Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Beleidsregel PFAS gemeente Aalsmeer 2020

Geldend van 16-07-2020 t/m heden

Intitulé

Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Beleidsregel PFAS gemeente Aalsmeer 2020

Zaaknummer: Z20-034389

Burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer;

gelezen het advies van de afdeling Stedelijke Ontwikkeling van 18 juni 2020;

gelet op de artikelen 13, en 95, lid 3 van de Wet bodembescherming, artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1.1a van de Wet milieubeheer;

gelet op de (concept) Nota bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden - Beleidskader voor grond- en baggerverzet - van 11 september 2019, vastgesteld door het College van B&W op 18 juni 2020; gelet op de Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013), het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (geactualiseerde versie van 29 november 2019) en het besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, van 19 november 2019, met kenmerk 1309449/1316340, tot vaststelling van de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2019;

overwegende:

  • dat het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland bevoegd gezag is in het kader van de Wet bodembescherming;

  • dat het College van B&W, buiten provinciale en rijksinrichtingen, bevoegd gezag is voor toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op de landbodem binnen haar gemeentegrenzen op grond van het Besluit bodemkwaliteit;

  • dat het College van B&W bevoegd is om beleidsregels vast te stellen;

  • dat de uitvoering van de bevoegd gezag taken in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit door het College van B&W is neergelegd bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied;

  • dat PFAS, in het kader van de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en aanverwante regelgeving, niet genormeerde stoffen zijn;

  • dat PFAS veelvoorkomende en wijdverspreide toepassingen kennen die tot bodemverontreiniging kunnen hebben geleid, dan wel kunnen leiden én die mogelijk tot algemeen verhoogde achtergrondkwaliteit-niveaus kunnen hebben geleid;

  • dat PFAS zogenaamd persistente stoffen zijn, die niet afbreken in bodem en/of water en die op kunnen hopen in voedselketens;

  • dat op bodemverontreinigingen ontstaan ná 31 december 1986 de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming van toepassing is;

  • dat in het kader van de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming het uitgangspunt geldt dat verontreinigingen of aantastingen van de bodem geheel ongedaan worden gemaakt, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevergd;

  • dat voor toepassingen van grond en baggerspecie het Besluit bodemkwaliteit geldt, die de voorwaarden aangeeft op basis waarvan grond en baggerspecie mag worden toegepast;

  • dat op grond van het Besluit bodemkwaliteit, maximale waarden voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, voor de bodem waarop grond of bagger wordt toegepast en voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel zijn vastgesteld in tabel 1 van bijlage B behorend bij de Regeling bodemkwaliteit;

  • dat de genoemde maximale waarden gelden voor de bodemfunctieklassen en bodemkwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ van het Generieke toetsingskader;

  • dat voor gebieden die niet als bodemfunctieklasse zijn ingedeeld en voor gemeten stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF-berekening (in het geval van verspreiden) de Achtergrondwaarde conform hiervoor genoemde tabel 1 geldt;

  • dat de gemeente in het Gebiedsspecifieke toetsingskader van het Besluit bodemkwaliteit voor landbodems voor één of meer genormeerde stoffen, die verspreid in dat bodembeheergebied voorkomen als gevolg van diffuse verontreiniging, lokale normen mag vaststellen die overeenkomen met de kwaliteit van de bodem in het bodembeheergebied en daarmee beter aansluiten bij de gewenste bodemkwaliteit en het daadwerkelijk gebruik van de bodem;

  • dat de gemeente en de waterschappen binnen de gemeentegrenzen (Hoogheemraadschap Rijnland en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht) (water)bodemkwaliteitszones en -kaarten mogen vaststellen conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten;

  • dat in het kader van het Besluit bodemkwaliteit bij het verspreiden van onderhoudsbagger op het aangrenzend perceel geen verplichting geldt voor het uitvoeren van een onderzoek naar de kwaliteit van de ontvangende bodem;

  • dat het Rijk met een Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (THK-PFAS) een voorlopig voorstel voor de invulling van de zorgplicht bij toepassing in of op de bodem heeft gedaan en daarbij de ruimte heeft gelaten voor de invulling van lokaal beleid, oa. door (bestaande) Beleidsregels van gemeenten, doch geen vastlegging in wetgeving heeft verricht;

  • dat de toepassing van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit complex is vanwege het ontbreken van wettelijke normen en eenduidig lokaal beleid voor PFAS;

  • dat door het voorstel tot invulling van de zorgplicht voor toepassingen door het THK-PFAS onvoldoende sprake is van (voortzetting) van eenduidig lokaal beleid, waardoor het hergebruik van grond en baggerspecie voor projecten stagneert;

  • dat door het ontbreken van wettelijke normen en eenduidig lokaal beleid voor PFAS er een kans is op een onjuiste inschatting van milieuhygiënische risico’s van in de bodem of waterbodem aanwezige PFAS en/of van voor toepassingen van grond en baggerspecie met deze stoffen, hetgeen tot een overschatting of onderschatting van de aanpak van een PFAS-verontreiniging kan leiden met risico’s voor mens, dier en plant;

  • dat het storten van de PFOS en/of PFOA-houdende grond niet is toegestaan, omdat er niet zonder meer een niet-reinigbaarheidsverklaring wordt afgegeven door het Rijk, en dat hierdoor grond ter mogelijke toekomstige reiniging bij een erkende verwerkingslocatie moet worden opgeslagen, wat door technische en economische beperkingen en het ontbreken van hergebruiksnormen en hergebruikslocaties leidt tot het volraken van de opslagcapaciteit;

  • dat het College van B&W het vanwege al deze overwegingen van belang vindt en wenselijk acht dat er op een milieuhygiënisch verantwoorde en eenduidige wijze met PFAS-verontreinigingen en -toepassingen van grond en baggerspecie wordt omgegaan;

  • dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) tussen 2016 en 2019 in diverse stadia op verzoek van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, de gemeente Dordrecht en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat milieukwaliteitswaarden voor PFOS, PFOA en GenX heeft afgeleid waarbij het RIVM zoveel mogelijk dezelfde methoden heeft gehanteerd die het RIVM hanteert bij het bepalen van waarden ten behoeve van door het Rijk vast te stellen normen voor stoffen;

  • dat het RIVM in 2019 tijdelijke landelijke Achtergrondwaarden bodem voor PFOS en PFOA heeft opgesteld;

  • dat Gedeputeerde Staten van Noord-Holland in 2019 een onderzoek naar de bepaling van de achtergrondkwaliteit voor PFAS in Noord-Holland hebben laten uitvoeren in gebieden die niet door lokale bronnen zijn belast;

  • dat de diverse rapporten van het RIVM en Gedeputeerde Staten van Noord-Holland over de achtergrondkwaliteit en de milieukwaliteitsgrenswaarden voor diverse PFAS uitgangspunten vormen voor deze beleidsregel;

  • dat het College van B&W als het bevoegde gezag in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met inachtneming van de Richtlijn voor het omgaan met niet genormeerde stoffen een besluit kan nemen in het kader van de zorgplicht (artikel 13 Wet bodembescherming en artikel 7 Besluit bodemkwaliteit);

  • dat het College van B&W het van belang acht om, met inachtneming van deze overwegingen, eveneens beleidsregels vast te leggen omtrent de wijze waarop voor toepassingen met PFAS-houdende grond en baggerspecie moet worden omgegaan;

  • dat afstemming heeft plaatsgevonden met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied over de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van de beleidsregel.

besluiten vast te stellen de:

Beleidsregel PFAS gemeente Aalsmeer 2020

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • Wet: Wet bodembescherming;

  • Besluit: Besluit bodemkwaliteit;

  • Circulaire: Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013;

  • Richtlijn: Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire);

  • PFOS: perfluor-octaansulfonaat;

  • PFOA; perfluor-octaanzuur;

  • PFAS: poly- en perfluor alkyl-verbindingen als algemene aanduiding van de stofgroep, waaronder ook PFOS en PFOA vallen;

  • bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;

  • toepassing: toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in het Besluit;

  • zorgplicht:

    • de verplichting op grond van artikel 13 van de Wet inhoudende dat een ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet waardoor de bodem is verontreinigd of aangetast, alle maatregelen dient te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. De zorgplicht is van toepassing op nieuwe bodemverontreiniging die is of dreigt te ontstaan;

    • dan wel de verplichting op grond van artikel 7 van het Besluit inhoudende dat degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit Besluit gestelde regels, die gevolgen voorkomt of die zoveel mogelijk beperkt voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd;

  • bodemtypecorrectie: methode om lokaal gemeten gehalte PFAS in grond of baggerspecie om te rekenen naar een gestandaardiseerd gehalte PFAS ter vergelijking met de grenswaarden uit de Beleidsregel, door correctie van stofgehalten op basis van het organisch stof en/of lutumgehalte vergelijkbaar zoals beschreven voor PAK’s in de Circulaire en bijlage G onderdeel III van de Regeling bodemkwaliteit;

  • bodembeheergebied: aaneengesloten, door de gemeente Aalsmeer, afgebakend deel van de oppervlakte van één of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders, bedoeld in artikel 44, 45 of 46 van het Besluit, waarvan wederzijds elkaars beheergebied en toepassingsbeleid ten aanzien van PFAS bestuurlijk is geaccepteerd;

  • (PFAS-) GBT: Een GBT betreft een Grootschalige Bodem Toepassing zoals bedoeld in het Besluit. Een PFAS-GBT betreft de aanvullende invulling voor PFAS in een dergelijke GBT;

  • msPAF: meer-soorten Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen, zoals bedoeld in het Besluit, zijnde een aanduiding voor ecologische risico’s als gevolg van bodemverontreiniging.

Hoofdstuk 2 Besluit Bodemkwaliteit

Artikel 2 Reikwijdte

Dit hoofdstuk van de Beleidsregel is van toepassing op grond of baggerspecie met PFAS, die op de landbodem van het grondgebied van de gemeente Aalsmeer na de inwerkingtreding van de Beleidsregel, wordt toegepast en met betrekking tot welke de gemeente Aalsmeer bevoegd gezag is in de zin van het Besluit. De gestelde regels gelden voor grond die bij ontgraving van oorsprong als geheel afkomstig is uit het bodembeheergebied of, uit een gemeente die vergelijkbaar beleid heeft opgesteld voor hergebruik van PFAS-houdende grond, waardoor uitwisselbaarheid mogelijk is gemaakt, én zelf ook grond uit het beheergebied accepteert. De gestelde regels gelden voor bagger die afkomstig is van binnen de gemeentegrens van Aalsmeer.

Grond en baggerspecie die afkomstig is van verwerkingsinrichtingen, zoals grondopslag, grondbanken en grondreinigingsbedrijven vallen ook binnen de reikwijdte van de Beleidsregel, indien de herkomst onder dezelfde voorwaarden valt. Hierbij mag geen vermenging optreden met grond die afkomstig is van buiten het bodembeheergebied, dan wel met bagger van buiten de gemeentegrenzen van de gemeente Aalsmeer.

Uitgangspunt is het stand-still beginsel voor grond binnen het beheergebied en bagger binnen de gemeentegrens. De oorsprong van bijvoorbeeld tijdelijke opslag of gereinigde grond moet door middel van een sluitende administratie kunnen worden aangetoond.

Grond en baggerspecie welke binnen de wettelijke kaders tijdelijk was opgeslagen binnen het beheergebied van de gemeente Aalsmeer vóór het in werking treden van de eerste versie van de Beleidsregel, met het doel deze binnen het beheergebied toe te passen, mag eveneens worden toegepast conform de Beleidsregel.

De Beleidsregel geldt niet voor:

  • a.

    het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen (particulieren) anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;

  • b.

    het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

De Beleidsregel is niet van toepassing op grond die geheel of gedeeltelijk afkomstig is van buiten het beheergebied (en gelijkgestelde gemeenten) of op bagger van buiten de gemeentegrenzen, evenals levering onder of in aanvulling op een certificaat vanuit een daartoe door het ministerie erkende verwerkingsinrichting. Uitzondering hierop is het principiële bestuurlijke beleidsregeluitgangspunt van (dubbele) toetsing op individueel PFAS-stofniveau (strengste eis van bodemfunctie en ontvangende bodemkwaliteit per stof). Rekening houdend met dit uitgangspunt wordt voor die grond en bagger verder verwezen naar het toetsingskader en -waarden van het Tijdelijk Handelingskader van het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat.

Artikel 3 Onderzoek

  • 1.

    Indien men voornemens is grond of baggerspecie, waarbij een reële verdenking bestaat dat PFAS kan worden aangetroffen, binnen het grondgebied van de gemeente Aalsmeer in of op de landbodem toe te passen, dient zowel de (water)bodem waar de grond wordt ontgraven of gebaggerd als de bodem waar de grond wordt toegepast verkennend onderzocht te worden overeenkomstig de geldende NEN 5717, NEN 5720, NEN 5725 en NEN 5740 en conform de Beoordelingsrichtlijnen (BRL-en) en protocollen, zoals die gebruikelijk zijn voor veldwerk en partijkeuringen van binnen het Besluit genormeerde stoffen, rekening houdend met de laatste stand der techniek met betrekking tot contaminatie door PFAS bij onderzoek.

  • 2.

    Bij een reële verdenking gaat het hier om gehalten aan individuele PFAS die kunnen leiden tot een beperking bij het toepassen van de grond of bagger. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake indien op een locatie PFAS-houdend blusschuim is gebruikt of gewerkt is met PFAS, dan wel het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding van PFAS, anders dan de diffuse verspreiding van PFOS en PFOA, dermate belast is. Bij een onderzoek naar PFAS dient altijd minimaal op PFOS en PFOA onderzocht te worden, aangevuld met overige PFAS-stoffen waarvoor een verdenking bestaat.

  • 3.

    Lid 1 is niet van toepassing indien het College van Burgemeester & Wethouders, vanuit haar bevoegdheid binnen het Besluit, door middel van een appendix op deze Beleidsregel voor de grond in (een deel van) het beheergebied of bagger binnen de gemeentegrenzen overgaat tot het instellen van een (water)bodemkwaliteitskaart (minimaal voor PFOS en PFOA). Voor het instellen van een (water)bodemkwaliteitskaart dient gebruik gemaakt te worden van een werkwijze analoog aan de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Deze (water)bodemkwaliteitskaart is voor het toepassen binnen het beheergebied van de gemeente Aalsmeer representatief voor de diffuse bodemkwaliteit. Tevens kan in de kaart gebiedsspecifiek beleid door middel van het instellen van Lokale Maximale Waarden worden opgenomen, die in afwijking van de diffuse bodemkwaliteit een hierop gebaseerde bestuurlijke verruiming mogelijk maakt, zonder dat daarbij risico’s voor mens en milieu aan de orde zijn. De (water)bodem-kwaliteitskaart is niet representatief wanneer conform lid 1 specifiek bodemonderzoek op een locatie is verricht, tenzij dit onderzoek het beeld van de diffuse bodemkwaliteit bevestigt. De kaart is ook niet representatief indien uit vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat een directe relatie bestaat met een herleidbare lokale bronlocatie.

Artikel 4 Melding

Voor de melding van (tijdelijke) toepassing, inclusief opslag in (weiland)depot conform het Besluit, wordt aangesloten bij, en gebruik gemaakt van de voorgeschreven meldingssystematiek van het Besluit via het landelijk Meldpunt bodemkwaliteit.

Voor het verrichten van handelingen in of met verontreinigde grond, bijvoorbeeld de ontgraving op de herkomstlocatie, geldt de Wet en dient zo nodig melding bij het bevoegd gezag op grond van de Wet plaats te vinden. Ten aanzien van de daaruit volgende verplichte melding voor landbodem bij de Omgevingsdienst, voor het verrichten van handelingen in of met verontreinigde grond en bagger geldt de volgende uitzondering: in het kader van artikel 2 lid b, sub b, van het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering (BONG) kan de melding van degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst achterwege blijven, indien het bevoegde gezag naar aanleiding van een Besluit-melding als bedoeld in artikel 42 van het Besluit heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.

Artikel 5 Toepassingen van PFOS-, PFOA- of overige PFAS-houdende grond en/of baggerspecie

  • 1.

    Toepassingen van grond en baggerspecie, waar conform artikel 3 onderzoek gedaan is naar de voor bodemtype gecorrigeerde aanwezige gehalten aan PFAS (minimaal PFOS en PFOA), zijn binnen de gemeente Aalsmeer toegestaan na (dubbele) toetsing op stofniveau aan de Bodemfunctie (uit de vigerende Nota bodembeheer) en de Bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Er moet per stof (ic. minimaal PFOS en PFOA) voldaan worden aan de strengste eis volgens de navolgende functie- en kwaliteitsklasse-indeling. De dubbele toets dient te worden uitgevoerd voor de locatie waar de toepassing plaatsvindt. Dit geldt ook voor de vormen van tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (anders dan verspreidbare bagger) zoals genoemd in het Besluit. Het (gemeten) gehalte wordt volgens artikel 1 onder k voorafgaand aan toetsing gecorrigeerd.

De volgende Bodemfunctie- en Bodemkwaliteits-klasseringen met bijbehorende maximale waarden voor een standaard bodem op stofniveau voor PFOS en PFOA zijn geschikt voor toepassing:

  • a.

    ‘Klasse Niet ingedeeld - PFOS/PFOA-Vrij toepasbaar’; indien het gehalte aan PFOS de waarde van 1,5 µg/kg d.s. en het gehalte aan PFOA de waarde van 1,7 µg/kg d.s. in de toe te passen grond of baggerspecie niet overschrijdt;

  • b.

    ‘Klasse Niet ingedeeld-PFOS/PFOA-Toepasbaar’ indien een gehalte hoger dan 1,5 µg/kg d.s. maar lager dan of gelijk aan 3 µg/kg d.s. voor PFOS, dan wel een gehalte hoger dan 1,7 µg/kg d.s. maar lager dan of gelijk aan 7 µg/kg d.s. voor PFOA wordt aangetoond;

  • c.

    ‘Klasse PFOS/PFOA-Wonen’ indien een gehalte hoger dan 3 µg/kg d.s. maar lager dan of gelijk aan 5 µg/kg d.s. voor PFOS, dan wel hoger dan 7 µg/kg d.s. maar lager dan of gelijk aan 89 µg/kg d.s. voor PFOA wordt aangetoond;

  • d.

    ‘Klasse PFOS/PFOA-Industrie’ indien een gehalte hoger dan 5 µg/kg d.s. maar lager dan of gelijk aan 50 µg/kg d.s. voor PFOS, dan wel hoger dan 89 µg/kg d.s. maar lager dan of gelijk aan 170 µg/kg d.s. voor PFOA wordt aangetoond.

  • 2.

    In een PFAS-Grootschalige Bodem Toepassing (PFAS-GBT) mag grond of baggerspecie in de kern van de toepassing worden toegepast met een gehalte (na bodemtypecorrectie volgens artikel 1 onder k) lager dan of gelijk aan 3 µg/kg d.s. voor PFOS en 7 µg/kg d.s. voor PFOA met een leeflaag van minimaal 0,5 meter met een kwaliteit die voldoet aan de strengste waarde vanuit de dubbele toets per stof voor de geldende Bodemkwaliteitsklasse ontvangende bodem en Bodemfunctieklasse ter plaatse van de PFAS-GBT, voorafgaand aan de aanleg. Alhoewel de kwaliteit van de ontvangende bodem voorafgaand aan deze bijzondere toepassing conform artikel 3 bekend dient te zijn is deze bijzondere toepassing ook mogelijk wanneer deze bodemkwaliteit ‘Klasse Niet ingedeeld - PFOS/PFOA-Vrij toepasbaar’ is. Bij de toepassing van een PFAS-GBT vindt geen direct contact (ook ná zetting) met het grondwater plaats, dan wel is er geen invloed naar kwetsbare objecten aan de orde. Indien een PFAS-GBT zijn functie verliest of door wijzigingen niet meer aan de algemene voorwaarden van een GBT volgens het Besluit voldoet, dan vervalt daarmee ook de status van bijzondere toepassing als PFAS-GBT.

  • 3.

    Het verspreiden of het voorafgaand aan verspreiden tijdelijk opslaan in een weilanddepot van (onderhouds)baggerspecie met PFOS en PFOA op het aangrenzend perceel is in alle gevallen aanvullend op de msPAF-toets conform het Besluit toegestaan tot een gehalte (na bodemtypecorrectie volgens artikel 1 onder k) met maximum van 3 µg/kg ds voor PFOS en 7 µg/kg ds voor PFOA, mits er geen direct contact (ook ná zetting) met het grondwater plaatsvindt, dan wel invloed naar kwetsbare objecten aan de orde is.

  • 4.

    De appendix “ACN en Bodemkwaliteitskaart PFOS en PFOA Regio Noordzeekanaalgebied”, met zijn kaartaanhangsels opgesteld volgens artikel 3 lid 3, maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregel en geeft inzicht in achtergrondconcentratieniveaus (ACN’s) en de toepassingsmogelijkheden op basis van de geldende regionale Bodemkwaliteitskaart én de daarbij in afwijking van de classificering onder lid 1 gehanteerde Lokale Maximale Waarden in daartoe aangewezen gebieden. De Bodemkwaliteitskaart kan op basis van actueel beschikbare data en bestuurlijke inzichten periodiek (minimaal eens per 5 jaar) geactualiseerd en als appendix afzonderlijk vastgesteld worden.

  • 5.

    De appendix “ACN en Toepassingskaart PFOS/PFOA voor bagger uit de Westeinderplassen binnen het Baggerverspreidingsgebied te gemeente Aalsmeer”, met zijn kaartaanhangsels opgesteld volgens artikel 3 lid 3, maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregel en geeft inzicht in achtergrondconcentratieniveaus (ACN’s) en de toepassingsmogelijkheden voor bagger afkomstig uit de Westeinderplassen op basis van de geldende lokale Toepassingskaart én de daarbij in afwijking van de classificering onder lid 1 gehanteerde Lokale Maximale Waarden in het daartoe aangewezen deel van de gemeente. De Toepassingskaart kan op basis van actueel beschikbare data en bestuurlijke inzichten periodiek (minimaal eens per 5 jaar) geactualiseerd en als appendix afzonderlijk vastgesteld worden.

  • 6.

    Stoffen behorend tot PFAS, niet zijnde PFOS of PFOA, dienen eveneens afzonderlijk per stof beoordeeld te worden. Voor gehalten van andere stoffen behorend tot PFAS gelden de normen en handelswijze zoals die voor PFOS gelden. Indien sprake is van een combinatie-verontreiniging met meerdere individuele PFAS-verbindingen anders dan PFOS of PFOA, geldt aanvullend op de individuele beoordeling dat de som van die verontreinigingen beoordeeld wordt aan vier maal de waarden voor PFOS.

  • 7.

    Voor de bijzondere bodemtoepassingen zoals behandeld onder lid 2 en 3 geldt als verbijzondering dat wanneer uit specifiek bodemonderzoek op een locatie conform artikel 3 lid 1, blijkt dat op de plek en diepte van toepassing reeds sprake is van gehalten boven de onder lid 2 en 3 gestelde waarden, dat toepassing alsnog mogelijk is, indien voldaan wordt aan de onder lid 1 gestelde voorwaarden en klassenindeling.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 6 Bevoegdheden juridisch instrumentarium

Deze beleidsregel is een aanvulling op het bepaalde in de Wet en het Besluit laat de bevoegdheden op grond van de Wet en het Besluit in stand.

Artikel 7 Evaluatie

De beleidsregel wordt maximaal twee jaar na inwerkingtreding geëvalueerd.

Artikel 8 Bekendmaking, inwerkingtreding en geldigheid

De Beleidsregel word bekend gemaakt door plaatsing in het digitale Gemeenteblad en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin het besluit digitaal wordt geplaatst.

Dit besluit vervangt de Beleidsregels PFOS gemeente Aalsmeer van 20 februari 2019.

Artikel 9 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als Beleidsregel PFAS gemeente Aalsmeer 2020.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 juli 2020.

De secretaris,

mr. J.J.A. Dunselman

De voorzitter,

mr. G.E. Oude Kotte

Bijlage 1 ACN en Bodemkwaliteitskaart PFOS en PFOA Regio Noordzeekanaalgebied

Doel

Deze appendix bevat de voor de regio Noordzeekanaalgebied opgestelde Achtergrondconcentratieniveau-(ACN)kaart, evenals de opgestelde regionale Bodemkwaliteitskaart voor de stoffen PFOS en PFOA. De Bodemkwaliteitskaart bestaat uit een Toepassingskaart en een Ontgravingskaart.

De Bodemkwaliteitskaart dient binnen het beheergebied als wettig bewijsmiddel bij de toepassing van PFOS/PFOA-houdende grond uit het beheergebied (dan wel daaraan bestuurlijk gelijkgestelde gebieden) en (gerijpte) baggerspecie binnen de gemeentegrenzen. Daarnaast kunnen de kaarten en het achterliggende kennisdocument gebruikt worden als toetsingsinstrument bij de aanvraag van omgevingsvergunningen, nul- en eindsituatie-bepalingen bij inrichtingen, bij ruimtelijke plannen en bij het bepalen van terugsaneer-waarden voor bodemsaneringen.

Systematiek Bodemkwaliteitskaart in de Beleidsregel

Bij toepassing van PFOS/PFOA-verontreinigde grond en bagger als bodem dient de kwaliteit te worden vergeleken met de functie en de kwaliteit van de ontvangende bodem. Er is dus een bewijsmiddel nodig voor zowel de toe te passen grond/bagger als voor de ontvangende bodem. Naast een binnen het Besluit bodemkwaliteit daartoe voorgeschreven wijze van bodemonderzoek of partijkeuring, is een bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart een geldig bewijsmiddel.

Bij de bepaling van de toepassingsmogelijkheden voor een bodemkwaliteitskaart geldt naast de ACN-kaart de per gemeente bestuurlijk in een Nota bodembeheer vastgestelde bodemfunctiekaart als onderdeel van de in de Beleidsregel genoemde dubbele toetsing. Daarnaast kunnen in een bodemkwaliteitskaart specifiek aangewezen gebieden opgenomen worden waar bestuurlijk vastgestelde Lokale Maximale Waarden (LMW’s) de toepassingseis bepalen.

De Bodemkwaliteitskaart PFOS en PFOA Regio Noordzeekanaalgebied bestaat uit meerdere kaart-onderdelen: een Toepassingskaart en een Ontgravingskaart. Deze kaartonderdelen worden respectievelijk aan de hand van gemiddelde gehalten (ACN-waarden) en de 80-percentiel-waarden bepaald conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten.

Inherent aan het gebruik van de Bodemkwaliteitskaart gelden uitsluitingen. Niet op de kaartonderdelen gemarkeerde gebieden, evenals bronlocaties en gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn principieel uitgesloten van het gebruik van een bodemkwaliteitskaart.

De Toepassingskaart dient als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem in het geval van toepassing van grond en bagger op de landbodem uit het beheergebied e.d. De Ontgravingskaart dient als bewijsmiddel voor de kwaliteit van ontgraven bodem uit het beheergebied.

Achtergrondconcentratieniveau (ACN)

De verantwoording van de Bodemkwaliteitskaart is beschreven in het kennisdocument “ACN en Bodemkwaliteitskaart PFOS en PFOA Regio Noordzeekanaalgebied - Hoofdrapport” van 2 januari 2020 opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied met zaaknummer 9037072. Dit kennisdocument geldt als verantwoording en achtergronddocument voor deze appendix.

Voor het Noordzeekanaalgebied konden voor de in het rapport aangegeven Bodemkwaliteitszones Landelijk en Stedelijk/Industrieel betrouwbare ACN’s vastgesteld oftewel gemiddelde gehalten aan PFOS en PFOA per laag waarvoor statistisch voldoende homogene diffuse waarden zijn bepaald. De ACN’s zijn bepaald in de bodemlagen van 0,0-0,5 m-mv en 0,5-1,0 m-mv (zie tabel 1).

Voor de ACN’s is de volgende kaart bijgevoegd: “Achtergrondconcentratieniveau(ACN)kaart PFOS/PFOA Regio Noordzeekanaalgebied” (zie Aanhangsel).

Tabel 1: Overzicht statistisch betrouwbare ACN’s bodemkwaliteitszones (in µg/kg d.s.; o.b.v. bodemtypecorrectie > 10% o.s.)

ACN:

Zone:

Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

Toplaag Ondergrond (0,5-1,0 m-mv)

Landelijk

Stedelijk/Industrieel

Landelijk

Stedelijk/Industrieel

PFOS

0,39

0,80

0,16

0,32

PFOA

0,54

0,60

0,30

0,25

Deze waarden vallen alle in de ”Klasse Niet–ingedeeld PFOS/PFOA – Vrij Toepasbaar “ (niet-verontreinigd ten opzichte van de provinciale achtergrondkwaliteitswaarde) uit de Beleidsregel.

Binnen de regio zijn een aantal brongerelateerde en niet-bron-gerelateerde terreinen, evenals niet onderzochte natuurlijke gebieden niet meegenomen in de ACN-bepaling. Daarnaast zijn deelgebieden uitgesloten omdat ter plaatse statistisch gezien (nog) geen voldoende homogeen diffuus verontreinigings-beeld en dus geen statistisch betrouwbare ACN kon worden bepaald. Wel bleek in deze statistisch uitgesloten gebieden in veel gevallen diffuse verontreiniging met PFOS/PFOA in de bovengrond en in de toplaag van de ondergrond voor te komen.

Toepassingsmogelijkheden Bodemkwaliteitskaart Regio Noordzeekanaalgebied

Op basis van de ACN’s (representatieve kwaliteit ontvangende bodem), daaraan gerelateerde 80-percentiel-waarde (P80; representatieve kwaliteit te ontgraven bodem), en daaruit resulterende Lokale Maximale Waarden (LMW’s) voor specifiek beleid in aangewezen gebieden zijn onder het begrip Bodemkwaliteitskaart de volgende kaarten bijgevoegd (zie Aanhangsels);

- “Toepassingskaart PFOS/PFOA Regio Noordzeekanaalgebied

- “Ontgravings kaart PFOS/PFOA Regio Noordzeekanaalgebied

De kaarten kunnen alleen gebruikt worden in samenhang met de tekst van de Beleidsregel en de toelichting in deze appendix. De kaarten worden digitaal consulteerbaar op de site van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

De toepassingseisen voor grond of bagger worden analoog aan het generieke kader uit het Besluit bodem-kwaliteit bepaald door de strengste eis aan de hand van de bodemfunctieklasse én de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Aangezien in de ACN-kaart, voor beide zones, beide stoffen en beide bodemlagen, vanuit de kwaliteit van de ontvangende bodem al wordt voldaan aan de strengste bodemkwaliteitsklasse “Klasse Niet ingedeeld-PFOS/PFOA- Vrij Toepasbaar ” (PFOS < 1,5 µg/kg d.s. en PFOA < 1,7 µg/kg ds), wordt daarmee tevens voldaan aan de strengste functie-eis (Niet-ingedeeld [ook wel aangeduid als functie Landbouw/Natuur]). De bodemfunctie is dientengevolge geen beperkend criterium.

Bestuurlijk kan voor een binnen het beheergebied aangewezen specifiek gebied onderbouwd afgeweken worden van bovengenoemde uitkomsten, wanneer hiertoe een maatschappelijke aanleiding is, er rekening gehouden wordt met de in dat gebied voorkomende (spreiding in) kwaliteit en er geen sprake is van risico’s voor mens en milieu. Op deze wijze is een gemiddelde kwaliteitsverslechtering in een aangewezen gebied verantwoordbaar mogelijk aangezien er elders in het beheergebied sprake is van een verbetering (stand-still op (regio) gebiedsniveau).

Binnen de regio Noordzeekanaalgebied is bestuurlijk gekozen om voor het specifiek aan te wijzen gebied van de Bodemkwaliteitszone Stedelijk/Industrieel gebruik te maken van deze bevoegdheid uit het Besluit. In deze zone is in afwijking van de indeling naar ACN’s gekozen voor LMW’s van 3 µg/kg d.s. voor PFOS en 7 µg/kg d.s. voor PFOA in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en in de toplaag van de ondergrond (0,5-1,0 m-mv). Deze keuze wordt onderbouwd door:

- het ontbreken van afzetgebied voor grond en bagger met gehalten tot deze waarden. In de regio is op diverse opslaglocaties een aanzienlijke hoeveelheid opgeslagen, die uit het gebied, respectievelijk gemeente, afkomstig is of bij het in werking treden van de eerste beleidsregel al aanwezig was (met het doel die in het gebied toe te passen), en waar op basis van de ACN’s geen afzetmogelijkheid voor zou zijn;

- uit de statistische kengetallen bij de berekening van de ACN’s in de zone Stedelijk/Industrieel blijkt dat in de bovenste meter van de bodem in dit diffuus belaste gebied reeds maximale waarden tussen de 3 en 5 µg/kg d.s. voorkomen;

- de huidige kennis en inzichten van het RIVM dat bij de gekozen LMW’s voor het bodemgebruik in de zone Stedelijk/Industrieel geen risico’s voor mens en milieu verwacht worden;

- het Tijdelijk handelingskader PFAS voor de generieke functieklassen Wonen en Industrie een maximale waarde van 3 µg/kg d.s. voor PFOS en 7 µg/kg d.s. voor PFOA adviseert;

In aanvulling op de Bodemkwaliteitszone Stedelijk/Industrieel is voor de statistisch uitgesloten delen van de oorspronkelijke Deelgebieden Stedelijk en Industrieel uit uniformiteit eveneens bestuurlijk gekozen deze LMW’s te hanteren. In deze gebieden is voldoende duidelijk dat de statistisch maximale diffuse waarden hoger uitvallen dan de gekozen LMW’s.

Dit resulteert in een Toepassingskaart waarin de maximale toepassingseisen voor twee te onderscheiden onderdelen zijn aangegeven. In het als “Klasse Niet ingedeeld-PFOS/PFOA- Vrij Toepasbaar ” aangeduide gebied mag bij het gebruik van deze kaart als bewijsmiddel tot 1,0 m-mv alleen PFOS < 1,5 µg/kg d.s. en PFOA < 1,7 µg/kg d.s. toegepast worden. In het als Gebiedsspecifiek beleid Stedelijk/Industrieel ” aangeduide gebied mag tot 1,0 m-mv PFOS < 3 µg/kg d.s. en PFOA < 7 µg/kg d.s. toegepast worden.

Voor de uitgesloten (niet gemarkeerde) gebieden op de Toepassingskaart zal over het algemeen de maximale toepassingseis door specifiek bodemonderzoek op de locatie bepaald moeten worden. Of dit in alle situaties noodzakelijk is afhankelijk van de kwaliteit van de toe te passen grond of bagger. Is de toepassingskwaliteit namelijk bepaald als “Klasse Niet ingedeeld-PFOS/PFOA- Vrij Toepasbaar , dan is dit ook zonder onderzoek naar de kwaliteit van de ontvangende bodem vrij toepasbaar.

Aangezien voor de Ontgravingskaart identieke bodemkwaliteitszones gelden én de te ontgraven bodem-kwaliteit op basis van de P80 (voor beide stoffen en beide lagen) zowel voldoet aan dezelfde bodem-kwaliteitsklasse evenals het gebiedsspecifieke beleid op de Toepassingkaart, is toepassing binnen het beheergebied vanuit de op de Ontgravingskaart aangeduide percelen naar de op de Toepassingskaart aangeduide percelen mogelijk.

Voor de uitgesloten (niet gemarkeerde) gebieden op de Ontgravingskaart is toepassing op basis van het gebruik van de Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel niet zonder meer mogelijk. Hiervoor is veelal aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk.

In tabel 2 is in detail een overzicht gegeven van de toepassingsmogelijkheden op basis van de Bodem-kwaliteitskaart.

Tabel 2: Overzicht toepassingsmogelijkheden PFOS/PFOA Bodemkwaliteitskaart Regio Noordzeekanaalgebied

Ontvangende bodem:

Herkomst: (m-mv)

Gebied met Klasse Niet ingedeeld –

PFOS/PFOA

Vrij Toepasbaar

(ACN)

Gebiedsspecifiek beleid Stedelijk/

Industrieel

Uitgesloten gebied

0,0-0,5

0,5-1,0

0,0-0,5

0,5-1,0

Gebied met Klasse Niet ingedeeld- PFOS/PFOA Vrij Toepasbaar (P80)

0,0-0,5

+

+

+

+

+

0,5-1,0

+

+

+

+

+

Uitgesloten gebied

b

b

b

b

-

Toepasbare (gerijpte) bagger

(uit gemeente)

b

b

b

b

-

[Tabel alleen te gebruiken in combinatie met tekst Beleidsregel en Appendix]

Legenda:

+ Toepassing mogelijk o.b.v. Bodemkwaliteitskaart (eisen Toepassings- en Ontgravingskaart)

b / b Toepassing mogelijk indien (water)bodemonderzoek herkomstlocatie voldoet aan eis Toepassingskaart

- Toepassing niet mogelijk o.b.v. Bodemkwaliteitskaart; (toepassing beoordelen door specifiek (bodem)onderzoek)

Gebruik Bodemkwaliteitskaart voor vrijstelling bodemonderzoek

Volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten en de Beleidsregel is het met betrekking tot de kwaliteit voor PFAS-stoffen in de ontvangende bodem mogelijk af te zien van specifiek bodemonderzoek op locatie (conform daartoe geldende NEN-normering), wanneer daar een bodemkwaliteitszone is vastgesteld.

Voorwaarde voor gebruik van de Bodemkwaliteitskaart vanuit het Besluit is het voorafgaand aan een toepassing uitvoeren van een (historisch) vooronderzoek waaruit blijkt dat de ontgravingslocatie en de toepassingslocatie daadwerkelijk niet verdacht zijn als bronlocatie of onderdeel zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PFAS. De kaart betreft namelijk een weergave van de algemene diffuse bodemkwaliteit en bevat geen volledige weergave van (potentiële) bronlocaties en daaruit volgend verspreidingsgebied.

Daarbij dient rekening gehouden te worden met de meest actuele informatie en kennis over (potentiële) bronnen en gevallen, aangezien deze ten tijde van het opstellen van de Bodemkwaliteitskaart nog niet overal beschikbaar waren en derhalve niet als uitgesloten locaties in de Bodemkwaliteitskaart zijn meegenomen. Is derhalve sprake van een bronlocatie of geval van ernstige bodemverontreiniging met PFAS binnen het op de kaarten gemarkeerde gebied, dan gelden de kaarten niet als representatief en geldig bewijsmiddel en dient afzonderlijk lokaal bodemonderzoek naar de specifieke bodemkwaliteit gedaan te worden.

Wanneer binnen de gebieden op de Bodemkwaliteitskaart een locatie specifiek is onderzocht op PFOS en/of PFOA conform een daartoe geldende wijze (NEN-onderzoek/partijkeuring) dan gelden deze uitkomsten volgordelijk boven de kwaliteit bepaald door middel van de Bodemkwaliteitskaart. De kaart is dan niet representatief, tenzij dit onderzoek het beeld van de diffuse bodemkwaliteit bevestigt.

De kaartonderdelen gelden in de basis voor de op de kaart gemarkeerde percelen, maar zijn mogelijk eveneens representatief te beschouwen voor (aangrenzende) percelen binnen de regio onder onderbouwbare vergelijkbare omstandigheden, zoals (voormalig) gebruik, historie, bodemopbouw en bodemkwaliteit. Bij het opstellen van de Bodemkwaliteitskaart zijn namelijk bepaalde niet-bronbelaste percelen niet meegenomen omdat deze percelen niet eenduidig aan één bodemkwaliteitszone toe te kennen waren, zoals bouwterreinen en semi-verharde terreinen. Een bij de melding van de toepassing aan te leveren onderbouwing in een vooronderzoek waarin verantwoord wordt dat voor deze situatie sprake is van een identieke achtergrondbelasting en het ontbreken van wijzigingen in de bodemopbouw en -structuur, kan leiden tot gelijkstelling aan de Bodemkwaliteitskaart. Dit is naar oordeel van het bevoegd gezag.

De Bodemkwaliteitskaart doet geen uitspraak over de bodemkwaliteit van bodemlagen dieper dan 1,0 m-mv. Bij grondverzetwerkzaamheden of toepassingen onder deze diepte is de kaart niet zonder meer als bewijsmiddel te gebruiken. Dan zal volgens de Beleidsregel specifiek bodemonderzoek op locatie aan de orde zijn, behalve wanneer uit vooronderzoek mocht blijken dat de ondergrond niet verontreinigd is of kan zijn.

De Bodemkwaliteitskaart PFOS/PFOA geldt op basis van het stand-still beginsel uit het Besluit bodem-kwaliteit alleen voor het eigen beheergebied van een gemeente en daaraan gelijkgestelde situaties in de Beleidsregel. De kaart geldt ook voor toepasbare bagger uit de eigen gemeente. Voor grond en bagger van elders geldt in de regel een partijkeuring, zoals dit ook voor genormeerde stoffen volgens het Besluit aan de orde is.

Kaart-aanhangsels:

- “Achtergrondconcentratieniveau(ACN)kaart PFOS/PFOA Regio Noordzeekanaalgebied

- “Toepassingskaart PFOS/PFOA Regio Noordzeekanaalgebied

- “Ontgravings kaart PFOS/PFOA Regio Noordzeekanaalgebied

Bijlage 2 ACN en Toepassingskaart PFOS/PFOA voor baggertoepassing uit de Westeinderplassen binnen het Baggerverspreidingsgebied te gemeente Aalsmeer

Doel

Deze appendix bevat de binnen het Baggerverspreidingsgebied gemeente Aalsmeer opgestelde Achtergrondconcentratieniveau (ACN)-kaart, evenals de Bodemkwaliteitskaart voor de stoffen PFOS en PFOA. Deze lokale kaart heeft in eerste aanleg namelijk tot doel het faciliteren van het toepassen van PFOS-/PFOA-houdende bagger afkomstig uit de Westeinderplassen. Daarnaast heeft het tot doel deze bagger ook te kunnen verspreiden over een groter gebied dan alleen de direct aan de baggerhandeling grenzende percelen. De Bodemkwaliteitskaart bestaat voor dit gebied daarom alléén uit een Toepassingskaart. Dit beleid is in aanvulling op het baggerbeleid uit de vigerende Nota bodembeheer.

Voor het Baggerverspreidingsgebied, gebaseerd op het aangeduide gebied in de Nota Bodembeheer Regio Amstelland-Meerlanden uit 2013, gold gebiedsspecifiek beleid primair gericht op het verspreiden van baggerspecie uit de Westeinderplassen. Dit beleid was een voortzetting van provinciaal ontheffingsbeleid uit 1996 voor lokale baggerbedrijven. In de vigerende Nota is het beleid voor het Baggerverspreidingsgebied opgenomen in gemeentebreed geldend baggerbeleid. Voor de voortzetting van de verwerking door de baggerbedrijven van diffuus met PFOS en PFOA verhoogde bagger uit de Westeinderplassen dient de Toepassingskaart daarbij als noodzakelijk instrument om deze baggerspecie in het gebied te kunnen blijven verspreiden en toepassen.

Het aloude historisch gebruik van het nuttig toepassen van bagger uit de Westeinderplassen ten behoeve van het op hoogte houden van uit veen bestaande percelen binnen het gebied (aangezien deze van nature inklinken) blijft daarmee mogelijk. Het betreft op kaart gemarkeerde percelen ten behoeve van seringenteeltakkers, dagrecreatie, natuur en dergelijke. Ontgraving is in deze normaal gesproken niet aan de orde.

De Toepassingskaart dient als vrijstelling van fysiek bodemonderzoek en wettig bewijsmiddel. Daarnaast kan de ACN-kaart en het achterliggende kennisdocument gebruikt worden als toetsingsinstrument bij de aanvraag van Omgevingsvergunningen, nul- en eindsituatiebepalingen bij inrichtingen, bij ruimtelijke plannen en bij het bepalen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen.

Systematiek bodemkwaliteitskaart in de Beleidsregel

Bij toepassing van PFOS/PFOA-verontreinigde (gerijpte) bagger als bodem dient de kwaliteit te worden vergeleken met de functie en kwaliteit van de ontvangende bodem. Dit geldt ook voor het verspreiden van bagger buiten het criterium van aangrenzende percelen. Er is dus een bewijsmiddel nodig voor zowel toe te passen bagger als voor ontvangende bodem. Naast een binnen het Besluit bodemkwaliteit daartoe voorgeschreven wijze van bodemonderzoek of partijkeuring, is een bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart een geldig bewijsmiddel.

Bij een algemene bepaling van de toepassingsmogelijkheden voor een bodemkwaliteitskaart geldt naast de kwaliteit van de ontvangende bodem (ACN-kaart) de voor Aalsmeer bestuurlijk in een Nota bodembeheer vastgestelde bodemfunctie(klassen)kaart als onderdeel van de in de Beleidsregel genoemde dubbele toetsing. Daarnaast kunnen in een bodemkwaliteitskaart specifiek aangewezen gebieden opgenomen worden waar bestuurlijk vastgestelde Lokale Maximale Waarden (LMW’s) de toepassingseis bepalen.

Inherent aan het gebruik van de kaarten gelden uitsluitingen. Niet op de kaarten gemarkeerde gebieden, evenals bronlocaties en gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn principieel uitgesloten van het gebruik van een bodemkwaliteitskaart.

De Toepassingskaart dient als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem in het geval van toepassing en verspreiden van bagger op de landbodem, in dit geval specifiek voor bagger afkomstig uit de Westeinderplassen.

Achtergrondconcentratieniveau (ACN)

De verantwoording van de ACN’s is beschreven in het kennisdocument “ACN en Toepassingskaart PFOS/PFOA bovengrond (0,0-0,5 m-mv) binnen Baggerverspreidingsgebied Aalsmeer” van 19 mei 2020 opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied met zaaknummer 9563861. Dit kennisdocument geldt als verantwoording en achtergronddocument voor deze appendix.

Voor de onderzochte percelen binnen het Baggerverspreidingsgebied konden betrouwbare ACN’s vastgesteld worden oftewel gemiddelde gehalten aan PFOS en PFOA betreffende de laag van 0,0-0,5 m-mv. Hiervoor zijn statistisch voldoende homogene diffuse waarden bepaald (zie tabel 1).

Voor de ACN’s is de volgende kaart bijgevoegd: “Achtergrondconcentratieniveau (ACN)-kaart PFOS/PFOA binnen Baggerverspreidingsgebied Aalsmeer” (zie Aanhangsel).

Tabel 1: Overzicht statistisch betrouwbare ACN’s bodemkwaliteitszone Baggerverspreidingsgebied (in µg/kg d.s.; o.b.v. bodemtypecorrectie > 10% o.s.)

ACN:

Zone:

Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

Baggerverspreidingsgebied

PFOS

1,74

PFOA

1,23

De waarde voor PFOS valt in de ”Klasse – Niet–ingedeeld PFOS/PFOA – Toepasbaar “ en de waarde voor PFOA valt in de ”Klasse Niet–ingedeeld PFOS/PFOA – Vrij Toepasbaar “ (niet-verontreinigd ten opzichte van de provinciale achtergrondkwaliteitswaarde) uit de Beleidsregel.

Toepassingseisen:

De toepassingseisen PFOS/PFOA voor bagger of gebiedseigen grond worden in de basis analoog aan het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit bepaald door de strengste eis van de bodemfunctieklasse én de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Aangezien de ACN voor PFOS voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ”Klasse – Niet–ingedeeld PFOS/PFOA – Toepasbaar “en voor PFOA aan de“Klasse Niet ingedeeld-PFOS/PFOA- Vrij Toepasbaar ”, wordt daarmee tevens voldaan aan de strengste functie-eis (Niet-ingedeeld [oftewel Landbouw/Natuur]). De bodemfunctie is dientengevolge geen beperkend criterium.

Bestuurlijk kan voor een binnen het beheergebied aangewezen specifiek gebied onderbouwd afgeweken worden van bovengenoemde uitkomsten, wanneer hiertoe een maatschappelijke aanleiding is, er rekening gehouden wordt met de in dat gebied voorkomende (spreiding in) kwaliteit en er geen sprake is van risico’s voor mens en milieu. Op deze wijze is een geringe gemiddelde kwaliteitsverslechtering in een aangewezen gebied verantwoordbaar mogelijk aangezien er elders sprake is van een verbetering (stand-still).

Voor de gemarkeerde percelen binnen het Baggerverspreidingsgebied is bestuurlijk gekozen om gebruik te maken van deze bevoegdheid uit het Besluit. In deze zone is in afwijking van de klasse-indeling naar ACN voor PFOA, gekozen voor een LMW van 7 µg/kg d.s. voor PFOA in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv). Deze keuze wordt onderbouwd door:

- het (historisch) maatschappelijk gebruik en noodzaak tot het met bagger op hoogte houden van (veen)percelen in het Baggerverspreidingsgebied;

- het bij baggerwerkzaamheden ontbreken van afzet voor vrijkomende bagger uit de Westeinderplassen en aangrenzende waterlopen met gehalten tot deze waarden;

- het ontbreken van afzet van in baggerdepots al opgeslagen bagger die tot doel heeft in het Baggerverspreidingsgebied te worden toegepast;

- de invulling die wordt gegeven aan de circulaire economie, de besparing van toepassing van (uitputbare) grondstoffen van elders en de beperking van de belasting van het milieu door geringere transportafstanden (per boot);

- uit de statistische kengetallen bij de berekening van de ACN in het Baggerverspreidingsgebied blijkt dat in de bovenste meter van de bodem in dit diffuus belaste gebied naast PFOS ook voor PFOA in bijna 20% van de bekende gehalten maximale waarden in de bodemkwaliteit ”Klasse – Niet–ingedeeld PFOS/PFOA – Toepasbaar “ voorkomen;

- de Beleidsregel voor verspreidbare bagger op (direct) aangrenzende percelen maximale waarden van 3 µg/kg d.s. voor PFOS en 7 µg/kg d.s. voor PFOA aanhoudt;

- het “Overzicht van risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX ten behoeve van een tijdelijk handelingskader voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de landbodem” van het RIVM (d.d. 4 maart 2019) voor Landbouw/Natuur maximale waarden van 3 µg/kg d.s. voor PFOS en van 7 µg/kg d.s. voor PFOA adviseert.

- de huidige kennis en inzichten van het RIVM dat bij de gekozen LMW voor het bodemgebruik in het baggerverspreidingsgebied geen risico’s voor mens en milieu verwacht worden.

Dit resulteert in een Toepassingskaart waarin sprake is van één lokale bodemkwaliteitszone waarin de maximale toepassingseisen voor de twee te onderscheiden stoffen (gebiedsspecifiek) zijn aangegeven. In het gemarkeerde gebied mag bij het gebruik van deze kaart als bewijsmiddel in of op de bodemlaag tot 0,5 m-mv PFOS < 3 µg/kg d.s. en PFOA < 7 µg/kg d.s. toegepast worden.

Gebruik Toepassingskaart voor vrijstelling bodemonderzoek

Volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten en de Beleidsregel is het met betrekking tot de kwaliteit voor PFAS-stoffen in de ontvangende bodem mogelijk af te zien van specifiek bodemonderzoek op locatie (conform daartoe geldende NEN-normering), wanneer daar een bodemkwaliteitszone is vastgesteld.

Voorwaarde voor gebruik van de Toepassingskaart vanuit het Besluit is het voorafgaand aan een toepassing uitvoeren van een (historisch) vooronderzoek waaruit blijkt dat de bagger-/ontgravingslocatie en de toepassingslocatie daadwerkelijk niet verdacht zijn als bronlocatie of onderdeel zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PFAS. De kaart betreft namelijk een weergave van de algemene diffuse bodemkwaliteit voor de geselecteerde percelen met het eerder onder “Doelen” genoemde bodemgebruik. De kaart is daarom ook niet automatisch geldig op terreindelen met een woon-, infrastructurele of bedrijfsbestemming en bevat geen weergave van (potentiële) bronlocaties en daaruit volgend verspreidingsgebied.

Daarbij dient rekening gehouden te worden met de meest actuele informatie en kennis over (potentiële) bronnen en gevallen, aangezien deze ten tijde van het opstellen van de kaart nog niet overal beschikbaar waren en derhalve niet als uitgesloten locaties in de kaart zijn meegenomen. Is derhalve toch sprake van een bronlocatie of geval van ernstige bodemverontreiniging met PFAS binnen het op de kaart gemarkeerde gebied, dan geldt de kaart niet als representatief en geldig bewijsmiddel en dient afzonderlijk lokaal bodemonderzoek naar de specifieke bodemkwaliteit gedaan te worden.

Wanneer een perceel op de Toepassingskaart toch specifiek is onderzocht op PFOS en/of PFOA conform een daartoe geldende wijze (NEN-onderzoek/partijkeuring), dan gelden deze uitkomsten volgordelijk boven de te verwachten kwaliteit door middel van de kaart. De kaart is dan niet representatief, tenzij dit onderzoek het beeld van de diffuse bodemkwaliteit bevestigt.

De Toepassingskaartkaart PFOS/PFOA geldt alleen voor het toepassen van bagger uit de Westeinderplassen op de op kaart gemarkeerde percelen, maar zijn mogelijk eveneens representatief te beschouwen voor aan de Westeinderplassen of Haarlemmerringvaart grenzende percelen binnen het oorspronkelijke Baggerverspreidingsgebied te Aalsmeer onder onderbouwbare vergelijkbare omstandigheden, zoals (voormalig) gebruik, historie, bodemopbouw en bodemkwaliteit.

Een daartoe bij de melding van de toepassing aan te leveren onderbouwing in een vooronderzoek waarin verantwoord wordt dat voor deze situatie sprake is van een identieke achtergrondbelasting en het ontbreken van wijzigingen in de bodemopbouw en -structuur, kan leiden tot gelijkstelling aan de Toepassingskaart. Dit is naar oordeel van het bevoegd gezag. De uitgangspunten daarbij voor de ontvangende bodem waarop toepassing plaatsvindt zijn:

- de belasting met PFOS en PFOA heeft plaatsgevonden vanuit depositie en/of baggerverspreiding uit het Westeinderplassengebied in het verleden;

- de bodem bestaat uit veen- of slibachtig materiaal, met meer dan 22,5% organische stof, met een gering hoogteprofiel van één tot enkele decimeters boven het oppervlaktewaterpeil van de Westeinderplassen;

- een (voormalig) gebruik als natuur, dagrecreatie, open teelt (seringen)akker met vergelijkbare historie, gebruik, bodemstructuur, -samenstelling en -kwaliteit, dan wel hieraan gelijkwaardige percelen.

Bebouwde, (overige) bedrijfsmatige, verharde of met andere materialen of grond van elders opgehoogde of afgedekte (delen van) percelen, bodemsanerings- en (afval)stortlocaties zijn in dit kader van vrijstelling van onderzoek uitgesloten.

Voor toepassing van bagger uit de Westeinderplassen elders binnen de gemeente Aalsmeer, dan wel voor toepassing van bagger uit andere delen van Aalsmeer binnen het Baggerverspreidingsgebied gelden voor PFOS/PFOA de algemene criteria zoals weergegeven in de Beleidsregel en de vigerende Nota bodembeheer.

Voor niet gemarkeerde gebieden op de Toepassingskaart zal over het algemeen de maximale toepassingseis door specifiek bodemonderzoek op de locatie bepaald moeten worden, dan wel waar mogelijk gebruik gemaakt worden van de Regionale bodemkwaliteitskaart (zie appendix 1) of de (specifieke) ruimte die geboden wordt voor toepassing van bagger op de landbodem vanuit het algemene baggerbeleid uit de Nota bodembeheer.

Of bodemonderzoek in alle situaties noodzakelijk is, is afhankelijk van de kwaliteit van de toe te passen bagger. Is de toepassingskwaliteit van de bagger namelijk bepaald als “Klasse Niet ingedeeld-PFOS/PFOA- Vrij Toepasbaar, dan is dit ook zonder onderzoek naar de kwaliteit van de ontvangende bodem vrij toepasbaar. Dit geldt ook voor lokaal verspreidbare bagger op basis van de Beleidsregel.

De Toepassingskaart doet geen uitspraak over de bodemkwaliteit van bodemlagen dieper dan 0,5 m-mv. Bij toepassingen onder deze diepte is de kaart niet zonder meer als bewijsmiddel te gebruiken. Dan zal volgens de Beleidsregel specifiek bodemonderzoek op locatie aan de orde zijn, behalve wanneer uit vooronderzoek mocht blijken dat de ondergrond niet verontreinigd is of kan zijn.

Kaartaanhangsels:

- “Achtergrondconcentratieniveau (ACN)-kaart PFOS/PFOA binnen Baggerverspreidingsgebied Aalsmeer

- “Toepassingskaart PFOS/PFOA binnen Baggerverspreidingsgebied Aalsmeer

De gepresenteerde gehalten en (klasse-)indeling zijn gebaseerd op een bodemtypecorrectie volgens het Bbk (vanaf 10% organische stof).

De Toepassingskaart kan alleen gebruikt worden in samenhang met de tekst van de Beleidsregel en de toelichting in deze appendix.

De kaarten worden digitaal consulteerbaar op de site van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

Achtergrondconcentratieniveau (ACN)-kaart PFOS/PFOA bovengrond (0,0-0,5 m-mv) binnen Baggerverspreidingsgebied Aalsmeer

afbeelding binnen de regeling

Toepassingskaart PFOS/PFOA bovengrond (0,0-0,5 m-mv) binnen Baggerverspreidingsgebied Aalsmeer

afbeelding binnen de regeling