Beheersverordening Deprogrammering woningbouw Hellendoorn

Geldend van 06-06-2020 t/m heden

Intitulé

Beheersverordening Deprogrammering woningbouw Hellendoorn

Nijverdal, 12 mei 2020 Nr. 2020-007471

De raad van de gemeente Hellendoorn;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 maart 2020, nr. 2020-009059;

gelet op artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening en artikel 139 Gemeentewet;

b e s l u i t:

vast te stellen de

Beheersverordening Deprogrammering woningbouw Hellendoorn

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

de "Beheersverordening Deprogrammering Woningbouw Hellendoorn" van de gemeente Hellendoorn;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0163.BVHENRDKRWZD met de bijbehorende regels (bijlage 5);

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. In deze regels zijn alle aanduidingen geometrisch weergegeven in een besluitsubvlak.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een besluitsubvlak;

1.5 agrarische bedrijvigheid:

bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en het houden van dieren, waaronder begrepen paardenfokkerij en intensieve kwekerij; uitgezonderd zijn: paardenhouderij en manege;

1.6 agrarisch loonwerkbedrijf:

een bedrijf, dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven en het verrichten van cultuurtechnische werkzaamheden met behulp van werktuigen;

1.7 ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.8 bebouwing:

een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.9 bebouwingspercentage:

de oppervlakte van de bebouwing binnen het bouwvlak of het bestemmingsvlak indien daarin geen bouwvlak voorkomt, uitgedrukt in een percentage van de oppervlakte van dat bouwvlak respectievelijk bestemmingsvlak;

1.10 bedrijfsgebouw:

een niet voor bewoning bestemd gebouw ten dienste van een bedrijf, instelling of voorziening;

1.11 bedrijfsmatige exploitatie:

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie, dat in de recreatieverblijven -recreatiewoningen en kampeermiddelen - daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt; van bedrijfsmatige exploitatie is sprake als het recreatieverblijf voor ten minste 140 dagen per jaar beschikbaar is voor verhuur;

1.12 bedrijfswoning of dienstwoning:

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein;

1.13 beperkt kwetsbaar object:

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid Inrichtingen een richtwaarde voor het risico casu quo een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden;

1.14 beroep aan huis:

een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, dat in een woning en daarbij behorende bijgebouwen en bestaande voormalige bedrijfsgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.15 bestaande afmetingen en vorm:

de hoogte, afstand en vorm van het bouwwerk of het aantal dat op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan bestaat, wordt gebouwd, dan wel nadien krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, kan worden gebouwd;

1.16 bestaand bouwwerk, oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte, plaats, inhoud, afstand, object:

bouwwerk, oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte, plaats, inhoud, afstand, object, zoals dat of die rechtens bestaat of mag bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan;

1.17 bestemmingsgrens:

de grens van een besluitsubvlak;

1.18 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald besluitvlak met eenzelfde bestemming;

1.19 bevi:

een in het Besluit externe veiligheid inrichtingen bedoelde inrichting die in belangrijke mate een verhoging van de veiligheidsrisico's kan veroorzaken vanwege risicobronnen die buiten de perceelsgrens van de betreffende bedrijfslocatie waarop die risicobronnen aanwezig zijn, een plaatsgebonden risico veroorzaakt van meer dan 10-6 per jaar;

1.20 bijgebouw:

een gebouw dat of een overkapping die in bouwkundig opzicht ondergeschikt is, en voor zover aan het hoofdgebouw gebouwd, in de kap zichtbaar en feitelijk gescheiden is van het op hetzelfde perceel gelegen bijbehorende hoofdgebouw;

1.21 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.22 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.23 bouwlaag:

een voor mensen toegankelijk deel van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd, zulks met uitzondering van onderbouwen, kelders en kappen; de eerste bouwlaag is de bouwlaag op de begane grond;

1.24 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.25 bouwvlak:

een geometrisch bepaald besluitsubvlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan;

1.26 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.27 brutovloeroppervlakte:

de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw;

1.28 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.29 extensieve openluchtrecreatie:

vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch of natuurgebied door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen;

1.30 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.31 glastuinbouwbedrijf:

een agrarisch bedrijf, dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen onder glas of daarmee gelijk te stellen materialen;

1.32 grondgebonden agrarische bedrijvigheid:

veehouderij-, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf, dat functioneel geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de ter plaatse bij het bedrijf behorende grond als agrarisch productiemiddel;

1.33 hoofdgebouw:

een gebouw, dat binnen een bouwperceel door constructie of afmetingen als hét of één van de belangrijkste valt aan te merken;

1.34 horeca:

hotel, pension, restaurant, café, cafetaria of daaraan verwante inrichting, waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, een en ander -tenzij uitdrukkelijk anders vermeld- met uitzondering van nachtclubs, discotheken, dancings of soortgelijke inrichtingen; onder horeca is in ieder geval niet begrepen een seksinrichting;

1.35 hydrologische bufferzone:

een als zodanig aangeduide zone waar bepalingen gelden, die specifiek zijn gericht op het tegengaan van de verdroging en op de bescherming van de natte natuurwaarden van de nabijgelegen gebieden met kwelafhankelijke vegetatie;

1.36 intensieve kwekerij:

een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het telen van gewassen of het kweken van dieren, niet zijnde vee, waarbij nagenoeg geen gebruik wordt gemaakt van daglicht, zoals een kwekerij van paddenstoelen, witlof, vis, wormen of maden;

1.37 intensieve veehouderij:

een agrarisch bedrijf of deel daarvan met een brutovloeroppervlakte van ten minste 250 m², dat wordt gebruikt voor veehouderij volgens de Wet milieubeheer; onder veehouderij wordt hier niet verstaan: het houden van melkrundvee, schapen en paarden, het "biologisch" houden van dieren en het houden van dieren uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer;

1.38 kampeerboerderij:

voorzieningen binnen al of niet voormalige agrarische bebouwing, bedoeld voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

1.39 kampeermiddel:

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan;

1.40 kampeerterrein:

een terrein ingericht voor recreatief verblijf in kampeermiddelen en trekkershutten;

1.41 kas:

een gebouw met overwegend transparante, lichtdoorlatende afdekking en wanden, bedoeld voor het kweken en telen van gewassen;

1.42 kwetsbaar object:

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico respectievelijk een risico-afstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht moet worden genomen;

1.43 maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen ter zake van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, recreatie, gezondheidszorg, bejaardenzorg en andere openbare en bijzondere voorzieningen en dienstverlening;

1.44 manege:

bedrijvigheid geheel of overwegend gericht op het houden, stallen, africhten, trainen en berijden van paarden en pony's, het ter zake lesgeven en de exploitatie van daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen een kantine of soortgelijke horecavoorziening;

1.45 niet-agrarische nevenactiviteiten:

  • 1.

    ambachtelijke landbouwproducten verwerkende bedrijven, zoals een wijnmakerij, zuivelmakerij, slachterij, imkerij;

  • 2.

    aan agrarische functies verwante bedrijven, zoals een paardenpension, paardenopleidingscentrum, agrarisch loonwerkbedrijf, fouragehandel, hoefsmederij en hoveniers- en boomverzorgingsbedrijven;

  • 3.

    ambachtelijke bedrijven, zoals een dakdekker, rietdekker, schildersbedrijf, meubelmaker, installatiebedrijf;

  • 4.

    opslag- en stallingsbedrijven;

  • 5.

    zakelijke dienstverlening, zoals een adviesbureau of een computerservicebureau;

  • 6.

    bezoekers- en cursuscentrum;

  • 7.

    atelier, museum, galerie en kunsthandel;

  • 8.

    detailhandel overwegend in ter plaatse voortgebrachte of streekeigen producten;

  • 9.

    horeca, zoals een theetuin, een ijs-/snackverkooppunt, een terras;

  • 10.

    dagrecreatieve voorzieningen, zoals een speeltuin en verhuur van fietsen;

  • 11.

    verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van plattelandskamers, plattelandsappartementen en kampeerboerderij en in de vorm van standplaatsen voor kampeermiddelen, met uitzondering van stacaravans;

  • 12.

    sociale en medische dienstverlening, zoals een kinderdagverblijf, verpleeghuis, zorgboerderij, dierenkliniek, artsenpraktijk, kuuroord;

  • 13.

    andere niet-agrarische bedrijfs- en andere activiteiten, die in ruimtelijk en functioneel opzicht met de hiervoor genoemde gelijk kunnen worden gesteld;

1.46 onderkomen:

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat of die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;

1.47 paardenbak:

een niet overdekt, omheind terrein met een andere ondergrond dan gras, ingericht voor het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;

1.48 paardenfokkerij:

het bedrijfsmatig, op agrarische productie gericht houden en stallen van paarden en pony's, met als hoofdactiviteit het fokken, africhten, trainen en berijden van paarden en pony's;

1.49 paardenhouderij:

het bedrijfsmatig, niet op agrarische productie gericht houden en stallen van paarden en pony's, met als ondergeschikte nevenactiviteit het fokken, africhten, trainen en berijden van paarden en pony's;

1.50 peil:

  • 1.

    voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • 2.

    in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein;

1.51 permanente bewoning:

bewoning van een ruimte als hoofdwoonverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt;

1.52 plaatsgebonden risico:

het in het Besluit externe veiligheid inrichtingen bedoelde risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is;

1.53 plattelandsappartement:

(een deel van) een (voorheen) agrarisch gebruikt gebouw dat blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in een zelfstandige eenheid, met eigen keuken en sanitair, al dan niet in combinatie met een dagverblijf;

1.54 plattelandskamer:

(een deel van) een (voorheen) agrarisch gebruikt gebouw dat blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf in een kamer, al dan niet in combinatie met een dagverblijf, met keuken en sanitair in een gemeenschappelijke ruimte;

1.55 recreatiewoning:

een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief verblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

1.56 relatie:

aanduiding waarmee wordt aangegeven dat de daardoor verbonden delen als een geheel worden aangemerkt;

1.57 rijhal:

een gebouw uitsluitend bestemd voor het africhten van paarden en pony's, ten dienste van en behorende bij een paardenfokkerij of paardenhouderij;

1.58 schuilgelegenheid:

een gebouw dat uitsluitend dient voor de beschutting van dieren tegen weersinvloeden;

1.59 seksinrichting:

een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht; onder een hiervoor bedoelde inrichting wordt in elk geval verstaan een bordeel en parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.60 stacaravan:

een als een gebouw aan te merken kampeermiddel, voorzien van een as-/wielstelsel, bestaande uit één bouwlaag met een totaal oppervlak van maximaal 60 m², met een bouwhoogte van 3,75 m en een breedte van maximaal 4,5 m, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief woonverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief woonverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen; het kampeermiddel of de afzonderlijke delen zijn op het terrein voort te bewegen;

1.61 stapmolen

cirkelvormige, omheinde ruimte, waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen door middel van aansturing via een, al of niet computergestuurde, bedieningskast;

1.62 teeltondersteunende voorziening:

een verplaatsbare constructie, overtrokken met transparant materiaal anders dan glas, voor het kweken of beschermen van gewassen;

1.63 trekkershut:

een gebouw met een oppervlakte van maximaal 30 m² en een bouwhoogte van maximaal 4 m en dat dient als periodiek verblijf voor wisselende groepen van recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.64 tuinbouw:

het bedrijfsmatig telen en kweken van groenten, bomen, heesters, struiken, planten en bloemen of tuinbouwzaden, in de volle grond, al dan niet gecombineerd met, als ondergeschikte nevenactiviteit, de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;

1.65 tuincentrum:

een detailhandelsvestiging met daarbij behorende kwekerij in kwekerijproducten, zoals bomen, kamer- en andere planten, bollen en bloemen, alsmede in artikelen voor tuinaanleg, -inrichting en -onderhoud en dierbenodigdheden voor huisdieren;

1.66 verkoopvloeroppervlakte:

de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw ten behoeve van detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere dienstruimten, garderobes en keukens;

1.67 voorgevel:

de naar de weg gekeerde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

1.68 voorgevelrooilijn:

de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel, tot aan de perceelsgrenzen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels wordt als volgt gemeten en berekend:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Bij het meten van de bouwhoogte worden dakkapellen als ondergeschikte bouwonderdelen aangemerkt, zodat deze niet maatgevend zijn voor de bepaling van het hoogste punt;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

Bij het meten van de goothoogte zijn de volgende constructiedelen uitgezonderd:

  • a.

    de snijlijn, niet zijnde de noklijn, van dakvlakken, zoals in geval van horizontale gedeelten van afgeknotte daken en mansardekappen;

  • b.

    de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van:

    • 1.

      dakkapellen;

    • 2.

      dakvlakken die niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen;

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

Ruimten, zoals kelders, niet zijnde kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer en tussen de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) worden niet meegerekend, tenzij de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 m boven peil is gelegen of de kelder van buiten een directe toegang heeft.

In geval van recreatiewoningen wordt de inhoud van de in de vorige zin bedoelde ruimten, zoals een kelder onder de recreatiewoning, wel meegerekend bij de inhoud van de woning;

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als:

  • a.

    plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 4 m² of kleiner;

  • b.

    overstekende daken;

  • c.

    luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw;

buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m ten opzichte van de bouwgrens of hoofdgebouw bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    agrarische bedrijvigheid, uitgezonderd tuinbouw, met dien verstande dat intensieve veehouderij niet is toegestaan,

  • b.

    instandhouding van de aldaar voorkomende of daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, zoals geomorfologische, bodemkundige, landschapsvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden, waaronder hier in ieder geval zijn begrepen de landschaps- en natuurwaarden die hierna zijn aangegeven, ter plaatse van de daarbij vermelde aanduiding:

landschaps- en natuurwaarden

ter plaatse van de aanduiding

kleinschalig landschap

specifieke vorm van waarde - kleinschalig landschap

  • c.

    instandhouding en ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers met een breedte van maximaal 10 m langs watergangen;

  • d.

    een veldschuur ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur";

  • e.

    ter plekke van de aanduiding "bedrijfswoning" is uitsluitend een bedrijfswoning toegestaan;

  • f.

    voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets- en voetpaden en picknickplaatsen;

  • g.

    watergangen en waterpartijen, en

  • h.

    bij een en ander behorende voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Toegestane bouwwerken binnen bouwvlakken

Binnen elk bouwvlak op de gronden als bedoeld in 3.1 Bestemmingsomschrijving, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a.

    de bij één agrarisch bedrijf behorende bedrijfsgebouwen, niet zijnde rijhallen;

  • b.

    binnen het bouwvlak twee bedrijfswoningen, met daarbij behorende bijgebouwen;

  • c.

    andere bouwwerken, waaronder begrepen mestplaten, mestsilo's en kuilvoeropslag.

3.2.2 Toegestane bouwwerken buiten bouwvlakken

Buiten bouwvlakken mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a.

    andere bouwwerken, niet zijnde bouwwerken voor mestopslag, zoals mestplaten en mestsilo's, en kuilvoeropslag, andere silo's en windmolens, behalve een kuilvoeropslag ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - voeropslag";

  • b.

    een veldschuur ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur".

3.2.3 Bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in 3.2.1 en 3.2.2 gelden de volgende bepalingen:

  • a.

    de afstand tussen gebouwen, niet zijnde bijgebouwen, mag niet meer dan 25 m bedragen;

  • b.

    een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd:

    • 1.

      indien vaststaat dat binnen hetzelfde bouwperceel één of meer andere gebouwen ten behoeve van het betreffende agrarisch bedrijf zijn of worden gebouwd;

    • 2.

      op de bestaande plaats, indien het een bestaande bedrijfswoning betreft;

  • c.

    de inhoud van een bedrijfswoning, althans het hoofdgebouw, mag met toepassing van 2.3 de inhoud van een bouwwerk:, omtrent ruimten onder de begane grondvloer, niet meer bedragen dan 750 m³ of niet meer dan de bestaande inhoud indien die meer dan 750 m³ bedraagt;

  • d.

    bijgebouwen, behorende bij de bedrijfswoning, mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van ten hoogste 15 m tot de bedrijfswoning, of op niet meer dan de bestaande afstand indien die meer dan 15 m bedraagt;

  • e.

    binnen elk bouwvlak mag de gezamenlijke oppervlakte van kassen niet meer dan 1000 m² bedragen, of niet meer dan de bestaande oppervlakte indien die meer dan 1000 m² bedraagt;

  • f.

    de goothoogte van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken mogen niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven of niet meer dan de bestaande goothoogte en bouwhoogte indien die meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

max. goothoogte

max. bouwhoogte

bedrijfsgebouwen en kassen ter plaatse van de aanduiding "maatvoering bh 8m en gh 4m"

4 m

8 m

bedrijfsgebouwen en kassen voor zover niet gelegen binnen het vlak aangeduid "maatvoering bh 8m en gh 4m"

6 m

12 m

bedrijfswoningen en gebouwen ten behoeve van een kampeerboerderij

3,5 m

10 m

bouwwerken voor mestopslag en silo's

-

12 m

erf- of perceelafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn binnen bouwvlakken

-

2 m

overige erf- of perceelafscheidingen

-

1,3 m

overige andere bouwwerken binnen bouwvlakken

-

12 m

overige andere bouwwerken buiten bouwvlakken

-

2 m

  • g.

    de oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte van de veldschuur ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" mag niet meer bedragen dan in de bestaande situatie;

  • h.

    in voorkomend geval 10.3 Afstanden tot wegen en water.

3.3 Afwijken van de bouwregels

3.3.1 Afwijken van de bouwregels schuilgelegenheden buiten bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 3.2.2, ten behoeve van het bouwen van schuilgelegenheden buiten bouwvlakken, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a.

    op elk afzonderlijk perceel van aaneengesloten, bij elkaar behorende gronden met een oppervlakte van ten minste 0,5 ha, in eigendom van of via pacht in gebruik bij de aanvrager van de omgevingsvergunning, mag ten hoogste één schuilgelegenheid worden gebouwd;

  • b.

    de schuilgelegenheid mag uitsluitend worden gebouwd nabij, op maximaal 10 m afstand van bestaand bos met de bestemming "Natuur" of van een bestaand landschapselement met de bestemming "Groen-Landschapselement";

  • c.

    de onderlinge afstand tussen schuilgelegenheden mag niet minder dan 25 m bedragen;

  • d.

    de oppervlakte van een schuilgelegenheid mag niet meer bedragen dan 12 m², de goothoogte niet meer dan 2,5 m en de bouwhoogte niet meer dan 4 m;

  • e.

    een schuilgelegenheid mag uitsluitend worden gebouwd met een kap met hellende dakvlakken en wordt uitgevoerd in donkere, niet glimmende materialen;

  • f.

    de waarden als bedoeld in 3.1, onder b, mogen daardoor niet onevenredig worden aangetast;

  • g.

    in voorkomend geval 10.3 Afstanden tot wegen en water.

3.3.2 Afwijken van de bouwregels afstand tussen gebouwen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 3.2.3, onder a, ten behoeve van het bouwen van gebouwen op een grotere afstand, mits de noodzaak daarvan uit oogpunt van de bedrijfsvoering is aangetoond.

3.3.3 Afwijken van de bouwregels plaats bedrijfswoning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 3.2.3, onder b.2, ten behoeve van het bouwen van de bedrijfswoning elders binnen het bouwvlak, mits de bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven niet onevenredig wordt aangetast.

3.3.4 Afwijken van de bouwregels bouwhoogte erf- of perceelafscheidingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 3.2.3, onder g, ten behoeve van het bouwen van erf- of perceelafscheidingen tot een bouwhoogte van 2 m, tot aan en vóór de voorgevelrooilijn, mits:

  • a.

    daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende beschaduwing, privacy en gebruiksmogelijkheden van die percelen, en

  • b.

    de erf- of perceelafscheidingen overwegend doorzichtig worden gebouwd, en

  • c.

    de waarden als bedoeld in 3.1, onder b, daardoor niet onevenredig worden aangetast.

3.4 Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Vormen van verboden gebruik

Specifieke vormen van verboden gebruik zijn in ieder geval ook het gebruik van gronden als bedoeld in 3.1 voor:

  • a.

    teeltondersteunende voorzieningen buiten bouwvlakken;

  • b.

    opslag van hooirollen en grasrollen en -balen buiten bouwvlakken;

  • c.

    het gebruik van de gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf gericht op het houden van dieren, zodanig dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied ten opzichte van de depositie behorende bij de feitelijke emissie van een bedrijf met de diersoorten, stalsystemen en maximaal aantal dieren zoals opgenomen in bijlage 1 zijnde de verleende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming.

3.4.2 Voorwaardelijke verplichting

  • a.

    Tot een strijdig gebruik van bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van bouwwerken gebouwd na vaststelling van deze beheersverordening binnen de aanduiding "maatvoering bh 8m gh 4m" zonder de aanleg en instandhouding van landschapsmaatregelen ten westen van voormelde aanduiding vast te leggen in een op te stellen inrichtingsplan. Het doel is om te komen tot een goede landschappelijke inpassing. Het inrichtingsplan is onderdeel van de te verlenen omgevingsvergunning. Dit geldt niet voor de bedrijfswoning;

  • b.

    In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken, gebouwd na vaststelling van deze beheersverordening, binnen de aanduiding "maatvoering bh 8m gh 4m" worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na het tijdstip van in gebruik nemen van het betreffende bouwwerk uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van landschapsmaatregelen ten westen van deze aanduiding als opgenomen in het opgestelde inrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1 Afwijken van de gebruiksregels tuinbouw

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 3.1, onder a, ten behoeve van het toestaan van tuinbouw, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a.

    de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te zijn aangetoond;

  • b.

    binnen het bouwvlak mogen kassen worden gebouwd tot een gezamenlijke oppervlakte van 1000 m² en een bouwhoogte van 6 m;

  • c.

    de waarden als bedoeld in 3.1, onder b, mogen daardoor niet onevenredig worden aangetast.

3.5.2 Afwijken van de gebruiksregels hoogte teeltondersteunende voorzieningen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 3.4.1, onder a, ten behoeve van het buiten bouwvlakken gebruiken van gronden als bedoeld in 3.1 voor teeltondersteunende voorzieningen, mits:

  • a.

    de noodzaak daarvan voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond,

  • b.

    het gebruik ten hoogste 20% van het open grondareaal bij het desbetreffende agrarisch bedrijf betreft;

  • c.

    het gebruik plaatsvindt in de periode van 1 september tot en met 30 april;

  • d.

    de hoogte van teeltondersteunende voorzieningen, gemeten vanaf peil tot het hoogste punt van de voorziening, niet meer dan 1,2 m bedraagt;

  • e.

    de waarden als bedoeld in 3.1, onder b, daardoor niet onevenredig worden aangetast.

3.6 Toepasselijkheid omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Artikel 13 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of werkzaamheden is van toepassing op het uitvoeren van in dat artikel aangegeven werken en werkzaamheden, op en in de daarbij aangegeven gronden, met de daarbij aangegeven voorwaarden en uitzonderingen.

Artikel 4 Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    de bedrijven die hierna als nadere bestemming zijn aangegeven bij de adressen die in of bij het betreffende bestemmingsvlak zijn aangegeven:

adres

nadere bestemming

max. oppervlakte gebouwen 1)

max. goothoogte gebouwen 2)

max. bouwhoogte gebouwen 2)

 
 
 
 
 

Veenweg 9

koikarper- en papegaaiencentrum

1875 m²

4 m

8 m

  • 1.

    exclusief bedrijfswoningen (zie 4.2.2, onder c);

  • 2.

    geldt niet voor niet-inpandige bedrijfswoningen (zie 4.2.2, onder d) met dien verstande dat de papegaaienkwekerij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - papegaaien kwekerij" is toegestaan;

  • b.

    bedrijven die hierna zijn vermeld:

    • 1.

      ambachtelijke landbouwproducten verwerkende bedrijven, zoals een wijnmakerij, zuivelmakerij, slachterij, imkerij,

    • 2.

      aan agrarische functies verwante bedrijven, zoals een paardenpension,

    • 3.

      paardenopleidingscentrum, agrarisch loonwerkbedrijf, fouragehandel, hoefsmederij en hoveniers- en boomverzorgingsbedrijven,

    • 4.

      ambachtelijke bedrijven, zoals een dakdekker, rietdekker, schildersbedrijf, meubelmaker, installatiebedrijf,

    • 5.

      opslag- en stallingsbedrijven,

    • 6.

      zakelijke dienstverlening, zoals een adviesbureau of een computerservicebureau, en

    • 7.

      andere bedrijven die in ruimtelijk en functioneel opzicht met de hiervoor genoemde gelijk kunnen worden gesteld en die in de van deze regels deel uitmakende bijlage 2 zijn vermeld als categorie 1 of 2, dan wel naar hun gevolgen voor de omgeving daarmee gelijk kunnen worden gesteld,

  • c.

    bij een en ander behorende voorzieningen, waaronder begrepen afschermende en andere groenvoorzieningen, parkeerplaatsen en nutsvoorzieningen,

een en ander met uitzondering van:

  • a.

    detailhandelsbedrijven, tenzij het betreft:

    • 1.

      detailhandel die als zodanig ingevolge het hiervoor bepaalde onder a en b is toegestaan;

    • 2.

      detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in een bedrijf, met een maximale verkoopvloeroppervlakte van 100 m²;

  • b.

    bevi's;

  • c.

    bedrijven, die zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, krachtens artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;

  • d.

    seksinrichtingen.

4.2 Bouwregels

4.2.1 Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in 4.1 mogen, met inachtneming van het bepaalde in de tabel in dat lid, uitsluitend worden gebouwd:

  • a.

    bedrijfsgebouwen en overkappingen,

  • b.

    binnen elk bestemmingsvlak één bedrijfswoning,

  • c.

    andere bouwwerken,

4.2.2 Bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in 4.2.1 gelden de volgende bepalingen:

  • a.

    de gezamenlijke oppervlakte, de goothoogte en de bouwhoogte van gebouwen mogen binnen elk bestemmingsvlak niet meer bedragen dan voor dat vlak in de tabel in 4.1 is aangegeven;

  • b.

    een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd, indien vaststaat dat binnen hetzelfde bestemmingsvlak ten minste één ander gebouw ten behoeve van de betreffende instelling of voorziening is of wordt gebouwd;

  • c.

    de inhoud van een bedrijfswoning, althans het hoofdgebouw, mag met toepassing van 2.3 de inhoud van een bouwwerk:, omtrent ruimten onder de begane grondvloer, niet meer bedragen dan 750 m³ of niet meer dan de bestaande inhoud, indien die meer dan 750 m³ bedraagt;

  • d.

    de goothoogte van niet-inpandige bedrijfswoningen mag niet meer dan 3,5 m bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 10 m of niet meer dan de bestaande goothoogte en bouwhoogte, indien die meer dan 3,5 m en 10 m bedragen;

  • e.

    bijgebouwen, behorende bij de bedrijfswoning, mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van ten hoogste 15 m tot de bedrijfswoning, of op niet meer dan de bestaande afstand indien die meer dan 15 m bedraagt;

  • f.

    de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven of niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien die meer bedraagt dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

max. bouwhoogte

erf- en perceelafscheidingen

2 m

palen, masten, technische installaties en overige, andere bouwwerken

12 m

4.3 Afwijken van de bouwregels

4.3.1 Afwijken van de bouwregels bouwhoogte erf- of perceelafscheidingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 4.1, onder f, ten behoeve van het bouwen van erf- of perceelafscheidingen tot een bouwhoogte van 3 m, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a.

    per geval dient redelijkerwijs de noodzaak voor een doelmatige bedrijfsvoering te zijn aangetoond;

  • b.

    per geval dient voorzien te worden in een redelijke landschappelijke inpassing.

4.4 Specifieke gebruiksregel

De papegaaienkwekerij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - papegaaien kwekerij".

Artikel 5 Groen-Landschapselement

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Groen - Landschapselement" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    groenvoorzieningen en instandhouding van ter plaatse voorkomende waardevolle beplanting,

  • b.

    instandhouding van de aldaar voorkomende of daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, zoals geomorfologische, bodemkundige, landschapsvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden,

  • c.

    instandhouding van aldaar voorkomende watergangen, sloten en andere waterpartijen,

  • d.

    extensieve openluchtrecreatie.

5.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in 5.1 mogen uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2 m mag bedragen.

5.3 Toepasselijkheid omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Artikel 13 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde of werkzaamheden is van toepassing op het uitvoeren van in dat artikel aangegeven werken en werkzaamheden, op en in de daarbij aangegeven gronden, met de daarbij aangegeven voorwaarden en uitzonderingen.

Artikel 6 Natuur

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    bosbouw;

  • b.

    instandhouding en ontwikkeling van bos ten behoeve van aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, zoals geomorfologische, bodemkundige, landschapsvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden;

  • c.

    instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden met heide en met natte en droge natuur;

  • d.

    instandhouding en ontwikkeling van aldaar voorkomende watergangen, sloten, meanders en andere waterpartijen;

  • e.

    extensieve openluchtrecreatie;

  • f.

    behoud van de aanwezige zandwegen;

  • g.

    agrarisch medegebruik in de vorm van begrazing, en

  • h.

    bij een en ander behorende parkeer- en andere voorzieningen.

6.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in 6.1 mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a.

    andere bouwwerken, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2 m mag bedragen.

6.3 Toepasselijkheid omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Artikel 13 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of werkzaamheden is van toepassing op het uitvoeren van in dat artikel aangegeven werken en werkzaamheden, op en in de daarbij aangegeven gronden, met de daarbij aangegeven voorwaarden en uitzonderingen.

Artikel 7 Verkeer - verblijf

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'verkeer - verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    wegen;

  • b.

    fiets-/voetpad;

  • c.

    verblijfsgebied;

  • d.

    parkeervoorzieningen;

  • e.

    groenvoorzieningen;

  • f.

    speelvoorzieningen;

  • g.

    water;

  • h.

    openbare nutsvoorzieningen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "nv".

Het aantal rijstroken van de wegen mag ten hoogste twee bedragen.

7.2 Bouwregels

  • a.

    Op deze gronden mogen geen gebouwen en/of overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van nutsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "nv" voor zover deze geen grotere oppervlakte hebben dan 25 m2 en geen grotere goothoogte dan 3 m1 en een bouwhoogte van maximaal 5 m1 hebben dan wel de bestaande maatvoering, indien die afwijkt;

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde, geldt dat de bouwhoogte ten hoogste 10 m1 mag bedragen;

  • c.

    Parkeerdekken zijn niet toegestaan.

Artikel 8 Wonen-1

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    wonen;

  • b.

    aan huis verbonden beroepen;

  • c.

    ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - niet agrarische nevenactiviteiten" zijn deze niet-agrarische nevenactiviteiten toegestaan:

    • 1.

      ambachtelijke bedrijven, zoals een dakdekker, rietdekker, schildersbedrijf, meubelmaker, installatiebedrijf;

    • 2.

      opslag- en installatiebedrijven;

    • 3.

      bezoekers- en cursuscentrum;

    • 4.

      verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van plattelandskamers, plattelandsappartementen en kampeerboerderij;

    • 5.

      andere niet-agrarische bedrijfs- en andere activiteiten, die in ruimtelijk en functioneel opzicht met de hiervoor genoemde gelijk kunnen worden gesteld;

  • d.

    water.

8.2 Bouwregels

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

    • 1.

      het aantal woningen bedraagt ten hoogste het bestaande aantal, dan wel het aantal dat in het bouwvlak ter plaatse is aangeduid;

    • 2.

      de woningen worden vrijstaand of tot ten hoogste het bestaande aantal aaneen gebouwd danwel tot het aantal dat is aangeduid in het bouwvlak;

    • 3.

      de hoofdgebouwen worden uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd;

    • 4.

      de afstand tussen de voor- en achtergevel van hoofdgebouwen bedraagt maximaal:

      • a.

        voor vrijstaande woningen met een perceelbreedte van ten minste 20 m1: 15 m1;

      • b.

        voor vrijstaande woningen met een perceelbreedte van minder dan 20 m1 en voor twee aaneen gebouwde woningen: 12 m1;

      • c.

        voor meer dan twee aaneen gebouwde woningen: 10 m1, voor zover de afstand van de achtergevel van een hoofdgebouw tot de achterperceelgrens minimaal 8 m1 bedraagt. Indien deze afstand minder dan 8 m1 is, dan bedraagt de afstand tussen de voor- en achtergevel altijd maximaal 10 m1, dan wel de bestaande afstand tussen de voor- en achtergevel;

    • 5.

      de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd;

    • 6.

      de afstand van de zijgevels van hoofdgebouwen, niet zijnde zijgevels van de aaneen gebouwde zijden van woningen, tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 3 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is;

    • 7.

      de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak op een afstand van ten minste 3 m1 achter de voorgevel van het hoofdgebouw danwel de bestaande afstand indien die minder is, dan wel achter het verlengde daarvan gebouwd; deze regel geldt niet voor een tweede of volgende naar de weg gekeerde gevel die niet als de belangrijkste voorgevel is aan te merken;

    • 8.

      voor hoofdgebouwen bedraagt de maximum goothoogte 3,50 m1, de maximum bouwhoogte 9 m1 en de minimum en maximum dakhelling respectievelijk 35° en 60°, tenzij de bestaande maatvoering afwijkt, dan mag deze bestaande maatvoering worden aangehouden. Indien een afwijkende maatvoeringsaanduiding op de verbeelding is weergegeven, dient de betreffende maatvoeringsaanduiding te worden aangehouden;

    • 9.

      de goot- en bouwhoogten van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m1 en 6 m1, met dien verstande dat de bouwhoogte op de perceelsgrens niet meer mag bedragen dan 3 m1 en deze mag worden verhoogd in een rechte lijn naar ten hoogste 6 m1 op een afstand van minimaal 3 m1 uit de perceelsgrens; de dakhelling van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan 60°;

    • 10.

      de gezamenlijke oppervlakte aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een woning bedraagt maximaal 75 m2, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, met dien verstande dat:

      • a.

        de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, die liggen binnen het bouwvlak en de in dit lid onder 4 genoemde afstand tussen voor- en achtergevel en tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw, niet worden meegerekend bij deze oppervlakte;

      • b.

        de gezamenlijke bebouwde oppervlakte met gebouwen en overkappingen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedraagt;

    • 11.

      in afwijking van 8.2 sub a 10 geldt voor Schanshekweg 6 een maximale opppervlakte van 255 m²;

    • 12.

      voor zover de niet-agrarische nevenactiviteiten als bedoeld in 8.1, sub c onder 4, verblijfsrecreatieve voorzieningen betreffen, geldt bovendien dat de brutovloeroppervlakte van een plattelandskamer of plattelandsappartement niet meer dan 50 m² mag bedragen.

  • b.

    Voor het bouwen van andere bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde, gelden de volgende regels:

    • 1.

      de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m1;

    • 2.

      de bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding bedraagt niet meer dan:

      • a.

        1 m1 of

      • b.

        2 m1 en

        • 1.

          op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat;

        • 2.

          achter de voorgevelrooilijn, en

        • 3.

          op meer dan 1 m1 van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

    • 3.

      de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m1.

Zowel voor lid a als voor lid b, als hiervoor genoemd, geldt dat de aangeduide maatvoering niet van toepassing is op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, mansardekappen, dakkapellen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, voorzieningen voor technische installaties, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels en uitbouwen met een oppervlakte van 4 m2 of kleiner en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m1 ten opzichte van de bouwgrens bedraagt.

8.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

- het bebouwingsbeeld;

- de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan:

  • a.

    de plaats van de hoofdgebouwen ten opzichte van andere woningen waarbij met name wordt bedoeld het bouwen in de voorgevelrooilijn;

  • b.

    de plaats en de hoogte van de gebouwen en overkappingen indien binnen 3 m1 van de erfgrens wordt gebouwd;

  • c.

    de minimum goothoogte van de hoofdgebouwen indien de goothoogte meer dan 1 m1 verschilt ten opzichte van bestaande hoofdgebouwen op naastgelegen bouwpercelen;

  • d.

    de plaats van aan- of uitbouwen en van bijgebouwen ten opzichte van het hoofdgebouw, indien het bouwplan ertoe leidt dat aan beide kanten van het hoofdgebouw bijgebouwen worden gerealiseerd;

  • e.

    de plaats van andere bouwwerken.

8.4 Afwijking van de bouwregels

8.4.1 Afwijking bouwen uitbouw voor de naar de weg gekeerde bouwgrens

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 3, 5, 6 en 10 ten behoeve van een uitbouw voor de naar de weg gekeerde bouwgrens.

Daarbij mag de voorgevelrooilijn met maximaal 1,50 m1 worden overschreden, mits:

  • a.

    de gevelbreedte van de uitbouw niet meer bedraagt dan 60% van de gevelbreedte van het hoofdgebouw, én

  • b.

    de goothoogte van de uitbouw niet meer bedraagt dan 3 m1, én

  • c.

    er een onbebouwde tuin tussen de uitbouw en de zijdelingse perceelsgrens resteeert van ten minste 2 m1.

Deze omgevingsvergunning mag alleen verleend worden indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a.

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • b.

    het straat- en bebouwingsbeeld.

8.4.2 Afwijking bouwen van ten hoogste een tuinhuisje of prieeltje

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 5 en 7 ten behoeve van de plaatsing van ten hoogste één tuinhuisje of prieeltje met een oppervlakte van ten hoogste 10 m1 en een bouwhoogte van ten hoogste 3 m1, mits deze wordt geplaatst op ten minste 1 m1 uit de perceelgrens en achter de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld.

8.4.3 Afwijking bouwen aan- of uitbouw aan de zijgevel van een hoofdgebouw

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 3, 5 en 7 ten behoeve van een aan- of uitbouw met een breedte van ten hoogste 2,50 m1 aan de zijgevel van een hoofdgebouw die is gericht naar het openbaar gebied, mits deze wordt gebouwd op een afstand van ten minste 3 m1 achter het verlengde van de voorgevel en er een ruimte van minimaal 3 m1 tussen de erfgrens en deze bebouwing overblijft, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld.

8.4.4 Afwijking bouwen overkapping 1m achter voorgevel

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 5 en 7 ten behoeve van een overkapping voor de in lid 8.2, sub a, onder 7 genoemde 3 m1, mits deze overkapping wordt gerealiseerd vanaf minimaal 1 m1 achter de voorgevel van het hoofdgebouw, dan wel achter het verlengde daarvan en deze overkapping een bouwhoogte heeft van maximaal 3 m1, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld.

8.4.5 Afwijking bouwen onder overschrijding maximum bebouwingspercentage

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 10 b, ten behoeve van een overschrijding van het in lid 8.2, sub a, onder 11.b genoemde maximum bebouwingspercentage van 50% tot een maximum van 70%. Deze afwijking wordt uitsluitend toegestaan bij een levensloopbestendige woning. Onder een levensloopbestendige woning wordt in dit verband een woning verstaan waarbij op de begane grond ten minste een bad- en een slaapkamer aanwezig dient te zijn en waarbij op het achtererf van de woning, na het toepassen van deze afwijking, een onbebouwde ruimte van ten minste 20 m2 aanwezig dient te blijven als kwalitatieve ruimte, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld.

8.4.6 Afwijking bouwen met hogere goot- en bouwhoogte

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 8 en toestaan dat de goot- en bouwhoogte worden vergroot ten behoeve van een gedeeltelijke kapverhoging over de volledige breedte van de kap van het hoofdgebouw voorzover deze wordt gebouwd op het dakvlak dat afloopt naar de achtergevel van het hoofdgebouw en 1 m1 uit de achtergevel van de woning wordt gebouwd, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld.

8.4.7 Afwijking bouwen aaneengebouwd op de perceelsgrens zonder wijkende kap

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 9 en toestaan dat de aan- of uitbouwen of bijgebouwen, voor zover deze op de perceelsgrens aaneengebouwd zijn, geen wijkende kap behoeven te krijgen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld

8.4.8 Afwijking bouwen ten behoeve van kleinschalige bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, sub a, onder 10 uitsluitend voor het vergroten van het oppervlak tot maximaal 150 m² voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 5.6.1 mits de gezamenlijke oppervlakte met gebouwen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedraagt, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld.

8.4.9 Afwijking bouwen erf- of perceelafscheiding

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 onder b ten behoeve van het bouwen van een erf- of perceelafscheiding overeenkomstig bijlage 3 Schuttingenbeleid gemeente Hellendoorn 2015.

8.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van het bepaalde in lid 8.1, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • a.

    het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning of zomerhuis;

  • b.

    permanente bewoning van plattelandskamers, plattelandsappartementen en kampeerboerderij.

8.6 Afwijking van de specifieke gebruiksregels

8.6.1 Afwijking gebruik kleinschalige bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.1 voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten ten behoeve van een aan een woning gebonden kleinschalig bedrijf met dien verstande dat:

  • -

    onder kleinschalige bedrijfsactiviteiten slechts worden begrepen activiteiten in de dienstverlenende of ambachtelijke sfeer, waarvoor geen grote opslag- of stallingsruimte nodig is en die zijn genoemd in categorie 1 van bijlage 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, dan wel die daarmee vergelijkbaar zijn;

  • -

    de afwijking alleen wordt verleend, mits dit geen nadelige invloed heeft op het woonklimaat (milieuhygiëne, parkeren);

  • -

    en de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd.

8.6.2 Afwijking gebruik toepassing parkeernormen

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.1 onder d ten behoeve van normen voor het parkeren en/of laden en lossen op eigen terrein overeenkomstig de flexibiliteit en uitzonderingen uit de "Nota parkeernormen", vastgesteld op 11 december 2012 door de raad van de gemeente Hellendoorn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Bestaande afmetingen en afstanden

In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand tot enige grens van bouwwerken, die rechtens, in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

10.2 Bestaand bebouwingspercentage

In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

10.3 Afstanden tot wegen en water

10.3.1 Afstand tot wegen

Onverminderd het overigens in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mogen op en in gronden die grenzen aan de gronden als bedoeld in Artikel 7, binnen een afstand 20 m loodrecht gemeten uit de as van de weg, uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd.

10.3.2 Afwijken van de bouwregels afstand tot wegen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van de desbetreffende wegbeheerder omtrent de aanvaardbaarheid daarvan uit oogpunt van wegbeheer en verkeersveiligheid, met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 10.3.1, ten behoeve van het bouwen op een kleinere afstand tot de as van de weg.

10.3.2 Afwijken van de bouwregels afstand tot wegen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van de desbetreffende wegbeheerder omtrent de aanvaardbaarheid daarvan uit oogpunt van wegbeheer en verkeersveiligheid, met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 10.3.1, ten behoeve van het bouwen op een kleinere afstand tot de as van de weg.

10.3.3 Afwijken van de bouwregels afstand tot water

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van de beheerder van de betreffende watergang omtrent de waterstaatkundige aanvaardbaarheid daarvan, met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in sublid 10.3.3, ten behoeve van het bouwen tot aan de bestemmingsgrens van die gronden.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Vormen van verboden gebruik

Een verboden gebruik is in ieder geval:

  • a.

    het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting, behoudens in het geval dat gebruik uitdrukkelijk is toegestaan;

  • b.

    het gebruik van onbebouwde gronden:

    • 1.

      als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

    • 2.

      als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

    • 3.

      het gebruik van als paardenbak;

  • c.

    het openstellen van (struin)paden in weidevogel- en ganzengebieden in het broedseizoen (15 maart tot 15 juli).

11.2 Uitoefening "vrij" beroep in en bij een woning

Het gebruik van een woning, waaronder begrepen een bedrijfswoning, en daarbij behorende bijgebouwen voor de uitoefening van een "vrij" beroep is toegestaan, mits de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van het "vrij" beroep, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 11.3, niet meer bedraagt dan 30% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende bijgebouwen, en ieder geval niet meer dan 60 m².

11.3 Afwijken van de bouwregels beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 11.2, ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, andere dan een "vrij" beroep, in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, mits:

  • a.

    het betreft beroeps- en bedrijfsactiviteiten, die in de van deze regels deel uitmakende bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 1 en 2, of daarmee gelijk kunnen worden gesteld wat betreft hun gevolgen voor de omgeving;

  • b.

    het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende beroeps- of bedrijfsactiviteit;

  • c.

    de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten binnen een woning en de daarbij behorende bijgebouwen, in voorkomend geval samen met de brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een "vrij" beroep als bedoeld in 11.2, niet meer bedraagt dan 30% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende bijgebouwen, en ieder geval niet meer dan 60 m²;

  • d.

    op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;

  • e.

    in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:

    • 1.

      het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten op eigen terrein dient plaats te vinden, en

    • 2.

      behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden, en

  • f.

    de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het landelijk karakter van de omgeving niet onevenredig aantasten.

11.4 Afwijken van de bouwregels paardenbak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 11.1, onder b.3, ten behoeve van het gebruiken van gronden als bedoeld in Artikel 3 en Artikel 8, als paardenbak en het aldaar bouwen van andere bouwwerken ten dienste daarvan, met inachtneming van de volgende bepalingen

  • a.

    bij eenzelfde agrarisch bedrijf respectievelijk woning is ten hoogste één paardenbak toegestaan;

  • b.

    de paardenbak dient binnen het bouwvlak respectievelijk in de onmiddellijke nabijheid van de betreffende woning te worden gesitueerd;

  • c.

    de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer dan 1,5 m bedragen;

  • d.

    de ter plaatse dan wel in de directe nabijheid voorkomende landschaps- en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden aangetast;

  • e.

    ter bewerkstelliging van een redelijke visuele inpassing van een en ander in het landschap kunnen eisen worden gesteld betreffende situering en afscherming door beplanting of anderszins.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

12.1 Afwijking bouwregels extra zelfstandige woonruimte in woningen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in deze regels omtrent het toegestane aantal en de toegestane inhoud van woningen, ten behoeve van het bouwen van ten hoogste één zelfstandige woonruimte in een bedrijfs-, dienst- of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a.

    de omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend, indien daarvoor dringende sociale, verzorgings- of sociaal-economische redenen worden gegeven;

  • b.

    de gezamenlijke inhoud van de betreffende woning, althans het hoofdgebouw en de daarin opgenomen zelfstandige woonruimte, mag niet meer dan 1.000 m³ bedragen;

  • c.

    de goothoogte en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende woning.

12.2 Afwijken van de bouwregels gebruik bijgebouwen als zelfstandige woonruimte

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in deze regels omtrent bijgebouwen, ten behoeve van het bouwen van ten hoogste één zelfstandige woonruimte in een bijgebouw, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a.

    de omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend, indien daarvoor dringende sociale, verzorgings- of sociaal-economische redenen worden gegeven;

  • b.

    de brutovloeroppervlakte van de betreffende woonruimte mag niet meer dan 100 m² bedragen;

  • c.

    de afstand tussen het betreffende bijgebouw en de woning waarbij het bijgebouw hoort, mag niet meer dan 25 m bedragen;

  • d.

    de goothoogte en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van het betreffende bijgebouw;

  • e.

    de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, zodra vaststaat dat de onder a bedoelde redenen er niet meer zijn, met dien verstande dat na intrekking de verbouwing tot en de inrichting als zelfstandige woonruimte onverwijld ongedaan wordt gemaakt.

12.3 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het plan:

  • a.

    ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor nutsvoorzieningen, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, fietsenstallingen, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m², de goothoogte niet meer dan 3 m en de bouwhoogte niet meer dan 5 m mag bedragen;

  • b.

    ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m² en de bouwhoogte niet meer dan 12 m mag bedragen;

  • c.

    indien en voor zover afwijkingen ten aanzien van de ligging van bestemmings-, bouw- en aanduidingsgrenzen noodzakelijk zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;

  • d.

    voor afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages;

  • e.

    ten behoeve van het bouwen van antennemasten tot een bouwhoogte van maximaal 40 m.

Een omgevingsvergunning wordt niet verleend indien:

  • 1.

    daardoor op enig aangrenzend terrein de realisering van het bestemmingsplan wordt belemmerd;

  • 2.

    daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende erven.

Artikel 13 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

13.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Behoudens het bepaalde in lid 13.2, is het verboden zonder een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning werken en werkzaamheden) op en in de hierna aangegeven gronden de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

 

werken en werkzaamheden*

 

gronden ter plaatse van de aanduiding:

a

b

c

d

e

f

g

 
 

Groen - Landschapselement

+

+

+

+

+

 
 
 
 

Natuur

+

+

+

+

+

 
 
 
 

Specifieke vorm van waarde - kleinschalig landschap

+

+

 
 

+

 
 
 

* de onderstaande letters worden hierna verklaard; in de tabel is: + = omgevingsvergunning werken en werkzaamheden vereist

a

aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen

b

verlagen van de bodem en afgraven van gronden, tenzij daarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet, en het ophogen en egaliseren van de gronden

c

aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur

d

diepploegen, zijnde het extra diep - meer dan circa 0,4 m - omploegen

e

bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters

13.2 Uitzondering omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Het in 13.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  • a.

    werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;

  • b.

    werken en werkzaamheden, waarmee krachtens een aanlegvergunning of een omgevingsvergunning is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan;

  • c.

    werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden;

  • d.

    werken en werkzaamheden op en in gronden die binnen agrarische bouwvlakken zijn begrepen;

  • e.

    werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, bij a, voor zover het betreft kavelpaden en in- of uitritten met per geval een oppervlakte van maximaal 60 m²;

  • f.

    werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, bij b, voor zover het betreft het aanleggen van poelen tot een inhoud van maximaal 500 m³;

  • g.

    werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, bij d, voor zover daarvoor een omngevingsvergunning voor het bouwen is vereist;

  • h.

    werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van of via een verleende subsidie op basis van het Natuurgebiedsplan Overijssel;

  • i.

    werken en werkzaamheden gericht op de landschapplijke inpassing aan de westzijde van het agrarisch bouwvlak.

13.3 Toelaatbaarheid werken en werkzaamheden

Werken en werkzaamheden als bedoeld in 13.1, zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen,

  • -

    niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel

  • -

    de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

13.4 In te winnen adviezen

Alvorens een omgevingsvergunning werken en werkzaamheden te verlenen als bedoeld in 13.1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige, ingeval ze advies nodig achten.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

14.1.1 Bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a.

    gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

  • b.

    na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

14.1.2 Afwijken van de bouwregels vergroting bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het gestelde in 14.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sublid 14.1.1 met maximaal 10%.

14.1.3 Uitsluiting bouwwerken

Sublid 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd zijn met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik

14.2.1 Gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.2.2 Verandering gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 14.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

14.2.3 Verbod hervatting strijdig gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 14.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

14.2.4 Uitsluiting gebruik

Sublid 14.2.1, is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Beheersverordening Deprogrammering woningbouw Hellendoorn.

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Om te komen tot een goede ruimtelijke ordening en een goede balans op de woningmarkt, is de gemeente Hellendoorn, vanuit de Ladder voor duurzame verstedelijking en de Omgevingsverordening Overijssel, verplicht om de overcapaciteit in bestemmingsplannen terug te brengen naar maximaal 100% van de woningbehoefte voor de komende jaren.

De gemeente Hellendoorn heeft daarom besloten tot het deprogrammeren van twee nog niet ontwikkelde woningbouwlocaties. Dit betreft de locaties Hellendoorn Noord en Kruidenwijk Zuid. Hiermee wordt de harde plancapaciteit terug gebracht met 483 woningen. Het besluit tot deprogrammeren moet worden gevolgd door concrete planologische maatregelen, waarbij dit besluit wordt geïmplementeerd.

Bij de invoering van de Wet ruimtelijke ordening is de beheersverordening toegevoegd aan het ruimtelijke instrumentarium van gemeenten. Hiermee is de mogelijkheid gecreëerd om voor zogenaamde 'laag dynamische' gebieden op een snelle en eenvoudige wijze een nieuw planologisch regiem vast te stellen.

Voor Hellendoorn Noord en Kruidenwijk Zuid is ervoor gekozen om voor het gehele gebied een beheersverordening op te stellen. Met deze beheersverordening wordt geregeld dat het bestaande gebruik op de betreffende percelen kan worden gecontinueerd. De juridisch-planologisch regelingen uit de geldende bestemmingsplannen met uit te werken woonbestemmingen vervallen hiermee.

1.2Beheersgebied en geldende plannen

Op onderstaande afbeelding is de globale begrenzing van het beheersgebied weergegeven:

Figuur 1.1 Globale begrenzing beheersgebied Hellendoorn Noord

Figuur 1.2 Globale begrenzing beheersgebied Kruidenwijk Zuid

Voor het beheersgebied gelden de volgende bestemmingsplannen:

  • 1.

    Hellendoorn Noord (vastgesteld 28 september 2006);

  • 2.

    Kruidenwijk-Zuid (onherroepelijk 25 juli 2007).

1.3 Leeswijzer

Het volgende hoofdstuk, de planbeschrijving, gaat in op de huidige situatie binnen het beheersgebied en de juridische regeling voor de toekomst. Hoofdstuk 3 geeft het beleidskader voor het beheersgebied weer.

Daarbij wordt alleen beknopt ingegaan op beleidsdocumenten die van invloed zijn op de juridische regeling van deze beheersverordening. Hoofdstuk 4 gaat kort in op de relevante omgevingsaspecten. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

In het beheersgebied Hellendoorn Noord zijn alle gronden agrarisch in gebruik. In Kruidenwijk Zuid gaat het voor een groot deel om agrarische gronden, met een agrarisch bedrijf. Hier zijn daarnaast ook woningen, een koikarperbedrijf, bospercelen, groenstructuren, wegen en water aanwezig.

2.2 Juridische vormgeving

Zoals in de inleiding is aangegeven, is ervoor gekozen om voor Hellendoorn Noord en Kruidenwijk Zuid een beheersverordening op te stellen. Het gaat hier namelijk om een 'laag dynamisch'-gebied waar zich de komende jaren geen ruimtelijke ontwikkelingen in de zin van de Wro voordoen.

In hoofdstuk 3A van de Wet ruimtelijke ordening en hoofdstuk 5 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn de wettelijke vereisten ten aanzien van het instrument Beheersverordening opgenomen. Bij een beheersverordening moet het bestaande gebruik worden geregeld. In de Handreiking Beheersverordening van de Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) is onder meer aangegeven dat het begrip 'bestaand' op twee manieren kan worden gedefinieerd. Gebruik in 'enge zin' is het gebruik dat feitelijk bestaand is op het moment van het vaststellen van de beheersverordening. Dit geldt zowel voor het gebruik van gronden als van de aanwezige bouwwerken. Gebruik in 'ruime zin' gaat uit van het geldende bestemmingsplan en van verleende omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken.

De VNG adviseert bij een keuze voor een beheersverordening uit te gaan van de 'ruime' definitie. De gemeente Hellendoorn gaat hierin mee. Daarbij wordt als basis het bestemmingsplan Buitengebied aangehouden.

Juridische opzet

De Wro geeft niet aan uit welke elementen een beheersverordening is opgebouwd, c.q. waaruit deze bestaat. Deze beheersverordening bestaat uit:

  • 1.

    een verbeelding;

  • 2.

    regels;

  • 3.

    een toelichting.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen, aanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De regels zijn als volgt opgebouwd:

  • 1.

    inleidende regels;

  • 2.

    bestemmingsregels;

  • 3.

    algemene regels;

  • 4.

    overgangs- en slotregels.

Bestemmingen

AGRARISCH MET WAARDEN

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor agrarische bedrijvigheid en ter plekke van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - kleinschalig landschap' voor de instandhouding van de aanwezige landschaps- en natuurwaarden. Binnen deze bestemming is één agrarisch bedrijf aanwezig. Hiervoor is een bouwvlak met bouwregels opgenomen. Binnen de bestemming krijgen ook de veldschuren een aanduiding.

BEDRIJF

Het een koikarper- en papegaaienbedrijf is bestemd als 'Bedrijf'. Voor dit bedrijf is een maximum oppervlakte aan bebouwing opgenomen en tevens bepaald dat de papegaaien allen zijn toegestaan ter plaatse van de vermelde aanduiding.

GROEN - LANDSCHAPSELEMENT

De groenvoorzieningen en waardevolle beplanting zijn bestemd als 'Groen - Landschapselement'. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.

NATUUR

In het beheersgebied zijn een aantal bospercelen aanwezig. Deze zijn bestemd als 'Natuur'. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.

VERKEER - VERBLIJF

De bestaande wegen in het gebied (Kruidenlaan, Veenweg en Schanshekweg) zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijf'.

WATER

In het beheersgebied zijn een aantal watergangen aanwezig. Deze zijn bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.

WONEN

De bestaande woningen in het gebied zijn bestemd als 'Wonen'. Voor de woningen zijn bouwregels opgenomen ten aanzien van de inhoud, bouwhoogte en goothoogte.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Met deze beheersverordening wordt het bestaande gebruik vastgelegd. Nieuwe woningbouw vervalt hiermee en de ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande functies in het gebied zijn begrensd tot rechten die ook voorheen bestonden ter plaatse. Met de verordening is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. De deprogrammering van de woningbouw is in overeenstemming met het provinciale beleid uit de Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening 2018/2019 van de provincie Overijssel. De beheersverordening past daarnaast binnen het gemeentelijke beleid.

Het beleid op zowel rijks-, provinciaal- als gemeentelijk niveau vormt daarmee geen belemmering voor de beheersverordening.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Algemeen

Met deze beheersverordening wordt het bestaande gebruik vastgelegd. De aspecten archeologie, cultuurhistorie, bodem, ecologie, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit en milieuzonering vormen geen belemmering voor de beheersverordening.

In de volgende paragrafen wordt enkel ingegaan op de omgevingsaspecten waarvoor het onderzoek is geactualiseerd.

4.2 Water

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water.

Onderzoek

Voor de beheersverordening is een watertoets (bijlage 4) uitgevoerd. De beheersverordening is conserverend van aard en maakt geen significante ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van het bestaande gebruik.

De beheersverordening raakt geen belangen van het waterschap, heeft geen nieuwe invloeden op het watersysteem en geeft daarmee geen aanleiding tot aanvullende wateradviezen. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beheersverordening.

4.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Wettelijk kader

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG).

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Afweging

Met deze beheersverordening wordt het bestaande gebruik vastgelegd. Het bestaande agrarische bedrijf heeft een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. In de verordening zijn regelingen opgenomen waardoor de milieueffecten en effecten op natuur beperkt c.q. niet significant kunnen zijn. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Deze beheersverordening is een beheerplan dat op zichzelf geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt.

Een exploitatieplan waarin kostenverhaal wordt geregeld is daarom niet noodzakelijk. De beheersverordening heeft geen financiële consequenties voor de gemeente.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De resultaten van overleg en inspraakreacties zijn verwerkt in het eindverslag dat is toegevoegd aan het vaststellingsbesluit.

 

Bijlage 1 Vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming

Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten

Bijlage 3 Schuttingenbeleid gemeente Hellendoorn 2015

Bijlage 4 Watertoets

Bijlage 5 Verbeelding

Verbeelding van geometrisch bepaalde planobjecten in de zin van 1.2 met nummer NL.IMRO.0163.BVHENRDKRWZD.