Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het standplaatsenbeleid (Beleidsregels standplaatsen gemeente West Betuwe 2020)

Geldend van 29-05-2020 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het standplaatsenbeleid (Beleidsregels standplaatsen gemeente West Betuwe 2020)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe;

gelet op hoofdstuk 1 en afdeling 4 van hoofdstuk 5 van de Algemene plaatselijke verordening West Betuwe en het bepaalde in artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen de volgende:

Beleidsregels standplaatsen gemeente West Betuwe 2020

1. INLEIDING

Per 1 januari 2019 zijn de gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal samen gegaan.

Deze samenvoeging geeft aanleiding tot het harmoniseren en het actualiseren van het standplaatsenbeleid.

Op dit moment gelden voor de grondgebieden van de drie voormalige gemeenten, verschillende beleidsregels. Dat schept ongelijkheid, onduidelijkheid en kan tot verwarring leiden. Daarom zijn voor de ambulante handel (met uitzondering van de weekmarkt in Geldermalsen, daarvoor is een aparte Marktverordening van kracht) binnen de gemeente West Betuwe nieuwe beleidsregels opgesteld.

In een opiniërende en openbare bijeenkomst met ambulante handelaren en andere belangstellenden op 21 januari 2020 is duidelijk geworden dat het standplaatsenbeleid aan vernieuwing toe is.

Het beleid heeft als doel en uitgangspunt een goede wisselwerking tussen de ambulante handel en de detailhandel mogelijk te maken, waarbij zij elkaar aanvullen en het voorzieningenniveau, waar nodig, in de kernen gestimuleerd kan worden.

Regelmatig worden er verzoeken om een vergunning voor het innemen van een standplaats ingediend. Het innemen van standplaatsen op bestaande en nieuwe standplaatslocaties is echter niet op elke locatie en op elk tijdstip mogelijk en/of gewenst.

Uitgangspunt van deze nieuwe beleidsregels is dat:

  • -

    deze beleidsregels geen gevolgen hebben voor de reeds verleende standplaatsvergunningen en bestaande rechten van standplaatsvergunninghouders met deze beleidsregels dus niet worden aangetast (uitsterfbeleid);

  • -

    het college nieuwe standplaatslocaties kan aanwijzen en/of extra tijden voor bestaande standplaatslocaties kan vergunnen als:

    • -

      dit voor een aanvulling of verbreding van het reeds bestaande aanbod aan voorzieningen in de betreffende kern zorgt;

    • -

      dit niet ten koste gaat van de bestaande minimarkten en de bestaande detailhandel.

Ter toelichting op het laatste hierop het volgende.

Voor het uitbreiden van standplaatslocaties in een kern en/of het vergunnen van extra tijden voor bestaande standplaatslocaties geldt de zorg die het college heeft met betrekking tot de bestaande minimarkten (een aantal standplaatsen die gezamenlijk bij elkaar staan). Indien er (steeds) meer losse standplaatsen worden vergund, bestaat het gevaar dat de minimarkten niet voldoende omzet zullen genereren en vertrekken. Dat gaat ten koste van het voorzieningenniveau in de betreffende kern en levert een belemmering op voor de betrokken standplaatsondernemers. Ook kan het voorzieningenniveau van de (nog) bestaande detailhandel in een kern door het toestaan van (meer) losse standplaatsen onder druk komen te staan.

Voor de kernen Geldermalsen en Beesd geldt een ander regiem. In deze kernen zijn voldoende voorzieningen voor detailhandel aanwezig. Het college wil er voor zorgen dat de aanwezige detailhandel in stand blijft en zo mogelijk wordt versterkt. Om te voorkomen dat het “kwetsbare” voorzieningenniveau van de detailhandel wordt verstoord staat het college buiten de bestaande standplaatslocaties en vergunde standplaatsen geen andere standplaatsen meer toe in deze twee kernen. Een restrictief beleid in Beesd en Geldermalsen is noodzakelijk en gerechtvaardigd.

Van de tot nu toe aangewezen standplaatslocaties en tijden waarop de standplaatsen worden ingenomen is een overzicht gemaakt. Dit overzicht is bijgevoegd en zal in de toekomst worden bijgehouden, zodat steeds sprake is van een actueel overzicht. Uit dit overzicht blijkt dat nu niet in alle kernen standplaatslocaties zijn aangewezen en daar waar die wel zijn aangewezen niet alle dagdelen worden benut. Dit betekent dat er nog ruimte is om te voldoen aan eventuele verzoeken voor een vergunning voor bepaalde standplaatsen en tijden.

Het nieuwe beleid geeft de ambulante handelaren zo veel mogelijk (economische) zekerheid. Daarom is de duur van de standplaatsvergunningen bepaald op 18 jaar. Voor 18 jaar is gekozen omdat op deze wijze de investeringen voor de standplaatshouders economisch rendabel zijn. Vergunningen zijn schaars als de beschikbare vergunningen in aantal zijn beperkt. Het aantal beschikbare standplaatsvergunningen is niet onbeperkt in West Betuwe en daarom zijn standplaatsvergunningen dus schaarse vergunningen.

2. JURIDISCH KADER

De gemeentelijke regelgeving voor het innemen van standplaatsen staat in de Apv. De voor de standplaatsen relevante artikelen uit de Apv worden in paragraaf 2.1 genoemd. In paragraaf 2.2. wordt de overige relevante wet- en regelgeving genoemd.

2.1

Algemene plaatselijke verordening (Apv)

Artikel 1:2 Beslistermijn
  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • e.

    de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen
  • 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden
  • 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Met inachtneming van de in artikel 1:8, eerste lid, van de Apv genoemde weigeringsgronden gelden de volgende criteria ter nadere uitwerking hiervan voor een (nieuwe) standplaatslocatie:

  • -

    een goede doorstroming van het verkeer moet gewaarborgd blijven en er mogen geen verkeersonveilige situaties ontstaan;

  • -

    er mag geen onevenredig groot aantal parkeerplaatsen in beslag worden genomen;

  • -

    de beleving van het openbaar groen mag niet worden aangetast;

  • -

    de brandveiligheid mag niet in het geding komen;

  • -

    de aanleg of het onderhoud van nutsvoorzieningen mag niet worden belemmerd;

  • -

    het verkopen van ongezonde etenswaren binnen een afstand van 100 meter hemelsbreed van een school is niet toegestaan.

Als de standplaatslocatie niet voldoet aan de voornoemde criteria wordt die locatie niet aangewezen als (nieuwe) standplaatslocatie. Als de standplaatslocatie niet aangewezen is, kan daarvoor geen standplaatsvergunning worden verleend.

Artikel 5:17 Definitie
  • 1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24;

    • c.

      een vaste plaats op eigen terrein voor kleinschalige verkoop van zelf geteelde producten.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    • a.

      de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    • b.

      een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  • 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
  • 1. Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

  • 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

2.2 Andere relevante wet- en regelgeving

Naast de Apv en deze beleidsregels is er ook andere wet- en regelgeving van toepassing. Onderstaand worden deze kort besproken.

Algemene wet bestuursrecht

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de wettelijke kaders met betrekking tot het bestuursrecht weer. De Awb is bijvoorbeeld van toepassing voor wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een verleende of geweigerde standplaatsvergunning.

Precarioverordening

De Precarioverordening geeft de grondslag voor het in rekening brengen van de kosten, voor het in gebruik nemen van gemeentegrond. In deze verordening wordt omschreven op welke wijze de bedragen tot stand komen. De Precarioverordening staat los van deze beleidsregels.

Winkeltijdenwet

De Winkeltijdenwet geeft aan wanneer een ondernemer zijn goederen en diensten mag aanbieden. De tijden van de Winkeltijdenwet worden gehanteerd voor de standplaatsen. Dit betekent dat geen standplaats mag worden ingenomen:

  • a.

    op zondag;

  • b.

    op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur;

  • c.

    op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur (artikel 2 Winkeltijdenwet).

Drank- en Horecawet

Op basis van de Drank- en Horecawet is het verboden om vanuit een standplaats alcohol te verstrekken. Indien een aanvraag voor een dergelijke standplaats wordt ontvangen of wanneer bij een controle blijkt dat een vergunninghouder alcohol verstrekt, dan dienen er maatregelen genomen te worden op basis van de Drank- en Horecawet.

Europese Dienstenrichtlijn

De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op het aanbieden van diensten. Met een standplaats kunnen ook diensten aangeboden worden, waardoor er conform de Dienstenrichtlijn een vergunning afgegeven moet worden. Uit de Dienstenrichtlijn volgt dat een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend. De reden daarvan is dat een beperkte geldigheidsduur van vergunningen de uitoefening van dienstenactiviteiten verhindert. Dienstverleners kunnen geen grote investeringen doen of langetermijnstrategieën ontwikkelen.

Wanneer het aantal beschikbare vergunningen echter beperkt is, moeten de vergunningen een beperkte geldigheidsduur hebben. Dit volgt uit een uitspraak van het Europese Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2015:641).

Het Hof concludeerde hier dat vergunningen niet voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend wanneer het aantal beschikbare vergunningen beperkt is (de zogenaamde schaarse vergunningen). Het stellen van een beperkte geldigheidsduur waarborgt ook dat anderen dan de bestaande vergunninghouders de kans krijgen om de onder die vergunning vallende diensten te mogen verrichten.

Ook in de Handreiking schaarse vergunningen van de VNG worden vergunningen voor het innemen van standplaatsen als voorbeeld genoemd van schaarse vergunningen.

Omdat het aantal beschikbare vergunningen voor standplaatsen ook in West Betuwe niet onbeperkt is, betekent dit dat het college daarvoor geen vergunningen voor onbepaalde tijd kan verlenen. Er geldt een termijn van 18 jaar. Deze duur wordt aangehouden omdat op deze wijze de investeringen voor de standplaatshouders economisch rendabel zijn.

Met het inwerking treden van deze beleidsregels worden voorts alle aanvragen en mondelinge verzoeken voor een standplaats geregistreerd die niet gehonoreerd kunnen worden.

Warenwet

Op het drijven van handel in waren, zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot hygiëne en degelijkheid van producten. Niet de gemeente is toezichthouder op de uitvoering van deze wet maar de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit.

Activiteitenbesluit

Als een standplaats een inrichting betreft, wat in de regel het geval is bij bijvoorbeeld een friet- of viskraam, valt deze onder het Activiteitenbesluit.

De standplaatshouders die onder het Activiteitenbesluit vallen, dienen zelf een melding te doen bij de Omgevingsdienst Rivierenland via https://www.omgevingsloket.nl.

Legesverordening

Voor het in behandeling nemen van vergunningaanvragen moeten er leges worden betaald. Dat wordt bepaald in de Legesverordening die jaarlijks door de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe wordt vastgesteld. Deze beleidsregels staan los van de Legesverordening.

3. PROCEDURE VOOR AANVRAGEN EN VERLENEN VERGUNNING

Volgens de Apv is het in principe verboden om een standplaats in te nemen zonder vergunning van het college. In dit hoofdstuk wordt aangegeven waar een aanvraag aan hoort te voldoen, welke stappen tijdens de procedure worden gevolgd en hoe de aanvraag uiteindelijk wordt afgehandeld.

3.1 Aanvraag

De aanvraag moet schriftelijk worden ingediend bij het college van de gemeente West Betuwe.

De aanvraag voor een standplaatsvergunning is compleet zodra de volgende gegevens zijn verstrekt:

  • naam, adres, postcode, woonplaats van de aanvrager;

  • nummer KVK;

  • naam bedrijf/ instelling/ organisatie;

  • naam contactpersoon m/v;

  • telefoonnummer;

  • emailadres;

  • omschrijving van de goederen/ diensten welke worden aangeboden;

  • exacte locatie, met plattegrond;

  • plattegrond van de inrichting van de standplaatslocatie;

  • gewenst dagdeel en/ of periode;

  • gegevens omtrent de afmetingen van de verkoopwagen of verkoopkraam;

  • foto van het verkoopmiddel;

  • handtekening van de aanvrager en datum van de ondertekening;

  • kopie geldig identiteitsbewijs;

  • vermelding of gebruik van stroomvoorziening is gewenst en hoeveel ampère gewenst is;

  • vermelding of gebruik van watervoorziening is gewenst;

  • indien het perceel niet in eigendom is van de gemeente, dient de eigenaar van de betreffende grond schriftelijk toestemming te geven voor het gebruik van particuliere grond met een openbare bestemming (denk aan parkeerplaatsen bij bijvoorbeeld een supermarkt of een bouwmarkt). Bij de schriftelijke verklaring kan om een natte handtekening worden gevraagd.

Bij gerede twijfel over de verstrekte informatie kan de gemeente nadere gegevens opvragen.

3.2 Termijn indiening van een aanvraag

Aanvragen om een standplaatsvergunning kunnen te allen tijde worden ingediend. Wel is het zo dat een vergunning kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is (artikel 1:8, tweede lid van de Apv).

3.3 Buiten behandeling stellen aanvraag

Het is mogelijk om een aanvraag buiten behandeling te laten als bij de aanvraag niet alle gevraagde en benodigde gegevens zijn verstrekt en als door de aanvrager geen/niet tijdig gebruik is gemaakt om binnen een daarvoor door het college gestelde termijn de ontbrekende gegevens alsnog in te dienen.

Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekend gemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld (maar onvoldoende) of de daarvoor door het college gestelde termijn ongebruikt is verstreken (artikel 4:5, vierde lid, van de Awb).

3.4 Advies

Voor het afgeven van een standplaatsvergunning is het mogelijk dat advies van bijvoorbeeld een buitengewoon opsporingsambtenaar en/of een verkeerskundige noodzakelijk is. Dit is voornamelijk van toepassing indien een vergunning voor een nieuwe locatie wordt aangevraagd maar kan bijvoorbeeld ook aan de orde zijn bij een nieuwe, grotere verkoopwagen bijvoorbeeld.

3.5 Beslistermijn (artikel 1:2, eerste lid, van de Apv)

Het college beslist op de aanvraag om een standplaatsvergunning binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

De tijd die gemoeid is met het eventueel aanvullen van de aanvraag komt er bij op. Als bijvoorbeeld op 8 augustus een aanvraag wordt ontvangen en op 10 augustus wordt verzocht om binnen veertien dagen de aanvraag aan te vullen en die aanvulling komt op de veertiende dag, dan heeft het college 10 weken om te beslissen op de aanvraag. De tijd waarop het college wacht op een aanvulling, komt dus bij de beslistermijn van 8 weken.

3.6 Weigeringsgronden (overeenkomstig artikelen 1:8 en 5:18 van de Apv)

De aanvraag voor een standplaatsvergunning kan worden geweigerd indien er gegronde argumenten zijn met betrekking tot:

  • de openbare orde;

  • de openbare veiligheid;

  • de volksgezondheid;

  • de bescherming van het milieu;

  • redelijke eisen van welstand;

  • een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente, noodzakelijk in verband met een dwingende reden van algemeen belang. Hierbij kan gedacht worden aan de verwachte verstoring van het voorzieningenniveau voor de detailhandel en/of de bestaande standplaatshouders in een kern.

3.7 Vergunning verlenen

Een vergunning kan worden verleend indien de aanvraag ontvankelijk is, er geen weigeringsgronden zijn en de beleidsregels in acht zijn genomen. Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende voorschriften.

  • -

    het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen;

  • -

    grootte van de standplaats;

  • -

    tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;

  • -

    eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;

  • -

    opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.

Een standplaatsvergunning is een persoonsgebonden vergunning (artikel 1:5 Apv). Dit betekent dat de standplaats persoonlijk moet worden ingenomen. De vergunninghouder mag zich overigens wel op de standplaats doen bijstaan.

Indien de vergunninghouder niet langer zelf gebruik wenst te maken van de vergunning of hij is overleden of onder curatele is gesteld, kan het college op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoonde, of zijn kind. De vergunning kan alleen gedurende de looptijd van de vergunning worden overgeschreven. De overschrijving heeft geen invloed op de lopende vergunningsduur.

Indien deze weg niet kan worden gevolgd, kan de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op een medewerker van de vergunninghouder die ten minste 3 jaren in dienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder en/of de mede-eigenaar is van diens bedrijf.

In geval van overlijden of ondercuratelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend.

De vergunning wordt dan overgeschreven op de nieuwe vergunninghouder voor de resterende duur van de vergunning die overgeschreven wordt. Als de vergunning bijvoorbeeld na 6 jaar wordt overgeschreven, wordt de vergunning aan de nieuwe vergunninghouder (de personen zoals hierboven vermeld) verleend voor de resterende 12 jaar. Voor vergunningen die voor onbepaalde tijd zijn afgegeven, geldt dat de nieuwe vergunning dan voor 18 jaar wordt verleend.

In andere dan de genoemde situaties wordt de vergunning niet overgeschreven en komt de standplaats vrij. Voor de procedure voor een vrijgekomen standplaats, zie 4.8.

3.8 Intrekken/wijzigen/schorsen van de vergunning

Artikel 1:6 van de Apv geeft aan dat een vergunning kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd indien:

  • ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

  • de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;

  • van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn, dan wel bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • indien de houder dit verzoekt.

Opgemerkt wordt dat - als het college overweegt om een vergunning in te trekken, te wijzigen of op te schorten- het college de belanghebbende voorafgaande hieraan in de gelegenheid moet stellen om zijn/haar zienswijze in te dienen. Dit volgt uit artikel 4:8 van de Awb.

Als na het verstrijken van een termijn van drie maanden, na vergunningverlening, geen standplaats wordt ingenomen, kan het college navraag doen/onderzoek verrichten.

Het college zal dan navragen of in de nabije toekomst gebruik zal worden gemaakt van de standplaatsvergunning. Indien verwacht wordt dat de standplaats niet zal worden ingenomen door de betreffende vergunninghouder dan kan het college de standplaatsvergunning intrekken op grond van artikel 1:6 van de Apv. Het is namelijk niet de bedoeling om slapende vergunningen te creëren en in stand te houden.

3.9 Afwijken van de beleidsregels wegens bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 van de Awb).

Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen.

Het college zal bij elke afwijzing van een gevraagde standplaatsvergunning moeten beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van de beleidsregels rechtvaardigen.

4. STANDPLAATSEN

4.1 Typen standplaatsen

De volgende typen standplaatsen worden onderscheiden:

  • Vaste standplaatsen:

  • Dit zijn standplaatsen die met een bepaalde regelmaat (bijvoorbeeld wekelijks) het hele jaar door worden ingenomen. Voorbeelden hiervan zijn de viskraam of de kaasboer.

  • Incidentele standplaatsen:

  • Dit zijn standplaatsen die slechts een enkele keer gedurende het jaar worden ingenomen of gedurende een korte periode van maximaal 1 maand. Voorbeelden hiervan zijn de verkoop van kerstbomen in de openbare ruimte, promotiestandplaatsen of ideële standplaatsen op het gebied van sociaal-cultureel en/of maatschappelijke activiteiten of volksgezondheid met een niet commercieel karakter

  • Seizoen standplaatsen:

  • Dit zijn standplaatsen van waaruit producten worden aangeboden met een seizoensgebonden karakter voor een periode van minimaal 1 maand en maximaal 6 maanden. Voorbeelden hiervan zijn een oliebollen- of een ijscokraam.

4.2 Duur van de vergunning

Zoals geschreven, bedraagt de duur van een standplaatsvergunning 18 jaar.

4.3 Inrichting standplaats

De inrichting van een standplaats wordt vrij gelaten. Wel dienen de hulpdiensten bij calamiteiten vrije doorgang te hebben. Er wordt vertrouwd op de redelijkheid en billijkheid van de standplaatshouder. Het college wil werken op basis van goed vertrouwen. Wel bepaalt de ruimte van de locatie, indien al aangewezen of bij een nieuwe aanvraag geschikt gevonden, het maximale aantal standplaatsen op de betreffende locaties (bijvoorbeeld bij minimarkten).

Als een standplaats wordt ingenomen door een verkoopwagen (= voertuig), moet het voertuig voldoen aan de afmetingen van voertuigen zoals bepaald in de Regeling voertuigen(artikel 5.3.6 en volgende).

Met betrekking tot de grootte van de standplaats geldt als uitgangspunt, de beschikbare ruimte tot een maximum van 60 m2. Omdat iedere locatie anders is, bepaalt de vergunning uiteindelijk de toegestane afmeting en de exacte situering van de standplaats. De maximale afmeting van 60 m2 is inclusief de ruimte die het winkelend publiek inneemt (staand en zittend) en de uitgestalde koopwaar. De maximumruimte wordt bepaald vanaf de achterkant van de standplaats.

De frontbreedte van de standplaats is (uiteraard) afhankelijk van het verkoopmiddel. De inrichting van de standplaats (de verkoopruimte) wordt verder vrij gelaten.

4.4 Ontheffing rechthebbende op een perceel

Voor zover een openbare, in de open lucht gelegen plaats in particuliere eigendom wordt gebruikt om een standplaats in te nemen (denk bijvoorbeeld aan parkeerplaatsen bij een supermarkt of bouwmarkt), is de genoemde regelgeving, waaronder deze beleidsregels, eveneens van toepassing. Artikel 5:19 van de Apv bepaalt bovendien, dat het de rechthebbende op een perceel, verboden is toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen.

Het is, in het kader van de eerder genoemde weigeringsgronden van belang, dat deze standplaatsen aan dezelfde regels als standplaatsen die op gemeentegrond worden ingenomen, voldoen.

4.5 Evenementen en werkzaamheden

Standplaatsen kunnen niet worden ingenomen wanneer op de betreffende locatie een evenement of werkzaamheden plaatsvinden.

Indien als gevolg van een evenement of werkzaamheden de standplaats niet kan worden ingenomen is het college bevoegd om voor de duur van het evenement of de werkzaamheden een vervangende standplaatslocatie als tijdelijke maatregel toe te wijzen.

4.6 Voertuigen

De standplaatshouder is het verboden, tenzij er toestemming door het college is verleend, om gedurende de tijden waarop een standplaats wordt ingenomen alsmede de door het college bepaalde tijden vóór aanvang van de standplaats een voertuig op terrein aanwezig te hebben, waarmee goederen of waren worden of zijn aangevoerd. Dit betekent dat parkeren bij de standplaats - behoudens toestemming - niet is niet toegestaan. Er moet geparkeerd worden op de dichtstbijzijnde parkeerplaats.

4.7 Vergoeding stroomvoorziening en water

Er geldt een vast bedrag voor zwak- en krachtstroom per dag dat overeenkomstig de tarieven die in de Verordening marktgelden West Betuwe zijn vastgesteld. Voor nu gaat het om de volgende vergoedingen.

Voor het ter beschikking stellen van een elektriciteitskast voor verbruik tot en met 10 KWh, wordt een bedrag van € 2,70 per dag (ongeacht het aantal uren) dat er standplaats wordt ingenomen in rekening gebracht.

Voor het ter beschikking stellen van een elektriciteitskast voor verbruik vanaf 10 KWh, wordt een bedrag van € 5,40 per dag (ongeacht het aantal uren) dat er standplaats wordt ingenomen in rekening gebracht.

4.8 Vrije standplaatsen publiceren op de site van de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel en gemeentelijke website

Met ingang van de inwerkingtreding van deze beleidsregels zal het college standplaatsen waarvan de vergunning vrij valt kenbaar maken op het Prikbord van de Centrale Vereniging voor Ambulante Handel (digitaal instrument voor het plaatsen van advertenties en/of oproepen) en op de gemeentelijke website.

Daarbij wordt een termijn van veertien dagen gegeven om te reageren op de vrij gekomen standplaats om een aanvraag in de dienen die voldoet aan de eisen, zoals genoemd in 3.1 van deze beleidsregels. Na sluiting van het aanvraagtijdvak wordt vervolgens tijdens een openbare raadsvergadering door de burgemeester geloot onder de ingediende aanvragen die voldoen aan de in 3.1 genoemde eisen. De aanvragers worden vervolgens geïnformeerd over de uitslag.

5. SLOTBEPALINGEN

5.1 Intrekking oude regelingen
  • -

    De beleidsregels standplaatsen gemeente Geldermalsen worden ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze beleidsregels;

  • -

    De beleidsregels standplaatsen gemeente Neerijnen 2015 worden ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze beleidsregels;

  • -

    Het Vent en standplaatsenbeleid van de gemeente Lingewaal wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze beleidsregels.

5.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de dag van bekendmaking hiervan in het elektronisch Gemeenteblad en zijn van toepassing op aanvragen om een standplaatsvergunning die worden ingediend na de inwerkingtreding van deze beleidsregels.

5.3 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels standplaatsen gemeente West Betuwe 2020.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe op 19 mei 2020

de secretaris

de burgemeester