke branche of artikelgroep dit geldt en dat gegadigden voor een vergunning binnen een daartoe gestelde termijn daarvoor een aanvraag kunnen indienen. Indien een aanvraag buiten de daarvoor gestelde termijn binnenkomt, wordt de aanvraag meegenomen bij de reacties op de eerstvolgende bekendmaking.

  • 3. De bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving in de vakbladen en op de websites van de markt en de gemeente.

  • 4. Het college legt de aanvragen om advies voor aan een selectiecommissie van drie personen, bestaande uit een marktmeester en twee afgevaardigden van de marktondernemers. De afvaardiging van de marktondernemers wordt per selectieronde via loting uit een pool van gekozen marktondernemers vastgesteld. De pool van tien marktondernemers (zowel CVAH-leden als niet CVAH-leden) wordt een keer per jaar gekozen tijdens een standplaatshoudersvergadering.

  • 5. Bij de beoordeling van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten:

    • a.

      het assortiment van de gegadigde vormt een gewenste toevoeging aan het marktassortiment;

    • b.

      de uitstraling van de uitstalling;

    • c.

      het marktverleden van de gegadigde (ook in andere gemeenten);

    • d.

      bij de gegadigde is sprake van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

    • e.

      het aantal jaren dat de aanvrager in loondienst is (minimaal twee jaar) of functioneert als (mede-) eigenaar (minimaal twee jaar) bij een vergunninghouder die op grond van Artikel 2.3.5 zijn vergunning wil overschrijven;

    • f.

      de mate waarin de marktondernemer klanten trekt.

  • Per aspect worden maximaal 20 punten toegekend. Aanvragers komen in aanmerking in de volgorde van het aantal toegekende punten. Indien in totaal niet meer dan 60 punten worden toegekend wordt de aanvraag niet verder behandeld. Als meerdere aanvragers hetzelfde aantal punten toegekend hebben gekregen wordt de uitslag volgens loting vastgesteld.

  • 6. De beslistermijn als bedoeld in Artikel 9.2.1 vangt in afwijking van dat artikel aan op de dag na het verlopen van de termijn bedoeld in het tweede lid, waarbinnen aanvragen voor vaste standplaatsvergunningen kunnen worden ingediend.

  • 7. Onverminderd het bepaalde in Artikel 2.1.4 blijven het vierde en vijfde lid buiten toepassing indien er slechts één aanvraag binnenkomt.

  • 8. Indien er geen gegadigde is voor een vrijgekomen standplaats kan de vaste vergunninghouder van een aangrenzende vaste standplaats, die te kennen heeft gegeven uitbreiding van zijn standplaats te willen, in aanmerking komen voor toewijzing.

Artikel 2.3.2 Inhoud vaste standplaatsvergunning

Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:

  • a.

    de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van vergunninghouder dan wel, in geval van een rechtspersoon, van de persoon die hem vertegenwoordigt;

  • b.

    een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste standplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan;

  • c.

    de kraam of andere materialen die de vergunninghouder bij het innemen van de standplaats mag gebruiken;

  • d.

    het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort;

  • e.

    de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst vergunning is verleend;

  • f.

    welke kook-, bak- en verwarmingsapparaten zijn toegestaan.

Artikel 2.3.3 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging

  • 1. De houder van een vaste standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger. Een aanvraag hiertoe vermeldt de verwachte duur van zijn afwezigheid en de naam van de beoogde vervanger. Tevens wordt een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de vervanger overgelegd.

  • 2. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger.

  • 3. De vergunninghouder en de aangewezen vervanger ontvangen een schriftelijke bevestiging van de vervanging.

  • 4. Het college kan een vervanger weigeren op de gronden genoemd in Artikel 2.1.4, eerste, tweede en derde lid.

Artikel 2.3.4 Geldingsduur vaste standplaatsvergunning

Een vaste standplaatsvergunning geldt voor een termijn van maximaal vijf jaar.

Artikel 2.3.5 Overschrijven vaste standplaatsvergunning

  • 1. Wanneer de vergunninghouder niet langer zelf van de vergunning gebruikt wenst te maken is het selectiestel van Artikel 2.3.1 van toepassing, behoudens het gestelde in het tweede lid.

  • 2. Is de houder van een vaste standplaatsvergunning overleden of onder curatele gesteld, dan kan het college op aanvraag van zijn erven of zijn curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of zijn kind, of op een persoon die aantoonbaar twee jaar of langer de houder heeft bijgestaan. De aanvraag tot overschrijving wordt binnen twee maanden na het overlijden of de onder curatelestelling ingediend.

  • 3. Het college kan van het vorenstaande afwijken voor zover de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen.

  • 4. De aanvraag tot overschrijving wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de uit dit artikel voortvloeiende eisen of aan de eisen waaraan een houder van een vaste standplaatsvergunning volgens Hoofdstuk 2 moet voldoen.

  • 5. Als de nieuwe vergunninghouder reeds over een vaste standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, wordt deze ingetrokken.

Artikel 2.3.6 Intrekken en vervallen vaste standplaatsvergunning

  • 1. Onverminderd het bepaalde in Artikel 9.3.1 trekt het college een vaste standplaatsvergunning in:

    • a.

      na twee maanden na het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder, tenzij een aanvraag tot overschrijving overeenkomstig Artikel 2.3.5, tweede lid, is ingediend en nog niet onherroepelijk is afgewezen;

    • b.

      bij een uitgesproken faillissement van de vergunninghouder.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in Artikel 9.3.1 kan het college een vaste standplaatsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken:

    • a.

      indien de vergunninghouder, degene die hem vervangt of vertegenwoordigt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden;

    • b.

      indien de vergunninghouder of zijn vervanger zijn standplaats niet ten minste tien maal per dertien weken heeft ingenomen. Dit met inachtneming van Artikel 2.6.3;

    • c.

      indien de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 228 van de Gemeentewet;

    • d.

      indien de vergunninghouder of zijn vervanger of vertegenwoordiger de marktmeester belemmert in het uitoefenen van zijn functie dan wel de door de marktmeester gegeven aanwijzingen niet opvolgt.

  • 3. Als de vergunninghouder of zijn overeenkomstig Artikel 2.3.3 aangewezen vervanger zijn standplaats niet uiterlijk bij aanvang van de markt heeft ingenomen, vervalt de vergunning voor de rest van de dag.

Artikel 2.3.7 Mandaatverbod

De bevoegdheid tot het verlenen of het intrekken van een vaste standplaatsvergunning kan niet aan de marktmeester worden gemandateerd.

Artikel 2.3.8 Seizoensplaatsvergunning

Afdeling 2.3 is van overeenkomstige toepassing op seizoensplaatsvergunningen, met dien verstande dat de termijn bedoeld in Artikel 2.3.4 maximaal zes maanden bedraagt.

Afdeling 2.4 Dagplaatsvergunningen en standwerkvergunningen

Artikel 2.4.1 Dagplaatsvergunning

  • 1. Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een standplaats op plaatsen die niet zijn of worden ingenomen door de houder van een vaste standplaatsvergunning of op andere vrije plaatsen. De vergunning vermeldt het artikel waarvoor zij geldt.

  • 2. Dagplaatsvergunningen worden uitsluitend verleend voor de Centrumwarenmarkt (Brink) en de jaarmarkten.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in Artikel 2.1.4 komen voor een dagplaatsvergunning in aanmerking degenen die niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende een of meer van de voorafgaande vier marktdagen:

    • a.

      zich op een markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden;

    • b.

      de marktmeester hebben belemmerd in het uitoefenen van zijn functie dan wel de door de marktmeester gegeven aanwijzingen niet hebben opgevolgd;

    • c.

      niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op grondslag van artikel 228 van de Gemeentewet.

  • 4. Aanvragers voor een dagplaatsvergunning met een artikel of artikelsoort dat nog niet op de markt is vertegenwoordigd, hebben voorrang op de aanvragers met artikelen of artikelsoorten die wel op de markt vertegenwoordigd zijn.

  • 5. De overgebleven dagplaatsenvergunningen worden door middel van loting bij aanvang van de markt toegekend aan de overige aanvragers. Daarbij geldt dat per artikelsoort niet meer vergunningen kunnen worden verleend dan volgens de branchelijst het maximum is. Loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal.

  • 6. Het college kan ten aanzien van een aanvrager gemotiveerd bepalen dat een uitsluitinggrond als bedoeld in het derde lid niet geldt of dat voor de toepassing van de in dat lid genoemde termijn van vier marktdagen een langere termijn in aanmerking wordt genomen.

  • 7. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen.

Artikel 2.4.2 Standwerkvergunning

  • 1. Standwerkvergunningen worden uitsluitend verleend voor de Centrumwarenmarkt (Brink) en de jaarmarkten.

  • 2. Er wordt maximaal één vergunning verleend voor één artikel.

  • 3. Vergunningverlening vindt plaats door middel van loting op de dinsdag voorafgaand aan de markt tussen 12.00 en 16.00 uur. Loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal. De aanvragers krijgen uiterlijk een dag later voor 17.00 bericht wie de vergunning toegekend krijgt.

  • 4. De vergunning geldt voor de in de vergunning vermelde dag en plaats en voor het in de vergunning omschreven artikel.

Afdeling 2.5 Individuele standplaatsvergunning

Artikel 2.5.1 Weigeringsgronden individuele standplaatsvergunning

  • 1. Het college weigert een individuele standplaatsvergunning in geval van strijd met het bestemmingsplan.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in Artikel 9.2.2 kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 2.5.2 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college als bedoeld in Artikel 2.1.1 een standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 2.5.3 Foodtrucks

Het college kan voorzien in een van Hoofdstuk 2 afwijkende regeling voor foodtruckstandplaatsen.

Artikel 2.5.4 Afbakeningsbepaling

  • 1. Het verbod van Artikel 2.1.1, geldt ten aanzien van individuele standplaatsen niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

  • 2. De weigeringgrond van Artikel 2.5.1, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Afdeling 2.6 Algemene bepalingen ten aanzien van standplaatsen

Artikel 2.6.1 Bijstand

De houder van een vaste standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning of standwerkvergunning kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen.

Artikel 2.6.2 Markttijden

  • 1. Het is een houder van een standplaatsvergunning op een markt verboden meer dan 3 uur voor de aanvang en meer dan 2 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren.

  • 2. Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt.

  • 3. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid.

  • 4. Het college kan nadere eisen stellen aan de tijden van inneming van een standplaats op een markt en aan de aan- en afvoer van goederen.

Artikel 2.6.3 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden

  • 1. De houder van een vaste standplaatsvergunning die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste standplaats in te nemen en geen vervanger heeft aangesteld, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de houder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. De mededeling wordt uiterlijk 24 uur voor de betreffende marktdag gedaan.

  • 2. Plotselinge verhindering wordt zo spoedig mogelijk aan de marktmeester gemeld.

  • 3. Naar aanleiding van de mededeling of de melding als bedoeld in de voorafgaande leden ontvangt de houder een schriftelijke bevestiging, waarin met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid tevens ontheffing wordt verleend van de verplichting tot inname van de standplaats.

  • 4. De ontheffing van de verplichting tot inname van de standplaats geldt in geval van ziekte en/of bijzondere omstandigheden voor maximaal een half jaar, te rekenen vanaf de dag van ziekmelding of vanaf het ontstaan van de bijzondere omstandigheden en in geval van vakantie voor maximaal 6 weken per jaar.

  • 5. Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 2.6.4 Verontreiniging

  • 1. Een vergunninghouder is verplicht er voor te zorgen dat zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan gedurende de markttijden dan wel gedurende het innemen van de standplaats schoon wordt gehouden en een goed verzorgd aanzien biedt, een en ander ter beoordeling van de toezichthouder.

  • 2. Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrij komt, zodanig te bewaren dat het marktterrein dan wel de omgeving van de standplaats daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden meegenomen. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt of na afloop van het innemen van de standplaats af, of laat het afvoeren.

  • 3. Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt of na afloop van het innemen van de standplaats veegschoon en vetvrij achter te laten.

  • 4. Het college kan nadere eisen stellen aan het vrijgekomen afval, de hygiëne en reiniging van een standplaats.

Artikel 2.6.5 Informatieplicht

Degene die een standplaats inneemt is op eerste verzoek van de toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is.

Artikel 2.6.6 Nadere eisen

Het college kan aan het gebruik van de standplaats nadere eisen stellen.

Artikel 2.6.7 Onmiddellijke verwijdering

Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat, vertegenwoordigt of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens Hoofdstuk 2 gestelde bepaling heeft overtreden.

Hoofdstuk 3 Bodem

Afdeling 3.1. Omgevingsvergunning voor het bouwen

Artikel 3.1.1 Status

Het bepaalde in Afdeling 3.1 wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet.

Artikel 3.1.2 Bodemonderzoek

  • 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

    • a.

      de resultaten van een recent en actueel milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740;

    • b.

      Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707.

  • 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3.

  • 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van Artikel 3.1.3 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

  • 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.24 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.

  • 5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 3.1.3 Verbod op bouwen op verontreinigde grond

Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

  • a.

    waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

  • b.

    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke vergunning niet is vereist,

  • c.

    en

    • 1.

      dat de grond raakt, of

    • 2.

      ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

Artikel 3.1.4 Voorwaarden omgevingsvergunning

In afwijking van het bepaalde in Artikel 3.1.3 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wbb goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wbb van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 3.1.5 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in Afdeling 3.1 wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

Afdeling 3.2 Bodembescherming

Artikel 3.2.1 Inhoud saneringsplan

  • 1. Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 39, eerste lid, Wbb worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld:

    • a.

      het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;

    • b.

      een kadastrale kaart, waarop door middel van de interventiewaardencontour voor grond het geval van verontreiniging is aangegeven;

    • c.

      de huidige en toekomstige bestemming van het perceel in het kader van de Wet ruimtelijke ordening;

    • d.

      de naam en het adres van de eigenaar dan wel van degene die een beperkt recht heeft op het grondgebied zoals bedoeld onder a en de feitelijk gebruikers hiervan voor zover het een grondverontreiniging betreft;

    • e.

      de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering, nazorg of handeling ten gevolge waarvan de verontreiniging wordt verminderd of verplaatst zal plaatsvinden;

    • f.

      indien van toepassing een machtigingsformulier waaruit de bevoegdheid blijkt om namens de opdrachtgever een aanvraag te doen;

    • g.

      het tijdsschema van het verloop van de sanering, waarbij in ieder geval de datum van aanvang van de sanering wordt vermeld;

    • h.

      in het geval van een gefaseerde sanering: de voorgenomen fasering en het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 38, derde lid, Wbb;

    • i.

      in het geval van een deelsanering: een tekening of beschrijving waaruit blijkt welk deel er gesaneerd zal worden en het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, tweede lid, Wbb;

    • j.

      een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten;

    • k.

      een beschrijving van de te treffen hydrologische voorzieningen met de voorzienbare eindresultaten en effecten daarvan op de omgeving;

    • l.

      een beschrijving van de maatregelen die overlast en/of schade als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;

    • m.

      gegevens over de kwaliteit van de te gebruiken aanvulgrond;

    • n.

      een beschrijving van de te hanteren protocollen en richtlijnen voor (uit)keuring en monstername en eventueel de uitvoering;

    • o.

      gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die naast de verontreinigde grond vrijkomen bij de sanering;

    • p.

      indien verontreinigde grond zal worden afgegraven een indicatie van de hoeveelheid af te graven grond

    • q.

      indien verontreinigd grondwater onttrokken wordt een indicatie van de te verwachten hoeveelheid grondwater;

    • r.

      een motivering indien de grond of het grondwater niet geheel gereinigd wordt.

  • 2. Onverminderd de eisen gesteld in het eerste lid leidt het ontbreken van enkele of meerdere van bovenstaande gegevens niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid als de gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het ingediende saneringsplan.

Artikel 3.2.2 Melding start, diepste punt en feitelijke sanering

  • 1. Degene die op grond van artikel 39, tweede lid, Wbb toestemming heeft verkregen om conform saneringsplan te saneren, stelt tenminste vijf werkdagen voor de feitelijke aanvang van de sanering het college hiervan in kennis via het meldingsformulier start bodemsanering.

  • 2. Degene die saneert meldt schriftelijk tenminste 24 uur van tevoren het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving.

  • 3. Degene die heeft gesaneerd doet uiterlijk vijf werkdagen na beëindiging van de saneringswerkzaamheden schriftelijk mededeling bij het college van de datum waarop de werkzaamheden zijn beëindigd middels het meldingsformulier einde sanering.

Artikel 3.2.3 Melding wijzigingen saneringsplan

  • 1. Iedere afwijking van het saneringsplan wordt aan het college gemeld.

  • 2. In aanvulling op artikel 39, vierde lid, Wbb wordt onder een wijziging van het saneringsplan een wijziging verstaan die gevolgen heeft voor de saneringsdoelstelling of die de belangen van derden schaadt of kan schaden.

  • 3. Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      naam en adres van de feitelijk saneerder;

    • b.

      de locatie van de sanering;

    • c.

      de motivering van de afwijking van het saneringsplan;

    • d.

      de consequenties van de wijzigingen voor het te behalen saneringsdoel;

    • e.

      de eventuele consequenties voor de nazorg en/of gebruiksbeperkingen.

Artikel 3.2.4 Het saneringsverslag

  • 1. Degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, dient daarvan binnen 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden bij het college een verslag in.

  • 2. Het verslag wordt vergezeld van een verzoek om in te stemmen met de resultaten van de uitgevoerde sanering. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het meldingsformulier saneringsverslag. Het verslag dient in aanvulling op artikel 39c, eerste lid, Wbb de volgende gegevens te bevatten:

    • a.

      Algemeen

      • het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevond;

      • naam en adres van de opdrachtgever, directievoerder, aannemer en milieukundig begeleider.

    • b.

      Grondsanering

      • de start en einddatum van de periode waarop het verslag betrekking heeft en waarbinnen de grondsanering uitgevoerd is;

      • een overzicht van de hoeveelheid vrijgekomen grond (uitgedrukt in kilogrammen en m³) en de bestemming daarvan, inclusief de wijze van verwerking en afvalstroomnummers;

      • een overzicht van de hoeveelheden overig vrijgekomen saneringsafval (zoals eventueel vrijkomende verontreinigde klinkers en aangetroffen ondergrondse tanks) en hun bestemmingen;

      • de afmeting van de ontgravingen;

      • de inrichting van eventuele gronddepots;

      • een beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen en wijzigingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie;

      • een beschrijving van het eventueel aangelegde onttrekkingssysteem voor een nog uit te voeren grondwatersanering.

    • c.

      Grondwatersanering/ bodemluchtonttrekking

      • de start en einddatum van de periode waarop het verslag betrekking heeft en waarbinnen de grondwatersanering uitgevoerd is;

      • de wijze van injecteren, onttrekken en zuiveren van water en lucht bij in- situ technieken (bijvoorbeeld filterstelling, debieten en vrachten verontreiniging) en/ of andere media; een beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen en wijzigingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie of prognose.

    • d.

      Bemonstering bij grondsanering

      • een bespreking van analyseresultaten van de controlemonsters en de consequenties daarvan;

      • een bespreking van analyseresultaten van de depotmonsters, de monsters van de afgevoerde grond en de consequenties daarvan;

      • een bespreking van de analyseresultaten van de effluentmonsters (bouwputbemaling) in relatie tot de verleende vergunning(en);

      • de certificaten van kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond/zand en steenachtige bouwmaterialen.

    • e.

      Bemonstering bij grondwatersanering

      • een bespreking van de analyseresultaten van de influentmonsters voor het volgen van het verloop van de sanering;

      • een bespreking van de analyseresultaten van de effluentmonsters in relatie tot de verleende vergunning(en);

      • een bespreking van de analyseresultaten van de monsters uit peilbuizen.

    • f.

      Bijlagen bij het saneringsverslag een locatiekaart;

      • een locatiekaart;

      • een begrenzing van het te saneren perceel m.b.v. een kadastraal uittreksel;

      • een kaart met de locatie van bemaling en lozingspunten tijdens de grondsanering;

      • een overzicht van de verrichtte grondwateronttrekking (met o.m. de debieten en de totaal onttrokken hoeveelheid grondwater);

      • de grondbalans;

      • een afvoerbewijs van alle vrijgekomen afvalstromen (grond en overige stromen zoals puin), onder vermelding van de afvalstroomnummers en bestemming;

      • de analysecertificaten en -resultaten van grond- en grondwatermonsters en toetsing.

      • een ontgravingskaart met daarop:

        • §

          de ontgravingsgrenzen (diepten en de locatie van de genomen grondmonsters van de putwand en –bodem);

        • §

          de ontgravingsvoorzieningen (damwanden etc.);

        • §

          de ligging van tijdelijke voorzieningen, inclusief depots;

      • een kaart met daarop:

        • §

          de aard en omvang van de restverontreinigingen in grond en grondwater;

        • §

          een kadastrale kaart van de restverontreiniging(en);

        • §

          de plaats van toepassing van herschikt/hergebruikte grond;

      • een grondwateronttrekkingskaart met daarop:

        • §

          de ligging van de voorzieningen (zoals drains en pompen);

        • §

          de locatie van het onttrekkingssysteem en de peilbuizen met filterstelling;

      • een kaart met aangebrachte voorzieningen voor eventueel aanvullende saneringsmaatregelen.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, Wbb, kan het vermelden in het saneringsverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid achterwege blijven indien die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsverslag.

Artikel 3.2.5 Het nazorgplan

  • 1. Degene die nazorgsmaatregelen uit gaat voeren, dient daarvan bij het college een nazorgplan in.

  • 2. Het nazorgplan gaat vergezeld van een verzoek om in te stemmen met de invulling van de nazorg.

  • 3. Het nazorgplan dient in aanvulling op artikel 39d, eerste lid, Wbb de volgende gegevens te bevatten:

    • a.

      een beschrijving van de wijze waarop de restverontreiniging wordt beheerst (isolerende maatregelen/kadastrale registratie/monitoring/actieve nazorg);

    • b.

      een omschrijving van de te treffen maatregelen in het kader van de nazorg (hydraulische scheidingen, drains etc.);

    • c.

      een omschrijving van het te treffen onderhoud en de investeringen;

    • d.

      indien er sprake is van isolerende voorzieningen hoort er bij de omschrijving bedoeld onder a:

      • de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen wordt gewaarborgd en gecontroleerd

      • de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van de verontreiniging wordt beheerd

      • de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik.

    • e.

      Indien er sprake is van actieve nazorg/monitoring van de restverontreiniging hoort er bij de omschrijving bedoeld onder a:

      • een monitoringsplan met de bemonsteringsfrequentie, actiewaarden, ijkmomenten en verwachtte tijdsduur;

      • een onderbouwing van het monitoringsplan middels een inschatting van de te verwachten mobiliteit/verspreiding;

      • de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen.

    • f.

      de actiewaarden indien verspreiding van de verontreiniging wordt vastgesteld;

    • g.

      een beschrijving van het terugvalscenario.

Artikel 3.2.6 Saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door het college

Op saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door de gemeente is Afdeling 3.2 van toepassing.

Hoofdstuk 4 Erfgoed

Afdeling 4.1 Bevoegdheden

Artikel 4.1.1 De aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument

  • 1. Het college kan een monument aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument, vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

  • 2. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet of op grond van een provinciale verordening.

  • 3. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen.

  • 4. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken.

Artikel 4.1.2 De aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1. Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

  • 2. De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening.

  • 3. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen.

  • 4. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken.

Afdeling 4.2 Procedures

Artikel 4.2.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op de besluiten bedoeld in Artikel 4.1.1, eerste, derde en vierde lid, en Artikel 4.1.2, eerste, derde en vierde lid.

Artikel 4.2.2 Advisering door de adviesraad Monumenten

  • 1. Voordat het college het besluit neemt, vraagt het college advies aan de Planadviesraad.

  • 2. lndien de Planadviesraad niet tijdig adviseert, wordt de Planadviesraad geacht geadviseerd te hebben.

Artikel 4.2.3 Voorbescherming

Wanneer het college voornemens is een aanwijzing te doen als bedoeld in Artikel 4.1.1, eerste lid, is Afdeling 4.3 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment waarop het college op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht een belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, tot het moment waarop hetzij het besluit tot aanwijzing in werking is getreden, hetzij het voornemen is ingetrokken.

Artikel 4.2.4 Kennisgeving zakelijk gerechtigden

Van de besluiten bedoeld in Artikel 4.1.1 wordt kennis gegeven aan degenen die een zakelijk recht hebben op het monument.

Artikel 4.2.5 Gemeentelijk erfgoedregister

  • 1. Het besluit wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2. Het erfgoedregister vermeldt van gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving.

  • 3. Het erfgoedregister vermeldt van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.

Afdeling 4.3 Instandhouding gemeentelijke monumentale zaken en beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

Artikel 4.3.1 Verbod en vergunningplicht

  • 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

    • a.

      een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3. Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

  • 4. Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet ten aanzien van:

    • a.

      gewoon onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van dat bouwwerk niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of

    • b.

      een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

  • 5. De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

  • 6. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

Artikel 4.3.2 Advisering door Planadviesraad

  • 1. Voordat het college het besluit neemt bedoeld in Artikel 4.3.1, tweede lid, vraagt het college advies aan de Planadviesraad.

  • 2. Indien de Planadviesraad niet tijdig adviseert, dan staat dit het nemen van het besluit niet in de weg.

Artikel 4.3.3 Beschermend bestemmingsplan

De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

Afdeling 4.4 Instandhouding van archeologische terreinen

Artikel 4.4.1 Verbod

  • 1. Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument of een archeologisch beleidsgebied de bodem te verstoren, als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling van de bescherming van archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing als:

    • a.

      voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;

    • b.

      de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijke archeologiebeleid;

    • c.

      met vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 4.4.2 Booronderzoek, opgraving en begeleiding

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Erfgoedwet worden bij het verrichten van handelingen met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, de volgende regels in acht genomen:

    • a.

      het college stelt voor opgraving en begeleiding een programma van eisen vast, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van die handelingen. De nadere regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het programma van eisen;

    • b.

      de archeologische uitvoerder legt, voorafgaand aan de handelingen bedoeld in de aanhef van dit artikel, een plan van aanpak ter goedkeuring over aan het college.

  • 2. Tijdens het onderzoek neemt de archeologische uitvoerder de nadere regels en aanwijzingen door of namens het college in acht.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

Artikel 4.4.3 Advisering

Bij de toepassing van Artikel 4.4.2 vraagt het college advies aan een ter zake deskundige.

Afdeling 4.5 Financiële bepalingen

Artikel 4.5.1 Tegemoetkoming

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot:

  • a.

    de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in Artikel 4.3.1 te verlenen;

  • b.

    de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in Artikel 4.3.1;

  • c.

    de door het college nader te stellen regels als bedoeld in Artikel 4.3.1, vierde lid;

  • d.

    nadere regels en aanwijzingen als bedoeld in Artikel 4.4.2, tweede lid.

Hoofdstuk 5 Houtopstanden

Afdeling 5.1 Afdeling 5.1 Vellen van houtopstanden

Artikel 5.1.1 Verbod en omgevingsvergunning

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een houtopstand te vellen met een stamomtrek van 75 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld;

    • b.

      een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een herplant- en instandhoudingsplicht;

    • c.

      een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college;

    • b.

      iepen aangetast door de iepziekte;

    • c.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud;

    • d.

      dunning in een aaneengesloten houtopstand met een oppervlakte van ten minste 100 m²;

    • e.

      houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd;

    • f.

      houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is.

Artikel 5.1.2 Criteria

Vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

  • a.

    natuur-, milieu- en ecologische waarden;

  • b.

    landschappelijke waarden;

  • c.

    beeldbepalende waarden;

  • d.

    cultuurhistorische waarden;

  • e.

    stads- en dorpsschoon;

  • f.

    recreatie en leefbaarheid;

  • g.

    leeftijd;

  • h.

    verschijningsvorm;

  • i.

    zeldzaamheid en dendrologie;

  • j.

    beplantingsvorm/structuur;

  • k.

    toekomstverwachting.

Artikel 5.1.3 Advisering

  • 1. Voordat het bevoegd gezag een besluit neemt omtrent een vergunning voor het vellen van houtopstanden als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, vraagt het bevoegd gezag advies aan het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon waarmee de betreffende overeenkomst gesloten is.

  • 2. Als het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon niet tijdig adviseert, dan staat dit het nemen van het besluit niet in de weg.

Artikel 5.1.4 Bijzondere vergunningvoorschriften

  • 1. Onverminderd het bepaalde in Artikel 9.2.3 kan bij de vergunning bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, worden voorgeschreven dat binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn en overeenkomstig door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2. In het voorschrift wordt in ieder geval bepaald:

    • a.

      hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant;

    • b.

      de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden;

    • c.

      de locatie waarop moet worden herplant;

    • d.

      binnen welke termijn moet worden herplant;

    • e.

      binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3. Als herplanting niet mogelijk is, kan bij de vergunning worden voorgeschreven dat een geldelijke bijdrage, maximaal gelijk aan de boomwaarde van de te vellen houtopstand, gestort moet worden in het gemeentelijke groencompensatiefonds.

  • 4. Bij de vergunning kan worden voorgeschreven dat pas tot vellen van houtopstanden op en bij bouw- en aanlegwerken of een andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan als andere vergunningen of ruimtelijke besluiten onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

Artikel 5.1.5 Beperking geldigheidsduur

In afwijking van het bepaalde in Artikel 9.2.5 vervalt de vergunning als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, als daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning gebruik is gemaakt.

Afdeling 5.2 Instandhouding en herplant van houtopstanden

Artikel 5.2.1 Instandhoudingsplicht

  • 1. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, door voorgenomen of in uitvoering zijnde bouw-, aanleg- of sloopwerkzaamheden in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het college.

  • 2. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, vanwege zijn toestand in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om een Boomveiligheidscontrole op te stellen en aan te bieden aan het college.

  • 3. Als de Bomen Effect Analyse of de Boomveiligheidscontrole daar aanleiding toe geeft, kan het college de rechthebbende de verplichting opleggen om overeenkomstig door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen.

  • 4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 5.2.2 Herplantplicht

  • 1. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, of op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de rechthebbende, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig door hem te geven aanwijzingen, binnen een door hem te stellen termijn.

  • 2. In de beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval bepaald:

    • a.

      hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant;

    • b.

      de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden;

    • c.

      de locatie waarop moet worden herplant;

    • d.

      binnen welke termijn moet worden herplant;

    • e.

      binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Afdeling 5.3 Overige regels

Artikel 5.3.1 Noodkap

  • 1. Artikel 5.1.1, eerste lid, is niet van toepassing indien de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of veiligheid het bevel heeft gegeven de houtopstand onmiddellijk te vellen.

  • 2. Artikel 5.2.2 is van overeenkomstige toepassing op houtopstanden:

    • a.

      waar Artikel 5.1.1 op van toepassing is, en

    • b.

      die met toepassing van het vorige lid zijn geveld.

Artikel 5.3.2 Bestrijding van bomenziekten

  • 1. Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • 1.

      de houtopstand te vellen;

    • 2.

      conform richtlijnen van het college de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstanden of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die een boomziekte kan verspreiden.

Artikel 5.3.3 Afstand tot de erfgrens

De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bedraagt 0,50 m voor bomen en nihil voor heggen en heesters.

Hoofdstuk 6 Omgevingshinder

Afdeling 6.1 Geluidhinder

Artikel 6.1.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1. De geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn niet van toepassing tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. Tijdens de festiviteit moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.

  • 3. De verlichtingsuren ten behoeve van sportbeoefening bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn niet van toepassing tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 4. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en derde lid, kan het college, gespecificeerd naar de bedrijfstakken horeca, sport en overig, bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de volgende delen van de gemeente of zoals nader overeen te komen:

    • a.

      de evenementenpleinen de Brink, Grote Kerkhof, Nieuwe Markt en de Welle;

    • b.

      de binnenstad van Deventer exclusief de evenementenpleinen;

    • c.

      de dorpskernen van Diepenveen, Schalkhaar, Bathmen, Okkenbroek en Lettele;

    • d.

      de overige gedeelten van de gemeente.

  • 5. Het college maakt de aanwijzingen ten minste vier weken voor het begin van de eerste collectieve festiviteit van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 6. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit aanwijzen.

  • 7. De aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op een bijzondere inrichting.

Artikel 6.1.2 Aanwijzing incidentele festiviteiten

  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de direct omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld.

  • 2. Tijdens de festiviteit moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.

  • 3. In afwijking van het gestelde bij lid 1 dient tijdens de nachtperiode vanaf 01.00 uur het geluidniveau van de festiviteit weer te voldoen aan de gangbare geluidwaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 4. Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de verlichtingsuren bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de direct omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld.

  • 5. De kennisgeving als bedoeld in het eerste en vierde lid wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het daarvoor vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 6. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 7. Een bijzondere inrichting is het toegestaan om in afwijking van het eerste lid, maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld.

Artikel 6.1.3 Overige geluidhinder

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening Overijssel.

Afdeling 6.2 Diverse hinder

Artikel 6.2.1 Aanlichten van gebouwen en objecten

  • 1. Het is binnen het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied verboden om toestellen of apparaten in werking te hebben met als doel het aanlichten van (delen van) gebouwen of objecten.

  • 2. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen en daaraan nadere voorschriften verbinden ter bescherming van het milieu en de belangen als bedoeld in het derde lid.

  • 3. Het college weigert de ontheffing indien:

    • a.

      hetzij het toestel of apparaat zelf hetzij de aanlichting van het gebouw of object niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de eisen zoals gesteld in de welstandsnota;

    • b.

      hetzij het toestel of apparaat zelf hetzij de aanlichting in verband met de voorkoming van lichthinder niet voldoet aan:

      • de grenswaarde voor lichtemissie; de gemiddelde luminantie en

      • de goede wijze van plaatsing (van onderaf dicht op de gevel), volgens de Algemene Richtlijn betreffende lichthinder' deel 3 aanstraling van gebouwen en objecten uit 2004 van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde, Commissie lichthinder,

    • een en ander onverminderd het bepaalde in Artikel 9.2.2.

  • 4. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing voor zover het Activiteitenbesluit milieubeheer in dat onderwerp voorziet.

Artikel 6.2.2 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 6.2.3 Eisen aan niet vergunningplichtige reclame

Het is óók indien geen vergunning is vereist verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding, de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor het verkeer te veroorzaken.

Artikel 6.2.4 Verstrooiing van as

  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 2. Het college kan voor een bepaalde tijd verbieden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 4. Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk 7 Ondergrondse infrastructuur

Afdeling 7.1 Inleidende bepalingen

Artikel 7.1.1 Toepasselijkheid

Dit hoofdstuk is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden.

Afdeling 7.2 Instemmingsbesluit en vergunning

Artikel 7.2.1 Vereiste van instemming of vergunning

  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard.

  • 3. Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd.

  • 4. Spoedeisende werkzaamheden dienen onverwijld te worden gemeld aan het college. Na ontvangst van de melding door het college kunnen, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar de uitvoering van de werkzaamheden verbiedt. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden.

  • 5. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

Artikel 7.2.2 De aanvraag en de melding

  • 1. Een aanvraag wordt ingediend bij het college.

  • 2. Een melding wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het college gedaan.

  • 3. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

Artikel 7.2.3 De aanvraag, aanvullende bepalingen

  • 1. Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet is ingediend, al dan niet bij een ander bestuursorgaan, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte.

  • 2. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager stelt het college een aanvraag buiten behandeling.

Artikel 7.2.4 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden

  • 1. In afwijking van Artikel 9.2.2 en Artikel 9.2.3 kan het college aan een instemmingsbesluit, vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer;

    • c.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • d.

      de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven lokale evenementen;

    • e.

      de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken;

    • f.

      de bescherming van eventuele archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen;

    • g.

      het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  • 2. De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit of de vergunning anders is bepaald.

  • 3. De aanvrager draagt er zorg voor dat de voorschriften die aan het instemmingsbesluit of de vergunning zijn verbonden worden nageleefd.

  • 4. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels of leidingen.

Artikel 7.2.5 Wijziging en intrekking

  • 1. In afwijking van Artikel 9.3.1 kan college het instemmingsbesluit of de vergunning wijzigen of intrekken, indien:

    • a.

      de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of de vergunning, of de in het instemmingsbesluit of de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit of de vergunning is begonnen;

    • b.

      de in het instemmingsbesluit of de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen;

    • c.

      het instemmingsbesluit of de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;

    • d.

      de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening niet naleeft;

  • 2. Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien:

    • a.

      de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld;

    • b.

      dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak.

  • 3. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit of de vergunning dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord.

  • 4. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit of de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen.

  • 5. Het college trekt het instemmingsbesluit of de vergunning in indien de houder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer daarvan te willen maken.

  • 6. Een instemmingsbesluit of een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder.

Afdeling 7.3 Overleg, afstemming en overige verplichtingen

Artikel 7.3.1 Overleg en afstemming tijdens planvorming

  • 1. De gemeente initieert en faciliteert nader overleg tussen alle betrokken partijen over alle projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek, doch tenminste eenmaal per jaar plaats.

  • 2. Het college initieert in de planfase van een door of vanwege de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerder(s) ten einde de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van kabels en leidingen te analyseren. De gemeente doet per bedoeld project een voorstel ten aanzien van het aantal overleggen en de regelmaat daarvan.

  • 3. Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit.

Artikel 7.3.2 Verplichtingen netbeheerder

  • 1. De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen.

  • 2. Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder het college onverwijld schriftelijk van deze wijziging in kennis.

  • 3. De netbeheerder levert op verzoek van het college informatie over een kabel of leiding.

Artikel 7.3.3 Medegebruik van voorzieningen

  • 1. Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande, hetzij door andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels.

  • 2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de aanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is.

  • 3. Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, is het aan de aanbieder om een alternatief tracé te kiezen. Ook kan het college een alternatief tracé aanwijzen.

Artikel 7.3.4 Verontreiniging, gevaar en hinder

  • 1. De netbeheerder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden aan het college en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen.

  • 2. Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen opschorting gelasten van de aanleg of de exploitatie van de betreffende kabels en leidingen.

Afdeling 7.4 Financiële bepalingen

Artikel 7.4.1 Nadeelcompensatie

  • 1. Het college kent een netbeheerder, niet zijnde aanbieder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in Artikel 7.2.5, tweede lid, onder b, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.

  • 2. Het college stelt een nadeelcompensatieregeling vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.4.2 Herstraat- en degeneratiekosten

  • 1. Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening.

  • 2. Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat.

  • 3. Het college stelt nadere regels vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 8 Wegen en water

Afdeling 81 Wegen

Artikel 8.1.1 Wegen

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. De vergunning wordt verleend:

    • a.

      als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

    • b.

      door het college in de overige gevallen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  • 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door Hoofdstuk 7, het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur of de Telecommunicatiewet.

Artikel 8.1.2 Uitwegen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. De omgevingsvergunning kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend:

    • a.

      in het belang van de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      indien de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of anderszins in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      ter bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente;

    • e.

      indien er al sprake is van een andere uitweg van het betreffende perceel;

    • f.

      ter bescherming van de waterhuishouding.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijkswegenreglement, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Provincie Overijssel.

Artikel 8.1.3 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Afdeling 8.2 Water

Artikel 8.2.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 8.2.2 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op het drukriool

  • 1. Het is verboden een hemelwaterafvoerleiding en leiding ten behoeve van de afvoer van vrijkomend grondwater bij drainage, pompen of andere vormen van onttrekkingen, aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het drukriool;

  • 2. Het verbod als bedoeld in 8.2.2 onder lid 1 geldt tevens voor het lozen van, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het opwerken van grondwater, op het drukriool;

Artikel 8.2.3 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op openbaar riool

  • 1. Het is verboden een hemelwater- en/of grondwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het openbaar riool indien er sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken;

  • 2. Het verbod als bedoeld in 8.2.3 onder lid 1 geldt tevens voor het lozen, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, van gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het zuiveren van grondwater, op het vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool;

Artikel 8.2.4 Verplichting tot waterberging op eigen terrein

  • 1. De eigenaar van het perceel waar sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken met een oppervlakte van minimaal 20 m², is verplicht op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen waarbij het volgende geldt:

    • a.

      De hemelwaterberging als bedoeld in lid 1 dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het bouwwerk gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden.

    • b.

      Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond.

    • c.

      De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak.

    • d.

      De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is.

  • 2. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor ook voor bestaande gebouwen geldt dat het verplicht is om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en blijvend in stand te houden waarbij het volgende geldt:

    • a.

      Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond.

    • b.

      De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak.

    • c.

      De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is.

  • 3. De hoeveelheid hemelwater die na toepassing van het eerste lid niet kan worden geborgen, kan via een bovengrondse overloopvoorziening worden geloosd in de openbare ruimte.

  • 4. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor een andere capaciteit van de hemelwaterberging wordt bepaald.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verplichting om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en in stand te houden.

  • 6. De ontheffing wordt slechts verleend indien:

    • a.

      het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen alternatieven voor het verwerken van het hemelwater en grondwater op eigen terrein mogelijk zijn, of;

    • b.

      er sprake is van verdroging van groen in de openbare ruimte.

Artikel 8.2.5 Maatwerkvoorschrift

  • 1. Het college kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting en het beheer van een hemelwaterberging.

Artikel 8.2.6 Omgevingsvergunning

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college afvloeiend hemelwater en grondwater via een ondergrondse afvoerleiding rechtstreeks aan te sluiten op respectievelijk het openbaar hemelwaterstelsel of het openbaar ontwateringsstelsel.

  • 2. De vergunning wordt slechts verleend indien:

    • a.

      het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen bovengrondse alternatieven voor het afvoeren van het hemelwater en grondwater van eigen terrein naar de openbare ruimte mogelijk zijn, of;

    • b.

      het functioneren van het openbaar rioolsysteem dit vereist;

  • 3. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

    • a.

      Een voorschrift kan zijn het gescheiden aanbieden van de waterstromen op de erfgrens.

Hoofdstuk 9 Procedureregels

Afdeling 9.1 Aanvraag

Artikel 9.1.1 Indiening aanvraag, melding etc.

  • 1. Indien krachtens artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of bij of krachtens enige wettelijke bepaling een formulier is vastgesteld voor het doen van een aanvraag of melding of voor het indienen van enig document of het doen van enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening, is het gebruik van dat formulier verplicht.

  • 2. Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan in enkelvoud worden ingediend, tenzij bij of krachtens enige wettelijke bepaling anders is bepaald.

  • 3. Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan langs elektronische weg worden ingediend, indien de elektronische weg daarvoor is opengesteld.

Afdeling 9.2 Besluit

Artikel 9.2.1 Beslistermijn

  • 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, instemmingsbesluit of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vergunning of ontheffing die ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als een omgevingsvergunning wordt aangemerkt.

  • 4. Op de vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 9.2.2 Weigeringsgronden

  • 1. De vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de volksgezondheid;

    • b.

      de bescherming van het milieu;

    • c.

      het woon- en leefklimaat;

    • d.

      het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • e.

      het doelmatig beheer, gebruik of onderhoud van openbare plaatsen;

  • 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 9.2.3 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen

  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 9.2.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  • 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen of ontheffingen waar artikel 2.25, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op van toepassing is.

Artikel 9.2.5 Geldingsduur

  • 1. De vergunning of ontheffing wordt verleend voor onbepaalde tijd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan of moet de vergunning voor bepaalde tijd worden verleend, als de aard van de vergunning of ontheffing zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet.

  • 3. Het tweede lid is in ieder geval van toepassing op de vergunning of ontheffing, als de Dienstenwet zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet.

Afdeling 9.3 Intrekking of wijziging

Artikel 9.3.1 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • e.

    indien de houder dit verzoekt.

Hoofdstuk 10 Straf-, overgangs- en slotregels

Afdeling 10.1 Strafregels, toezicht en handhaving

Artikel 10.1.1 Strafregels

  • 1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 7, en de op grond van Artikel 9.2.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de ecomische delicten voorziet in strafbaarstelling.

  • 3. Overtreding van Artikel 7.2.1, eerste en tweede lid, Artikel 7.2.4, derde lid en Artikel 7.3.2, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 10.1.2 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de toezichthouders van het team Toezicht en Handhaving van de gemeente Deventer.

  • 2. Het college kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht.

  • 3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften opgenomen in:

    • a.

      Hoofdstuk 2 ten aanzien van individuele standplaatsen,

    • b.

      Hoofdstuk 5,

    • c.

      Hoofdstuk 6 en

    • d.

      Hoofdstuk 8.

  • 4. Onverminderd het eerste, tweede en derde lid is de marktmeester van de gemeente Deventer eveneens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 2.

Artikel 10.1.3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Afdeling 10.2 Overgangs- en slotregels

Artikel 10.2.1 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningen

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Op de dag bedoeld in het eerste lid worden ingetrokken:

    • a.

      De Verordening Bodembescherming Deventer 2006, vastgesteld op 27 oktober 2010;

    • b.

      De Bouwverordening Deventer 1992 - 2013, wijziging 14.1, vastgesteld op 16 oktober 2013;

    • c.

      De Erfgoedverordening 2010 Gemeente Deventer, vastgesteld op 15 september 2010;

    • d.

      De Marktverordening gemeente Deventer 2014, vastgesteld op 10 september 2014;

    • e.

      De Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2015, vastgesteld op 12 november 2014.

Artikel 10.2.2 Overgangsrecht

  • 1. Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in Artikel 10.2.1, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten, genomen krachtens artikelen 2:11, 2:12, 2:21, 4:1 tot en met 4:6, 4:9, 4:10 tot en met 4:12, 4:15, 4:16, 5:17 tot en met 5:20 en 5:32 van de Algemene plaatselijke verordening Deventer, vastgesteld op 16 december 2009 en laatst gewijzigd bij besluit van 27 oktober 2017.

  • 3. Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op:

    • a.

      de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend,

    • b.

      de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of

    • c.

      een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.

  • 4. In gevallen als bedoeld in het derde lid wordt:

    • a.

      een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening;

    • b.

      een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening,

  • op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

  • 5. Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of vierde lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan voorschriften als bedoeld in Artikel 9.2.3.

  • 6. [vervallen]

Artikel 10.2.3 Overgangsrecht ondergrondse infrastructuur

  • 1. Voor kabels en leidingen die op de datum van inwerkingtreding van Hoofdstuk 7 rechtmatig aanwezig en in gebruik zijn geldt de door de gemeente verleende toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning respectievelijk instemmingsbesluit krachtens Hoofdstuk 7.

  • 2. Voor zover er sprake is van privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de gemeente en netbeheerders en tot het moment waarop deze zijn beëindigd, zijn de bepalingen in Hoofdstuk 7, voor zover strijdig met de bepalingen in deze overeenkomsten, niet van toepassing.

  • 3. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een instemmingsbesluit is aangevraagd op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente 2015, waarop nog niet is beslist, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente 2015.

Artikel 10.2.3a Overgangsrecht hemelwatervoorziening

Artikelen 8.2.2 tot en met 8.2.6 zijn niet van toepassing op:

  • a.

    bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van de Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer reeds bestonden;

  • b.

    bouwwerken waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd en;

  • c.

    ruimtelijke activiteiten waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een (ontwerp) bestemmingsplan is vastgesteld waarin bepalingen over hemelwatervoorzieningen zijn opgenomen;

  • d.

    ruimtelijke activiteiten waarvoor uiterlijk zes weken na inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer door het college een ontwikkelovereenkomst, samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst is afgesloten.

Artikel 10.2.4 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving

Ondertekening

Bijlage 1 Begrippen

Artikel 1.1

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

bevoegd gezag: het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

college: het college van burgemeester en wethouders;

openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

Artikel 1.2

Voor de toepassing van dit artikel, Hoofdstuk 2 en de daarop rustende bepalingen en Artikel 10.1.2 wordt verstaan onder:

markt: de door het college ingestelde week- en jaarmarkten, niet zijnde door derden georganiseerde themamarkten;

standplaats:

  • een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats, een markt daaronder begrepen,

  • vanaf waar goederen worden aangeboden, verkocht of afgeleverd of anderszins goederen en diensten worden aangeboden,

  • gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel,

  • met uitzondering van vaste standplaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer;

standwerker: een persoon die publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel;

marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college;

vervanger: een natuurlijk persoon die tijdelijk in de rechten van een vergunninghouder treedt;

ideële standplaats: een standplaats voor maatschappelijk, sociaal-culturele, charitatieve activiteiten of activiteiten op het gebied van volksgezondheid, met een niet-commercieel karakter;

foodtruckstandplaats: een standplaats waarop met een verkoopwagen, zijnde een voertuig of aanhangwagen, als bedoeld in het RVV 1990, bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was een innovatief aanbod van etenswaren of (alcoholvrije) dranken te koop wordt aangeboden.

Artikel 1.3

  • 1.

    Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Wbb: de Wet bodembescherming zoals die geldt per 01-01-2006;

    • b.

      Recent: niet ouder dan vijf jaren.

  • 2.

    Overige in Afdeling 3.2 gebruikte begrippen hebben de betekenis, die zij in de Wbb hebben.

Artikel 1.4

Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 4 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

gemeentelijk monument: een overeenkomstig de als beschermd gemeentelijk monument aangewezen

  • zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

  • terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

gemeentelijk archeologisch monument: een overeenkomstig de als beschermd gemeentelijk archeologisch monument aangewezen terrein dat van algemeen belang is wegens de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;

gemeentelijk erfgoedregister: register als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet, bestaande uit een gemeentelijke monumentenlijst en een lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten;

gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen;

stads- en dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang is wegens haar schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel haar wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde;

beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht: stads- en dorpsgezicht dat door het college van burgemeester en wethouders als zodanig ingevolge de Verordening fysieke leefomgeving is aangewezen;

lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aangewezen gebieden;

Planadviesraad: Planadviesraad: De Planadviesraad Ruimtelijke Kwaliteit als vastgelegd in de Verordening planadviesraad ruimtelijke kwaliteit 2022;

archeologisch beleidsgebied: gebied, op de archeologische beleidskaart voorzien van een waarde tussen 0 en 8;

archeologische beleidskaart: door de gemeenteraad vastgestelde kaart van de gemeente met een aanduiding van archeologische beleidswaarden;

plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;

programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

archeologische uitvoerder: degene die archeologisch onderzoek doet, bureau-onderzoek en booronderzoek daaronder begrepen.

Artikel 1.5

Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 5 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

houtopstand: één of meer bomen of struiken; vellen:

  • rooien;

  • kappen; verplanten;

  • het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen;

  • het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben;

  • een nalaten, zowel boven- als ondergronds, dat de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kan hebben, door de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevindt of degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is;

dunning: velling ter bevordering van de ontwikkeling van de verblijvende houtopstand, uitgevoerd conform bosbouwkundige inzichten;

boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstanden, op basis van landelijke richtlijnen van het Norminstituut Bomen;

Boomveiligheidscontrole: een beoordeling van de veiligheid van een houtopstand, op basis van visueel waargenomen afwijkingen en boomgebreken en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke veiligheidsmaatregelen en urgentie in relatie tot de directe omgeving, op basis van landelijke richtlijnen van het Norminstituut Bomen;

rechthebbende: de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich een houtopstand bevindt of bevond dan wel degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.

Artikel 1.6

Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 6 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

bijzondere inrichting: een inrichting type B, als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijnde eveneens een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27 van de APV Deventer, waar uitsluitend of in hoofdzaak culturele activiteiten worden georganiseerd in de vorm van muziek-, dans-, theater- of toneelvoorstellingen;

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; direct omwonenden: de bewoners van woningen binnen een straal van 10 meter rond de inrichting.

Indien binnen deze straal geen woningen aanwezig zijn geldt de eerstelijns bebouwing;

incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 1.7

Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 7 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanbieder: de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet;

aanvraag: de aanvraag van een instemmingsbesluit of vergunning;

instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet;

kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;

melding: een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard, waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning noodzakelijk is.

netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Onder netbeheerder wordt tevens verstaan een aanbieder;

openbaar elektronisch communicatienetwerk: netwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;

openbare gronden: openbare gronden zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;

spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden waarvan uitstel niet mogelijk is ten gevolge van een calamiteit of ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening;

telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;

vergunning: een vergunning voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden, niet zijnde telecomkabels.

Artikel 1.8:

Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 8 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • hemelwater: verzamelnaam voor water dat uit de hemel valt, zoals regen, sneeuw en hagel;

  • regenwater: vloeibare vorm van water dat uit de hemel valt;

  • grondwater: al het water dat zich in de ondergrond, in bodems en gesteenten bevindt;

  • bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • infiltratie: het indringen van water in de onverzadigde zone van de bodem;

  • transformatie: functiewijziging van een bestaand pand, waarbij een planologische wijziging noodzakelijk is;

  • verbouw: het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bestaand bouwwerk;

  • vervangende nieuwbouw: nieuwbouw op een perceel waarbij het bestaande pand gesloopt wordt;

  • nieuwbouw: het realiseren van een nieuw bouwwerk;

  • openbaar riool: Het openbaar riool is het gedeelte van het rioolstelsel dat in eigendom en in beheer is bij de gemeente of bij een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast en omvat tevens de perceelaansluitleiding vanaf het hoofdriool tot aan de erfgrens en de ontstoppingsvoorziening. Verder bestaat het uit diverse onderdelen als rioolgemalen, persleidingen en werken en installaties. Het openbaar riool bestaat uit het openbaar gemengd stelsel, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar vuilwaterriool en als specificatie hiervan het drukriool en het openbaar ontwateringsstelsel samen.

  • openbaar gemengd stelsel: het gedeelte van het openbaar riool dat bestemd is voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater;

  • openbaar vuilwaterriool: het gedeelte van het openbaar riool dat bestemd is voor de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater met uitzondering van grond- en hemelwater, in beheer bij een gemeente of bij een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • drukriool: het gedeelte van het openbaar riool van het type mechanische riool: bestemd voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater, exclusief hemelwater en grondwater, waarbij het transport plaatsvindt met overdruk, in deze verordening wordt hieronder ook inbegrepen de vacuümriolering welke functioneert met onderdruk;

  • openbaar hemelwaterstelsel: het gedeelte van de openbare riolering en/of een voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar gemengd riool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar gemengd riool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • overloopvoorziening: voorziening voor het uitlaten van een overschot aan regenwater na berging en infiltratie op particulier terrein.

  • Hemelwaterberging: een voorziening op particulier terrein waar hemelwater in kan worden opgeslagen en hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem, zowel ondergrondse als bovengrondse voorzieningen.

Bijlage 1 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 1

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen)

Afdeling 1.1 Begrippen

Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen

In het algemeen deel van de toelichting (par. 2.1) is al voldoende ingegaan op de wijze waarop de begripsbepalingen zijn opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving (namelijk in een bijlage).

Op de bijlage met begripsbepalingen en de afzonderlijke begripsbepalingen wordt in deze en de volgende bijlagen bij de toelichting ingegaan.

Bijlage 1 - Begripsbepalingen

Artikel 1.1

Bevoegd gezag

Het begrip bevoegd gezag is gereserveerd voor de toekenning van bevoegdheden met betrekking tot vergunningen, die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden aangemerkt. Dit geldt voor de volgende vergunningen:

  • -

    De vergunning voor het wijzigen etc. van een gemeentelijk monument (artikel 4.3.1);

  • -

    De vergunning voor het vellen van een houtopstand (artikel 5.1.1);

  • -

    De vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 8.1.1), en

  • -

    De vergunning voor het maken van een uitweg (artikel 8.1.2).

Zie artikel 2.2, eerste lid, respectievelijk onder b, g, d en e, van de Wabo.

Op grond van de Wabo wordt een omgevingsvergunning als hoofdregel verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij burgemeester en wethouders, maar bij gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

Ook de bevoegdheden die afkomstig zijn uit de Bouwverordening en die verband houden met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn in de Verordening fysieke leefomgeving toegekend aan het bevoegd gezag.

Daarnaast komt op enkele plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel het bevoegd gezag op grond van de Wabo, afhankelijk van aan wie

Bouwwerk

Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.

College

Het college van burgemeester en wethouders van Deventer. Bevoegdheden in deze verordening die niet aan het bevoegd gezag op grond van de Wabo toekomen, zijn bij burgemeester en wethouders belegd.

Openbare plaats

Dit begrip komt slechts één keer voor in de Verordening fysieke leefomgeving, en wel in artikel 9.2.2 (Weigeringsgronden). Het begrip is desondanks belangrijk genoeg om van een begripsbepaling te voorzien. Voor die begripsbepaling is, net als in de APV, aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.

Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.

Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.

Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).

Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).

Weg

Voor de bepaling van het begrip ‘weg’ wordt aangehaakt bij de Wegenverkeerswet 1994. Deze hanteert als definitie van ‘wegen’: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

Bijlage 2 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 2

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 2 (Ambulante handel)

Algemeen

Dit hoofdstuk is van toepassing op standplaatsen op markten en op standplaatsen niet op markten. In bijlage 1 bij de Verordening is een markt omschreven als “de door het college ingestelde week- en jaarmarkten, niet zijnde door derden georganiseerde themamarkten”.

Een standplaats is als volgt omschreven:

  • een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats, een markt daaronder begrepen,

  • vanaf waar goederen worden aangeboden, verkocht of afgeleverd of anderszins goederen en diensten worden aangeboden,

  • gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel,

  • met uitzondering van vaste standplaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer.

Specifieke vormen van standplaatsen zijn de ideële standplaatsen en de foodtruckstandplaatsen.

Ideële standplaatsen hebben een niet-commercieel karakter en zijn bedoeld voor bijvoorbeeld maatschappelijke of charitatieve activiteiten. Hoofdstuk 2 van de verordening bevat overigens geen regels ten aanzien van ideële standplaatsen. Ideële standplaatsen zijn desondanks genoemd om de mogelijkheid te hebben om daar beleidsregels voor vast te stellen.

Bij foodtruckstandplaatsen is het fysieke middel dat wordt gebruikt omschreven als voertuig of aanhangwagen. De aangeboden goederen bestaan hierbij uit een innovatief aanbod van etenswaren en dranken.

Afdeling 2.1 Algemene bepalingen ten aanzien van vergunningen voor standplaatsen

Artikel 2.1.1 Verbodsbepaling

Dit artikel bevat een verbod op het, zonder vergunning, innemen van een standplaats. Het maakt hierbij niet uit of het om een standplaats op een markt, of om een standplaats elders gaat.

Artikel 2.1.2 Soorten vergunningen

Dit artikel beschrijft welke soorten vergunningen kunnen worden verleend voor het innemen van een standplaats. Het gaat hier om de vier soorten standplaatsvergunningen uit de Marktverordening (vaste standplaats, seizoensplaats, dagplaats en standwerker) en de standplaatsvergunning uit de APV, die betrekking heeft op standplaatsen elders dan op een markt. Deze laatste standplaatsvergunning is omschreven als ‘individuele standplaatsvergunning’, om het onderscheid te benadrukken met standplaatsen op een markt (waarvan er altijd meer zijn).

Artikel 2.1.3 Vereisten vergunningaanvraag

Algemeen

Dit artikel stelt eisen aan het indienen van een aanvraag om een standplaatsvergunning.

Eerste lid

Een vergunning wordt schriftelijk of langs elektronische weg aangevraagd in de daarvoor opengestelde periode. De opengestelde periode volgt uit de bepalingen die in hoofdstuk 2 zijn opgenomen. Is er geen opengestelde periode bepaald, dan kan een aanvraag altijd ingediend worden.

Tweede lid

Dit lid bevat een afwijkende regeling voor het aanvragen van dagplaatsvergunningen. Dagplaatsvergunningen worden alleen verleend als een vaste standplaats op een markt niet wordt ingenomen. Aangezien dit meestal pas kort van tevoren bekend is, moet de dagplaatsvergunning op de dag zelf, voor aanvang van de markt, aangevraagd worden. Uit praktisch oogpunt is het toegestaan de vergunning mondeling ten overstaan van de marktmeester aan te vragen.

Derde lid

Deze eis wordt gesteld om te kunnen controleren of de aanvrager gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten.

Artikel 2.1.4 Algemene toetsingscriteria

Algemeen

Dit artikel bevat de criteria waaraan een aanvraag om een standplaatsvergunning op een markt worden getoetst. Voor individuele standplaatsvergunningen is het niet nodig deze toetsingscriteria te hanteren. Het is vooral van belang om de kwaliteit van (standplaatsen op) de markten te waarborgen.

In afwijking van de Marktverordening is het ook mogelijk voor een rechtspersoon om een standplaatsvergunning aan te vragen. Wel blijft de eis dat per persoon (dat wil zeggen een natuurlijk persoon of een rechtspersoon) maximaal één vergunning per markt kan worden verleend.

Het vierde lid bevat de verplichting om aanvragen te toetsen aan het inrichtingsplan voor de markt. Deze regel ontbrak in de Marktverordening.

Afdeling 2.2 Inrichtingsplan markt

Artikel 2.2.1 Inrichtingsplan

Dit artikel schrijft voor dat burgemeester en wethouders per markt een inrichtingsplan vaststellen en regelt wat daarin geregeld moet en kan worden. Zo moet per markt onder andere bepaald worden wat de markttijd is en welke delen van de markt bestemd zijn voor welke marktactiviteiten. Opgemerkt wordt dat de wijze van verlenen van vaste standplaatsvergunningen voor elke markt gelijk is en om die reden geregeld is in de verordening zelf. Ieder inrichtingsplan dient voorzien te zijn van een kaart, waarop onder meer de grenzen van de markt staan aangegeven.

Artikel 2.2.2 Mandaatverboden

Dit artikel bevat enkele mandaatverboden met betrekking tot het vaststellen en wijzigen van inrichtingsplannen.

Afdeling 2.3 Vaste standplaatsvergunningen en seizoensplaatsvergunningen

Artikel 2.3.1 Selectiestelsel

In dit artikel is een selectiestelsel uitgewerkt waarmee aanvragen voor de te verlenen nieuwe vaste standplaatsvergunningen op bepaalde aspecten kunnen worden beoordeeld. Een wijziging ten opzichte van de Marktverordening is dat als slechts één aanvraag wordt ingediend, deze niet aan het selectiestelsel hoeft te voldoen (maar wel aan de algemene toetsingscriteria uit artikel 2.1.4).

Artikel 2.3.2 Inhoud vaste standplaatsvergunning

Dit artikel bepaalt wat er in een vaste standplaatsvergunning moet staan.

Artikel 2.3.3 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging

Hoofdregel is dat de vergunninghouder zelf de standplaats inneemt. Dit artikel maakt mogelijk dat de vergunninghouder zich tijdelijk laat vervangen.

Artikel 2.3.4 Geldingsduur vaste standplaatsvergunning

Dit artikel regelt de geldingsduur van een vaste standplaatsvergunning. Aangezien deze vergunning een schaars recht vertegenwoordigt (de situatie kan zich voordoen dat er meer gegadigden voor een standplaatsvergunning zijn dan er standplaatsvergunningen zijn) is een vaste standplaatsvergunning van tijdelijke aard. De termijn is gesteld op 5 jaar.

Artikel 2.3.5 Overschrijven vaste standplaatsvergunning

Dit artikel regelt de gevallen en voorwaarden waaronder het mogelijk is om vaste standplaatsvergunningen over te schrijven. Het gaat om overschrijving van een vaste standplaatsvergunning met alle daaraan verbonden voorschriften en beperkingen. Een nieuwe toevoeging ten opzichte van de Marktverordening is dat een vaste standplaatsvergunning ook kan worden overgeschreven op naam van iemand die de vergunninghouder aantoonbaar twee jaar of langer heeft bijgestaan.

Artikel 2.3.6 Intrekken en vervallen vaste standplaatsvergunning

De Verordening fysieke leefomgeving bevat in artikel 9.3.1 een algemene regeling voor het intrekken en vervallen van vergunningen. De regeling voor het intrekken en vervallen van vaste standplaatsvergunningen is echter zodanig anders dat hier een apart artikel voor is opgenomen. Dit is artikel 2.3.6. In het eerste en tweede lid wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin het intrekken van de vergunning dwingend is voorgeschreven en de situatie waarin dat facultatief is. Het derde lid bepaalt dat een vergunning tijdelijk vervalt als de standplaats niet tijdig is ingenomen. De standplaats kan dan als dagplaats aan iemand anders worden vergund.

Artikel 2.3.7 Mandaatverbod

Dit artikel een mandaatverbod met betrekking tot het verlenen en intrekken van vaste standplaatsvergunningen.

Artikel 2.3.8 Seizoensplaatsvergunning

De regels die gelden voor vaste standplaatsvergunningen, gelden ook voor seizoensplaatsvergunningen. De geldingsduur bedraagt echter maximaal zes maanden.

Afdeling 2.4 Dagplaatsvergunningen en standwerkvergunningen

Artikel 2.4.1 Dagplaatsvergunning

Dit artikel bevat een regeling voor dagplaatsvergunningen. Het innemen van een dagplaatsvergunning is alleen mogelijk als een vaste standplaats niet wordt ingenomen of als er nog plaatsen vrij zijn op de markt. Dagstandplaatsvergunningen kunnen daarom slechts op korte termijn verleend worden (zie ook artikel 2.1.3, tweede lid) en overdragen van de vergunning of vervanging op de standplaats is niet mogelijk. Achterliggende gedachte is dat de standplaatsen op de markt zo veel mogelijk gevuld moeten zijn, om zo de bezoekers een aantrekkelijke markt te bieden.

Artikel 2.4.2 Standwerkvergunning

Dit artikel regelt de standwerkvergunningen.

Afdeling 2.5 Individuele standplaatsvergunning

Algemeen

Deze afdeling regelt de standplaatsen elders dan op markten.

Artikel 2.5.1 Weigeringsgronden individuele standplaatsvergunning

Dit artikel bevat enkele specifieke weigeringsgronden voor individuele standplaatsvergunningen. Strijd met het bestemmingsplan is een dwingende weigeringsgrond (eerste lid), de overige weigeringsgronden zijn facultatief (tweede lid).

Artikel 2.5.2 Toestemming rechthebbende

Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.

Artikel 2.5.3 Foodtrucks

Dit artikel bevat een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om voor foodtruckstandplaatsen een afwijkende regeling te treffen.

Artikel 2.5.4 Afbakingsbepaling

Dit artikel is opgenomen om doorkruising van hogere regelgeving te voorkomen.

Afdeling 2.6 Algemene bepalingen ten aanzien van standplaatsen

Artikel 2.6.1 Bijstand

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2.6.2 Markttijden

Dit artikel regelt de markttijden. Het beoogt de overlast van het op- en afbouwen van de markt te beperken, en tegelijk te waarborgen dat er gedurende markttijden genoeg marktkramen aanwezig zijn om voor de bezoeker een aantrekkelijke markt te bieden.

Artikel 2.6.3 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden

Om de bezoeker een aantrekkelijke markt te bieden, is het noodzakelijk dat houders van vaste standplaatsvergunningen daadwerkelijk hun standplaats innemen. Dit artikel voorziet in een regeling voor gevallen waarin dat wegens ziekte, vakantie en dergelijke niet mogelijk is.

Artikel 2.6.4 Verontreiniging

Dit artikel verplicht houders van standplaatsvergunningen ertoe de omgeving van hun standplaats schoon te houden en na afloop afval op te ruimen.

Artikel 2.6.5 Informatieplicht

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2.6.6 Nadere eisen

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2.6.7 Onmiddellijke verwijdering

In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat het gemeentebestuur onder andere ter uitvoering van gemeentelijke verordeningen de bevoegdheid heeft een last onder bestuursdwang op te leggen. Artikel 2.6.7 geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een bijzondere vorm van bestuursdwang (verwijdering) toe te passen als een vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog op de markt of bij andere overtredingen van hoofdstuk 2 van de Verordening fysieke leefomgeving.

Bij deze vorm van bestuursdwang wordt spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb, verondersteld. Dan kan de bestuursdwang worden toegepast zonder voorafgaande last. Bij zéér spoedeisende gevallen, waarbij een besluit niet kan worden afgewacht, kan bestuursdwang onmiddellijk worden toegepast (artikel 5:31, tweede lid, van de Awb). Wel dient het besluit in dat geval achteraf alsnog bekendgemaakt te worden overeenkomstig artikel 5:31, tweede lid, van de Awb jo. artikel 5:24, derde lid, van de Awb. Het hangt van de omstandigheden van het geval af of er sprake is van een spoedeisend geval of misschien zelfs van een zeer spoedeisend geval.

Bijlage 3 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 3

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 3 (Bodem)

Afdeling 3.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Algemeen

Afdeling 3.1 bevat regels die ter voldoening aan artikel 8 van de Woningwet moeten worden opgenomen in de bouwverordening. Aangezien een regeling omtrent de welstandscommissie (artikel 8, vijfde lid, Woningwet) al is opgenomen in een afzonderlijke verordening, resteren voor opname in de Vfl alleen nog de voorschriften omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem (artikel 8, tweede lid, Woningwet). Aan wat er in die voorschriften wordt geregeld, zijn aanvullende eisen gesteld (artikel 8, derde en vierde lid, Woningwet).

Artikel 3.1.1 Status

Artikel 8 van de Woningwet verplicht ertoe een (inmiddels klein) aantal zaken te regelen in de zogenaamde bouwverordening. Gebruikelijk is dat die verordening ook zo heet, en het is niet bekend of het opnemen van de te regelen onderwerpen in een verordening met een andere naam tot problemen leidt. Om die problemen te voorkomen is in artikel 3.1.1 een statusbepaling opgenomen, om duidelijk te maken dat afdeling 3.1 van de Verordening fysieke leefomgeving is bedoeld om te voldoen aan de verplichting in artikel 8 van de Woningwet.

Artikel 3.1.2 Bodemonderzoek

Algemeen

De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, staan in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. Dit artikel bepaalt voor wat betreft het toetsen van aanvragen aan de bouwverordening, alleen nog dat er een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem moet worden ingediend. Dit vereiste is verder uitgewerkt in artikel 3.1.2 van de Verordening fysieke leefomgeving. Het artikel bepaalt ook in welke gevallen geen onderzoeksrapport hoeft worden ingediend. Ook het Besluit omgevingsrecht bevat hier regels over (art. 4.4 Besluit omgevingsrecht).

De structuur van de regeling is als volgt:

  • -

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd (artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht).

  • -

    Gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, hoeven niet opnieuw te worden verstrekt (art. 4.4, tweede lid, Besluit omgevingsrecht). Uiteraard moeten die gegevens en bescheiden nog wel voldoen aan de daaraan gestelde eisen.

  • -

    Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.

  • -

    Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.

De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.

Eerste lid

Onderdeel a bepaalt waaruit het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet, moet volden. Hiervoor wordt verwezen naar de NEN 5740. Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN

5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag afzien van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.

De term ‘recent’ in onderdeel a is in de bijlage bij de Verordening fysieke leefomgeving omschreven als niet ouder dan vijf jaren. Hiermee wordt discussie voorkomen over de vraag of een bodemonderzoek nog wel recent genoeg is. De toevoeging ‘actueel’ brengt met zich mee dat een onderzoek dat weliswaar ‘recent’ (dus niet ouder dan vijf jaren) is, niettemin een goed beeld van de bodemgesteldheid moet geven.

Onderdeel b richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707 ontwikkeld.

Tweede lid

Voor het bouwen van bepaalde bouwwerken is geen omgevingsvergunning nodig. Welke bouwwerken dit zijn, is bepaald in het Besluit omgevingsrecht (bijlage II, artikelen 2 en 3). Als gevolg van het ontbreken van de vergunningplicht hoeft geen vergunning te worden aangevraagd en hoeft dus ook geen bodemonderzoek te worden gedaan. Het tweede lid van artikel 3.1.2 bepaalt dat voor bouwwerken die naar aard en omvang (met uitzondering van hoogte) gelijk zijn aan vergunningvrije bouwwerken (maar die zelf dus niet vergunningvrij zijn), ook geen bodemonderzoek hoeft te worden gedaan.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat ervan moet worden afgezien een recent en actueel bodemonderzoek te eisen, als het college al beschikt over bruikbare recente onderzoeksresultaten. Dit is een specificatie van het bepaalde in artikel 4.4 van het Besluit omgevingsrecht. In dat geval wordt strikt genomen niet voldaan aan de indieningsvereisten voor een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, maar omdat het college op basis van al beschikbare gegevens het aspect bodem voldoende kan beoordelen, is het ontbreken van een nieuw bodemonderzoek geen reden de aanvraag wegens onvolledigheid buiten behandeling te laten.

Met de term ‘afwijken’ in dit artikel is overigens niet bedoeld om aan te sluiten op bijvoorbeeld de bevoegdheden in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om van onder andere bestemmingsplannen af te wijken. Het afzien van het eisen van een recent en actueel bodemonderzoek moet niet gezien worden als besluit, maar meer als beleidsregel voor de beoordeling van de volledigheid van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen.

Vierde lid

Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.

Vijfde lid

De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Het bevoegd gezag kan in die gevallen bij het verlenen van de omgevingsvergunning bepalen dat het bodemonderzoek later wordt overgelegd (artikel 2.7, derde lid, Besluit omgevingsrecht).

Artikel 3.1.3 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond

Algemeen

Dit artikel vormt de kern van de regeling omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem. Het bevat namelijk de verbodsbepaling voor het bouwen op verontreinigde

bodem. Het verbod kan een grond zijn om een omgevingsvergunning voor het bouwen niet te verlenen. Een aantal aspecten van het verbod wordt hieronder nader toegelicht.

Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen

Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.

Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouwproducten alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kortdurende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.

Bouwwerken die de grond niet raken

Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.

Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging

Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.

Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe zijn aangewezen volgens de Wet bodembescherming (hiertoe behoort ook gemeente Deventer) het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen.

Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk

Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreinigingsgraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.

Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt dat het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen weliswaar niet hoeft te worden aangehouden, maar dat na het nemen van het besluit de omgevingsvergunning pas in werking treedt nadat de verontreiniging conform de Wet bodembescherming is afgewikkeld (art. 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

Artikel 3.1.4 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen.

In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:

  • -

    de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht;

  • -

    de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;

  • -

    de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.

Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.

Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.

Artikel 3.1.5 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en praktijkrichtlijnen (NPR's). Wanneer van een norm of praktijkrichtlijn een nieuwe versie is uitgegeven, kan het bevoegd gezag daar rekening mee houden. Om die reden is in afdeling 3.1 ervan afgezien om versies van normen te vermelden.

Afdeling 3.2 Bodembescherming

Artikel 3.2.1 Inhoud saneringsplan

Een saneringsplan dient zodanig opgesteld te zijn dat het college zich een goed beeld kan vormen van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd. Onder meer de aard en omvang van de verontreiniging en de hoedanigheid van de voorgenomen maatregelen dienen duidelijk in het plan omschreven te worden, zodat er getoetst kan worden of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal en kan worden gesaneerd.

In het saneringsplan moeten naast de eisen genoemd in artikel 39 lid 1 Wbb aan de in artikel 3.2.1 gestelde eisen worden voldaan. De bevoegdheid om nadere regels te stellen is neergelegd in artikel 39 lid 1 Wbb. De gemeente toetst zowel een saneringsplan ingediend door derden als een saneringsplan voor haar eigen saneringen aan de eisen die neergelegd zijn in de Wbb en artikel 3.2.1 van de verordening.

In de praktijk blijkt het niet altijd haalbaar of van essentieel belang te zijn om te voldoen aan alle eisen die in artikel 3.2.1, eerste lid, aan het saneringsplan worden gesteld. Daarom is het tweede lid een afwijkingsmogelijkheid ingebouwd. Deze nadere regels omtrent de ontvankelijkheid van een saneringsplan zijn nadrukkelijk alleen van toepassing op de eisen gesteld in de gemeentelijke verordening en niet op de eisen die aan een saneringsplan gesteld worden in artikel 39 lid 1 van de Wet bodembescherming.

Artikel 3.2.2 Melding start, diepste punt en einde feitelijke sanering

De melding voor de start van de saneringswerkzaamheden biedt een aanknopingspunt voor een meer effectieve wijze van toezicht houden. De toezichthouder en inspecteur kunnen op deze manier het juiste moment kiezen voor het houden van een controle.

Het tweede lid sluit hierbij aan. Als het diepste punt (of punten bij een gefaseerde sanering) wordt gemeld, geeft dit de inspecteur de gelegenheid een monster te nemen t.b.v. een contraexpertise, zodat de uiteindelijk opgegeven resultaten kunnen worden gecontroleerd en geverifieerd aan het eigen genomen monster.

Het derde lid is opgenomen om de termijn voor het indienen van het saneringsverslag vast te kunnen stellen. Voor het indienen van de genoemde meldingen dient gebruik te worden gemaakt van standaard meldingsformulieren. De praktijk heeft uitgewezen dat meldingen van de start sanering, het bereiken van het diepste punt en het einde van de sanering vaak telefonisch worden doorgegeven.

Artikel 3.2.3 Melding wijzigingen saneringsplan

In overeenstemming met het voorgaande artikel dienen wijzigingen op het saneringsplan schriftelijk door middel van een standaardformulier te worden gemeld.

Artikel 3.2.4 Het saneringsverslag

Het saneringsverslag wordt ingediend na afronding van de saneringswerkzaamheden en geeft het college inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van het saneringsverslag kan worden beslist of de sanering naar behoren is uitgevoerd, dan wel dat er nog aanvullende saneringsmaatregelen nodig zijn.

In artikel 39c Wbb staat waar een saneringsverslag ten minste aan moet voldoen. Op grond van het derde lid kan de gemeente nadere regels stellen m.b.t. de eisen die aan een saneringsverslag gesteld worden. Aan deze bevoegdheid is in artikel 3.2.4 invulling gegeven. De eisen die in de wet genoemd worden zijn op dit punt nogal summier, daarom is er ten behoeve van de duidelijkheid voor gekozen om zo uitgebreid mogelijk aan te geven waar een saneringsverslag aan dient te voldoen. De ervaring leert dat alle gevraagde gegevens nodig zijn om tot een goede eindbeoordeling van de sanering te komen.

Voor een toelichting bij artikel 3.2.4, derde lid, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.2.1 van deze verordening.

Artikel 3.2.5 Het nazorgplan

Sinds 1 januari 2006 is in de Wbb neergelegd dat het nazorgplan instemming behoeft van het bevoegd gezag. Instemming kan ingevolge artikel 39d Wbb, derde lid, slechts gegeven worden indien de in het plan opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de achtergebleven verontreiniging niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals die beschreven is in het saneringsverslag. Op grond van het vijfde lid kan het college nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het nazorgplan worden opgenomen. Deze regels zijn gesteld in artikel 3.2. De gegevens die worden overlegd dienen er onder meer toe te leiden dat de monitoring en/of isolatie van de restverontreiniging nauwkeurig wordt gerapporteerd en geregistreerd. Indien blijkt dat de restverontreiniging niet in voldoende mate wordt beheerd, dient er een terugvalscenario te worden aangegeven.

Artikel 3.2.6 Saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door het college

In het kader van conformiteit is ervoor gekozen om aan onderzoeken, saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door de overheid, dezelfde eisen te stellen als aan particulieren/ derden. De overheid als opdrachtgever dient zich m.a.w. te houden aan de procedurele eisen die in afdeling 3.2 van deze verordening zijn neergelegd.

Bijlage 4 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 4

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 4 (erfgoed)

Bijlage 1, artikel 1.4 Begripsbepalingen

Gemeentelijk monument

Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.

Het begrip ‘terreinen’ dient ruim te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken.

Gemeentelijk archeologisch monument

Om duidelijk te maken dat ook archeologische monumenten kunnen worden aangewezen als gemeentelijk monument, is die mogelijkheid expliciet vermeld in artikel 4.1.1 van de verordening. Om dit verder te benadrukken is het begrip gemeentelijk archeologisch monument afgesplitst van het begrip gemeentelijk monument. Voor het begrip gemeentelijk archeologisch monument is aangesloten bij het begrip archeologisch monument uit de Erfgoedwet.

Gemeentelijk erfgoedregister, Gemeentelijke monumentenlijst, Lijst van beschermde stads- en dorpsgezichten

Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening aangewezen monumenten registreert, en de lijst waarop de overeenkomstig de verordening aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten worden aangewezen. Het verwerken van aanwijzingen als monument of beschermd stads- of dorpsgezicht, en wijzigingen en intrekkingen van die aanwijzingen, is een administratieve handeling. Het is nadrukkelijk geen vereiste voor het in werking treden van een aanwijzing of een wijziging of intrekking van een aanwijzing. Aanwijzingen etc. treden in werking op de dag dat zij conform de Algemene wet bestuursrecht bekendgemaakt zijn. Ook zijn in de verordening geen gevolgen verbonden aan het niet voldoen aan de verplichting om het register bij te houden.

Adviesraad monumenten

De adviesraad monumenten is een commissie die adviseert aan het college over beleidsmatige aangelegenheden en over de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.

Planadviesraad monumenten en beschermd stadsgezicht

De Planadviesraad monumenten en beschermd stadsgezicht brengt advies uit aan het bevoegd gezag over aanvragen voor wijziging van gemeentelijke en rijksmonumenten. In artikel 15 van de Monumentenwet 1988 is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De taken van de planadviesraad strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de Wabo en de Monumentenwet 1988.

Archeologisch beleidsgebied en Archeologische beleidskaart

Het grondgebied van de gemeente is op basis van fysisch-geografische of historische informatie ingedeeld in archeologische verwachtingsgebieden. Deze verwachtingsgebieden zijn op de archeologische beleidskaart vertaald naar beleidswaarden 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7. De archeologische beleidskaart kent daarnaast beleidswaarde 0. Deze is gereserveerd voor gebieden waar in het geheel geen archeologische verwachting meer is, en die dus niet beschermd hoeven te worden. De archeologische beleidskaart is door de gemeenteraad vastgesteld en wordt primair gebruikt om te bepalen hoe in het bestemmingsplan de bescherming van archeologische waarden wordt geregeld.

Waar die regeling ontbreekt, geldt artikel 4.4.1 van de Verordening fysieke leefomgeving als vangnet.

De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven.

Afdeling 4.1 Bevoegdheden

Artikel 4.1.1 De aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument Dit artikel bevat de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten aan te wijzen, en om gedane aanwijzingen te wijzigen of in te trekken. Een aanwijzing kan geen betrekking hebben op rijks- en provinciale monumenten, dit om doorkruising van hogere regelgeving te voorkomen.

Artikel 4.1.2 De aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Dit artikel bevat de bevoegdheid om beschermde stads- of dorpsgezichten aan te wijzen, en om gedane aanwijzingen te wijzigen of in te trekken. Een aanwijzing kan geen betrekking hebben op rijks- en provinciale beschermde stads- en dorpsgezichten, dit om doorkruising van hogere regelgeving te voorkomen.

Afdeling 4.2 Procedures

Artikel 4.2.1 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt op welke bevoegdheden afdeling 4.2 van toepassing is: de aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of als beschermd stads- of dorpsgezicht, inclusief de wijziging of intrekking van zulke aanwijzingen.

Artikel 4.2.2 Advisering door de adviesraad Monumenten

Dit artikel bevat de verplichting voor het college om advies te vragen aan de adviesraad Monumenten. In tegenstelling tot de Erfgoedverordening bevat de Verordening fysieke leefomgeving geen regels omtrent de termijnen voor advisering door de adviesraad. Eventuele beslistermijnen op aanvragen zijn leidend, daarbinnen zal door middel van werkafspraken tot tijdige advisering gekomen moeten worden. Mocht niet tijdig worden geadviseerd, dan wordt er geacht te zijn geadviseerd. Tijdig betekent in dit geval op een zodanig moment dat het college het advies nog in de besluitvorming kan meenemen, zonder beslistermijnen te overschrijden. Indien het gaat om een ambtshalve aanwijzing en er geen beslistermijn geldt, dan zal het college een termijn kunnen stellen waarbinnen geadviseerd moet zijn.

Het artikel bepaalt nadrukkelijk niet dat de adviesraad een positief advies gegeven moet hebben, wil aanwijzing als monument of beschermd stads- of dorpsgezicht mogelijk zijn. Aanwijzing na een negatief advies is ook mogelijk. Het advies van de adviesraad weegt zwaar, maar is niet bindend. Het is uiteindelijk de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het college om te besluiten omtrent aanwijzing. Het college kan zich daarbij niet ‘verschuilen’ achter de adviesraad. Uiteraard dient het college te motiveren waarom een advies niet overgenomen wordt. In voorkomende gevallen is het ook nodig om te motiveren waarom een advies juist wel overgenomen wordt (bijvoorbeeld als het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of als er een deskundig tegenadvies is ingediend).

Artikel 4.2.3 Voorbescherming

Dit artikel regelt de zogenaamde voorbescherming van zaken die mogelijk als gemeentelijk (archeologisch) monument worden aangewezen. De voorbescherming houdt in dat het kandidaat- monument tijdelijk valt onder het verbod om monumenten te wijzigen, afbreken etc.

Het moment van aanvang van de voorbescherming is bepaald op het moment waarop het college kennisgeeft van het voornemen om een aanwijzing te doen (op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, met de mogelijkheid voor belanghebbenden om een zienswijze in te dienen).

De voorbescherming eindigt:

  • -

    ofwel op het moment dat de aanwijzing in werking is getreden. Dit vereist bekendmaking van het besluit aan de belanghebbende. Het is niet nodig dat de aanwijzing al onherroepelijk is;

  • -

    ofwel het voornemen is ingetrokken. Dit laatste zal moeten blijken uit een mededeling van het college. Mocht een dergelijke mededeling uitblijven, dan kan de belanghebbende daarom verzoeken.

Artikel 4.2.4 Kennisgeving zakelijk gerechtigden

Dit artikel bevat de verplichting om zakelijk gerechtigden kennis te geven van besluiten tot aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument, dan wel de wijziging of intrekking van een aanwijzing.

Het gaat hier om kennisgeving aan de eigenaar, pachter, houders van opstalrechten en andere zakelijke rechten. Huurders of andere gebruikers van het monumenten hoeven niet geïnformeerd te worden.

Artikel 4.2.5 Gemeentelijk erfgoedregister

Dit artikel regelt dat alle aanwijzingen bijgehouden moeten worden in het gemeentelijke erfgoedregister, en welke informatie er per aanwijzing opgenomen moet worden.

Afdeling 4.3 Instandhouding gemeentelijke monumentale zaken en beschermde stads- en dorpsgezichten

Artikel 4.3.1 Verbod en vergunningplicht

Eerste lid

Het eerste lid bevat een absoluut verbod op het beschadigen of vernielen van gemeentelijke monumenten. Het verlenen van een vergunning daarvoor is niet mogelijk. Het is immers absoluut onwenselijk dat een monument wordt beschadigd of vernield. In aanvulling daarop is het ook verboden om aan een monument het onderhoud te onthouden dat nodig is voor de instandhouding ervan. Dit verbod gold onder de Erfgoedverordening nog niet, maar dit verbod gold al wel voor rijksmonumenten. De bescherming van gemeentelijke en rijksmonumenten wordt hiermee gelijkgetrokken.

Tweede lid

Het tweede lid bevat de vergunningplicht voor onder andere het wijzigen en aanpassen van monumenten. Dergelijke werkzaamheden kunnen legitiem zijn en het is dan ook mogelijk om daar een vergunning voor te verlenen.

Derde lid

Het verbod van het tweede lid (en dus niet het eerste lid) geldt niet, als het college nadere regels heeft gesteld over de wijze waarop werkzaamheden aan monumenten moeten worden uitgevoerd. De gedachte is dat als die regels worden opgevolgd, er voldoende rekening wordt gehouden met de monumentale waarden.

Vierde lid

Ook in het vierde lid wordt de bescherming van gemeentelijke monumenten afgestemd op de bescherming van rijksmonumenten. Hier wordt een uitzondering gemaakt op de vergunningplicht uit het tweede lid, als het gaat om gewoon onderhoud of inpandige aanpassingen zonder gevolgen voor de monumentale waarden.

Vijfde lid

Het vijfde lid beschrijft specifieke belangen waar bij het besluiten omtrent vergunningverlening rekening gehouden moet worden.

Zesde lid

Het zesde lid bevat een specifieke regeling voor het aanwijzen van monumenten met een religieuze bestemming.

Artikel 4.3.2 Advisering door Planadviesraad

Ook bij besluiten omtrent vergunningverlening met betrekking tot gemeentelijke monumenten moet het college advies vragen, in dit geval aan de Planadviesraad. De regeling is hetzelfde als in artikel 4.2.2, kortheidshalve wordt dan ook verwezen naar de toelichting op dat artikel.

Artikel 4.3.3 Beschermend bestemmingsplan

Met dit artikel verplicht de gemeenteraad zichzelf om voor beschermde stads- en dorpsgezichten een bestemmingsplan vast te stellen, dat het stads- en dorpsgezicht daadwerkelijk beschermt. Deze verplichting een bestemmingsplan vast te stellen is het enige rechtsgevolg van een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van deze verordening.

Afdeling 4.4 Instandhouding van archeologische terreinen

Algemeen

Artikelen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3 hebben als grondslag artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Die wet is weliswaar ingetrokken met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, maar onder andere artikel 38 blijft van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

In het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (artikel 4.6) is bepaald dat een regel op grond van artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 bij inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit betreft het tijdelijk deel van het omgevingsplan, dat geldt tot de gemeenteraad conform de Omgevingswet een nieuw omgevingsplan vaststelt.

Artikel 4.4.1 Verbod

Dit artikel bevat een vereenvoudigde versie van het vergunningstelsel met betrekking tot archeologische terreinen, dat eerder in de Erfgoedverordening was opgenomen.

De belangrijkste wijziging is dat het verbod nu slechts geldt, als er in het geldende bestemmingsplan geen regels tot bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen. Dit zal in de regel altijd het geval zijn, maar mocht dat niet het geval zijn, dan bevat artikel 4.4.1 een vangnet. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat als de bestemmingsplanwetgever er bewust voor heeft gekozen om in het bestemmingsplan gronden niet van een archeologische dubbelbestemming te voorzien, artikel 4.4.1 niet van toepassing is. Deze bewuste keuze moet dan blijken uit de toelichting bij het bestemmingsplan.

Als het verbod vervolgens toepassing vindt, dan is er nog een aantal uitzonderingen opgenomen. De eerste uitzondering is als er een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken. In het kader van een dergelijke omgevingsvergunning wordt ook het aspect archeologie betrokken, zodat een vangnetverbod niet nodig is.

De tweede en derde uitzonderingen doen zich voor als er geen strijd is met het gemeentelijk archeologiebeleid en als uit vooronderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 4.4.2 Booronderzoek, opgraving en begeleiding

De Erfgoedwet bevat in paragraaf 5.1 regels omtrent het verrichten van opgravingen. Dit betreft vooral certificering van archeologische uitvoerders.

In aanvulling daarop bevat artikel 4.4.2 een regeling waardoor het college een programma van eisen met nadere regels ten aanzien van opgraving en begeleiding vast moet stellen. Verder is de archeologische uitvoerder verplicht (voor alle vormen van onderzoek) een plan van aanpak op te stellen en ter goedkeuring aan het college voor te leggen.

Ook buiten het programma van eisen en goedkeuring van het plan van aanpak om kan het college nadere regels stellen (voor alle vormen van onderzoek).

Artikel 4.4.3

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Afdeling 4.5 Financiële bepalingen

Artikel 4.5.1 Tegemoetkoming

De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86, 604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 aangepast, waarbij de drempelwaarde om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen zo hoog is geworden dat aanvragers nauwelijks nog

aanspraken kunnen maken. Het veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m d). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.

Bijlage 5 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 5

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 5 (Houtopstanden)

Begripsbepalingen (Bijlage 1, artikel 1.5)

De begripsbepalingen voor hoofdstuk 5 van de Verordening fysieke leefomgeving (Houtopstanden) spreken voor zich. Wel is het goed te vermelden dat het begrip ‘houtopstand’ is aangepast ten opzichte van de regeling in de Algemene Plaatselijke Verordening.

In de begripsbepaling is namelijk geen stamomtrek meer opgenomen. Dat betekent dat elke boom of struik, ongeacht afmeting, telt als ‘houtopstand’ in de zin van de Verordening. Deze aanpassing is opgenomen om mazen in de regeling te dichten. Zie daarover ook de toelichting op artikel 5.1.1

Een en ander wil niet zeggen dat elke boom of struik daarmee kapvergunningplichtig is. Een stamomtrek is opgenomen in artikel 5.1.1 van de Verordening.

Verder is het begrip ‘rechthebbende’ opgenomen. Dit begrip betreft ten eerste de eigenaar van de grond waar een houtopstand op staat of stond. De eigenaar van de grond is in de regel ook de eigenaar van de houtsopstand.

Ten tweede gaat het om anderen die tot het treffen van voorzieningen bevoegd zijn. Dit hoeft niet per se de eigenaar van de boom te zijn. Onder deze laatste categorie vallen houders van opstalrechten en andere beperkte zakelijke rechten op houtopstanden, maar ook personen die bijvoorbeeld (bouw)werkzaamheden uitvoeren die gevolgen hebben voor een houtopstand.

Afdeling 5.1 Vellen van houtopstanden

Artikel 5.1.1 Verbod en omgevingsvergunning

Eerste lid

Het eerste lid bevat het verbod om zonder omgevingsvergunning houtopstanden te vellen. Omdat het een omgevingsvergunning betreft is de bevoegdheid voorbehouden aan het bestuursorgaan dat onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het bevoegd gezag is. Dit is als hoofdregel, maar niet altijd, het college.

Het verbod betreft drie categorieën van gevallen (onderdelen a, b en c).

Onderdeel a heeft betrekking op houtopstanden die een minimale stamomtrek hebben.

Onderdeel b betreft houtopstanden die zijn aangelegd ter uitvoering van een herplant- of instandhoudingsplicht. De stamomtrek van de houtopstanden is daarbij niet relevant. Ook kleinere houtopstanden vallen onder dit verbod. Dit was eerder niet het geval, zodat bomen die in het kader van een herplantplicht waren aangebracht, zonder vergunning geveld konden worden als zij onder de minimale stamomtrek kwamen.

Onderdeel c betreft houtopstanden, die zijn aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon. Het zal hier vooral gaan om overeenkomsten waarbij een bepaalde erfinrichting is afgesproken, bijvoorbeeld in het kader van de toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Ook hier is de stamomtrek niet relevant.

Tweede lid

In het tweede lid zijn uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen. Deze behoeven geen verdere toelichting.

Artikel 5.1.2 Criteria

Dit artikel bevat de criteria waar een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden aan wordt getoetst.

Artikel 5.1.3 Advisering

Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het vellen van een houtopstand die is aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke

rechtspersoon, is een advies van het betreffende bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon wenselijk. Het eerste lid bevat een verplichting voor het bevoegd gezag om dat advies op te vragen.

Mocht niet tijdig worden geadviseerd, dan wordt er geacht te zijn geadviseerd (tweede lid). Tijdig betekent in dit geval op een zodanig moment dat het bevoegd gezag het advies nog in de besluitvorming kan meenemen, zonder beslistermijnen te overschrijden.

Het artikel bepaalt nadrukkelijk niet dat het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon een positief advies gegeven moet hebben, wil het bevoegd gezag de vergunning kunnen verlenen.

Vergunningverlening na een negatief advies is ook mogelijk. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het advies, maar het advies is niet bindend. Het is uiteindelijk de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om te besluiten omtrent aanwijzing. Het bevoegd gezag kan zich daarbij niet ‘verschuilen’ achter de adviseur. Uiteraard dient het bevoegd gezag te motiveren waarom een advies niet overgenomen wordt. In voorkomende gevallen is het ook nodig om te motiveren waarom een advies juist wel overgenomen wordt (bijvoorbeeld als het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of als er een deskundig tegenadvies is ingediend).

Artikel 5.1.4 Bijzondere vergunningvoorschriften

In aanvulling op de algemene regeling voor voorschriften in artikel 9.2.3 van de Verordening bevat artikel 5.1.4 enkele specifieke voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor het kappen kunnen worden verbonden. Deze voorschriften zien op herplant na het kappen, en over uitstel van het kappen in verband met andere werkzaamheden, zo lang er geen zekerheid is over het doorgaan van die werkzaamheden.

Artikel 5.1.5 Beperking geldingsduur

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Afdeling 5.2 Instandhouding en herplant van houtopstanden

Artikel 5.2.1 Instandhoudingsplicht

Algemeen

Dit artikel bevat bevoegdheden tot behoud van houtopstanden. De regeling is verruimd ten opzichte van de Algemene Plaatselijke Verordening.

Eerste lid

Dit lid heeft betrekking op de instandhouding van houtopstanden in verband met externe bedreigingen als gevolg van bouwwerkzaamheden etc. Het bevoegd gezag kan de rechthebbende de verplichting opleggen en Bomen Effect Analyse op te laten stellen. Uit de definitie van ‘rechthebbende’ volgt dat deze verplichting ook aan de uitvoerder van bouwwerkzaamheden kan worden opgelegd, zelfs als die niet de eigenaar van de houtopstand is.

Tweede lid

Dit lid heeft betrekking op de instandhouding van houtopstanden in verband met interne bedreigingen, zoals de staat van de houtopstand. Het bevoegd gezag kan de rechthebbende de verplichting opleggen een Boomveiligheidscontrole op te stellen.

Derde lid

Het derde lid bevat een bevoegdheid om de resultaten van de Bomen Effect Analyse en de Boomveiligheidscontrole handen en voeten te geven. Het bevoegd gezag kan de verplichting opleggen om voorzieningen te treffen om de bedreiging weg te nemen.

Vierde lid

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 5.2.2 Herplantplicht

Dit artikel bevat een zelfstandige bevoegdheid om een herplantplicht op te leggen, los van een eventuele omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand. De herplantplicht kan worden opgelegd als een houtopstand is gekapt zonder de benodigde omgevingsvergunning, of als een

houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. De inhoud van een zelfstandige herplantplicht verschilt niet van een herplantplicht als voorschrift bij een omgevingsvergunning. Verder geldt de herplantplicht ook voor de rechtsopvolgers van degene aan wie de plicht in eerste instantie is opgelegd.

Afdeling 5.3 Overige regels

Artikel 5.3.1 Noodkap

Eerste lid

Dit artikel bevat een uitzondering op de vergunningplicht, als een houtopstand vanwege openbare orde of veiligheid met spoed moet worden geveld. Voorwaarde is dat de burgemeester op grond van hem toekomende bevoegdheden daartoe bevel heeft gegeven. Die bevelsbevoegdheid is niet in de Verordening fysieke leefomgeving zelf opgenomen, omdat uitgangspunt is dat er geen burgemeestersbevoegdheden in de Verordening worden opgenomen. De bevoegdheid voor de burgemeester om een kapbevel te geven, wordt in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen.

Tweede lid

Voor houtopstanden die in het kader van noodkap zijn geveld, kan een herplantplicht worden opgelegd.

Artikel 5.3.2 Bestrijding van bomenziekten

Dit artikel bevat een regeling voor de bestrijding van boomziekten. Houtopstanden die met toepassing van dit artikel worden geveld, vallen onder de uitzondering van artikel 5.1.1, tweede lid, aanhef en onder a.

Artikel 5.3.3 Afstand tot de erfgrens

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Bijlage 6 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 6

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 6

Afdeling 6.1 Geluidhinder

Artikel 6.1.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Eerste lid

De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.

In artikel 6.1.1 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen.

Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximumaantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel.

Tweede lid

Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Activiteitenbesluit opgenomen. Ter beperking van geluidshinder is bepaald dat tijdens festiviteiten deuren en ramen dicht moeten blijven, tenzij personen of goederen doorgelaten worden.

Derde lid

Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen

- vast te laten stellen op welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn.

In het Activiteitenbesluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.

Vierde lid

Het vierde lid biedt de mogelijkheid om rekening te houden met de aard van gebieden door gebiedsdifferentiatie toe te passen.

Vijfde tot en met het zevende lid

Deze artikelleden bevatten aanvullende voorschriften ten aanzien van het aanwijzen van collectieve festiviteiten.

Artikel 6.1.2 Aanwijzing incidentele festiviteiten

De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café,

een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximumaantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen.

Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Activiteitenbesluit is het maximumaantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Volgens de toelichting bij het Activiteitenbesluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148, tweede lid, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en donkerte voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.

Artikel 6.1.3 Overige geluidhinder

Artikel 6.1.3 heeft betrekking op alle vormen van geluidhinder. Onder andere valt te denken aan:

  • -

    een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;

  • -

    het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;

  • -

    het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;

  • -

    het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;

  • -

    het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;

  • -

    het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen;

  • -

    overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.

Ook evenementen kunnen hier onder vallen. In de praktijk wordt bij een evenementenvergunning dan ook een ontheffing op grond van dit artikel verleend.

Voorts kunnen onder artikel 6.1.3 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.

Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het activiteitenbesluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel er zijn algemene regels op grond van het activiteitenbesluit op van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.

In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet geluidhinder, Wet openbare manifestaties en het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.

De provinciale milieuverordening is toegevoegd in het derde lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.

Afdeling 6.2 Diverse hinder

Artikel 6.2.1 Aanlichten van gebouwen en objecten

Met het oog op verlevendiging in het Beschermd Stadsgezicht is aanlichting van enkele gebouwen/gevels/objecten beperkt toegestaan. Op andere plekken binnen het beschermd stadsgezicht wordt een zeer terughoudend beleid gevoerd. De regeling in artikel 6.2.1 van de Verordening fysieke leefomgeving beoogt overbelichting te voorkomen. Met het aanlichten van waardevolle gebouwen en objecten kan Deventer zijn cultuurhistorische rijkdom ook in de avonduren tonen; de identiteit van de stad blijft op deze wijze zichtbaar in het donker.

Bedoeling is het aanlichten van cultuurhistorisch erfgoed, bijzondere gebouwen en -objecten in het beschermd stadsgezicht op grond van de Verordening fysieke leefomgeving formeel mogelijk te maken maar tegelijkertijd - mede op grond van milieuoverwegingen, denk aan LED-verlichting en behoefte van de natuur aan donkerte - een handvat te bieden om ongebreidelde aanlichting van gebouwen en andere objecten tegen te gaan. Het betreft zowel het aanlichten van gehele panden en objecten als het aanlichten van delen daarvan. Voorwaarde voor het mogen aanlichten van gebouwen en objecten is dat aanlichting past binnen de redelijke eisen van welstand en dat geen bovenmatige hinder wordt veroorzaakt.

In de Welstandsnota gemeente Deventer is (als bijlage) opgenomen onder welke voorwaarden en bij welke panden en objecten het aanlichten is toegestaan. Uitgangspunt van het beleid is dat het aanlichten beperkt wordt toegestaan. Namelijk op en rond de Brink, begane grondniveau van winkelstraten in het kernwinkelgebied en enige bijzondere objecten daarbuiten. De Planadviesraad van de gemeente Deventer zal op basis van de in de Welstandsnota meegegeven kaders beoordelen of een aanvraag voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De technische eisen voor het aanlichten ter voorkoming van lichthinder zijn gebaseerd op de ‘Algemene Richtlijn betreffende lichthinder’, deel 3, aanstraling van gebouwen en objecten uit 2004, van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde, Commissie lichthinder. De weigeringsgrond inzake lichthinder is niet van toepassing voor zover dit onderwerp wordt geregeld door het Activiteitenbesluit.

Indien aanlichten past binnen de ‘redelijke eisen van welstand’ zal de wijze van aanlichting aan een aantal eisen moeten voldoen. Dit om lichthinder te vermijden. Deze eisen zijn opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Er is een maximum opgenomen voor de toegestane lichtsterkte van de armaturen zelf (lichtemissie in lux) en de lichtstraling die door het aanlichten door het gebouw of object wordt uitgestraald (luminantie). Ook aan de wijze van aanlichten zijn regels gesteld om strooilicht te beperken. Aanstralen moet plaatsvinden van onderaf dicht op de gevel of de wand van het object. Het licht zal daardoor vlak langs de gevel strijken. Naast het feit dat strijklicht het reliëf van het gebouw versterkt en daarmee esthetisch tot het beste resultaat leidt wordt door het toepassen van strijklicht zo veel mogelijk voorkomen dat het licht door de ramen naar binnen schijnt.

Artikel 6.2.2 Crossterreinen

Eerste lid

Artikel 6.2.2 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of bromfietsen (als bedoeld in het RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op terreinen die geen weg zijn. Voor de afbakening met de Wegenverkeerswet 1994 is expliciet bepaald dat het gaat om wedstrijden op terreinen die geen weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 zijn. Voor wedstrijden op wegen bevat de Wegenverkeerswet een verbod in artikel 10. Het verbod in het eerste lid ziet bijvoorbeeld op terreinen die niet zijn ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.

Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.

Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de APV van toepassing (artikel 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.

Tweede lid

Het tweede lid bevat de bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om terreinen aan te wijzen waar het verbod niet geldt. Bij zo een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers.

In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrosst mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q. aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging er

- ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.

Derde lid

Hoewel het begrip ‘weg’ in de bijlage bij de Verordening fysieke leefomgeving wordt omschreven, wordt in het derde lid voor alle duidelijkheid herhaald dat onder ‘weg’ wordt verstaan hetgeen daar in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 onder wordt verstaan.

Vierde lid

Wederom voor de afbakening ten opzichte van hogere regelgeving is in het vierde lid bepaald dat artikel 6.2.2, eerste lid, niet van toepassing is voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren in hetzelfde onderwerp voorziet. De genoemde regelingen zullen vooral van toepassing zijn op speciaal voor wedstrijden ingerichte terreinen, zoals circuits.

Artikel 6.2.3 Eisen aan niet vergunningplichtige reclame

Het verbod in dit artikel spreekt voor zich. Het verbod is niet beperkt tot inrichtingen; het kan ook gaan om reclame op of aan de weg of in een weiland.

Voor zover de reclame wordt gemaakt vanaf een inrichting, zijn de zorgplichten en andere regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer ook van toepassing.

Artikel 6.2.4 Verstrooiing van as

Algemeen

Dit artikel regelt de incidentele verstrooiing van as. Hieronder wordt verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Eerste lid

Volgens de Wet op de lijkbezorging kunnen verstrooiingen door of op last van de houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd. Ook blijft de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt.

Voor nabestaanden gelden deze beperkingen niet. Zij kunnen in principe op elke plaats de as van hun dierbare overledene verstrooien.

Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen echter niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.

Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de

mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.

Tweede lid

Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.

Derde lid

Burgemeester en wethouders kunnen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het eerste lid, maar alleen voor wat betreft asverstrooiing op verharde delen van de weg.

Vierde lid

Ongeacht de locatie en eventuele ontheffingen is het verboden om as te verstrooien op een zodanige manier dat daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt.

Bijlage 7 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 7

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 7 (Ondergrondse infrastructuur)

Algemeen

Dit hoofdstuk bevat regels met betrekking tot het aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen. De regels betreffen zowel kabels en leidingen ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken als regels voor de overige kabels en leidingen.

Kernpunten van de regels en de daarop gebaseerde nadere regels zijn:

  • De bruikbaarheid en het aanzien van de weg;

  • De veiligheid van de kabels en leidingen;

  • Het minimaliseren van risico’s voor milieu en gezondheid van mens en dier;

  • Te stellen eisen aan de ordening en allocatie van kabels en leidingen;

  • Te stellen eisen aan exploitatie en onderhoud van kabels en leidingen;

  • Te stellen eisen aan wijzigingen van leidingentracés en verwijdering van kabels en leidingen.

Voor de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bepaalt de Telecommunicatiewet (Tw) het kader voor de regels in dit hoofdstuk van de verordening.

Voor de werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van de overige kabels en leidingen ontbreekt een dergelijke vorm van wetgeving. Sinds 1 januari 2015 is de vergunningverlening ten aanzien van kabels en leidingen beheerst door de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2015 (AVOI 2015). Deze verordening gaat op in de Verordening fysieke leefomgeving.

Het regime voor kabels en leidingen vallende onder de Tw en de overige kabels en leidingen is zoveel mogelijk geïntegreerd. Het onderscheid in toepassing blijkt expliciet uit de gebezigde tekst en uit de begripsomschrijvingen van ‘telecomkabel’ (alleen Tw) en ‘kabels en leidingen’ (alle kabels en leidingen inclusief telecomkabels).

Afdeling 7.1 Inleidende bepalingen

Artikel 7.1.1 Toepasselijkheid

Hoofdstuk 7 van de Verordening fysieke leefomgeving is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Zoals in de toelichting bij het begrip ‘openbare gronden’ reeds is aangegeven, vallen ook kunstwerken onder dit begrip. Voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen, geldt de vergunningplicht slechts voor openbare gronden die in beheer zijn bij de gemeente. Voor telecomkabels zijn de regels van toepassing op alle openbare gronden, ongeacht wie deze beheert. Zo is de gemeente bijvoorbeeld voor gronden waar de provincie haar beheergebied heeft, toch het bevoegde gezag om voor werkzaamheden in die gronden een instemmingsbesluit af te geven. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Zoals gezegd gaat dit dus niet op voor werkzaamheden van andere netbeheerders (zoals Gasunie, TenneT, etc.), zodat er buiten het beheergebied van de gemeente geen vergunningplicht geldt.

Afdeling 7.2 Instemmingsbesluit en vergunning

Artikel 7.2.1 Vereiste van instemming of vergunning

Uitgangspunt is dat werkzaamheden in openbare gronden verboden zijn, tenzij men beschikt over een vergunning of een instemmingbesluit. De vergunningplicht geldt alleen voor openbare gronden die in beheer zijn van de gemeente. Bij telecomkabels is dat anders als gevolg van het stelsel van de Telecommunicatiewet. Een instemmingsbesluit is namelijk vereist voor werkzaamheden in openbare gronden binnen de gemeente, ongeacht door wie deze beheerd worden. Een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid.

Voor bepaalde werkzaamheden kan worden volstaan met een lichtere meldingsprocedure (zowel voor telecomkabels als overige kabels en leidingen). De categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard waarvoor dit geldt, worden door het college vastgesteld in de nadere regels. Het college kan echter ook een geografisch gebied vaststellen (opgenomen in de nadere regels) waarbinnen altijd een vergunning of instemmingsbesluit moet worden aangevraagd. Een historische

kern van een stad of dorp kan bijvoorbeeld worden aangewezen als gebied waarbinnen niet kan worden volstaan met een melding.

In geval van storingen waarbij reparatie geen uitstel kan lijden, kan uiteraard vooraf geen vergunnings- of meldingsprocedure gelden. Deze dienen wel onverwijld, dus zo spoedig mogelijk en bij voorkeur nog voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, te worden gemeld. De burgemeester kan om redenen van openbare orde en veiligheid besluiten dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden. Deze laatste bevoegdheid is opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening.

Voor werkzaamheden rond de kabels en leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering maar ook eventuele andere kabels en leidingen, is om praktische redenen het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit zullen intern binnen de gemeente de doelstellingen van dit hoofdstuk wel dienen te worden nageleefd. Ook is het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing op kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, waarvoor reeds een ander bestuursorgaan zoals het Rijk of de provincie op grond van haar beheertaak de vergunningverlenende instantie is. Hierbij dient wel bedacht te worden dat beheergebieden elkaar kunnen overlappen. Van belang is dus dat bij regelgeving van andere bestuursorganen voorzien wordt in hetzelfde onderwerp.

De overlap van beheergebied bij de vergunningverlening van een waterschap en de gemeente ten aanzien van kabels en leidingen, raakt elkaar vaak. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er een gemeentelijke openbare weg over een waterkering loopt. In dit geval zal de netbeheerder zowel bij de gemeente als bij het waterschap een vergunning dan wel ontheffing aan dienen te vragen. De uit te voeren toets van het waterschap ziet namelijk op het belang van het waterstaatswerk, de toetsing van de gemeente op het belang van de weg. In dat kader wordt door beide bestuursorganen voorzien in een verschillend onderwerp.

Artikel 7.2.2 De aanvraag en de melding

In geval van voorgenomen werkzaamheden moet de melding of aanvraag bij de gemeente plaatsvinden. Formeel gebeurt dat bij het college van burgemeester en wethouders, maar in de praktijk bij de gemachtigde ambtenaar. Op het verlenen van een vergunning of instemmingsbesluit zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zoals het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Een uitvoerende partij, de (onder)aannemer, vraagt in voorkomende gevallen namens de netbeheerder, de initiatiefnemer van werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen, in stand houden of verwijderen van kabels en leidingen, een vergunning of een instemmingsbesluit aan. Hoewel de uitvoerende partij feitelijk de aanvraag indient, is het de netbeheerder die als aanvrager van de vergunning of het instemmingsbesluit moet worden beschouwd. De netbeheerder is ook de partij op wiens naam de beschikking is gesteld en die aangesproken dient te worden bij besluiten betreffende het wijzigingen of intrekken van een eerder afgegeven beschikking. Meldingen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden te zijn gedaan.

Lid 3 bepaalt dat het college nadere regels vaststelt ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. De gemeente heeft als beheerder van openbare gronden deze informatie nodig voor een juiste beoordeling van werkzaamheden en inzicht in de belangen die worden geraakt. De te verstrekken gegevens worden om praktische redenen niet in de verordening zelf opgesomd maar in de nadere regels.

Artikel 7.2.3 De aanvraag, aanvullende bepalingen

De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van overige benodigde vergunningen voor zijn werkzaamheden (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning). Als de aanvrager hierom verzoekt, zal de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de ingediende aanvragen bij andere bestuursorganen bevorderen.

In geval dat de netbeheerder een aanvraag wenst in te trekken, doet hij hiervan schriftelijk mededeling aan het college. Het college stelt de aanvraag na dit schriftelijk verzoek buiten behandeling. Een reden tot het verzoeken van het intrekken van een aanvraag kan gelegen zijn in het feit dat de netbeheerder een gedeelte van de te betalen legeskosten kan restitueren.

Artikel 7.2.4 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden

Dit artikel biedt de basis om aan een instemmingsbesluit of een vergunning voorschriften en beperkingen te verbinden of de vergunning te weigeren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de voorschriften en beperkingen slechts mogen strekken tot bescherming van die belangen die hoofdstuk 7 beoogt te beschermen. In zoverre wijkt het artikel af van de algemene bepalingen in hoofdstuk 9 van de verordening.

Meestal kan door het verbinden van voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit of de vergunning worden bereikt dat aan hetgeen in dit hoofdstuk is gesteld kan worden voldaan en de belangen waartoe dit hoofdstuk strekt voldoende worden beschermd. Indien ook door het stellen van voorschriften en beperkingen de genoemde belangen niet voldoende kunnen worden beschermd dan moet de vergunningaanvraag worden geweigerd. Een instemmingsbesluit kan op basis van de Telecommunicatiewet formeel niet worden geweigerd. Aan een instemmingsbesluit kunnen wel voorschriften en beperkingen worden verbonden. Daarnaast geldt dat een aanbieder, ondanks het ontbreken van een vergunningplicht, ingevolge artikel 5.2, tiende lid, van de Telecommunicatiewet gebonden is aan voorschriften die gelden bij of krachtens andere wetten, zoals de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Erfgoedwet.

Het tweede lid beperkt de werkingsduur van het instemmingsbesluit of vergunning om uitvoering geruime tijd na afgifte te voorkomen. Een gewijzigd gebruik van gronden kan de werkzaamheden inmiddels onwenselijk maken. Zo nodig kan in het instemmingsbesluit of de vergunning de werkingsduur van het besluit worden verlengd.

De aanvrager van een instemmingsbesluit of vergunning is verantwoordelijk voor de naleving van die besluiten en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen en kan daarop worden aangesproken, ook wanneer hij werkzaamheden laat uitvoeren door ondergeschikten of derden (bijvoorbeeld (onder)aannemers).

In het vierde lid wordt aan het college de bevoegdheid gedelegeerd om nadere regels vast te stellen ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels en leidingen.

Artikel 7.2.5 Wijziging en intrekking

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een vergunning of instemmingsbesluit in te trekken of te wijzigen indien sprake is van een of meer van de in het eerste lid genoemde situaties. Een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid. Daardoor kan een instemmingsbesluit alleen worden gewijzigd of ingetrokken gedurende de werkzaamheden. Dit artikel bevat een specifieke regeling en wijkt daarom af van de algemene regeling in hoofdstuk 9 van de verordening.

Allereerst kan de vergunning of het instemmingsbesluit worden ingetrokken of gewijzigd indien de netbeheerder niet binnen zes maanden, of binnen een eventueel in de vergunning opgenomen afwijkende termijn, is begonnen met het werk en in de situatie waarin de werkzaamheden langer dan een periode van zes maanden stilliggen. Daarnaast kan het instemmingsbesluit of de vergunning worden ingetrokken als het besluit is genomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens.

Indien de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening, waaronder de nadere regels, of de vergunning(voorschriften) niet naleeft, kan het college de vergunning of het instemmingsbesluit eveneens intrekken of wijzigen. Dit middel zal echter pas worden ingezet als de netbeheerder geen gehoor heeft gegeven aan een waarschuwing van het college wegens niet-naleving.

Wanneer kabels of leidingen (niet vallende onder de Telecommunicatiewet) definitief buiten gebruik worden gesteld, kan de vergunning worden ingetrokken. In gevallen waarin kabels of leidingen nog wel worden onderhouden of in reserve worden gehouden zal er in beginsel geen sprake zijn van het intrekken van een vergunning.

Onderdeel b van het tweede lid is van toepassing wanneer de gemeente vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak van oordeel is dat aanpassing van kabels of leidingen noodzakelijk is. Dit is het geval wanneer de gemeente werken uitvoert die het algemeen belang dienen, waardoor deze kabels of leidingen niet kunnen blijven liggen of moeten worden aangepast. In de meeste gevallen zal hierbij sprake zijn van een gedeeltelijke verlegging van de

bestaande kabel of leiding. Per situatie zal door het college worden beoordeeld of met het wijzigen van de bestaande vergunning kan worden volstaan, of dat er een nieuwe vergunning afgegeven wordt. Bij deze keuze houdt het college rekening met de gerechtvaardigde belangen van de vergunninghouder. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor wijzigingen in kabels of leidingen die in het verleden zijn gelegd en waarvoor geen expliciete vergunning is verleend, een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.

De hoorplicht in het derde lid vloeit voort uit de eisen die de Awb stelt aan de zorgvuldige voorbereiding van besluiten. Bij een wijziging of intrekking van de vergunning dient daarom een vergunninghouder in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord.

Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om aan het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning de verplichting te koppelen om de betreffende kabel of leiding te verleggen/verplaatsen of deze zelfs in zijn geheel te verwijderen. Wordt deze verplichting opgelegd dan geeft dit de netbeheerder vervolgens de mogelijkheid om een beroep te doen op de Nadeelcompensatieregeling, waarin de procedure en voorwaarden voor tegemoetkoming in de schade die de netbeheerder door de opgelegde verplichting lijdt, is geregeld. Overigens zal per geval ook altijd worden bezien of verwijdering van leidingdelen wel wenselijk is en ook technisch mogelijk is.

Wanneer de gemeente puur handelt als private/commerciële partij is geen sprake van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Uit jurisprudentie blijkt echter wel dat een zeker commercieel belang niet in de weg staat aan de toepassing van de verordening (ABRvS 5 december 2012, 201108899/1/A3, rechtsoverweging 6.1). Het is echter op een dergelijk moment ter beoordeling aan het college hoe wordt omgegaan met het al dan niet toekennen van nadeelcompensatie, althans vergoeding.

Het zesde lid ziet op de mogelijkheid tot het op verzoek van een vergunninghouder op naam overdragen van een vergunning. Dit zal de administratieve lasten verlichten. In de vergunning kan echter specifiek zijn bepaald dat dit niet mogelijk is. Dit kan in gevallen waarin wijziging van exploitatie een rol speelt. Een en ander in afwijking van artikel 9.2.4, waarin is bepaald dat een vergunning persoonlijk is.

Afdeling 7.3 Overleg, afstemming en overige verplichtingen

Artikel 7.3.1 Overleg en afstemming en overige verplichtingen

Dit artikel benadrukt de regisserende rol die de gemeente kan hebben bij projecten. De gemeente zal als beheerder van de openbare ruimte de belangen van diverse gebruikers van die openbare ruimte trachten te behartigen en voor zover mogelijk ook proberen samen te brengen.

De gemeente zal periodiek een strategisch overleg initiëren tussen alle betrokken partijen over alle uit te voeren projecten in de gemeente. Daarnaast neemt het college het initiatief tot overleg met alle betrokken partijen in de planfase dan wel voorafgaand aan de start van een specifiek door of vanwege de gemeente uit te voeren werk met mogelijke gevolgen voor de ondergrondse infrastructuur. Deze uitwisseling van informatie voorafgaand aan uit te voeren werkzaamheden moet leiden tot een betere afstemming tussen het boven- en ondergrondse werk en tussen netbeheerders onderling. Alle partijen hebben hier belang bij en kunnen profiteren van deze informatie-uitwisseling.

Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen tevens voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. De gemeente zoekt met de netbeheerder naar geschikte tracés, maar is hierin niet leidend.

Artikel 7.3.2 Verplichtingen netbeheerder

Deze bepaling heeft een algemene vangnetfunctie en verwoordt dat een netbeheerder (logischerwijs) primair verantwoordelijk is voor een goede staat van onderhoud van kabels of leidingen. Wanneer kabels en leidingen als gevolg van een slechte staat van onderhoud een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid of voor de overige belangen die dit hoofdstuk behartigt, biedt dit artikel aan de gemeenten een handvat om de netbeheerder hierop aan te spreken.

De verplichtingen in dit artikel zijn er verder op gericht dat de gemeente over de actuele informatie beschikt die zij nodig heeft om de doelstellingen van dit hoofdstuk te kunnen behartigen. Het in of uit gebruik nemen van telecomkabels is van belang in verband met artikel 5.2, negende lid, van de

Telecommunicatiewet, waarin is bepaald dat een aanbieder verplicht is om aangelegde kabels, die gedurende periode van tien jaar geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, op te ruimen wanneer de gedoogplichtige (de gemeente) de aanbieder daartoe een redelijk verzoek doet. De gedoogplicht vervalt dan op het moment dat een redelijk verzoek is gedaan. Om die reden is het van belang dat de gedoogplichtige gemeente in kennis wordt gesteld van het in- of uit gebruik stellen van telecomkabels om bij overschrijding van die termijn over te kunnen gaan tot een verzoek tot verwijdering van de kabel.

Het college kan op grond van het derde lid informatie over specifieke kabels of leidingen bij de netbeheerder opvragen. Dit gebeurt echter alleen indien het college dit noodzakelijk acht in het licht van de belangen die deze verordening behartigt. Het college kan ook vragen om informatie over het al dan niet in gebruik zijn, de diameter, het materiaal, of de leeftijd van kabels of leidingen. Deze informatie is doorgaans niet bij het Kadaster geregistreerd.

Artikel 7.3.3 Medegebruik van voorzieningen

De in dit artikel neergelegde bepalingen over medegebruik zijn ontleend aan het nieuwe hoofdstuk 5A van de Telecommunicatiewet en de WIBON. Medegebruik van bestaande voorzieningen beperkt het graven in de openbare gronden. Zodoende wordt een aanbieder verplicht zoveel als mogelijk medegebruik te maken van bestaande voorzieningen van een andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen. Indien de aanbieder echter aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is, geldt de in het eerste lid opgenomen verplichting niet.

Voorschriften bij het instemmingsbesluit kunnen het medegebruik van voorzieningen bevorderen. Het medegebruik kan aan de orde komen in het vooroverleg over het af te geven instemmingsbesluit.

Artikel 7.3.4 Verontreiniging, gevaar en hinder

Dit artikel heeft betrekking op het voorkomen of bestrijden van verontreiniging, gevaar of hinder die veroorzaakt wordt door kabels en leidingen. De kosten voor deze maatregelen komen in beginsel ten laste van de netbeheerder. In situaties waarbij het niet redelijk is om alle kosten bij de netbeheerder te leggen kan worden afgeweken van dit uitgangspunt.

Van de bevoegdheid van het tweede lid zal de gemeente slechts gebruik maken wanneer de belangen die de verordening behartigt in het gedrang (dreigen te) komen. Deze bepaling is aanvullend ten opzichte van sectorale wetgeving, zoals de Wet bodembescherming of de Erfgoedwet en de overige regels van de Verordening fysieke leefomgeving.

Als sluitstuk kan het college opschorting van de werkzaamheden vorderen. Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met dit hoofdstuk het beoordelingskader.

Afdeling 7.4 Financiële bepalingen

Artikel 7.4.1 Nadeelcompensatie

In dit artikel is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding voor rechtmatig overheidshandelen) voor aanpassingen aan kabels en leidingen geregeld. Hierbij is zoveel mogelijk geanticipeerd op de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb, waarin nadeelcompensatie in het algemeen is gecodificeerd. Artikel 7.4.1 vormt tot de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb de invulling van de ongeschreven verplichting om onevenredige – boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgende – schade te vergoeden. Dit volgt uit het algemene beginsel van behoorlijk bestuur égalité devant les charges publiques (gelijkheid voor de publieke lasten). Zowel vóór als na de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb fungeert de Nadeelcompensatieregeling als een beleidsregel, maar vanaf de inwerkingtreding van titel

4.5 Awb ligt de grondslag voor nadeelcompensatie in art. 4:126 Awb, in plaats van in het ongeschreven recht, waardoor de Nadeelcompensatieregeling op dat moment als wetsinterpreterende beleidsregel zal fungeren.

Ten aanzien van aanpassingen aan kabels en leidingen zijn er twee situaties waarin een netbeheerder in aanmerking komt voor nadeelcompensatie:

  • 1.

    de intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 7.2.5, tweede lid, onder b;

  • 2.

    de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, waarbij geen vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken (bijvoorbeeld omdat de aan te passen kabel of leiding niet in openbare gronden van de gemeente ligt, de zogenaamde buitenleidingen).

In algemene termen bestaat nadeelcompensatie uit schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en die een netbeheerder in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De concrete toepassing en procedure van nadeelcompensatie voor aanpassingen aan kabels en leidingen wordt uitgewerkt in de Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen die door het college wordt vastgesteld. Voor kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen is geen sprake van nadeelcompensatie, maar van het regime van de Telecommunicatiewet.

De uitvoering van een project is niet afhankelijk van een verzoek tot nadeelcompensatie. Een project kan derhalve van start gaan en de uitvoering van een werk hoeft niet uitgesteld te worden tot het moment dat een dergelijk verzoek tot nadeelcompensatie is afgehandeld. Sterker nog; bij het college kan een aanvraag tot nadeelcompensatie pas na de melding dat het plangebied functievrij is en de kabels of leidingen op de definitieve plek liggen, ingediend worden. Wel is het verstandig om tijdens de planvorming een risicoanalyse van de eventueel te verwachten nadeelcompensatie op te stellen. De hoogte van het te verwachten bedrag kan dan opgenomen worden in het projectbudget.

Artikel 7.4.2 Herstraat- en degeneratiekosten

De kosten voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde (graaf)werkzaamheden worden bij de netbeheerder in rekening gebracht.

In bijzondere gevallen zullen de netbeheerder en het college vooraf vaststellen wat er wordt verstaan onder ‘de oude staat’. Dit zal zeker in die gevallen moeten gelden waar de gemeente streeft naar een vorm van graafrust. Dit kan het geval zijn indien binnen een termijn van bijvoorbeeld vijf jaar na oplevering van een project wederom werkzaamheden in de ondergrond zullen gaan plaatsvinden. Dit wordt niet wenselijk geacht, zodat de term ‘de oude staat’ ruim kan worden geïnterpreteerd. Een gestelde termijn kan als ‘richtgetal’ fungeren, maar ‘de oude staat’ moet altijd per geval worden bekeken. Hetgeen wat onder ‘de oude staat’ wordt verstaan, kan dan als bijzondere voorwaarde bij een instemmingsbesluit of vergunning worden opgenomen.

Bijlage 1 Begrippen

Artikel 1.7

Aanbieder

Met het begrip ‘aanbieder’ wordt bedoeld: een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in de zin van de Telecommunicatiewet. Op deze ‘aanbieder’ zijn de rechten en plichten van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet van toepassing. De verordening bevat enkele bepalingen die slechts van toepassing zijn op ‘aanbieders’ en niet op andere netbeheerders zoals de nutsbedrijven. Dit zijn bepalingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Telecommunicatiewet en die niet een op een voor andere partijen kunnen gelden.

Aanvraag

Met het begrip ‘aanvraag’ wordt bedoeld: een aanvraag om een instemmingsbesluit (conform de Telecommunicatiewet) of een vergunning (overige kabels en leidingen). De aanvraag moet onderscheiden worden van de melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard.

Instemmingsbesluit

De Telecommunicatiewet bevat een gedoogplicht voor de aanleg van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Deze gedoogplicht is vastgelegd in artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet. De aanbieder dient echter wel instemming te verkrijgen van de gemeente binnen wier grondgebied de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. De instemming geldt enkel voor werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming. Voor andere kabels en leidingen geldt de Telecommunicatiewet en de daarin opgenomen gedoogplicht niet. De toestemming om netten aan te leggen, in stand te houden en op te ruimen dient bij deze netten door middel van een vergunning plaats te vinden. In verband met de verschillende regimes is het noodzakelijk om tussen een instemmingsbesluit en een vergunning onderscheid te maken.

Kabels en leidingen

De begripsbepaling ‘kabels en leidingen’ is zodanig gedefinieerd dat hier in principe alle kabels en leidingen onder vallen, waaronder mede wordt begrepen de daarbij behorende onderdelen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, zoals brandkranen, afsluiters, mantelbuizen, kasten en gebouwen. Kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen (zie begripsbepaling: telecomkabel) en die in openbare gronden liggen of worden gelegd vallen eveneens onder deze definitie.

Melding

In de Telecommunicatiewet wordt aangegeven dat een aanbieder slechts overgaat tot het uitvoeren van werkzaamheden, indien dit voornemen schriftelijk is gemeld bij het college én het college hiertoe instemming heeft gegeven. Dit wordt bepaald in artikel 5.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. In hetzelfde artikel in het vijfde lid wordt daarnaast bepaald dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen werkzaamheden van ingrijpende én niet-ingrijpende aard. Voor werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, welke staan omschreven in de nadere regels, is slechts een melding nodig.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat met het begrip ‘melding’ in deze verordening uitsluitend de melding van werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt bedoeld. Indien een partij werkzaamheden verricht die vallen onder de categorie werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, kan dus worden volstaan met een melding die vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden dient te zijn ingediend.

Netbeheerder

Onder netbeheerder wordt degene verstaan die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Dit geldt dus voor alle partijen in de ondergrond. Deze definitie is ontleend aan de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON). In de verordening valt een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk onder de noemer ‘netbeheerder’. Indien er echter uitdrukkelijk gesproken wordt van een ‘aanbieder’, dan heeft het artikel specifiek betrekking op aanbieders en niet op andere netbeheerders (zoals Gasunie, TenneT, etc.) Ook voor diegene die een niet-openbaar elektronisch communicatienetwerk beheert (bijvoorbeeld een ‘point to point’-verbinding tussen twee bedrijfslocaties), zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing. Omdat een dergelijke partij

niet kan worden beschouwd als een aanbieder, er is namelijk geen sprake van een ‘openbaar’ elektronisch communicatienetwerk, hebben de specifieke bepalingen voor aanbieders geen betrekking op deze netbeheerder. Deze netbeheerders dienen derhalve een vergunning in plaats van een instemmingsbesluit aan te vragen voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden.

Openbaar elektronisch communicatienetwerk

Artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet kent de volgende definitie van ‘openbaar elektronisch communicatienetwerk’: elektronisch communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om openbare elektronische communicatiediensten aan te bieden, waaronder mede wordt begrepen een netwerk, bestemd voor het verspreiden van programma's voor zover dit aan het publiek geschiedt.

Voor de invulling van het begrip ‘openbaar’ is het bepalend of eenieder van het aanbod van een aanbiedende onderneming gebruik kan maken. Indien de kring van gebruikers beperkt is, bijvoorbeeld vanwege het feit dat het aanbod enkel aan instellingen die zich richten op wetenschappelijk onderwijs beschikbaar wordt gesteld, is er geen sprake van een openbaar elektronische communicatiedienst.

Openbare gronden

Onder de begripsbepaling ‘openbare gronden’ dient te worden verstaan: openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, pleinen, plantsoenen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. Ook wateren met daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn vallen onder het begrip ‘openbare gronden’.

Spoedeisende werkzaamheden

Spoedeisende werkzaamheden vallen uiteen in twee verschillende onderdelen, namelijk de calamiteit en de ernstige belemmering of storing in de dienstverlening. Hiervoor is gekozen vanwege de (potentiële) gevolgen die aan de gebeurtenis kleven. De term calamiteit is overgenomen uit het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten, artikel 7. Daar worden bepaalde verplichtingen uit de wet (WIBON) buiten toepassing verklaard op het moment dat er sprake is van graafwerkzaamheden die noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen. Het belang van het expliciet opnemen van de calamiteit in hoofdstuk 7 is gelegen in de wijze waarop door een netbeheerder melding gedaan dient te worden en bij wie. De melding in verband met een calamiteit dient onverwijld, wat betekent onmiddellijk en zonder uitstel, plaats te vinden vanwege de gevolgen. De termen 'ernstige belemmering' en 'storing', die volgen uit de Telecommunicatiewet maar door opname in hoofdstuk 7 voor elke netbeheerder geldt, staan niet specifiek omschreven in de wet, maar gedacht moet worden aan een kabelbreuk (Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 834, nr.3, p.55). Verder zal het gemeentebestuur moeten beoordelen of een ernstige belemmering of storing in de communicatie voldoende reden is om als spoedeisend te worden aangemerkt. Bij spoedeisend dient ingevolge het tweede onderdeel dus niet alleen gedacht te worden aan calamiteiten waarbij de openbare orde en veiligheid in het gedrang zijn. Ook storingen die financiële of economische consequenties tot gevolg hebben, kunnen een storing spoedeisendheid geven. Het is van belang dat de netbeheerder het gemeentebestuur adequaat inlicht over de (potentiële) gevolgen van een storing, zodat het gemeentebestuur zich een beeld kan vormen van de omvang en spoedeisendheid ervan. De melding in verband met een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening dient voorafgaande aan de werkzaamheden plaats te vinden. Zo is het voor het gemeentebestuur mogelijk om de melding te toetsen op spoedeisendheid. Werkzaamheden die door een netbeheerder zijn ingepland leveren in ieder geval geen spoedeisendheid op.

Telecomkabel

In de Telecommunicatiewet is een specifiek regime opgenomen voor telecomkabels. Dit regime ziet er onder andere op dat deze kabels gedoogd moeten worden in ‘openbare gronden’ en dat deze verlegd moeten worden indien de gedoogplichtige daarom verzoekt. Dit dient wel te geschieden op basis van de bij de wet aangegeven gronden. Dit regime ziet enkel op kabels die vallen onder de definitie van ‘kabel’ zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet. Deze definitie luidt als volgt: Fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten en de bij deze fysieke geleidingsdraden behorende ondergrondse ondersteuningswerken, beschermingswerken en signaalinrichtingen. Hieronder worden in ieder geval begrepen koper- en glasvezelverbindingen, handholes en kasten ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Onder de definitie vallen tevens ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken (zoals

mantelbuizen) waarin of waarop geen fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten zijn aangebracht, en die aangelegd worden of zijn met het oogmerk deel uit te gaan maken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Enkel kabels die onder deze definitie vallen, kunnen worden bestempeld als telecomkabels. ‘Point to point’- verbinding vallen hier dus niet onder. Dit regime leidt ertoe dat bepaalde bepalingen alleen voor telecomkabels gelden en niet voor alle ondergrondse infrastructuur. Zodoende wordt er in die gevallen dat een bepaling alleen ziet op telecomkabels specifiek deze begripsbepaling gehanteerd en niet de algemene begripsbepaling ‘kabels en leidingen’.

Vergunning

De vergunning behelst de publiekrechtelijke toestemming voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden die in beheer zijn van de gemeente.

In Hoofdstuk 7 wordt onderscheid gemaakt tussen vergunning en instemmingsbesluit. Voor kabels ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk geldt een instemmingsbesluit. Voor andere kabels en leidingen geldt de Telecommunicatiewet en de daarin opgenomen gedoogplicht niet. De bevoegdheid om dergelijke overige kabels en leidingen aan te leggen, in stand te houden en te verwijderen dient door middel van een vergunning plaats te vinden.

Bijlage 8 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 8

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 8 (Wegen en water)

Afdeling 8.1 Wegen

Artikel 8.1.1 Wegen

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d, van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is acht weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van zes maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is.

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.

In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 9.2.2 van deze verordening.

Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.

Eerste lid

Aan artikel 8.1.1 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.

Derde lid

Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Vierde lid

Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 7.2.1 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Voor deze werken is een instemmingsbesluit van het college nodig of geldt een meldingsplicht.

Jurisprudentie

De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking heeft - zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van verharding - of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de weg liggende riolering, Vz.ARRS 10 01 1986, BR 1986, 426 (Wegaanleg Gennep).

Artikel 8.1.2 Uitwegen

In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in 2007 bezien of de vergunningplicht in deze bepaling (die toen nog in de Algemene Plaatselijke Verordening stond) zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Omdat in Deventer in het gros van de gevallen de aanleg van uitwegen rechtstreeks verband houdt met bouwactiviteiten (garages en carports al dan niet in combinatie met nieuwbouw van woningen), de gemeente in nieuwbouwgebieden specifiek beleid voert met betrekking tot plaats en breedte van inritten en om de kans op coördinatiefouten te verkleinen (wel garage, maar geen uitweg) heeft de gemeente gekozen voor de vergunningplicht. De uitweg kan direct worden ‘meegenomen’ in de omgevingsvergunning. Noch voor de burger, noch voor de gemeente is dit onnodig belastend ten opzichte van een meldingstelsel.

Omdat sprake is van een omgevingsvergunning is de procedure van de Wabo van toepassing. Dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is.

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Mor. Artikel 1.3 Mor bevat de algemene indieningsvereisten. Voor het maken, veranderen en gebruiken van een uitweg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen. De aanvrager moet bij de aanvraag een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie voegen.

Artikel 8.1.2 beoogt met het vergunningstelsel te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitweg op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.

De rechtspraak van de Raad van State laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt. Ten opzichte van de regeling zoals die eerder in de APV stond, is als nieuwe weigeringsgrond de bescherming van de waterhuishouding toegevoegd. Deze grond geeft een handvat om een uitrit te weigeren, als daarvoor een watergang plaatselijk afgedamd wordt.

Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

De grond ’bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente’ kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen.

Jurisprudentie

Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 01 09 1977, AB 1977, 366 m.nt. JHvdV, Gst. 1977, 6472 m.nt. Kan, BR 1977, p. 914 m.nt. Crince le Roy (Maastricht I); ARRS 08 06 1978, AA p.

574 m.nt. Wessel, Gst. 1977, 6514 (De Bilt); ARRS 08 05 1981, AB 1981, nr. 391 m.nt. Borman (uitwegvergunning Nuth I).

Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste van appellante komen. ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 m.nt. JHvdV. (Wegverbreding)

Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de Wegenwet. HR 30 09 1987, BR 1988, 212 m.nt. P.C.F. van Wijmen.

Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is mede aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst. Rubrica est lex. ARRS 11 01 1991, Gst. 6929, nr. 6. m.nt. HH.

Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt uitgewegd worden geregeld. ARRS 28 10 1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen); ARRS 01 04 1980, tB/S V, p. 662 (APV

Dongen)). Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden, ARRS 12 07 1982, tB/S III, nr. 356.

Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning. ARRS, 20 06 1983, AB 1984,

75 m.nt.JHvdV. Zie ook ABRS 16 06 1995, Gst. 1996, 7035, 2 m.nt. EB.

Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is een uitwegvergunning nodig. Nader onderzocht moet worden of er een privaatrechtelijke eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan het bestratingsplan. Vz.ABRS 20 01 1994, JG 94.0176, Gst. 1995, 7005, 4 m.nt. HH.

Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van de gronden, genoemd in artikel 1.11, lid 1, (thans: artikel 1.6 model) APV. De voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRS 05 12 1996, Gst. 1997, 7061, 3 m.nt. HH.

Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan worden gemaakt. Appellant niet ontvankelijk. ABRS 14 07 1997, AB 1997, 369 m.nt. FM.

ABRS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald, geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard is.

Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4 m.nt. HH.

Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang bij uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten parkeerdruk ten gevolge

van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd. ABRS 19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2 m.nt. HH.

Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten. ABRS 27-06-2001, JB 2001, 207.

Artikel 8.1.3 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204 m.nt.

W.F. Prins).

Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.

In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerende zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.

Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.

Afdeling 8.2 Water

Artikel 8.2.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Dit artikel betreft een samenvoeging van artikelen die eerder in de Bouwverordening waren ondergebracht. Het gaat hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen.

Bijlage 9 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 9

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 9

Afdeling 9.1 Aanvraag

Artikel 9.1.1 Indiening aanvraag melding etc.

De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. Specifiek is opgenomen de verwijzing naar artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht. ‘Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.’ Tevens is er aangegeven dat een aanvraag langs de elektronische weg ingediend kan worden, mits deze weg is opengesteld. Dit zal per aanvraag, melding of enig document bepaald moeten worden en tevens als dusdanig gecommuniceerd worden. Zie verder het algemeen deel van de toelichting bij de Verordening, paragraaf 2.9.1.

Afdeling 9.2 Besluit

Artikel 9.2.1 Beslistermijn

Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de Verordening fysieke leefomgeving is de standaard beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld.

Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. De termijn waarmee de beslistermijn kan worden verlengd, bedraagt eveneens acht weken (tweede lid).

In sommige gevallen wordt een vergunning in de Verordening op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangemerkt als omgevingsvergunning. De Wabo bepaalt in die gevallen de beslistermijn en de mogelijkheden om die beslistermijn te verlengen. Het derde lid van artikel 9.2.1 bepaalt voor die gevallen dat de beslistermijn en verlengingsmogelijkheid uit het eerste en tweede lid, niet van toepassing zijn.

In het vierde lid is bepaald dat de Lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing is op de vergunningen, ontheffingen etc. in de Verordening fysieke leefomgeving. In alle gevallen is het onwenselijk om vergunningen etc. van rechtswege te laten ontstaan, zonder dat er is getoetst of de vergunning (al dan niet onder voorwaarden) verleend kan worden.

Artikel 9.2.2 Weigeringsgronden

Eerste lid

Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is er in de Verordening fysieke leefomgeving voor gekozen om in hoofdstuk 9 algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 9.2.2 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij vergunningen voor standplaatsen op markten.

Tweede lid

Ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had, is in de Verordening fysieke leefomgeving bepaald dat deze kan worden geweigerd. Dit is met name het geval als door het late indienen de aanvraag niet behoorlijk behandeld kan worden, bijvoorbeeld als advies van een externe partij nodig is.

Artikel 9.2.3 Voorschriften en beperkingen

In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die

vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.

Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 9.3.1 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 9.2.3 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.

In de algemene strafbepaling die in de Verordening is opgenomen (artikel 10.1.1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.

Artikel 9.2.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.

Voor vergunningen die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moeten worden aangemerkt als omgevingsvergunning, geldt de regel uit de Wabo dat een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert. Op de hoofdregel van het eerste lid wordt in het tweede lid van artikel 9.2.4 van de Verordening dan ook een uitzondering gemaakt.

Artikel 9.2.5 Geldingsduur

Eerste lid

Artikel 9.2.5 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij:

  • a.

    de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;

  • b.

    het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang;

  • c.

    een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.

Over punt b: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.

Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.

Artikel 9.3.1 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden

indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.

Tweede lid

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 02-11-2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927) blijkt dat voor onbepaalde tijd verleende vergunningen zich niet altijd verdragen met het formele gelijkheidsbeginsel. Bij schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers het gevolg zijn dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. In dat geval verzet de aard van de vergunning tegen verlening voor onbepaalde tijd. In die gevallen moet de vergunning voor bepaalde tijd verleend worden.

Derde lid

Een vergunning of ontheffing moet in ieder geval voor bepaalde tijd verleend worden, als de Dienstenwet dat bepaalt.

Afdeling 9.3Intrekking of wijziging

Artikel 9.3.1 Intrekking of wijziging

De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”).

Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet

iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats.

Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 van de Awb).

Bijlage 10 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 10

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 10 (Straf-, overgangs- en slotregels)

Afdeling 10.1 Strafregels, toezicht en handhaving

Artikel 10.1.1 Strafregels

Algemeen

Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvS) zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Deze maxima worden periodiek geïndexeerd, voor de actuele hoogte wordt dan ook verwezen naar het WvS. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de raad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 van het WvS rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel 23, tweede lid, van het WvS).

In artikel 10.1.1 worden straffen gesteld op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Verordening fysieke leefomgeving en de op grond daarvan gegeven voorschriften en beperkingen. Aangezien de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving afkomstig zijn uit bestaande verordeningen, is voor de hoogte van de straf aangesloten bij de hoogte van de straffen in die verordeningen (ook in het geval waar geen straf gesteld was). Er is inhoudelijk dus geen wijziging beoogd ten opzichte van de bestaande situatie.

Eerste lid

In het eerste lid wordt straf gesteld op overtreding van de gehele verordening, namelijk hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, en eventueel openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Uitzonderingen zijn gemaakt voor hoofdstuk 3 (Bodem) en hoofdstuk 7 (Ondergrondse infrastructuur). Hoofdstuk 3 bevat de bepalingen van de Verordening bodembescherming. Deze verordening bevat geen strafbaarstelling; de betreffende bepalingen dragen in de Vfl daarom ook geen straf. Hoofdstuk 7 bevat de bepalingen van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur. In deze verordening werd op overtreding van enkele bepalingen een straf gesteld van hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Voor deze afwijkende strafmaat is het derde lid opgenomen.

Tweede lid

Een aantal bepalingen van de Verordening valt onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betreft de vergunningstelsels voor wegaanpassing, uitritten, kappen van bomen, gemeentelijke monumenten, handelsreclame en het opslaan van roerende zaken.

Strafbaarstelling van deze bepalingen is geregeld in de Wet op de economische delicten (artikel 1a, aanhef en onder 3). Het is dan ook niet nodig om in de Verordening fysieke leefomgeving een aparte straf te stellen op overtreding van die bepalingen.

Derde lid

Zie ook de toelichting op het eerste lid, ten aanzien van de bepalingen die voorheen in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur stonden. De strafbaarstelling uit die verordening is in het derde lid overgenomen.

Artikel 10.1.2 Toezichthouders

Algemeen

Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht). In artikel 10.1.2 – en eventueel krachtens dit artikel door het college – worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. Daarin zijn algemene regels gegeven voor de

bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften.

Eerste lid

In dit lid is geregeld dat de toezichthouders van team Toezicht en Handhaving van de gemeente Deventer toezichthouders zijn voor de gehele Verordening fysieke leefomgeving.

Tweede lid

Dit lid bevat de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om andere personen aan te wijzen als toezichthouder.

Derde lid

In aanvulling op de voorgaande leden worden in het derde lid politieambtenaren aangewezen als toezichthouder. Dit beperkt zich tot het toezicht op de bepalingen die uit de APV afkomstig zijn en waarvoor zij eerder ook toezichthouder waren.

Vierde lid

Het vierde lid bepaalt dat de marktmeester toezichthouder is voor de uitvoering van hoofdstuk 2 (ambulante handel).

Artikel 10.1.3 Binnentreden woningen

Dit artikel is opgenomen ter voldoening aan artikel 4 van de Algemene wet op het binnentreden. Dit laatste artikel bepaalt dat personen alleen gemachtigd kunnen worden om zonder toestemming van de bewoners in een woning binnen te treden, als zij bij of krachtens de wet daartoe bevoegd zijn verklaard. Artikel 10.1.3 voorziet in dat laatste. De verklaring is beperkt tot degenen die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen. Bescherming van het leven of de gezondheid van personen (als gevolg van omgevingshinder) hangt samen met de doelstellingen van de Verordening fysieke leefomgeving.

Afdeling 10.2 Overgangs- en slotregels

Artikel 10.2.1 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningen

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de Verordening fysieke leefomgeving en het vervallen van de verordeningen die daarin opgaan, met uitzondering van de Algemene Plaatselijke Verordening. De APV blijft voor een goed deel bestaan, en het vervallen van de APV-bepalingen die opgaan in de Vfl wordt geregeld door het opnieuw vaststellen van (een geredigeerde versie van) de APV. Dit is een afzonderlijke verordening.

Artikel 10.2.2 Overgangsrecht

Dit artikel voorziet in overgangsrecht.

Artikel 10.2.3 Overgangsrecht ondergrondse infrastructuur

Dit artikel voorziet in aanvullend overgangsrecht ten aanzien van ondergrondse infrastructuur.

Artikel 10.2.4 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Bijlage 11 Transponeringstabel Algemene Plaatselijke Verordening Deventer

Transponeringstabel Algemene plaatselijke verordening Deventer (artikelen die overgaan naar de Verordening fysieke leefomgeving)

Onderwerp

Oud artikel APV

Nieuw artikel Vfl*

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

2:11

8.1.1

Maken, veranderen van een uitweg

2:12

8.1.2

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

2:21

8.1.3

Begripsbepalingen Geluidhinder

4:1

Bijlage 1, art. 1.6

Aanwijzing collectieve festiviteiten

4:2

6.1.1

Kennisgeving incidentele festiviteiten

4:3

6.1.2

Aanlichten van gebouwen en objecten

4:4

6.2.1

Overige geluidhinder

4:6

6.1.3

Straatvegen

4:7

Vervallen

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

4:9

8.2.1

Begripsbepalingen voor houtopstanden

4:10

Bijlage 1, art. 1.5

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

4:11

5.1.1

Criteria vellen houtopstanden

4:11a

5.1.2

Beperkinggeldigheidsduur

4:11c

5.1.5

Herplant- en instandhoudingsplicht

4:11d

5.2.1 en 5.2.2

Afstand tot de erfgrens

4:11e

5.3.3

Bestrijding van boomziekten

4:11f

5.3.2

Vergunningsplicht lichtreclame

4:16

6.2.3

Begripsbepaling standplaatsen

5:17

Bijlage 1, art. 1.2

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

5:18 lid 1

2.1.1 en 2.1.2

Weigeringsgronden standplaatsvergunning

5:18 lid 2-3

2.5.1 en 9.2.2

Afwijkende regeling foodtrucks

5:18 lid 4

2.5.3

Locaties standplaatsen

5:18a

Chw bestemmingsplan “Deventer, stad en dorpen”

Toestemmingrechthebbende

5:19

2.5.2

Afbakeningsbepalingen standplaatsen

5:20

2.5.4

Ligplaatsen woonschepen en overige vaartuigen

5:25

Chw bestemmingsplan “Deventer, stad en dorpen”

Crossterreinen

5:32

6.2.2

Begripsbepaling as

5:35

Bijlage 1, art. 1.6

Verboden plaatsen asverstrooiing

5:36

6.2.4, lid1-3

Hinder ofoverlast

5:37

6.2.4, lid4

* Tenzij is vermeld dat een artikel zijn nieuwe vindplaats heeft in het Chw bestemmingsplan “Deventer, stad en dorpen”.

Bijlage 12 Transponeringstabel Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur 2015

Transponeringstabel Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur 2015 (AVOI 2015)

Onderwerp

Oud artikel AVOI 2015

Nieuw artikel Vfl

Begripsbepalingen

1.1

Bijlage 1, artikel 1.6

Toepasselijkheid

1.2

7.1.1

Vereiste van instemming of vergunning

2.1

7.2.1

De aanvraag en de melding

2.2

7.2.2

Gegevensverstrekking

2.3

Vervallen

Beslistermijnen en geldingsduur

2.4

Beslistermijn: 9.2.1 lid 1 Aanhouding: vervallen Verlengen beslistermijn: 9.2.1

lid 2

Vervallen instemmingsbesluit of vergunning: 9.3.1

Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden

2.5

7.2.4

Wijziging enintrekking

2.6

7.2.5

(Mede)gebruik van voorzieningen

3.1

7.3.3

Verplichtingen netbeheerder

3.2

7.3.2, lid 2 en 3

Ondergrondseobstakels

3.3

Vervallen

Zorgplichtnetbeheerder

3.4

7.3.2, lid1

Verontreiniging, gevaar en hinder

3.5

7.3.4

Overleg en afstemmingtijdens planvorming

3.6

Vervallen

Nadeelcompensatie

3.7

7.4.1

Schaderegeling Ingravingen

3.8

7.4.2, lid1

Overgangsbepalingen

4.1

10.2.3

Toezicht op de naleving

4.2

10.1.2

Sancties

4.3

10.1.1, lid3

Slotbepalingen

4.4

10.2.1 en 10.2.4

Bijlage 13 Transponeringstabel Bouwverordening

Transponeringstabel Bouwverordening

Van de Bouwverordening zoals die tot voor kort luidde, komt slechts een gering aantal artikelen terug in de Verordening fysieke leefomgeving. De rest van de Bouwverordening komt te vervallen. Dit komt doordat de bepalingen uit de Bouwverordening geen wettelijke grondslag meer hebben en om die reden al van rechtswege vervallen zijn (stedenbouwkundige bepalingen) of elders al voldoende geregeld zijn (bepalingen ten aanzien van de welstandscommissie).

Alleen bepalingen met betrekking tot het voorkomen van bouwen op verontreinigde bodem en enkele algemene bepalingen uit de Bouwverordening komen terug in de Verordening fysieke leefomgeving.

Onderwerp

Oud artikel Bouwverordening

Nieuw artikel Vfl

Begripsomschrijvingen

1.1

Bijlage 1, art. 1.1 en 1.3

Bodemonderzoek

2.1.5

3.1.2

Verbod bouwen op verontreinigde bodem

2.4.1

3.1.3

Voorwaarden omgevingsvergunning

2.4.2

3.1.4

Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

10.6

3.1.5

Intrekken oude verordening, citeertitel en overgangsrecht

12.6

10.2.1, 10.2.2 en 10.2.4

Bijlage 14 Transponeringstabel Erfgoedverordening 2010 gemeente Deventer

Transponeringstabel Erfgoedverordening 2010 Gemeente Deventer

Onderwerp

Oud artikel Erfgoedverordening

Nieuw artikel Vfl

Begripsbepalingen

1

Bijlage 1, art. 1.4

Het gebruik van het monument

2

4.3.1 lid5

De aanwijzing tot gemeentelijk monument

3

4.1.1

Voorbescherming

4

4.2.3

Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

5

Vervallen

Mededelingaanwijzingsbesluit

6

4.2.4

Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

7

4.2.5

Wijzigen van de aanwijzing

8

4.1.1

Intrekken van de aanwijzing

9

4.1.1

Instandhoudingsbepaling en voorschriften gemeentelijke monumenten

10

4.3.1

De schriftelijke aanvraag

11

Vervallen

Termijnenadvies

12

4.3.2

Weigeringsgronden

13

4.3.1 lid5

Intrekken van de vergunning

14

9.3.1

Vergunning beschermd Rijksmonument

15

Vervallen

Aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht

16

4.1.2

Wijziging en intrekking van de aanwijzing

17

4.1.2

Beschermend bestemmingsplan

18

4.3.3

Instandhouding archeologische terreinen

19

4.4.1

Opgravingen en begeleiding

20

4.4.2

Procedure

21

Vervallen

Tegemoetkoming

22

4.5.1

Strafbepaling

23

10.1.1

Toezichthouders

24

10.1.2

Intrekken oude regeling

25

10.2.1

Overgangsrecht

26

10.2.2

Inwerkingtreding

27

10.2.1

Citeertitel

28

10.2.4

Bijlage 15 Transponeringstabel Marktverordening

Transponeringstabel Marktverordening

Onderwerp

Oud artikel Marktverordening

Nieuw artikel Vfl

Toepassingsgebied

1

Bijlage 1, art. 1.2 onder ‘markt’

Inrichtingsplan

2

2.2.1

Vergunningen, vergunningplicht

3 lid 1-5

2.1.1 en 2.1.2

Vergunningen, voorschriften en beperkingen

3 lid 6

9.2.3

Vergunningen, natuurlijke persoon

3 lid 7

2.1.4 lid1

Vergunningen, identiteitsbewijs bij aanvraag

3 lid 8

2.1.3 lid3

Vergunningen, tonen aan marktmeester

3 lid 9

2.6.5

Vergunningen, nadere eisen gebruik standplaats

3 lid 10

2.6.6

Mandaatverbod vaststellen inrichtingsplan

4 lid 1

2.2.2 lid1

Mandaatverbod wijzigen inrichtingsplan

4 lid 2

2.2.2 lid2

Mandaatverbod verlenen/intrekken vaste standplaatsvergunning

4 lid 3

2.3.7

Selectiestelsel

5

2.3.1 (beslistermijn: ook 9.2.1)

Inhoud vaste standplaatsvergunning

6

2.3.2

Overschrijven vaste standplaatsvergunning

7

2.3.5

Intrekken en vervallen vaste standplaatsvergunning

8

2.3.6 en 9.3.1

Persoonlijk innemen standplaats, vervanging

9

2.3.3

Dagplaatsvergunning

10

2.4.1

Standwerkvergunning

11

2.4.2

Bijstand

12

2.6.1

Markttijden in acht nemen

13

2.6.2

Afwezig wegens ziekte etc.

14

2.6.3

Markt schoonhouden

15

2.6.4

Toezichthouders

16

10.1.2

Onmiddellijke verwijdering

17

2.6.7

Strafbepaling

18

10.1.1

Intrekken oude verordening en overgangsrecht

19

10.2.1 en 10.2.2 (oud overgangsrecht vervalt)

Citeertitel

20

10.2.4

Bijlage 16 Transponeringstabel Verordening bodembescherming Deventer 2006

Transponeringstabel Verordening bodembescherming Deventer 2006

Onderwerp

Oud artikelVerordening bodembescherming

Nieuw artikel Vfl

Begripsbepalingen

1

Bijlage 1, artikel 1.3

Procedurelebepalingen

2.1

Vervallen

Te overleggen gegeven bij de melding, standaardformulier

2.2 lid 1

9.1.1 lid1

Te overleggen gegevens bij de melding, aantal formulieren

2.2 lid 2 (in drievoud)

9.1.1 lid 2 (in enkelvoud)

Inhoud saneringsplan

2.3

3.2.1

Melding start, diepste punt en einde feitelijke sanering

2.4

3.2.2

Melding wijziging saneringsplan

2.5

3.2.3

Het saneringsverslag

3.1

3.2.4

Het nazorgplan

3.2

3.2.5

Saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door het college

3.3

3.2.6

Citeertitel en inwerkingtreding

4

10.2.1 en 10.2.4

Bijlage 17 Nota zienswijzen

Verordening fysieke leefomgeving

Gemeente Deventer Januari 2020

1.Inleiding

Algemeen

In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet biedt vooral kansen om nog beter, efficiënter en sneller op alle nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te kunnen inspelen. Om de opgaven nu al beter te kunnen uitvoeren en om de implementatie van de Omgevingswet goed te laten verlopen anticipeert Deventer op de instrumenten van deze wet.

Dit doen we met de Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen" (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte, op grond van de Crisis- en herstelwet).

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in 2021, komt er één Omgevingsplan voor het hele grondgebied van de gemeente Deventer. Het Omgevingsplan vervangt alle bestaande bestemmingsplannen. Na een transitieperiode zullen ook de meeste regels over de fysieke leefomgeving, die nu in verschillende verordeningen zijn opgenomen, in het Omgevingsplan opgenomen moeten worden.

Met de Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan “Deventer, Stad en Dorpen” loopt de gemeente Deventer vooruit op die ontwikkeling.

Procedure Verordening fysieke leefomgeving

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 19 maart 2019 ingestemd met het ontwerp van de Verordening fysieke leefomgeving. Het ontwerp heeft van 11 april tot en met 22 mei 2019 voor iedereen ter inzage gelegen. Op het ontwerp van de Verordening is één zienswijze ingediend.

Hoofdstuk 2 van deze nota bevat de samenvatting en beantwoording van de zienswijze. Als de zienswijze aanleiding geeft tot wijzigingen in de verordening, staat dat in hoofdstuk 2 vermeld.

In hoofdstuk 3 wordt ten slotte ingegaan op de ambtshalve wijzigingen die zijn aangebracht in zowel de verordening als in de bijbehorende toelichting.

2.Zienswijze

Ingediende zienswijze

Het ontwerp van de Verordening fysieke leefomgeving heeft van 11 april tot en met 22 mei 2019 voor iedereen ter inzage gelegen. Op het ontwerp van de Verordening is één zienswijze ingediend, door Schoemaker advocaten namens verschillende indieners. De zienswijze is op tijd ingediend en voorzien van de benodigde gegevens. De zienswijze is dus ontvankelijk.

Hieronder is de zienswijze samengevat weergegeven en voorzien van beantwoording.

Samenvatting

  • 1.

    zienswijze heeft betrekking op het onderdeel “Geluidhinder”. Aanleiding voor het indienen van de zienswijze is het bericht in de media dat het Deventer Stadsfestival op 13 juli 2019 voor het eerst zal worden gehouden op het evenemententerrein aan de Roland Holstlaan. Indieners wonen in de nabijheid van het evenemententerrein. Zij vrezen overlast te ondervinden van een (meerdaags) grootschalig muziekfestival met meer dan 10.000 festivalgangers.

  • 2.

    Er wordt slechts een beperkt aantal voorschriften uit de Algemene Plaatselijke Verordening die verband houden met de geluidhinder, overgeheveld naar de ontwerpverordening. Voor indieners is het volgende onduidelijk:

    • a.

      Waarom wordt een splitsing gemaakt in regels ter zake van het voorkomen van geluidsoverlast, terwijl die bij elkaar horen;

    • b.

      Worden de andere regels ter zake van het voorkomen van geluidsoverlast die achterblijven in de APV op termijn ook overgeheveld naar de Verordening fysieke leefomgeving en zo ja, wanneer;

    • c.

      Is er ook sprake van een afstemming tussen de regels over geluid die uit de APV worden overgeheveld naar de Verordening fysieke leefomgeving en de voorschriften die daarin achterblijven en zo ja, hoe luidt die afstemming;

    • d.

      Waarom zijn de naar de Verordening fysieke leefomgeving overgehevelde regels voor geluid niet opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan “Deventer, Stad en Dorpen”.

  • 3.

    Indieners vinden dat het deels overhevelen van regels naar de Verordening fysieke leefomgeving rechtsonzekerheid met zich meebrengt. Een gefaseerde overgang van de huidige regels die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving naar de Verordening fysieke leefomgeving voorziet niet in een voldoende rechtszekere regeling waarbij (geluids)overlast van evenementen wordt voorkomen.

  • 4.

    Indieners vrezen (geluids)overlast te ondervinden van het evenemententerrein, als dit nu en in de toekomst niet goed wordt geregeld in de Verordening fysieke leefomgeving, de APV en het bestemmingsplan “Deventer, Stad en Dorpen”, in die zin dat niet voorafgaand aan het plaatsvinden van evenementen is aangetoond dat de maximale geluidsnormen worden nageleefd en kunnen worden gehandhaafd.

  • 5.

    De begrippen ‘toestellen’ en ‘geluidsapparaten’ in artikel 6.1.3 van de Verordening fysieke leefomgeving worden niet verklaard in de begripsomschrijving in de bijlage bij de Verordening.

  • 6.

    Het is onduidelijk of de bepaling in artikel 6.1.3 van de Verordening ook van toepassing is op het houden van evenementen, waarbij een geluidssysteem wordt gebruikt voor het versterken van de muziek. Indieners veronderstellen op basis van de huidige APV en de toelichting daarbij, van wel.

  • 7.

    Een (artikelsgewijze) toelichting op artikel 6.1.3 van de Verordening fysieke leefomgeving ontbreekt. Een verwijzing naar de toelichting bij de geldende verordeningen is onvoldoende, omdat deze verordening worden ingetrokken en de bedoeling en reikwijdte van de vervallen artikelen op termijn niet meer kan worden achterhaald.

  • 8.

    De toelichting bij het huidige artikel 4:6 APV vermeldt niets over de hoogte van de toelaatbare geluidbelasting. Ook in artikel 3.1.6 van de Verordening fysieke leefomgeving ontbreekt een maximale geluidnorm.

Reactie

  • 1.

    Dit wordt voor kennisgeving aangenomen. Voor de volledigheid merken wij op dat artikel 6.1.3 van de Verordening fysieke leefomgeving (hierna ook: Vfl), betrekking heeft op alle vormen van in dat artikel genoemde geluidhinder. Dit is niet slechts beperkt tot evenementen.

  • Verder merken wij op dat de gemeente Deventer en de indieners van de zienswijze inmiddels afspraken hebben gemaakt met betrekking tot het houden van evenementen op het evenemententerrein aan de Roland Holstlaan. Deze afspraken geven geen aanleiding de Verordening fysieke leefomgeving gewijzigd vast te stellen.

  • 2.

    Graag verschaffen wij op de volgende punten duidelijkheid:

    • a.

      De Verordening fysieke leefomgeving sorteert voor op het vaststellen van een omgevingsplan (op basis van de toekomstige Omgevingswet). Daartoe zijn regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving geïnventariseerd en in de Verordening fysieke leefomgeving bij elkaar gebracht. Er is niet voor gekozen om de APV-regels ten aanzien van evenementen te splitsen en regels ten aanzien van de openbare orde rond evenementen in de APV achter te laten en regels ten aanzien van geluidsoverlast van evenementen in de Verordening fysieke leefomgeving op te nemen. Er is ook geen wettelijke bepaling die ertoe verplicht om de regels omtrent geluidhinder van evenementen enerzijds, en algemene geluidshinder anderzijds, in een en dezelfde verordening op te nemen.

    • b.

      Er zijn op dit moment geen plannen om de regels die betrekking hebben op het geluid van evenementen, over te hevelen naar de Verordening fysieke leefomgeving.

    • c.

      Wij begrijpen dit onderdeel als de vraag wat de verhouding is tussen de regels over geluid in de Verordening fysieke leefomgeving en de regels over geluid van evenementen in de APV. Er is geen specifieke verhouding tussen de betreffende bepalingen (artikelen 2:25 APV en artikel 6.1.3 Vfl). De situatie kan zich voordoen waarin voor een evenement zowel een vergunning op grond van artikel 2:25 APV, als een ontheffing op grond van artikel 6.1.3 Vfl nodig is.

    • d.

      Het Chw bestemmingsplan “Deventer, Stad en Dorpen” geldt alleen voor het bebouwde gebied van de gemeente Deventer. We kunnen er daarom niet mee volstaan om de verordeningsregels over geluid over te plaatsen naar dat bestemmingsplan. Dat zou tot gevolg hebben dat er voor het buitengebied geen regels over geluidhinder meer zouden gelden. Dat is niet wenselijk.

  • 3.

    Met het overhevelen van regels uit bestaande verordeningen naar de Verordening fysieke leefomgeving is in principe geen inhoudelijke wijziging beoogd. De omstandigheid dat artikel 4:6 APV in de toekomst artikel 6.1.3 van de Verordening fysieke leefomgeving is, doet niets af aan de reikwijdte en toepasselijkheid van de betreffende bepaling. Naar ons idee is er dan ook geen sprake van rechtsonzekerheid.

  • 4.

    Met de indieners van de zienswijze is onder andere afgesproken dat bij (muziek)evenementen (met versterkte muziek of geluid) de organisator een akoestisch onderzoek moet aanleveren. Uitgangspunt daarbij is dat moet worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de regels van het bestemmingsplan blijft. Deze afspraak geeft echter geen aanleiding de Verordening fysieke leefomgeving aan te passen, aangezien deze verordening noch de evenementenvergunning, noch de toegestane geluidsbelasting regelt.

  • 5.

    Artikel 6.1.3 van de Verordening fysieke leefomgeving is inhoudelijk identiek aan het huidige artikel 4:6 APV. Daarin zijn de begrippen ‘toestellen’ en ‘geluidsapparaten’ ook niet verklaard. De uitleg van deze begrippen leidt in de praktijk niet tot problemen. Er is dan ook geen aanleiding deze begrippen in de Verordening fysieke leefomgeving wel van een verklaring te voorzien.

  • 6.

    In artikel 6.1.3 van de Verordening fysieke leefomgeving wordt, net zoals in artikel 4:6 APV, geen uitzondering gemaakt voor evenementen waar op grond van artikel 2:25 APV een vergunning voor vereist is. Artikel 6.1.3 Vfl is dus ook van toepassing op evenementen waarbij geluidhinder wordt veroorzaakt. In de gemeentelijke praktijk wordt daarom, tegelijk met een vergunning op grond van artikel 2:25 APV, een ontheffing op grond van artikel 4:6 APV verleend als er sprake is van een vergunningplichtig evenement waar geluid wordt geproduceerd. In de toekomst zal dit een ontheffing op grond van artikel 6.1.3 van de Verordening fysieke leefomgeving zijn.

  • 7.

    Dit is een terechte opmerking. Er zijn alsnog nadere toelichtingen op de verschillende regels in de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen.

  • 8.

    De hoogte van de toelaatbare geluidhinder kan per geval verschillen. Dit kan te maken hebben met locatie, tijdstip en soort activiteit. In de toelichting bij het huidige artikel 4:6 APV staat dan ook dat “van geval tot geval zal […] moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen getroffen kunnen worden.” Het is niet haalbaar en ook niet wenselijk om in artikel 6.1.3 Vfl voor alle denkbare situaties geluidnormen op te nemen. Voor zover een evenement onder de reikwijdte van artikel 4:6 APV (in de toekomst: artikel 6.1.3 Vfl) valt, wordt de norm ‘geluidhinder’ ingevuld door het onderdeel ‘geluid’ van het evenementenbeleid. Voor het evenemententerrein aan de Roland Holstlaan volgt uit de met indieners gemaakte afspraken dat getoetst wordt aan de regeling in het bestemmingsplan.

Conclusie

De zienswijze geeft geen aanleiding de Verordening fysieke leefomgeving te wijzigen. Wel zal de toelichting worden uitgebreid met een artikelsgewijze toelichting.

3. Ambtshalve wijzigingen

In de Verordening fysieke leefomgeving en de bijbehorende toelichting zijn de volgende wijzigingen aangebracht.

Verordening fysieke leefomgeving

Algemeen

De begrippen ‘college’ en ‘bevoegd gezag’ zijn in de verordening consequent doorgevoerd. Het begrip bevoegd gezag is daarbij gebruikt als houder van bevoegdheden in verband met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (besluiten omtrent omgevingsvergunningen), en het college in andere gevallen.

Intitulé

Artikel 38 van de Monumentenwet 1988 is als grondslag toegevoegd. Dit artikel van de voormalige Monumentenwet 1988, dat van toepassing blijft tot inwerkingtreding van de Omgevingswet, is de grondslag voor artikelen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3 van de Verordening fysieke leefomgeving.

Afdeling 3.1

Enkele onjuiste verwijzingen naar wet- en regelgeving zijn verbeterd.

Artikel 4.4.1

  • -

    Opschrift

    Het opschrift is gewijzigd van ‘Verbod en vergunningplicht’ naar ‘Verbod’, omdat het artikel alleen een verbod bevat en geen vergunningplicht.

  • -

    Eerste lid

    De term ‘archeologisch verwachtingsgebied’ is vervangen door ‘archeologisch beleidsgebied’. Inhoudelijk wordt geen wijziging beoogd.

  • -

    Tweede lid

    Onder a is de verwijzing naar het tweede lid van artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geschrapt. In dat lid is geen omgevingsvergunning (meer) bedoeld.

Artikel 4.4.2

In de regeling ten aanzien van opgravingen is verduidelijkt bij welk soort archeologische onderzoeken een programma van eisen dan wel alleen een plan van aanpak vereist is.

Artikel 4.5.1

Toegevoegd is dat ook nadere regels ten aanzien van archeologische onderzoeken grondslag kunnen zijn voor vergoeding van schade die redelijkerwijs niet ten laste van een belanghebbende behoort te blijven.

Artikel 5.1.4

In het derde lid is de term ‘herplantwaarde’ vervangen door ‘boomwaarde’ en is voor ‘gelijk’ ingevoegd: maximaal.

Artikel 7.2.1

Aan het vijfde lid is, conform de regeling in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur, toegevoegd dat de vergunningplicht niet geldt voor de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak.

Artikel 9.2.5

In het derde lid is het belang van de Dienstenwet in relatie tot tijdelijke vergunningen verduidelijkt.

Artikel. 10.1.2

Aanwijzing van politieambtenaren als toezichthouder is beperkt tot de bepalingen die uit de APV afkomstig zijn.

Bijlage 1 Begrippen

  • -

    Algemeen

    • o

      Enkele begripsbepalingen zijn overgeheveld van artikel 1.1 (algemene begripsbepalingen) naar een nieuw artikel 1.6 (begripsbepalingen omgevingshinder). Het bestaande artikel 1.6 (begripsbepalingen ondergrondse infrastructuur) is vernummerd tot artikel 1.7.

    • o

      Enkele begrippen zijn geschrapt, omdat deze bij nader inzien niet in de regels voorkwamen:

      • Bebouwde kom;

      • Handelsreclame.

  • -

    Artikel 1.4

    • o

      Het begrip gemeentelijk monument is afgestemd op de definitie in de Erfgoedverordening;

    • o

      Het begrip gemeentelijk archeologisch monument is afgestemd op het begrip archeologisch monument in de Erfgoedwet;

    • o

      Er is een begripsbepaling voor archeologische uitvoerder opgenomen;

    • o

      De begrippen ‘archeologisch beleidsgebied’ en ‘archeologische beleidskaart’ zijn toegevoegd;

    • o

      Het begrip beschermd rijksmonument is geschrapt, omdat dit bij niet in de regels voorkomt.

  • -

    Artikel 1.5

    Het begrip boomwaarde is geschrapt, omdat dit niet in de regels voorkomt.

Toelichting bij de verordening

Algemeen

De toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving is achter de tekst van de verordening geplaatst. De ervaring leert dat de lezer in eerste instantie geïnteresseerd is in de tekst van de regeling, en later pas in de tekst van de toelichting.

Bij de toelichting zijn bijlagen toegevoegd met daarin artikelsgewijze toelichtingen per hoofdstuk van de verordening en de bijbehorende begrippen. In verband hiermee is het algemeen deel van de toelichting op enkele punten aangepast, om een te grote overlap tussen het algemeen deel en de artikelsgewijze toelichtingen te vermijden.

Verder zijn bij de toelichting bijlagen gevoegd met transponeringstabellen. Aan de hand van een ‘was/wordt’-lijst kan worden nagegaan waar de bepalingen uit de geïntegreerde verordeningen in de Verordening fysieke leefomgeving gevonden kunnen worden.

Toelichting

Hoofdstuk 1Algemene toelichting

1.1Inleiding

In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet biedt vooral kansen om nog beter, efficiënter en sneller op alle nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te kunnen inspelen.

Om de opgaven nu al beter te kunnen uitvoeren en om de implementatie van de Omgevingswet goed te laten verlopen anticipeert Deventer op de instrumenten van deze wet.

Dit doen we met de Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen" (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte, op grond van de Crisis- en herstelwet).

De afgelopen jaren zijn de bestemmingsplannen geactualiseerd en daarmee zo veel mogelijk gestandaardiseerd. Deze standaardisatie is bij veel van de verordeningen voor de fysieke leefomgeving nog niet doorgevoerd. De verordeningen laten nog veel verschillen in opbouw en formulering zien. Ook op landelijk niveau wordt nog nagedacht hoe de regels van verordeningen zouden kunnen worden opgenomen in het Omgevingsplan. Hierdoor werken wij toe naar één verordening voor de fysieke leefomgeving en worden deze regels nog niet geïntegreerd met het bestemmingsplan.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in 2021, komt er één Omgevingsplan voor het hele grondgebied van de gemeente Deventer. Het Omgevingsplan vervangt alle bestaande bestemmingsplannen. Na een transitieperiode zullen ook de meeste regels over de fysieke leefomgeving, die nu in verschillende verordeningen zijn opgenomen, in het Omgevingsplan opgenomen moeten worden.

Met de Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen" loopt de gemeente Deventer vooruit op die ontwikkeling. Het bestemmingsplan is een experiment onder de Crisis- en herstelwet. In het besluit Crisis- en herstelwet is dit eind 2014 voor Deventer en zes andere

gemeenten mogelijk gemaakt. De Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen" zijn parallel aan elkaar opgesteld. Hierdoor konden deze documenten optimaal op elkaar afgestemd worden. De Verordening fysieke leefomgeving ligt nu voor u.

In dit eerste hoofdstuk van deze toelichting wordt verder ingegaan op de uitgangspunten bij het opstellen van de Verordening fysieke leefomgeving en de gehanteerde werkwijze. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de afzonderlijke hoofdstukken van de Verordening fysieke leefomgeving. Waar regels als gevolg van de integratie in de Verordening fysieke leefomgeving veranderen, wordt dat in het tweede hoofdstuk toegelicht. In de bijlagen bij de toelichting is per hoofdstuk van de Verordening een artikelsgewijze toelichting opgenomen. In die bijlagen wordt, voor zover nodig, ook ingegaan op de begrippen in bijlage 1 bij de Verordening, die bij het betreffende hoofdstuk horen. Ook zijn enkele transponeringstabellen als bijlagen opgenomen. Hiermee kan aan de hand van de artikelnummers in de geïntegreerde verordeningen de nieuwe vindplaats van regels gevonden worden. Ten slotte wordt in het derde hoofdstuk een doorkijkje gemaakt naar het moment waarop de Omgevingswet in werking treedt, en wat dit voor gevolgen heeft voor de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving.

1.2Integratie van verordeningen

De Verordening fysieke leefomgeving is een integratie van een aantal verordeningen en afzonderlijke regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit is immers ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van verordenende bepalingen in het omgevingsplan. Verordeningen en regels die een ander motief hadden, zoals openbare orde en veiligheid, kwamen daarom niet voor integratie in aanmerking.

Omdat de Omgevingswet aan de burgemeester als bestuursorgaan geen bevoegdheden toekent, zijn ook regels die de burgemeester bevoegdheden geeft (bijvoorbeeld omtrent evenementen) niet in de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen. Dit zijn vaak ook regels met het motief openbare orde en veiligheid, en deze regels kwamen daardoor al niet voor integratie in aanmerking.

In de Verordening fysieke leefomgeving zijn de volgende verordeningen of onderdelen daarvan opgenomen:

  • De Algemene Plaatselijke Verordening, onder andere de onderdelen houtopstanden, standplaatsen en geluidhinder;

  • De Algemene verordening ondergrondse infrastructuur;

  • De Bouwverordening;

  • De Erfgoedverordening;

  • De Marktverordening;

  • De Verordening bodembescherming.

In afwijking van de Nota van uitgangspunten is ervan afgezien om de volgende verordeningen te integreren:

  • Afvalstoffenverordening. Dit is een verordening met een zeer specifiek onderwerp, die zowel regels over de fysieke leefomgeving bevat, als andere regels (financiële regels en regels omtrent het aanwijzen van de vuilophaaldienst). Het is bij nader inzien niet wenselijk geacht om deze regels uit elkaar te halen.

  • Huisvestingsverordening. Deze verordening is gebaseerd op de Huisvestingswet. De Huisvestingswet gaat niet op in de Omgevingswet, en het is onder de Omgevingswet dan ook niet toegestaan om de betreffende regels op te nemen in het omgevingsplan. Dit betekent dat regels over huisvesting ook geen plaats hebben in de Verordening fysieke leefomgeving, die immers vooruit loopt op het omgevingsplan.

  • Kermisverordening. Deze verordening heeft een hybride karakter. Er zijn zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke aspecten van kermissen in opgenomen. Overigens betreft dit alleen twee door de gemeente georganiseerde kermissen: de Paaskermis en de Zomerkermis. Andere kermissen, zoals de Bathmense Kermis, vielen er niet onder. De Kermisverordening mist daarmee een algemeen, duidelijk publiekrechtelijk karakter. Het is daarom niet wenselijk geacht deze op te nemen in de Verordening fysieke leefomgeving.

  • Algemeen aanwijzingsbesluit APV. Dit is strikt genomen geen verordening, maar een bundeling van nadere regels en aanwijzingen van gebieden op grond van diverse bepalingen uit de APV. Dit betreft voornamelijk aanwijzingen en nadere regels op het gebied van openbare orde en veiligheid. Deze aspecten horen niet in de Verordening fysieke leefomgeving thuis.

Doel van de integratie is geweest om te komen tot een eenduidige opzet, een goede onderlinge samenhang en een goede samenhang met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Uitgangspunt daarbij was om verordeningen beleidsneutraal te integreren, behalve op het punt van:

  • Begripsbepalingen en procedureregels. Deze regels van de opgenomen verordeningen zijn zo veel mogelijk op elkaar afgestemd en vereenvoudigd. Dit heeft hier en daar tot gevolg gehad dat procedurebepalingen niet beleidsneutraal zijn overgenomen;

  • Quick wins: het doorvoeren van wijzigingen die de leesbaarheid en toepasbaarheid van de verordeningen ten goede komen. Dit omvat het schrappen van overbodige regels, het herschrijven van slecht leesbare regels en het logisch ordenen van regels. Her en der zijn (ondergeschikte) inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Deze worden verder op in deze toelichting besproken.

Verder is steeds gekeken of regels nog wel in de Verordening fysieke leefomgeving moesten worden opgenomen, of nu al doorgeschoven konden worden naar het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Dit is gebeurd voor regels die alleen maar betrekking hadden op eisen aan locaties. Aangezien het bestemmingsplan alleen het bebouwde gebied bestrijkt, was dit niet mogelijk voor regels die ook nog voor het buitengebied moesten blijven gelden.

De meeste verordeningen en afzonderlijke regels zijn nog goed te herkennen in de Verordening fysieke leefomgeving. Een belangrijke uitzondering daarop is de Bouwverordening.

Als gevolg van wetswijzigingen de afgelopen jaren bevatte de Bouwverordening alleen nog regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en regels over de welstandscommissie. De welstandscommissie wordt echter al geregeld door de Verordening planadviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht 2015. Bovendien paste een regeling van een commissie niet in een verordening die beoogt regels te stellen over de fysieke leefomgeving. Daardoor bleven van de Bouwverordening alleen de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond over. Deze leenden zich bij uitstek voor samenvoeging met de Verordening bodembescherming in een hoofdstuk met regels over de bodem. Om deze reden bevat de Verordening fysieke leefomgeving geen hoofdstuk getiteld 'Bouwen'. Om zeker te stellen dat aan wettelijke vereisten wordt voldaan, is in Hoofdstuk 3 Bodem een regel opgenomen die bepaalt dat Afdeling 3.1 moet worden aangemerkt als bouwverordening.

1.3Opzet

De Verordening fysieke leefomgeving is ingedeeld in tien hoofdstukken, met daarbij één bijlage. Elk hoofdstuk is onderverdeeld in een of meer afdelingen. Elke afdeling bevat een of meer artikelen.

Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Dit betreft vooralsnog alleen een regeling van de begripsbepalingen, in samenhang met bijlage 1 bij de verordening.

De daarop volgende hoofdstukken bevatten regelingen voor diverse onderwerpen. Dit varieert van specifieke onderwerpen, zoals erfgoed, tot meer algemene regelingen, bijvoorbeeld voor 'omgevingshinder' in brede zin.

De laatste twee hoofdstukken zijn algemeen en gelden in samenhang met elk afzonderlijke hoofdstuk. Deze hoofdstukken bevatten procedureregels en straf-, overgangs- en slotregels.

Uitgangspunt bij het opstellen van de verordening was om de regels die de te integreren verordeningen gemeen hebben (bijvoorbeeld regels over beslistermijnen en toezicht), te bundelen in één van de algemene hoofdstukken. In hoofdstukken 9 en 10 is daarom zo veel mogelijk de algemene lijn uit de verschillende verordeningen gedestilleerd. Toch was het niet mogelijk om alle procedurele bepalingen bij elkaar te zetten. Sommige verordeningen bevatten regelingen die zo specifiek waren (bijvoorbeeld het kunnen intrekken van een standplaatsvergunning bij het niet opvolgen van aanwijzingen van de marktmeester) dat ze zich niet leenden voor opname in de algemene regel. In die gevallen is de specifieke procedurele regel gehandhaafd in het inhoudelijke hoofdstuk, onder verwijzing naar de betreffende algemene procedureregel.

Hoofdstuk 2Toelichting per hoofdstuk

2.1Inleidende regels (hoofdstuk 1)

De meeste verordeningen en ook bestemmingsplannen beginnen met een opsomming van begripsbepalingen. In de Verordening fysieke leefomgeving is er echter voor gekozen om in het eerste artikel te verwijzen naar een bijlage, waarin de begrippen zijn opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de structuur van de Omgevingswet, waarin begrippen ook in een bijlage zijn ondergebracht. De gebruikte begrippen zijn over het algemeen niet gewijzigd ten opzichte van eerdere verordeningen. Waar dat wel het geval is, wordt dit in dit hoofdstuk verder toegelicht.

Het aantal dubbele of overlappende begripsbepalingen was beperkt. Er waren geen begripsbepalingen die gemist konden worden. Zo waren er de begripsbepalingen 'openbare plaats' en 'openbare ruimte'. Deze begripsbepalingen waren inhoudelijk niet hetzelfde en samenvoeging had dan ook gevolgen gehad voor de reikwijdte van de bepalingen waar deze begrippen in voorkomen. In gevallen als deze is er dan ook van afgezien om de begripsbepalingen samen te voegen.

2.2Ambulante handel (hoofdstuk 2)

In Hoofdstuk 2 zijn de Marktverordening en regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening over standplaatsen samengevoegd onder de titel 'Ambulante handel'. Dit hoofdstuk is een goed voorbeeld van vergaande integratie tussen verordeningen: de betrokken verordeningen zijn als het ware in elkaar geschoven tot één regeling, binnen het algemene systeem van de Verordening fysieke leefomgeving.

Het hoofdstuk begint met een afdeling (2.1) met algemene regels ten aanzien van vergunningen voor standplaatsen, waaronder het verbod om zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen, of dat nu op een markt is of elders.

Standplaatsvergunningen kunnen worden verleend voor de vier soorten standplaatsen die voorkomen op markten (vaste standplaats, seizoensstandplaats, dagstandplaats en standwerkerstandplaats) en de standplaatsen ergens anders dan op markten. Deze laatste standplaats is in deze verordening omgedoopt tot 'individuele standplaats'. Hiermee wordt het onderscheid uitgedrukt met marktstandplaatsen, waar er altijd meer van zijn.

Het toepassingsbereik van de regels voor standplaatsen op markten blijft ongewijzigd ten opzichte van de Marktverordening (namelijk alle door het college van burgemeester en wethouders ingestelde week- en jaarmarkten die op gezette tijden worden gehouden, met uitzondering van themamarkten, georganiseerd door derden), maar dit is in de Verordening fysieke leefomgeving verwerkt in de begripsbepaling van 'markt'.

Afdeling 2.1 bevat verder enkele algemene vereisten aan vergunningaanvragen (bijvoorbeeld hoe en wanneer een aanvraag ingediend kan worden) en algemene toetsingscriteria. De algemene toetsingscriteria zijn iets verruimd ten opzichte van de Marktverordening. Het is nu ook mogelijk om standplaatsvergunningen op markten te verlenen aan rechtspersonen. Verder is het inrichtingsplan (zie Afdeling 2.2) toegevoegd als toetsingscriterium. Dit was in de Marktverordening niet het geval, waardoor strikt genomen niet aan het inrichtingsplan getoetst kon worden. Inhoudelijk is aan de regels voor het inrichtingsplan niet gewijzigd.

Voor verschillende soorten standplaatsen gelden verschillende regels. Deze regels zijn opgenomen in afdelingen 2.3, 2.4 en 2.5.

Afdeling 2.3 regelt de vaste standplaatsvergunning en seizoensplaatsvergunning (beide zijn vergunningen voor standplaatsen op een markt). Vanwege de sterke gelijkenis tussen deze soorten vergunningen zijn deze in één afdeling samengevoegd. In hoofdlijn is hier de regeling uit de Marktverordening overgenomen, aangepast aan het systeem van de Verordening fysieke leefomgeving.

Hetzelfde geldt voor Afdeling 2.4. Deze afdeling regelt de dagplaatsvergunning en de standwerkvergunning. Ook hier geldt een gezamenlijke regeling wegens de sterke onderlinge gelijkenis.

Afdeling 2.5 regelt de individuele standplaatsvergunning. Een belangrijke wijziging ten opzichte van de eerdere regeling in de Algemene Plaatselijke Verordening is dat locatieaspecten geen weigeringsgrond (meer) zijn. De locatieaspecten worden geregeld in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte "Deventer, Stad en Dorpen". Strijd met het bestemmingsplan is daarom nog wel een toetsingscriterium.

De laatste afdeling van het hoofdstuk, Afdeling 2.6, bevat ten slotte een aantal algemene bepalingen waar bij het innemen van standplaatsen aan voldaan moet worden. Deze regels gelden in aanvulling op eventuele voorwaarden bij een standplaatsvergunning. Eén algemene regel is bijvoorbeeld dat de standplaats na gebruik gereinigd moet worden. Voor marktstandplaatsen was dit een vereiste vanuit de Marktverordening, voor individuele standplaatsen werd dit standaard als voorschrift bij de vergunning opgenomen. Dit laatste kan nu ook achterwege blijven.

2.3Bodem (hoofdstuk 3)

In Hoofdstuk 3 zijn de Verordening bodembescherming en de regels uit de Bouwverordening over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, samengevoegd onder de titel 'Bodem'.

Afdeling 3.1 bevat de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, afkomstig uit de Bouwverordening. Deze regels zijn ongewijzigd overgenomen, met uitzondering van een verduidelijking van de term 'recent bodemonderzoek'. In de begripsbepalingen in Bijlage 1 is opgenomen dat met 'recent' wordt bedoeld 'niet ouder dan vijf jaar'. Deze wijziging is aangebracht omdat er in de praktijk regelmatig discussie is over de vraag of een bodemonderzoek nog voldoende recent is. Aanvullend geldt nog de eis dat een bodemonderzoek actueel is. Het moet derhalve een goed beeld van de bodemgesteldheid geven, zelfs als het bodemonderzoek voldoende recent is.

In Afdeling 3.2 zijn de regels uit de Verordening bodembescherming opgenomen. Deze regeling heeft een sterk technisch karakter. In grote lijnen zijn de regels uit de verordening ongewijzigd overgenomen, maar op punten heeft een verbeterslag plaatsgevonden. Zo zijn enkele vereisten aan saneringsplannen en dergelijke geschrapt die in de praktijk niet meer toegepast werden. Verder zijn overbodige regels en regels die in strijd leken met de Algemene wet besuursrecht geschrapt.

2.4Erfgoed (hoofdstuk 4)

De Erfgoedverordening 2010 gemeente Deventer is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Hierbij zijn de bepalingen herschikt en logisch geördend.

De eerste afdeling (4.1) geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. De bevoegdheid omvat ook het aanpassen en intrekken van deze aanwijzingen.

In de formulering van deze bevoegdheden is de zinsnede "al dan niet op aanvraag van een belanghebbende" geschrapt. Hier is geen inhoudelijk wijziging mee beoogd; de tekst is geschrapt omdat deze overbodig is. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt al dat een belanghebbende (inclusief rechtspersonen die bepaalde algemene belangen behartigen) een verzoek kan indienen om een besluit te nemen. Het is niet nodig dit apart in een verordening te vermelden.

In de tweede afdeling (4.2) zijn de procedures geregeld die van toepassing zijn op de aanwijzingsbevoegdheden uit Afdeling 4.1. De Erfgoedverordening bevatte hier nog veel termijnen voor advisering. Het is echter wenselijk om het regelen van termijnen in de verordening te beperken tot beslistermijnen en andere belangrijke termijnen. Termijnen voor advisering kunnen geregeld worden in werkafspraken en hoeven geen plaats te hebben in de Verordening fysieke leefomgeving. Bovendien zijn al veel van deze termijnen voor advisering opgenomen in de verordening die de betreffende adviescommissies regelt.

Afdeling 4.3 bevat vervolgens de regels voor het omgaan met gemeentelijke (archeologische) monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten.

Het verbod op het vernielen en beschadigen van gemeentelijke monumenten is uitgebreid met een verbod op het onthouden van het onderhoud dat voor de instandhouding van het monument nodig is. Dit is een absoluut verbod; het is niet mogelijk om hier een vergunning of ontheffing voor te verlenen.

Voor wijzigen van gemeentelijke monumenten geldt wel een vergunningstelsel. De regels hiervan zijn aangepast aan de meest recente modelverordening van de VNG. Concreet betekent dit dat een uitzondering voor vergunningplicht is ingevoerd in gevallen waarin het gewoon onderhoud betreft of activiteiten die het monument niet wijzigen.

Afdeling 4.4 regelt specifiek de instandhouding van gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische terreinen. De regels over dit onderwerp zijn afgeslankt ten opzichte van de Erfgoedverordening, onder andere door het schrappen van zich niet meer voordoende uitzonderingen.

Afdeling 4.5 bevat ten slotte enkele financiële bepalingen. Deze zijn ongewijzigd overgenomen uit de Erfgoedverordening, met dien verstande dat deze zijn aangepast voor zover artikelen zijn vervallen.

2.5Houtopstanden (hoofdstuk 5)

2.5.1Algemeen

In Hoofdstuk 5 is afdeling 4.3, "Het bewaren van houtopstanden", uit de Algemene Plaatselijke Verordening geïntegreerd. Dit betreft onder andere de vergunningplicht voor het vellen van houtopstanden. Bij de integratie van dit onderwerp zijn de regels geactualiseerd naar aanleiding van de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden (deze wet vervangt onder meer de Boswet) en is het palet aan bevoegdheden ten aanzien van houtopstanden gecompleteerd.

De begripsbepalingen ten aanzien van dit onderwerp zijn ondergebracht in bijlage 1 bij de verordening. Enkele belangrijke wijzigingen worden hier toegelicht.

De definitie van 'houtopstand' is teruggebracht tot "een of meer bomen of struiken". De minimale stamomtrek van 0,75 meter is uit de begripsbepaling geschrapt en opgenomen in het artikel dat de vergunningplicht regelt. Dit was nodig omdat er ook regels gelden voor houtopstanden die een kleinere stamomtrek hebben (bijvoorbeeld die naar aanleiding van een herplantplicht zijn geplant).

Verder zijn er bepalingen van de begrippen "boomveiligheidscontrole" en "rechthebbende" opgenomen.

2.5.2Vellen van houtopstanden

De vergunningplicht voor het vellen van houtopstanden is geregeld in Afdeling 5.1. Dit omvat allereerst de eigenlijke vergunningplicht en de uitzonderingen daarop (Artikel 5.1.1, eerste en tweede lid).

In het eerste lid, onderdeel a, komt de stamomtrek van 0,75 m terug. Daarnaast geldt de vergunningplicht voor bomen die op grond van een herplant- of instandhoudingsplicht zijn aangeplant (onderdeel b) of die op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bestuursorgaan zijn aangeplant (bijvoorbeeld een overeenkomst waarbij is afgesproken dat een erf in het buitengebied op een bepaalde manier moet worden ingericht; onderdeel c). Bij onderdelen b en c is niet van belang wat de stamomtrek is. Zou hier dezelfde stamomtrek gelden als bij onderdeel a, dan zou de herplant- of instandhoudingsplicht illusoir worden. Herplante bomen hebben in de regel een kleinere stamomtrek. Die bomen zouden dan niet onder de vergunningplicht vallen en zouden zonder problemen geveld kunnen worden.

In het tweede lid worden uitzonderingen gemaakt op de vergunningplicht in het eerste lid. Ten opzichte van de APV vervalt de uitzondering voor "houtopstand(en) op een aangesloten stuk grond van minder dan 300 m², waarop ingevolge de bestemmingsplanregels een zelfstandige, bij elkaar behorende woonbebouwing is toegestaan en is gerealiseerd". Hiermee wordt beoogd een lacune te vullen die was ontstaan met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Deze verving de tot dan toe geldende Boswet, die net niet hetzelfde toepassingsbereik had.

Verder vervallen de uitzonderingen voor dode houtopstanden en houtopstanden die binnen de gemeente verplant worden. In geval van dode houtopstanden is het wenselijk van tevoren te kunnen controleren of de boom echt dood is. Bij het verplanten van houtopstanden binnen de gemeente blijft het aantal bomen per saldo gelijk, maar ook hier moet het mogelijk zijn van tevoren te beoordelen of verplanting wenselijk is. Zo kan worden voorkomen dat een boom die op zijn locatie waardevol is, verplaatst kan worden naar een plek waar deze aanzienlijk minder waardevol is.

De al bestaande uitzondering voor iepen aangetast door de iepziekte (in de APV onderdeel van het 'bestrijden van boomziekten') is aan dit artikel toegevoegd.

De criteria voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden blijven ongewijzigd (Artikel 5.1.2).

In verband met de vergunningplicht voor het vellen van houtopstanden die zijn aangebracht ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan (Artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c), is een verplichting opgenomen om de betreffende bestuursorganen om advies te vragen (Artikel 5.1.3). Als het advies tegen het einde van de beslistermijn niet langer afgewacht kan worden, kan het besluit omtrent de vergunning worden genomen zonder advies.

Aan een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden kunnen bijzondere vergunningvoorschriften worden verbonden (Artikel 5.1.4). Deze zijn specifiek voor dit soort vergunningen en zijn om die reden niet ondergebracht in de algemene bevoegdheid om voorschriften aan vergunningen te verbinden (Artikel 9.2.3).

Ongewijzigd overgenomen uit de APV is de beperking van de geldingsduur van een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (Artikel 5.1.5). Deze vervalt als er niet binnen drie jaar gebruik van is gemaakt.

2.5.3Instandhouding en herplant van houtopstanden

Deze afdeling (5.2) regelt de plicht tot instandhouding en herplant van houtopstanden. Dit zijn zelfstandige bevoegdheden, die losstaan van verleende vergunningen. De instandhoudingsplicht (Artikel 5.2.1) en de herplantplicht (Artikel 5.2.2) kunnen ambtshalve of op aanvraag opgelegd worden. Nieuw is de toevoeging dat van de rechthebbende op de houtopstand een boomveiligheidscontrole kan worden verlangd. Dit is in gevallen waarin een houtopstand door zijn staat gevaar voor zijn omgeving kan opleveren.

2.5.4Overige regels

Afdeling 5.3 vormt het sluitstuk van de regeling ten aanzien van houtopstanden. Dit omvat ten eerste een regeling voor noodkap (Artikel 5.3.1). Deze heeft in het verleden in de APV gestaan, maar is in 2014 om juridische redenen geschrapt. De regeling omtrent noodkap in de Verordening fysieke leefomgeving houdt in dat de vergunningplicht niet geldt, als de burgemeester op grond van zijn bevoegdheden uit andere wet- en regelgeving een bevel tot noodkap heeft gegeven. Er kan dan nog wel een herplantplicht opgelegd worden. Met deze regeling wordt voldaan aan het uitgangspunt van de Verordening fysieke leefomgeving dat burgemeestersbevoegdheden niet voor opname in aanmerking komen. In plaats daarvan wordt met deze regeling een gevolg verbonden aan de toepassing van bevoegdheden die de burgemeester los van de Verordening fysieke leefomgeving heeft. Een dergelijke bevoegdheid wordt opgenomen in de APV, die wordt gewijzigd gelijktijdig met de vaststelling van de Verordening fysieke leefomgeving

Verder is hier de regeling van de bestrijding van boomziekten opgenomen (Artikel 5.3.2). Gewijzigd ten opzichte van de APV is hier dat de uitzondering op de vergunningplicht in verband met de iepziekte is verplaatst naar Artikel 5.1.1. Verder bevatte het APV-artikel een vergunningplicht voor het voorhanden of in voorraad hebben of vervoeren van gevelde bomen of delen daarvan, als het een boomsoort betreft die een boomziekte kan verspreiden. Het artikel bevatte daarnaast een ontheffingsmogelijkheid. Daarmee was sprake tussen een dubbeling van een vergunningsmogelijkheid en een ontheffingsmogelijkheid. De laatste is geschrapt.

Als laatste is de minimale afstand van bomen, heggen en heesters tot de erfgrens (in verband met het burenrecht uit het Burgerlijk Wetboek) geregeld (Artikel 5.3.3).

2.6Omgevingshinder (hoofdstuk 6)

Waar de andere inhoudelijke hoofdstukken een bepaald onderwerp in positieve zin beogen te regelen, is Hoofdstuk 6 er juist op gericht onwenselijke effecten tegen te gaan. Het hoofdstuk bundelt het onderwerp geluidhinder (Afdeling 6.1) en een aantal kleinere onderwerpen (Afdeling 6.2, "Diverse hinder") uit de Algemene Plaatselijke Verordening. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn ongewijzigd overgenomen uit de APV. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting.

2.7Ondergrondse infrastructuur (hoofdstuk 7)

De regels omtrent ondergrondse infrastructuur waren tot op heden neergelegd in de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur 2015 (AVOI 2015). Deze verordening heeft de gemeente Deventer samen met een aantal andere gemeenten ontwikkeld. De regels zijn inmiddels voor alle gemeenten in Overijssel gelijkluidend. Het is wenselijk deze uniformiteit te behouden.

De afgelopen tijd heeft overigens een actualisering van de Overijsselse verordeningen op het gebied van ondergrondse infrastructuur plaatsgevonden. Deze actualisering is meegenomen bij het integreren van de AVOI 2015 in de Verordening fysieke leefomgeving.

De inhoudelijke regels met betrekking tot ondergrondse infrastructuur zijn ondergebracht in Hoofdstuk 7. Procedurele aspecten zoals beslistermijnen en overgangsrecht zijn geïntegreerd in de algemene hoofdstukken 9 en 10.

Een uitzondering op de integratie is het volgende. De AVOI 2015 bevatte de mogelijkheid voor de burgemeester om spoedwerkzaamheden te verbieden in verband met de openbare orde (zie ook artikel 5.6, derde lid, van de Telecommunicatiewet). Deze bevoegdheid is in strijd met de uitgangspunten van de Verordening fysieke leefomgeving. Deze laatste bevat immers geen burgemeestersbevoegdheden en heeft geen betrekking op openbare orde en veiligheid.

De betreffende regels worden daarom in de APV opgenomen. In Hoofdstuk 7 zijn in plaats daarvan regels opgenomen, die gevolgen verbinden aan de toepassing van die bevoegdheden in de APV. Als de burgemeester, op grond van de APV en in verband met de openbare orde, werkzaamheden verbiedt, dan bepaalt de Verordening fysieke leefomgeving dat de werkzaamheden niet plaats kunnen vinden. Deze constructie is vergelijkbaar met die van noodkap (zie 2.5.4 van deze toelichting).

Verder was het onder de AVOI 2015 mogelijk voor het college om een vergunning voor werkzaamheden aan kabels te weigeren, of daar voorschriften aan te verbinden, vanwege de openbare orde en de veiligheid (aan een instemmingsbesluit voor werkzaamheden aan kabels kunnen alleen voorschriften verbonden worden). Hoewel dit op het oog niet strookt met het karakter van de Verordening fysieke leefomgeving als regeling ten aanzien van de fysieke leefomgeving, zijn de betreffende regels toch overgenomen. Bij nadere lezing blijkt namelijk dat het gaat om het voorkomen van problemen op het gebied van openbare orde en veiligheid als gevolg van de werkzaamheden. Een dergelijk aspect kan bij het college neergelegd worden als onderdeel van de algemene toetsing van de wenselijkheid van werkzaamheden in verband met de fysieke leefomgeving. Het betreft dus nadrukkelijk niet de onmiddellijke handhaving van de openbare orde en veiligheid waar de burgemeester op grond van de Gemeentewet mee is belast.

2.8Wegen en water (hoofdstuk 8)

Hoofdstuk 8 bundelt, verdeeld over twee afdelingen, een aantal regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening over wegen (Afdeling 8.1) en water (Afdeling 8.2).

De bepalingen over wegen betreffen onder andere het verbod om zonder vergunning wegen aan te passen (Artikel 8.1.1, voorheen artikel 2:11 van de APV) en het verbod om zonder vergunning een uitweg te maken (Artikel 8.1.2, voorheen artikel 2:12 van de APV).

Aan de bepalingen over uitwegen is een nieuwe toetsingsgrond toegevoegd, namelijk de waterhuishouding. In de praktijk konden uitwegen die een watergang kruisten en niet voorzagen in een duiker, niet om die reden geweigerd worden.

Voor het overige is met de bepalingen over wegen geen wijziging beoogd.

Het onderdeel 'Water' bevat één bepaling, namelijk de regeling van de toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen.

De APV bevat nog meer regels met betrekking tot water, maar deze leenden zich niet voor opname in de Verordening fysieke leefomgeving. Dit was bijvoorbeeld omdat deze regels gericht waren op directe handhaving van de openbare orde. Dit betrof onder meer het verbod op het onklaar maken van reddingsmiddelen en het verbod om zonder redelijk doel aan vaartuigen te hangen.

Ook de regels uit de APV over het innemen van ligplaatsen (onder andere door woonschepen) is niet opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Deze regels waren deels achterhaald en hadden voor het overige alleen betrekking op locatie-aspecten. Dergelijke regels zijn bij uitstek geschikt om in een bestemmingsplan op te nemen. Die regels worden dan ook opgenomen in het Chw bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen".

2.9Procedureregels (hoofdstuk 9)

2.9.1Aanvraag

Deze afdeling bevat één artikel waarin eisen worden gesteld aan het indienen van een aanvraag, maar ook het doen van meldingen en kennisgevingen en het indienen van documenten (Artikel 9.1.1). Dit artikel vervangt alle vergelijkbare regelingen uit de opgenomen verordeningen.

Hoofdregel is dat als er een formulier is vastgesteld voor het indienen van een aanvraag, het doen van een melding etc., het gebruik van dat formulier verplicht is (eerste lid). De regel schrijft zelf geen formulieren voor en in de meeste onderdelen van de verordening worden evenmin formulieren verplicht gesteld. Uit oogpunt van flexibiliteit wordt het aan het uitvoerende bevoegde bestuursorgaan overgelaten om zo nodig een formulier vast te stellen. Dit kan uiteraard ook een digitaal formulier zijn.

Vervolgens wordt bepaald dat het formulier in enkelvoud ingediend kan worden (tweede lid). Papieren post wordt gescand en het digitale exemplaar dat daardoor ontstaat, kan door alle betrokken medewerkers geraadpleegd en beoordeeld worden. Het in meervoud indienen van aanvragen is niet meer nodig. Dit brengt een vermindering van administratieve lasten voor de burger met zich mee.

Ten slotte wordt de mogelijkheid gegeven om aanvragen langs digitale weg in te dienen (derde lid). Dit is mogelijk als voor de betreffende aanvraag de digitale weg is opengesteld. Een voorbeeld hiervan is het MOOR-platform dat gebruikt kan worden om langs digitale weg een aanvraag om een instemmingsbesluit in te dienen.

2.9.2Besluit

Deze afdeling bevat regels die betrekking hebben op de beoordeling van een aanvraag en het besluit dat daar op volgt. De regels staan op de volgorde van de stappen die in het besluitvormingsproces genomen worden.

Dat wil zeggen dat eerst een beslistermijn wordt gegeven (Artikel 9.2.1). Hierbij wordt aangesloten bij de algemene beslistermijn die de Algemene wet bestuursrecht geeft (acht weken), tenzij elders in de verordening een andere beslistermijn is vermeld. Daarbij is de mogelijkheid gegeven om de beslistermijn eenmalig te verlengen. Ook is hier geregeld op welke vergunningen de Lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning bij niet tijdig beslissen) van toepassing is.

Vervolgens worden er weigeringsgronden gegeven waaraan aanvragen worden getoetst (Artikel 9.2.2). In deze afdeling zijn algemene weigeringsgronden opgenomen die zo veel mogelijk uit de opgenomen verordeningen zijn gedestilleerd. Her en der in de Verordening fysieke leefomgeving staan voor bepaalde onderwerpen nog aanvullende, specifieke weigeringsgronden die zich niet leenden voor opname in de algemene regeling.

Met de weigeringsgronden hangt samen de bevoegdheid om voorschriften, voorwaarden en beperkingen aan een vergunning te verbinden (Artikel 9.2.3) ter bescherming van de belangen die met de vergunning gemoeid zijn.

Wanneer een vergunning eenmaal is verleend (al dan niet met voorwaarden) wordt bepaald dat die een persoonlijk karakter heeft (Artikel 9.2.4) en wat de geldingsduur ervan is (Artikel 9.2.5). De geldingsduur (onbepaalde tijd of bepaalde tijd) moet per soort beschikking bepaald worden op basis van toepasselijke regels, zowel in deze verordening als in wetgeving (Algemene wet bestuursrecht, Dienstenwet).

2.9.3Intrekking of wijziging

De laatste afdeling van Hoofdstuk 9 bevat een regeling voor het wijzigen of intrekken van vergunningen (Artikel 9.3.1). Een vergunning kan om diverse redenen gewijzigd of ingetrokken worden, bijvoorbeeld omdat de houder van de vergunning dat verzoekt, maar ook in geval van gewijzigde omstandigheden of als de vergunninghouder zich niet aan de voorschriften houdt.

Deze regeling vervangt de vergelijkbare regelingen uit de opgenomen verordeningen. Sommige verordeningen bevatten een specifieke regeling voor de intrekking of wijziging van vergunningen. Deze blijven gehandhaafd, en hebben een plaats gekregen in het betreffende hoofdstuk.

2.10Straf-, overgangs- en slotregels (hoofdstuk 10)

2.10.1Strafregels, toezicht en handhaving

De afdeling bevat regels over strafbaarheid, toezicht en handhaving.

In Artikel 10.1.1 worden straffen gesteld op overtreding van de regels van de verordening.

Het is de gemeenteraad niet toegestaan om in haar verordeningen hogere of andere straffen op te nemen dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

In de Verordening fysieke leefomgeving is de strafbaarheid van overtreding van de regels ongewijzigd overgenomen uit de geïntegreerde verordeningen.

Dit betekent dat op overtreding van de regels de hoogst mogelijke straf staat die in een gemeentelijke verordening kan worden opgenomen, met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak (Artikel 10.1.1, eerste lid). Uitzonderingen hierop zijn Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 7.

In Hoofdstuk 3 zijn de inhoudelijke regels uit de Bouwverordening en de Verordening bodembescherming opgenomen. Op overtreding van deze regels was geen straf gesteld. Dit blijft ongewijzigd.

In Hoofdstuk 7 zijn de inhoudelijke regels uit de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur opgenomen. In die verordening was slechts op overtreding van enkele bepalingen een straf gesteld, lager dan het maximaal toegestane. Dit lagere maximum is overgenomen (Artikel 10.1.1, derde lid).

Een aantal vergunningstelsels in de Verordening fysieke leefomgeving worden door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangemerkt als omgevingsvergunningen. Op overtreding van de betreffende regels is door de Wet op de economische delicten al straf gesteld. Om dubbele strafbaarstelling te voorkomen is een regel toegevoegd die strafbaarstelling op grond van Artikel 10.1.1, eerste lid, uitsluit, als de Wet op de economische delicten van toepassing is.

Artikel 10.1.2 regelt vervolgens wie toezicht houden op de naleving van het bepaalde bij en krachtens de Verordening fysieke leefomgeving. Dit zijn de toezichthouders van het team Toezicht en Handhaving, politieambtenaren en degenen die verder door burgemeester en wethouders als toezichthouder zijn aangewezen. Voor de naleving van Hoofdstuk 2 is daarnaast de marktmeester aangewezen als toezichthouder.

Artikel 10.1.3 vervult een voorwaarde voor de mogelijkheid om toezichthouders op grond van de Algemene wet op het binnentreden te machtigen om zonder toestemming van de bewoner een woning binnen te treden, als het gaat om handhaving van voorschriften die strekken tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen.

2.10.2Overgangs- en slotregels

Deze afdeling bevat overgangsregels en slotregels.

Ten eerste wordt geregeld dat de Verordening fysieke leefomgeving in werking treedt op de eerste dag na bekendmaking (Artikel 10.2.1, eerste lid). Op die dag vervallen ook de verordeningen die in de Verordening fysieke leefomgeving geïntegreerd zijn (Artikel 10.2.1, tweede lid).

Het vervallen van de regels die uit de Algemene Plaatselijke Verordening overgaan in de Verordening fysieke leefomgeving, wordt hier niet geregeld. Dit gebeurt door een afzonderlijke herziening van de APV, waarbij de APV wordt opgeschoond en geactualiseerd naar aanleiding van de meest recente wijzigingen in de Model APV van de VNG. Deze herziening van de APV wordt tegelijk met de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld.

De overgangsregels (Artikel 10.2.2) bepalen welk recht er geldt in procedures die aanhangig zijn op het moment dat de Verordening fysieke leefomgeving in werking treedt. Verder wordt de status geregeld van besluiten die zijn genomen op grond van de geïntegreerde verordeningen. Die besluiten gelden als besluiten op grond van de Verordening fysieke leefomgeving.

Het laatste artikel regelt de citeertitel.

2.11Begrippen (bijlage 1)

Zoals in paragraaf 2.1 al werd vermeld, zijn in de bijlage begripsbepalingen opgenomen. De begripsbepalingen zijn verdeeld over zeven artikelen. Artikel 1.1 van de bijlage bevat enkele algemene begripsbepalingen, die in verschillende hoofdstukken van de Verordening fysieke leefomgeving voorkomen. Artikelen 1.2 tot en met 1.7 bevatten begripsbepalingen die specifiek op hoofdstukken 2 tot en met 7 van toepassing zijn.

De begrippen worden, voor zover nodig, nader toegelicht in de bijlagen bij de toelichting.

Hoofdstuk 3Verordening fysieke leefomgeving onder de Omgevingswet

3.1Algemeen

In dit hoofdstuk wordt een doorkijkje gemaakt naar het moment waarop de Omgevingswet in werking treedt. In de Omgevingswet zelf en in de Invoeringswet Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen omtrent onder andere regels in verordeningen. Op het moment van schrijven van deze toelichting is de Invoeringswet Omgevingswet nog niet tot wet verheven, maar het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer en de verwachting is dat er niet veel meer zal wijzigen.

3.2Omgevingsplan

Wanneer de Omgevingswet in werking treedt zullen onder meer bestemmingsplannen automatisch deel gaan uitmaken van het omgevingsplan (artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, Invoeringswet Omgevingswet). Dit betreft het zogenaamde tijdelijke deel van het omgevingsplan, dat geldt tot het moment waarop de gemeenteraad conform de Omgevingswet voor de hele gemeente een 'echt' omgevingsplan heeft vastgesteld.

Voor verordeningen geldt het bovenstaande niet, op enkele uitzonderingen na. Eén van die uitzonderingen betreft regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Die regels zullen wel deel gaan uitmaken van (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan. Voor de Verordening fysieke leefomgeving betreft dit artikelen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3 (inzake de bescherming van archeologische waarden).

Op termijn zullen bepaalde regels uit de Verordening alsnog in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Dit betreft regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen (zie artikel 2.7 van de Omgevingswet en artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit, zoals gewijzigd door het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Welke bepalingen dit betreft, zal te zijner tijd in het kader van het vaststellen van het omgevingsplan nader in beeld gebracht worden. Voor nu lijkt wel duidelijk dat het voor de Verordening fysieke leefomgeving in ieder geval zal gaan om regels over het wijzigen van monumenten, het vellen van houtopstanden, het maken van uitwegen en het wijzigen van wegen.

3.3Omgevingsvergunning onder Omgevingswet

Het grootste deel van de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving zal dus niet automatisch deel gaan uitmaken van het omgevingsplan, en zal pas op termijn alsnog kunnen of moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Dat wil echter niet zeggen dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet direct gevolgen heeft voor die regels.

Artikel 22.8 van de Omgevingswet bepaalt namelijk het volgende. Als de regels die in het omgevingsplan opgenomen moeten worden (dus de regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen), een vergunning of ontheffing vereisen, dan wordt die vergunning of ontheffing aangemerkt als een omgevingsvergunning in de zin van de Omgevingswet (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Omgevingswet, inzake de zogenaamde omgevingsplanactiviteiten). De procedurele bepalingen van de Omgevingswet zijn dan van toepassing op die vergunningen en ontheffingen, en niet meer de procedurele bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving. Dit systeem is vergelijkbaar met het systeem van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat bijvoorbeeld de kapvergunning uit de Algemene Plaatselijke Verordening als omgevingsvergunning aanmerkt.