Instellingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude houdende regels omtrent de gemeenschappelijke regeling Servicepunt71

Geldend van 23-06-2020 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2020

Intitulé

Instellingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude houdende regels omtrent de gemeenschappelijke regeling Servicepunt71

Voor 1-1-2016 moet de Gemeenschappelijke Regeling Servicepunt71 (GR SP71) voldoen aan de nieuwe Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Hiertoe dient de GR SP71 te worden aangepast.In de GR SP71 is opgenomen (art 39) dat een voorstel tot wijziging van de regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur. Gezien de aard van de voorgestelde wijzigingen kan de regeling o.g.v. art 40 slechts worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de colleges van de deelnemers, na verkregen toestemming van de gemeenteraden.

In voorliggende voorstel tot wijziging van de GR SP71 zijn de aanpassingen in verband met de inwerkingtreding van de nieuwe Wgr verwerkt, met als uitgangspunt het omzetten van de huidige GR SP71 in een bedrijfsvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 8 van de Wgr.

Besluit

Het algemeen bestuur besluit:

  • 1.

    Het voorstel tot aanpassing van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Servicepunt71 (1e wijziging) vast te stellen en deze ter besluitvorming aan te bieden aan de colleges van de deelnemers.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de regeling : deze gemeenschappelijke regeling;

  • b.

    deelnemer(s) : een (de) aan deze regeling deelnemende college(s) van burgemeesters en wethouders;

  • c.

    de wet : de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • d.

    de bedrijfsvoeringsorganisatie : de rechtspersoonlijkheid bezittende bedrijfsvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 2 van de regeling;

  • e.

    de provincie : de provincie Zuid-Holland;

  • f.

    gedeputeerde staten : gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland.

  • g.

    college(s) : het (de) college(s) van een (de) deelnemende gemeente(n);

  • h.

    privaatrechtelijke overheids-gedomineerde organisaties : opganisatie waarvan de overheid de meerderheid van de aandelen bezit

Hoofdstuk 2 De bedrijfsvoeringsorganisatie

Artikel 2

  • 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet, genaamd Servicepunt71. De bedrijfsvoeringsorganisatie is de voortzetting van het openbaar lichaam Servicepunt71 in een gewijzigde rechtsvorm.

  • 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd in Leiden.

Hoofdstuk 3 Belangen, taken en bevoegdheden

Artikel 3

De regeling wordt getroffen ter behartiging van de belangen ten aanzien van sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken van de deelnemers.

Artikel 4

  • 1. Aan de bedrijfsvoeringsorganisatie waarvoor de gemeenschappelijke regeling is getroffen komen de taken toe die betrekking hebben op in ieder geval de volgende gebieden:

    • a.

      ICT

    • b.

      Inkoop

    • c.

      Financiën

    • d.

      HRM

    • e.

      Juridische Zaken

    • f.

      Facilitaire Zaken

  • 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid opgenomen taken van de regeling worden meerjarige dienstverleningsovereenkomsten afgesloten tussen de bedrijfsvoeringsorganisatie als dienstverlenende instantie en de deelnemers als afnemende instanties, waarin de invulling van de taken zoals genoemd in het eerste lid nader wordt overeengekomen.

  • 3. De in het eerste lid genoemde taken kunnen worden uitgebreid met andere taken bij afzonderlijk eensluidend besluit door het bevoegde bestuursorgaan van alle deelnemers en aanvaarding hiervan door het bestuur.

  • 4. De deelnemers in de regeling nemen het pakket aan taken af, zoals genoemd in het eerste lid onder a, b, c, d en e. De taken genoemd in het eerste lid onder f kunnen door de deelnemers worden afgenomen.

Artikel 5

Voor zover de diensten vallen binnen het kader van de in artikel 4 vermelde taken, is de bedrijfsvoeringsorganisatie bevoegd tot het verrichten van diensten voor andere gemeenten dan de deelnemers en/of derden met een publiekrechtelijke status en/of privaatrechtelijke overheidsgedomineerde organisaties. Met deze publiek- en privaatrechtelijke organisaties kunnen meerjarige dienstverleningsovereenkomsten afgesloten worden.

Hoofdstuk 4 Het bestuur

Artikel 6

  • 1. Aan het hoofd van de bedrijfsvoeringsorganisatie staat het bestuur.

  • 2. Het bestuur bestaat uit leden van de colleges van de deelnemers. De colleges wijzen elk uit hun midden, één lid en één plaatsvervangend lid van het bestuur aan.

  • 3. De aanwijzing van de leden van het bestuur geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor de colleges worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering of uiterlijk binnen zes weken na de eerste vergadering van de nieuwe zittingsperiode van de colleges.

  • 4. Een lid van het bestuur treedt af op het moment van tussentijds verlies van de hoedanigheid van lid van het college.

  • 5. De leden van het bestuur treden tegelijk af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het bestuur in functie treden.

  • 6. De leden van het bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het bestuur, alsmede de voorzitter van het college dat hen heeft aangewezen, op de hoogte. Leden van het bestuur, die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

  • 7. Bij een tussentijdse vacature op grond het vierde en zesde lid, dan wel van artikel 11, vierde lid, voorziet het college van de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk opnieuw in de aanwijzing van een nieuw lid van het bestuur.

Artikel 7

  • 1. Het bestuur is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van die belangen die aan de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn opgedragen. Alle bevoegdheden in het kader van deze regeling, behoren aan het bestuur.

  • 2. Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het in deze regeling bepaalde is het bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot:

    • a.

      het vaststellen en wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de rekening;

    • c.

      het vaststellen van resultaatbestemming;

    • d.

      het vaststellen van de kaders van het werkplan en het strategisch organisatieplan van het lichaam;

    • e.

      het vaststellen van voorwaarden voor toetreding;

    • f.

      het opleggen van voorwaarden voor uittreding;

    • g.

      het doen van voorstellen aan de deelnemers tot toetreding en uittreding van (andere) deelnemers;

    • h.

      het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelname daaraan, als dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang’.

Artikel 8

  • 1. Het bestuur vergadert jaarlijks ten minste tweemaal en voorts zo vaak als daartoe besloten is.

  • 2. Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

Artikel 9

  • 1. Het aantal stemmen per deelnemer is: gemeente Leiden zes, gemeente Leiderdorp twee, gemeente Oegstgeest twee en gemeente Zoeterwoude twee.

  • 2. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

    De artikelen 56 tot en met 57 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10

  • 1. Een lid van het bestuur geeft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door het college, of een of meer leden daarvan, worden verlangd op een voor die deelnemer gebruikelijke wijze.

  • 2. Een lid van het bestuur kan door het college dat het lid heeft aangewezen, op een voor die deelnemer gebruikelijke wijze ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt ook ten aanzien van de gemeenteraad van de gemeente door wiens college het lid van het bestuur is aangewezen.

  • 4. Indien een lid van het bestuur niet meer het vertrouwen bezit van het college dat hem heeft aangewezen, kan dit college hem als zodanig ontslaan.

Hoofdstuk 5 De voorzitter

Artikel 11

  • 1. De voorzitter van het bestuur wordt door het bestuur uit zijn midden aangewezen.

  • 2. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een door het bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid van dit bestuur.

  • 3. De voorzitter tekent de stukken die van het bestuur uitgaan. Het bestuur kan hem toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het bestuur, aan de secretaris of aan een andere ambtenaar werkzaam bij de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 4. De voorzitter vertegenwoordigt de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte. Indien de deelnemer van waaruit de voorzitter afkomstig is partij is in een geding waarbij de bedrijfsvoeringsorganisatie betrokken is, oefent een ander door het bestuur aan te wijzen lid van dat bestuur deze bevoegdheid uit.

  • 5. In spoedeisende gevallen is de voorzitter bevoegd voorlopige maatregelen te nemen, die hij in de eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging aanbiedt.

Hoofdstuk 6 Informatieplicht

Artikel 12

  • 1. Het bestuur geeft aan de colleges van de gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie gevoerde en te voeren beleid nodig is en verstrekken aan de colleges van de gemeenten alle inlichtingen die door een of meer leden van die colleges worden verlangd.

  • 2. Het reglement van orde voor de vergaderingen van het bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de vorige leden bepaalde.

Hoofdstuk 7 De secretaris

Artikel 13

  • 1. De directeur van de bedrijfsvoeringsorganisatie treedt op als secretaris van het bestuur. Het bestuur wijst een ambtenaar van de bedrijfsvoeringsorganisatie aan als waarnemend secretaris.

  • 2. De secretaris is het bestuur en de voorzitter van het bestuur behulpzaam bij de vervulling van hun taak en heeft in het bestuur een raadgevende stem.

  • 3. Alle stukken, die van het bestuur uitgaan, worden door hem mede ondertekend.

Hoofdstuk 8 Organisatie en personeel

Artikel 14

  • 1. De bedrijfsvoeringsorganisatie heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd een directeur.

  • 2. Het bestuur stelt een organisatiebesluit vast omtrent de ambtelijke organisatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 3. Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur.

  • 4. Het bestuur stelt de instructie voor de directeur vast.

  • 5. Het bestuur regelt bij verhindering of ontstentenis van de directeur zijn vervanging.

Artikel 15

  • 1. De benoeming, schorsing en ontslag van personeelsleden van de bedrijfsvoeringsorganisatie als ambtenaar, dan wel volgens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geschiedt door het bestuur.

  • 2. Op het personeel in dienst van de bedrijfsvoeringsorganisatie is de CAR/UWO voor gemeenteambtenaren van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Waar in de in het tweede lid bedoelde regelingen wordt gesproken van 'gemeenteraad, burgemeester en wethouders, burgemeester’, dan wel van ‘hoofd van dienst' wordt voor de toepassing in het kader van deze gemeenschappelijke regeling respectievelijk gelezen: bestuur en directeur.

Artikel 16

  • 1. Er is een ambtelijk gremium, bestaande uit de secretaris/algemeen directeur van elk van de deelnemers en de directeur als bedoeld in artikel 14.

  • 2. Het ambtelijk gremium adviseert het bestuur, gevraagd en ongevraagd, over de taken die aan het bestuur zijn toebedeeld.

  • 3. Het ambtelijk gremium kiest uit zijn midden een voorzitter en regelt zelf de orde en frequentie van zijn bijeenkomsten.

  • 4. De voorzitter van het ambtelijk gremium woont alle vergaderingen van het bestuur bij en heeft een raadgevende stem, namens het ambtelijk gremium.

Hoofdstuk 9 Financiële bepalingen

Artikel 17

De deelnemers zorgen er voor dat de bedrijfsvoeringsorganisatie over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

Artikel 18

  • 1. De kosten van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden gedekt uit de inkomsten uit de met de deelnemers en derden in de zin van artikel 4, tweede lid, en 5 afgesloten (meerjaren) dienstverleningsovereenkomsten.

  • 2. Tot de kosten van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden, naast de directe uitvoeringskosten, tevens gerekend de overheadkosten en de kapitaallasten.

Artikel 19

De door de deelnemers en derden in de zin van artikel 4, tweede lid, en artikel 5 op grond van de afgesloten dienstverleningsovereenkomsten verschuldigde bedragen worden door de bedrijfsvoeringsorganisatie periodiek gefactureerd en zijn door de deelnemers en eventuele derden bij vooruitbetaling verschuldigd.

Artikel 20

  • 1. De overige uit deze regeling voortvloeiende gezamenlijke inkomsten en uitgaven worden met de deelnemers verrekend volgens een door het bestuur vast te stellen verdeelsleutel.

  • 2. Het bestuur bepaalt elk jaar bij het vaststellen van de begroting voorlopig het aandeel van elke deelnemer in de voor het begrotingsjaar geraamde kosten.

Artikel 21

Indien het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie blijkt dat een deelnemer weigert de uitgaven zoals bedoeld in artikel 19 op de begroting te zetten, doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

Hoofdstuk 10 Financiën en jaarverslag

Artikel 22

  • 1. Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 2. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting minimaal acht weken voordat zij door het bestuur wordt vastgesteld toe aan de raden van de deelnemers.

  • 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 4. De raden van de deelnemers kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 5. Nadat deze is vastgesteld, zendt het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, zo nodig, de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 6. Het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting die structurele effecten op de bijdragen van de deelnemers met zich meebrengen.

Artikel 23

  • 1. Het bestuur stelt de begroting met het bijbehorende beleidsplan vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 2. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

Artikel 24

  • 1. Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2. Bij de vast te stellen jaarrekening is een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de jaarrekening opgenomen.

  • 3. Het bestuur zendt een afschrift van de rekening aan de colleges en de gemeenteraden van de deelnemers toe.

  • 4. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

  • 5. Binnen een maand na de vaststelling van de rekening doet het bestuur aan elke deelnemer mededeling van het over het betreffende jaar verschuldigde aandeel.

  • 6. Het bestuur draagt elk jaar vóór 15 juli zorg voor de samenstelling van een verslag met betrekking tot de door de bestuursorganen over het afgelopen jaar verrichte werkzaamheden.

Artikel 25

  • 1. Het bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt.

  • 2. Op de in het eerste lid bedoelde verordening is artikel 212 van de Gemeentewet van toepassing.

  • 3. Het bestuur bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

  • 4. Op de in het vierde lid bedoelde verordening is artikel 213 van de Gemeentewet van toepassing.

  • 5. De artikelen 214 en 215 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 11 Het archief

Artikel 26

  • 1. Het bestuur draagt de zorg voor de archiefbescheiden en stelt, met inachtneming van de Archiefwet 1995, regels vast omtrent de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede omtrent het toezicht daarop. Deze regeling wordt medegedeeld aan de gemeentelijke archivaris.

  • 2. De secretaris is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden als bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de daar genoemde regeling.

  • 3. Voor de bewaring van de op grond van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen wordt door het bestuur een archiefbewaarplaats aangewezen.

Hoofdstuk 12 Geschillenregeling

Artikel 27

  • 1. Onverminderd het gestelde in artikel 28 van de wet worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.

  • 2. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil tussen een afvaardiging van het bestuur en een afvaardiging van het (de) college(s) van de deelnemer(s) gesproken waarmee het geschil bestaat.

  • 3. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het bestuur en het (de) college(s) van de betreffende deelnemer(s) elk een onafhankelijke deskundige. Gezamenlijk benoemen de beide deskundigen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de daarmee ingestelde geschillencommissie optreedt. Het bestuur treedt mede namens de betreffende deelnemer(s) op als opdrachtgever van de geschillencommissie. In de opdracht wordt ten minste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen.

  • 4. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het algemeen bestuur en aan het (de) college(s) van de betreffende deelnemer(s).

  • 5. Na ontvangst van het advies treden de in het tweede lid bedoelde partijen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de wet, voor te leggen aan gedeputeerde staten.

  • 6. De kosten voor de geschillencommissie worden door de bedrijfsvoeringsorganisatie en de betreffende deelnemer(s) ieder in gelijke delen gedragen.

Hoofdstuk 13 Toetreding, wijziging, uittreding, opheffing

Artikel 28

  • 1. Toetreding tot deze regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van alle deelnemers alsmede het college van de potentiële deelnemer na verkregen toestemming van de desbetreffende gemeenteraad.

  • 2. Het bestuur doet daartoe een voorstel en geeft daarin aan of, en zo ja, welke voorwaarden aan de toetreding zijn verbonden.

  • 3. Het bestuur stelt een toetredingssom vast voor de toetreding tot deze regeling.

  • 4. De toetreding gaat in op een in overleg tussen het algemeen bestuur en de toetredende deelnemer te bepalen tijdstip, dat niet ligt vóór het tijdstip dat de in het eerste lid genoemde besluiten zijn genomen.

Artikel 29

  • 1. Een voorstel tot wijziging van de regeling kan worden gedaan door het bestuur of door colleges van de deelnemers; in het laatste geval wordt een zodanig voorstel ingediend bij het bestuur, die dit voorstel, eventueel vergezeld van een advies, aan de besturen van de deelnemers ter besluitvorming aanbiedt.

  • 2. De artikelen 3, 4, 5, 9 eerste lid, 17, 19, 20 en 29 kunnen slechts worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de colleges van de deelnemers, na verkregen toestemming van de gemeenteraden.

  • 3. De niet in het tweede lid van dit artikel genoemde artikelen worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de colleges van ten minste twee-derde van de deelnemers.

Artikel 30

  • 1. Een deelnemer kan uittreden door toezending van het daartoe strekkende besluit van haar college aan het bestuur.

  • 2. Het bestuur besluit binnen drie maanden na ontvangst van het besluit zoals bedoeld in het eerste lid over de voorwaarden waaronder een deelnemer kan uittreden. De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het bestuur het besluit zoals genoemd in het eerste lid heeft ontvangen, tenzij door het bestuur een eerdere datum is bepaald.

  • 3. Het bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en kan aan de uittreding voorwaarden, waaronder financiële, verbinden.Tot deze financiële voorwaarden behoort in elk geval de bepaling, dat een uittredende deelnemer van het jaar van uittreding af aan de bedrijfsvoeringsorganisatie blijft betalen een bijdrage in de jaarlijkse (vaste) exploi-tatielasten, waaronder de personele kosten, van de bedrijfsvoeringsorganisatie. De bijdrage is niet meer verschuldigd, zodra het bestuur beslist, dat de uit de uittreding voortgekomen kostenstijging op voldoende wijze is gecompenseerd. De bijdrage kan gekwantificeerd worden in een eenmalige uittredingssom.

  • 4. Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 5. Op de bepalingen in dit artikel is het gestelde in artikel 26 van deze regeling van toepassing.

Artikel 31

  • 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van alle deelnemers.

  • 2. De opheffing wordt van kracht op 1 januari na de datum waarop de besluitvorming zoals bedoeld in het eerste lid is afgerond. Het bestuur kan een andere datum vaststellen, mits deze niet ligt vóór het tijdstip van afronding van de in het eerste lid bedoelde besluitvorming.

  • 3. Het bestuur regelt de gevolgen van de opheffing en stelt daartoe een liquidatatieplan vast op basis van unanimiteit. Het plan bevat tevens een personeelsplan.

  • 4. De deelnemers verbinden zich om een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

Hoofdstuk 14 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 32

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand na de dag van de bekendmaking overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.

  • 2. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 33

  • 1. De door het algemeen en dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Servicepunt71 vastgestelde mandaatbesluiten en overige regelingen blijven van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld door het bestuur.

  • 2. Het reglement van orde zoals vastgesteld door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Servicepunt71 blijft van kracht ten aanzien van het bestuur, totdat het bestuur het reglement intrekt of wijzigt.

Artikel 34

  • 1. Burgemeester en wethouders van Leiden worden aangewezen als het bestuur, bedoeld in artikel 26, eerste lid van de wet.

  • 2. Bekendmaking geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, tweede lid van de wet.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van Servicepunt71 9 juli 2015.

Namens deze

De voorzitter

dhr. M.H. van der Eng

De secretaris

dhr. H.H. Osse