Kadernotitie windenergie Heusden 2020

Geldend van 21-05-2020 t/m heden

Intitulé

Kadernotitie windenergie Heusden 2020

De raad van Heusden in zijn openbare vergadering van 12 mei 2020;

gezien het voorstel van het college van 24 maart 2020;

gelet op gelet op artikel 6.5, lid 3, Besluit omgevingsrecht en artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

gelet op de beraadslaging;

b e s l u i t :

  • -

    de ‘Kadernotitie plaatsingsmogelijkheden windturbines’ uit 2009 in te trekken;

  • -

    in te stemmen met de beantwoording van de zienswijzen, zoals opgenomen in de Nota zienswijzen;

  • -

    in te stemmen met de wijzigingen, zoals opgenomen in de Nota wijzigingen;

  • -

    de ‘Kadernotitie windenergie’ vast te stellen;

  • -

    als gemeente de regie te houden op de ontwikkelingen en initiatieven met betrekking tot windenergie;

  • -

    de ‘Kadernotitie windenergie’ en het daarin gestelde beleid tegelijkertijd met de ‘Visie zonne-energie’ te evalueren.

  • de griffier,

    de voorzitter,

     
     

    drs. F.E.H.M. Backerra

    drs. W. van Hees

 

 

Kadernotitie windenergie

1 Inleiding

1.1 Heusden en de energietransitie

De gemeente Heusden zet zich in op de energietransitie. Energietransitie is een breed begrip, dit kan in meerdere onderdelen opgesplitst worden. Het gaat over energiebesparing, duurzame energieopwekking en zo efficiënt mogelijk gebruik maken van beschikbare energie.

Dit citaat komt uit de Visie zonne-energie die gemeente op 17 september 2019 vaststelde. En het is onverminderd van toepassing voor het navolgende ‘Kadernotitie Windenergie Heusden’. Bij het vaststellen van de Ambitiekaart Energie op 2 april 2019 heeft de raad besloten de kadernotitie uit 2009 te actualiseren.

Naast de eigen ambities op energietransitie, vraagt de regionale discussie over de mogelijke plaatsing van windturbines in het kader van de Regionale Energie en Klimaatstrategie (REKS) en de veranderende wet- en regelgeving om nieuw beleid. Op dit moment zijn grote windturbines niet toegestaan, maar de energietransitie vraagt (mits het landschap beschermd wordt) een uitzondering van dit beleid. Het geactualiseerde kader formuleert randvoorwaarden op basis waarvan het gemeentebestuur kan beoordelen of plaatsing van windturbines ruimtelijk aanvaardbaar is. Windturbines hebben effecten op de omgeving. De gemeente vindt het daarom essentieel dat de randvoorwaarden van het kader in nauwe samenspraak met de samenleving tot stand komen en dat er in belangrijke mate aandacht bestaat voor maatschappelijk draagvlak. De gemeente zelf geeft op voorhand aan dat van belang is dat minimaal 50% en bij voorkeur meer van de hernieuwbare productie in eigendom komt van de eigen inwoners en de gemeente ziet het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid, inwoners en ondernemers om door een brede belangenafweging tot gedragen plannen te komen met respect voor de leefomgeving.

1.2 Duurzaamheidsagenda en Coalitieprogramma

In de Duurzaamheidsagenda en het Coalitieprogramma zijn er duurzaamheidsambities verwoord.Deze hebben betrekking op biodiversiteit, circulaire economie, klimaatadaptatie, leefbaarheid en energie. Voorliggende visie gaat in op het onderdeel energie, in het bijzonder energie opgewekt door windturbines.De belangrijkste uitdaging waarvoor de gemeente in de komende periode staat is de energietransitie, overgang naar duurzame vormen van energie. Om in 2050 de uitstoot van CO2 op nul te hebben, dienen er nu grote weloverwogen stappen te worden gezet. Windturbines kunnen daarin een functie hebben. Plaatsing van windturbines kan in coöperatief verband, zodat een aanzienlijk deel van de revenuen terugvloeit naar de lokale samenleving.Net als grootschalige zonneparken, hebben windturbines een groot rendement. Wind en zon zijn complementair aan elkaar. Het biedt voordelen als er meerdere vormen van duurzame energie beschikbaar zijn.

1.3 Ambitiekaart Energie

De Ambitiekaart Energie (afbeelding 1.1) is een nadere uitwerking van het onderdeel energie van de duurzaamheidsagenda. Samen met Energiek Heusden, Werkplaats de Gruyter, een aantal betrokken ondernemers en inwoners is een Ambitiekaart Energie opgesteld. Dit om zowel de relatie tussen de beoogde doelstelling (Heusden in 2050 energieneutraal) en de enorme opgave overzichtelijker en meer behapbaar te maken, alsook de overgang naar een energieneutraal Heusden te versnellen. Hierbij wordt globaal aangegeven hoe deze gezamenlijke doelstelling te realiseren. In de aanpak worden de volgende vier oplossingsrichtingen onderscheiden; besparing, nieuwe warmte, innovatie en duurzame opwekking van elektriciteit (wind en zon). In de voorliggende kadernotie is de oplossingsrichting voor wind uitgewerkt.

Afbeelding 1.1: Ambitiekaart Heusden

foto

1.4 Totstandkoming windkader

Bij de totstandkoming van het windkader is nauw samengewerkt met belangenorganisaties, bewonersorganisatie en inwoners. Op de startavond is het proces toegelicht. Daarna is op één avond input opgehaald van de deelnemers, op twee daaropvolgende avonden zijn inwoners in de gelegenheid gesteld de gemeente te voeden met randvoorwaarden en ideeën en ten slotte is een verdiepingsavond belegd waarin meer is ingezoomd op de effecten. De oogst van deze avonden vindt u terug in hoofdstuk 3.

1.5 Opbouw windkader

In hoofdstuk 2 wordt de context van de duurzaamheidsopgave voor Heusden geschetst. In hoofdstuk 3 wordt verslag gedaan van het participatieproces en de input vanuit de samenleving. Hoofdstuk 4 betreft de weergave van het relevante beleid en regelgeving (soms specifiek voor windturbines). Hoofdstuk 5 bevat het feitelijke windkader waaraan initiatieven getoetst gaan worden. Daarbij wordt de directe link gelegd met de uitkomsten van het participatieproces.

2 Energietransitie en wind

2.1 Inleiding 

In dit hoofdstuk zijn de ambities van de gemeente verwoord ten aanzien van de energietransitie en de wijze waarop de gemeente met de samenleving daar concreet inhoud aan wil geven. In dit hoofdstuk wordt dieper ingezoomd op de mondiale en landelijke besluitvorming in de verduurzaming richting 2050. Daarna gaan we in op de Heusdense opgave voor wind en de werking van het windkader.

2.2 Klimaatakkoord Parijs (2015)

Het handelen van de gemeente staat niet op zichzelf. Het is mede een gevolg van (inter)nationale besluitvorming, waar in 2015 een belangrijke mijlpaal is bereikt. In dat jaar wordt door de wereldleiders het Klimaatakkoord in Parijs vastgesteld. In het akkoord wordt mondiaal ingezet op verduurzaming van handelen en processen. Het akkoord gaat per 2020 in. Om dit doel te halen hebben EU-lidstaten met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 40% minder CO2 moet uitstoten ten opzichte van 2015. De Europese Commissie toetst de klimaatplannen van de EU-lidstaten aan de gestelde doelen.

2.3 Klimaatakkoord Nederland (2019)

Direct na het Parijse akkoord zijn de nationale overheden van start gegaan met eigen beleid. In 2019 is het Klimaatakkoord door het Rijk vastgesteld. Het Klimaatakkoord omvat een samenhangend pakket van meer dan 600 afspraken om de komende jaren te verduurzamen en zo in 2050 te kunnen voldoen aan de afspraken die zijn vastgelegd in het internationale Klimaatverdrag van Parijs. In het Klimaatakkoord is de ambitie verwoord om in 2030 in Nederland bijna de helft (49%) minder CO2 uit te stoten dan we in 1990 deden. In 2050 moet de CO2-uitstoot met 95% zijn verminderd ten opzichte van 1990.

Nederland heeft in het Klimaatakkoord afgesproken dat in 2050 minimaal 70% van alle energie van hernieuwbare bronnen komt. Daarbij gaat het om o.a. windenergie, zonne-energie, CO2 vrije waterstof, biomassa, groen gas, waterkracht en geothermische energie. De vraag naar elektriciteit zal groeien. Omdat de elektriciteitsvoorziening meer en meer afhankelijk wordt van het weer (schijnt de zon, is er wind) zijn veel maatregelen nodig voor een betrouwbare elektriciteitslevering.

De ambitie valt uiteen in ‘gebouwde omgeving’, de ‘industrie’ en de ‘landbouw’. Bij de gebouwde omgeving zijn provincies en gemeenten aan zet. Om te bereiken dat in 2050 aan de klimaatdoelstellingen voor de gebouwde omgeving wordt voldaan, zijn maatregelen nodig in de sfeer van energiebesparing, alternatieve opwekking van elektriciteit door zon en wind (korte termijn) en een scala van andere oplossingen voor de langere termijn. De oplossingen voor de langere termijn bestaan onder andere uit het beperken van de vraag naar elektriciteit door de toepassing van alternatieve warmtebronnen zoals geothermie, restwarmte en zonnewarmte. Ook kan de tijdelijke opslag van energie in accu's, of in de vorm van warmte en waterstof piekbelastingen beperken en daarmee de totale capaciteit van de benodigde bronnen. Innovatieve oplossingen zoals warmtepompen die met één energie-eenheid elektriciteit, vier of meer energie-eenheden warmte kunnen onttrekken aan een bron kunnen ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen.

Het Rijk heeft bij de uitwerking aan de provincies en gemeenten gevraagd met plannen te komen die het bereiken van ‘2050 energieneutraal’ onderbouwen. Het gaat eerst om de periode tot 2030. In overleg zijn samenhangende regio’s gevormd die in afstemming met elkaar, de hoeveelheid duurzaam op te wekken elektriciteit in een lokaal en regionaal bod concretiseren. Heusden is opgenomen in de REKS (Regionale Energie- en Klimaatstrategie) Hart van Brabant, één van de vier Brabantse regio’s.

2.4 De REKS

In algemene zin werken in een Regionale Energie Strategie overheden met maatschappelijke partners, netbeheerders (voor gas, elektriciteit en warmte), het bedrijfsleven en inwoners samen regionaal gedragen keuzes uit. Dit doen zij voor de opwekking van duurzame elektriciteit (landelijk 35 TWh), de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (van fossiele naar duurzame bronnen) en de daarvoor benodigde opslag- en energie-infrastructuur. Deze keuzes worden vertaald naar gebieden, projecten en naar de implementatie en uitvoering van die projecten.

Brabant kent vier RES-regio’s. De gemeente Heusden ligt in de RES-regio ‘Hart van Brabant’. De regio Hart van Brabant heeft ervoor gekozen deze strategie nog breder te maken, door ook het thema klimaat er in te betrekken. De regio stelt daarom een zogenoemde Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) op. Het opstellen van de concept REKS gebeurt parallel aan de herijking van de Kadernotitie Windenergie.

Het proces van de REKS is nog niet afgerond. De ambities met betrekking tot windenergie zoals vastgesteld in de REKS kunnen daardoor afwijken van de mogelijkheden die het windkader biedt. De gemeente zal actief haar inwoners informeren over de mogelijke gevolgen van de ambities zoals deze momenteel worden voorgesteld in de REKS. De gemeente oefent zelf ook actief invloed uit op de inhoud van de REKS zodat deze zo goed mogelijk aansluit op de gemeentelijke kadernotitie.

2.5 Energiebehoefte Heusden 2050

Dan de opgave van de gemeente. Waar het zoeken van de regio vooral gaat over samenhang, systeemoplossingen (waaronder de netbelasting) en een ‘bovenaf’ benadering, gaat het verkennen en begrenzen van de opgaven voor de gemeenten vooral over ‘onder op’ (verkennen van het draagvlak in de samenleving, lokale invulling en maatwerk). Leidend voor de invulling is de opgave van Heusden zelf. De verkenning, opgave en uitwerking is al enige tijd gaande en onderwerp van gesprek tussen de gemeente en de belangenorganisaties, bewonersorganisaties en inwoners.

In samenwerking met de lokale energie coöperatie Energiek Heusden is de energietransitie specifiek voor de gemeente Heusden in beeld gebracht. In de studie is gewerkt met kengetallen op basis van de huidige technologieën, besparing van energie en opwekking van duurzame energie. De data uit de studie van Energiek Heusden vormen de basis voor de Ambitiekaart Energie, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 2 april 2019.

Om de energiebehoefte voor 2050 te bepalen, wordt eerst gekeken naar het huidige verbruik. Vervolgens worden oplossingsrichtingen behandeld.

Huidig energieverbruik (2017)

In onderstaande tabel is het huidige energieverbruik van de gemeente Heusden berekend. Wat elektriciteit en gas betreft zijn de gegevens ontleend aan openbare cijfers die netbeheerder Enexis publiceert. Het brandstofverbruik voor vervoer is afgeleid uit landelijke cijfers.

  • Product

    Hoeveelheid

    In Terajoule

    Kosten voor verbruiker

    Kosten per Terajoule

    Elektriciteit

    200 miljoen kWh

    720

    € 35 miljoen

    € 48.000

    Aardgas

    75 miljoen m3

    2.344

    € 40 miljoen

    € 17.000

    Autobrandstof

    30 miljoen liter

    1.080

    € 35 miljoen

    € 32.000

    Totalen

     

    4.050

    € 110 miljoen

     

Tabel 2.1: Energieverbruik Heusden in 2017.

Bron: Ambitiekaart Energie gemeente Heusden (2 april 2019). [31]

Het totale energieverbruik kan globaal worden opgedeeld in vier aspecten: mobiliteit, industrie, landbouw en gebouwde omgeving (o.a. woningen en detailhandel).

Ter indicatie: het gemiddelde verbruik voor huishoudens op nationaal niveau is 3.000 kWh en 1.470 m3 aardgas per jaar. In de gemeente zijn circa 18.500 huishoudens. Dit vertaalt zich naar circa 55,5 miljoen kWh elektriciteit en 27 miljoen m3 gas dat jaarlijks door huishoudens wordt verbruikt. Zo’n 28% (200 TJ) van het totaal aan verbruikte elektriciteit en 36% (844 TJ) van het totaal aan gas, komt dus voor rekening van huishoudens.

Om de doelstelling 'energie neutrale gemeente in 2050' te behalen is een strategie opgesteld. In de bijbehorende ambitiekaart zijn oplossingsrichtingen benoemd waarmee de doelstelling behaald kan worden. Er wordt een mogelijke verdeling gegeven van de oplossingsrichtingen gebaseerd op de kennis van nu.

  • Oplossing

    % van huidig gebruik

    Hoeveelheid in Terajoule

    Besparen

    20

    800

    Nieuwe warmte

    20

    800

    Innovatie

    20

    800

    Opwekken d.m.v. zon en wind

    40

    1.600*

    * waarvan 800 TJ elders, bijvoorbeeld op zee

Tabel 2.2: Oplossingsrichtingen energietransitie in Heusden.

Bron: Ambitiekaart Energie gemeente Heusden (2 april 2019).

Besparing van energie (20%) vormt een belangrijke basis, omdat dit energie is die niet opgewekt hoeft te worden.

Wind en zon zijn de belangrijke middelen om elektriciteit op te wekken. Daarmee kunnen snelle stappen gezet worden. Wel moet een nieuw evenwicht worden gevonden in de verdeling van de beschikbare gronden over wonen, industrie, natuur, cultuurgronden en energieproductie-gronden. De kadernotitie reikt daarvoor de kaders aan.

Voor zonne-energie heeft de gemeente in 2019 al een beleid vastgesteld dat kaders schept voor de realisatie van zonnevelden. Navolgend kader gaat primair over de inpassing van windenergie.

2.6 Opgave voor windenergie

De gemeentelijke opgave voor de combinatie van zonne- en windenergie wordt in de Ambitiekaart op 800 TJ gezet (ofwel 1.600 minus het deel dat elders wordt opgewekt). Het is lastig in te schatten hoe de verdeling tussen zonne- en windenergie zal zijn, omdat dit afhankelijk is van de initiatieven die zich gaan voordoen en wat goed ingepast kan worden. Om toch een beeld te krijgen bij de schaal van de opgave, wordt uitgegaan van een gelijke verdeling. Dit zou betekenen dat 400 TJ door windenergie opgewekt zou moeten worden.

Een moderne, 200 meter hoge, windmolen zal in Heusden jaarlijks ongeveer 12 miljoen kWh gaan leveren, dat gelijk staat aan ongeveer 40 Terajoule. Dit zou betekenen dat er circa 10 dergelijke windturbines nodig zijn om de Heusdense opgave voor wind in te kunnen vullen. Dit is geen taakstelling, maar is bedoeld om enige referentie bij de opgave te hebben.

2.7 Scope en werking van het windkader

Deze kadernotitie gaat primair over grootschalige opwekking van windenergie en dus over grote windturbines. Het gaat om windturbines hoger dan 25 meter. De gemeente gaat de tiphoogte niet nader definiëren of bij voorbaat begrenzen. Daar zal de initiatiefnemer een voorstel voor doen. Het bestemmingsplan Buitengebied biedt de mogelijkheid voor de realisatie van kleinschalige woning- en/of erfgebonden windturbines (tot 20 m). Deze mogelijkheid blijft bestaan en wordt niet tenietgedaan door het windkader.

Op basis van dit kader worden randvoorwaarden geschetst en in beeld gebracht welke locaties geschikt kunnen zijn voor de ontwikkeling van windturbines. Er worden dus op voorhand geen specifieke locaties aangewezen voor ontwikkeling. Gezien de mogelijke effecten op de woon- en leefomgeving, is het grootste deel van de gemeente niet geschikt voor de realisatie van windturbines.

Afbeelding 2.1: Werking van het windkader (Bron: BügelHajema Adviseurs)

foto

De werking van het windkader is als volgt: Er is geen taakstelling qua aantallen of hoeveelheid energieopwekking, het gaat om ruimte die gevonden kan worden voor windturbines. Dat kan meer of minder zijn dan nu wordt aangenomen. Er is een ‘omgekeerde benadering’ gevolgd. De gemeente is in gesprek gegaan (hoofdstuk 3) met inwoners en belangenorganisaties en heeft verkend waarvoor draagvlak is. Dat heeft geleid tot een set randvoorwaarden (hoofdstuk 5) en de toepassing daarvan geeft een bepaalde vrije ruimte voor de plaatsing van windturbines. Daarnaast is gekeken naar beleid en regelgeving (hoofdstuk 4) van derden ((semi)overheden en grote leidingbeheerders). De opbrengst uit de samenleving heeft geleid tot een set randvoorwaarden, beleid en regelgeving zal meer gaan over locaties (gebieden, wegen, natuur) of veiligheid (normen voor geluid, slagschaduw, risico’s). In dit windkader gaat de gemeente de belangen nader afwegen. Op voorhand vindt de gemeente dat de randvoorwaarden vanuit de samenleving leidend zijn.

Het windkader levert daarmee een set randvoorwaarden en spelregels op die plaatsingsruimte kan geven aan initiatiefnemers. Het is duidelijk dat als de samenleving en de andere overheden hun eisen en regels te fors opschroeven, deze ruimte nihil is. Het is de rol en verantwoordelijkheid van de gemeente om de energietransitie letterlijk ruimte te geven, de vrije speelruimte daarvoor in redelijkheid te begrenzen en afspraken met samenleving en overheden goed vast te leggen. Dat is de functie van het windkader. Het is aan de initiatiefnemer om met een gedegen en zorgvuldig voorbereid project te komen die de inbreuk op het landschap en de kwaliteit van het wonen kan rechtvaardigen.

Het windkader gaat over regels en ruimte voor initiatieven. Dit kader is de start om het goede gesprek te kunnen voeren. Hierbij zijn niet alleen de eisen, maar vooral ook een zorgvuldig proces en het draagvlak voor een initiatief van belang. Als dit onderdeel succesvol doorlopen is naar de mening van de gemeente, gaat de slagboom open en kan de vergunningverlening aanvangen.

2.8 Planvormende fase en procedurefase

Het windkader gaat dus niet over de plaatsing van de turbines zelf. Dat is een zaak van initiatiefnemers en de samenleving. Die dienen een vergunning voor een concreet project in. Daarvoor zijn aanvullende onderzoeken en soms deelvergunningen noodzakelijk.

De eerste stap zou altijd moeten zijn: meld het initiatief bij de gemeente en de omgeving en ga voordat de formele fase aanbreekt, in overleg om een zo gedragen mogelijk initiatief aan te dragen. Dit vergroot de kans op een geslaagd windinitiatief.

Een vergunningaanvraag (procedurele fase) kan aanvullende vergunningen vereisen. Op voorhand is niet bekend of hiervan sprake is. Immers, op dit moment is niet bekend waar en hoeveel turbines gerealiseerd gaan worden. Het is mogelijk dat in het contact met de gemeente de initiatiefnemer te zijner tijd gewezen wordt op aanvullende onderzoeken. De informatie uit hoofdstuk 4 geeft daar een indicatie van.

3 Participatie t.b.v. het windkader

3.1 Inleiding 

De gemeente heeft bij de totstandkoming van het windkader gebruik gemaakt van bestaande netwerken. De diverse bijeenkomsten kenmerkten zich door een hoge betrokkenheid (en bezorgdheid) en over het algemeen een hoog kennisniveau. De discussie en sfeer waren open en respectvol. Hoewel windturbines veel weerstand kunnen oproepen, viel op dat een flink deel van de inwoners constructief meedacht. En er zijn koplopers, (groepen van) inwoners die al verder in het denken zijn en een voorstelling kunnen vormen van “voors en tegens” van windturbines. De meeste deelnemers nemen een praktisch standpunt in: de energietransitie moet nu eenmaal (hoge bewustwording) en als het dan moet, dan houden de deelnemers er liever zelf zeggenschap over en grip op.

3.2 Procesbijeenkomst (10 september 2019 - Vlijmen)

Rond de zomer heeft de gemeente de belangstelling bij inwoners en organisaties gepolst in hoeverre zij bij de totstandkoming van het windkader betrokken wilden worden. Met de geïnteresseerden die zich n.a.v. de oproep hadden aangemeld, is een eerste bijeenkomst geweest om de processtappen in algemene zin toe te lichten en met de aanwezigen de stappen aan te scherpen. Ook werden de eerste inhoudelijke opmerkingen en ideeën opgehaald.

3.3 Partnerbijeenkomst (18 september 2019 – Vlijmen)

Voorafgaand aan de algemene inloopavonden is overleg geweest tussen de gemeente en verschillende partners in het kader van energie en/of hieraan gerelateerde belangen. Hierin werden de volgende vragen behandeld:

  • 1.

    Wat is het speerpunt van uw organisatie op het gebied van de energietransitie?

  • 2.

    Welke kansrijke raakvlakken zien we voor windenergie?

  • 3.

    Zijn er specifieke (technische) randvoorwaarden, eisen en/of wensen waar we volgens u rekening mee moeten houden?

Op deze avond hebben zowel de gemeente als de deelnemende lokale organisaties, coöperaties en (semi)overheden input kunnen leveren als uitgangspunt voor het windkader.

Een aantal opmerkingen op rij:

  • -

    Het lokaal eigenaarschap (zoals door de gemeente voorgesteld) wordt breed en principieel gedragen. Het zekert direct de lokale betrokkenheid en de terugvloei van opbrengsten naar de omgeving.

  • -

    De natuurbeherende organisaties en ook de landbouw, zoeken naar meervoudig gebruik van hun terreinen en eigendommen. Zij denken na over hoe een deel van de energieopgave op ‘eigen terrein’ kan worden afgewikkeld. Zij onderschrijven de noodzaak voor een open dialoog, niet over hen, maar met hen.

  • -

    De discussie over verduurzaming dient collectief te zijn. Het vermogende deel van de samenleving is sneller in staat maatregelen te bekostigen dan anderen. De gemeente dient toe te zien op een eerlijke verdeling van lusten en lasten.

  • -

    Er wordt gewezen op goed doordachte keuzes. Hoe meer directe besparing op energie (huishoudens en andere gebouwen), zon op dak, binnen bebouwd stedelijk gebied en op daken in het buitengebied, hoe minder grootschalig zon en wind. De gemeente heeft een rol in de toedeling van ruimte aan initiatieven en dient dit breed en in samenhang af te wegen.

  • -

    Waar de lasten het grootst zijn, dient er op te worden toegezien dat maatwerk in compensatie wordt gedaan. Er bestaat begrip voor het feit dat een windpark een commerciële opbrengst heeft voor de initiatiefnemer, de direct door het initiatief getroffen inwoners (omwonenden) dienen gecompenseerd te worden.

  • -

    Er bestaan wettelijke afstandsnormen, maar er bestaat ook twijfel of deze in alle gevallen afdoende zijn. De invloed van geluid wordt daarbij als voorbeeld genoemd. Hoewel er geen wettelijke onderbouwing is, is de indruk dat een afstandsnorm van 750 meter (in plaats van de meestal aangehouden 400 meter tot woningen) grotere zekerheid biedt dat de overlast ((laagfrequent) geluid en slagschaduw) doorgaans niet noemenswaardig meer is.

  • -

    Er zijn creatieve oplossingen nodig. Sta open voor nieuwe innovaties, maar draag ook zorg voor de goede inpassing. Windturbines als gebiedsproject waarbij ook gekeken wordt naar landschap, recreatie en natuur in de directe omgeving, koppelen met andere ruimtelijke opgaven.

3.4 Input inloopavonden (24 en 30 september 2019 – Drunen en Vlijmen)

De input van de beide avonden was divers en veelzijdig. Voor de navolgbaarheid hebben wij de opmerkingen gerubriceerd en samengevat:

Innovatie

- Sta open voor innovaties. Zo zouden er al horizontale en ander vormige turbines op de markt zijn.

- Waarom geen energie uit de Maas? Middels een afwatering en een schoep?

- Maak nadere studie naar bodem- en aquathermie.

- Kies voor kleinere vormen van windturbines.

Financiën

- Direct omwonenden moet ook direct kunnen profiteren van de turbines.

- Afschrijven in 20 jaar en de turbines weer verwijderen.

- Opbrengsten delen met de directe omgeving.

- Wind en zon zijn commerciële activiteiten. Leidt niet altijd tot de beste maatschappelijke oplossing.

Taakstelling

- Wees duidelijk over de feitelijke taakstelling van de gemeente.

- Eigen opgave niet afwentelen op de buurgemeenten.

- Sta open voor andere en betere oplossingen op korte termijn.

Overlast

- Schadeloosstelling voor direct omwonenden.

- 400 meter is te weinig in verband met laagfrequent geluid, 750 meter is een veiliger grens.

- Meer voorlichting over gezondheidsrisico’s van turbines.

- Belang inwoners moet voorop staan. Overlast moet tot een minimum beperkt worden en in verhouding staan tot resultaat.

- Indien overlast niet te vermijden is, turbines tijdelijk stilzetten.

Landschap

- Respecteer waardevolle landschappen en historische gebieden.

- Plaats langs grote infrastructuur en bij industrie.

- Kleine turbines bij agrarische ondernemingen mogen.

- Behoud vrije zichtlijnen in het landschap.

- Respecteer de natuur en betrek natuurmonumenten en andere landschapsbeheerders.

Buurgemeenten en regio

- Windpark samen met de buurgemeenten, concentreren van turbines.

- Geen effecten over en weer bij de gemeentegrenzen.

Participatie

- Inbreng van de inwoners van groot belang.

- Inpassing in overleg met direct omwonenden.

- Draag steeds zorg voor goede informatie.

- Houdt inwoners ook na de vaststelling goed op de hoogte van initiatieven.

- Beslissingen afhankelijk maken van een referendum.

- Ook de jeugd erbij betrekken.

Proces

- Benader de transitie-opgave uit zowel techniek als gedrag (bewustwording, betrokkenheid, andere levensstijl).

- Zorg dat er geen tweedeling in de discussie komt (stad tegenover landelijk gebied).

- Verdeel de lasten van de opgave eerlijk (een kleine beurs is niet in staat om zelfstandig te verduurzamen).

3.5 Verdiepingsavond (22 oktober 2019 – Vlijmen)

Op 22 oktober 2019 is een zogenaamde verdiepingsavond belegd. Voor de avond is gekozen voor een vertrouwelijke setting. Het windkader gaat consequent uit van randvoorwaarden vanuit de bevolking, op deze avond is dat principe losgelaten door te focussen op ‘de andere kant’, ofwel de regelgeving en beleid die voornamelijk over locaties gaan. Met de aanwezigen is gekeken naar belemmeringen en is met de opgave van 10 windturbines gekeken wat de vrije ruimte is (los van het draagvlak). Voor de opgave zijn twee scenario’s uitgewerkt, een invulling waarbij de 400 meter tot woningen leidend was, en één waar de 750 meter tot bewonersconcentraties leidend was (zie daarvoor de afbeelding 5.1). Daarnaast is een beleidskaart getoond, een beeld van alle belemmeringen volgend uit beleid van andere overheden en derden. Met de deelnemers is vervolgens gekeken wat dat voor gevolgen heeft voor Heusden.

Eén van de belangrijkste leerpunten van de avond was dat als wordt uitgegaan van bovengenoemde afstanden, er voldoende ruimte lijkt voor de opgave. Per locatie is bovendien nog ‘schuifruimte’ om turbines verder van gebieden te plaatsen die vanuit beleid een aandachtsgebied vormen.

De deelnemers hebben de volgende gedachten meegegeven voor het windkader:

  • -

    Indien de ruimte er is, ga in eerste instantie uit van een zo groot mogelijke afstand tot de woningen. De 400 meter-zone wordt als minimaal ervaren.

  • -

    Let erop dat woningen of woonbuurten niet ingesloten raken door effecten van meerdere windparken, mee door bijvoorbeeld plaatsing van turbines in buurgemeenten.

  • -

    Draag zorg voor directe individuele compensatie (maatwerk) bij overlast (geluid, slagschaduw en zichthinder).

  • -

    Gebruik het rendement van een windpark als investering voor verdere verduurzaming.

  • -

    Gebruik het principe van de slagboom: gaat pas open als voldaan is aan de randvoorwaarden.

  • -

    Initiatiefnemers verplichten direct in de ideefase de dialoog met de omgeving aan te gaan zodat ruimte blijft voor wensen van de omwonenden.

  • -

    Houdt in het proces ruimte voor innovaties die effectiever zijn en minder impact hebben in effecten

  • -

    Faciliteer inwoners met informatie en enige organisatorische ondersteuning zodat de inwoners het gesprek met de marktpartijen goed kunnen voeren.

  • -

    Concentratie van turbines wordt wenselijker geacht dan losse turbines door de gehele gemeente heen.

  • -

    Turbines moeten geplaatst worden in lijnopstelling, met overeenkomende kleur en verschijningsvorm (geen confetti).

3.6 Conclusies

De input van de inwoners en belangenorganisaties laten zich samenvatten in een aantal hoofdpunten, die leidend zijn voor de uitwerking van het kader. De hoofdpunten zijn vertaald naar ambities en randvoorwaarden (hoofdstuk 5). Voor de navolgbaarheid zijn de ‘hoofdletters’ weergegeven in hoofdstuk 5. Daarnaast zijn tal van andere (detail)opmerkingen gemaakt die bij het uitschrijven van de randvoorwaarden terugkomen.

3.6.1 Grip op de eigen invulling (A)

Hoewel er zeker oog bestaat voor de regionale opgave, vinden de meeste deelnemers aan het participatieproces dat gemeente en samenleving grip moeten houden op de eigen invulling: de gemeente is met haar inwoners eerst zelf aan zet. De komende fase van de energietransitie wordt zichtbaar in het landschap. Windturbines vormen de grootste uitdaging. De invulling raakt veel mensen in meer of mindere mate. Hoe meer grip daarop, hoe beter. Wat betreft het windkader vragen de deelnemers een proces dat gekenmerkt wordt door “nee, tenzij”. Initiatiefnemers dienen voordat de slagboom van toestemming open gaat, vooraf (en pas na een volwaardig gebiedsproces) aan te tonen dat voldaan wordt aan de randvoorwaarden van het windkader en deze ook te borgen in het plan.

Als noot wordt hierbij aangemerkt dat de gemeente boven de 5 MW in beginsel niet het bevoegd gezag is, maar de provincie. Dat zou in theorie kunnen betekenen dat bij een conflict over de invulling, partijen zich kunnen wenden tot de provincie waardoor de gemeente de grip op het gebiedsproces verliest. Dat vraagt nader overleg met de provincie in het kader van de REKS.

3.6.2 Weeg alternatieven zorgvuldig af (B)

Het tweede is het proces van afweging en verdeling. Windenergie is mogelijk en onderkend wordt dat windturbines zeer effectief zijn om de verduurzaming te realiseren. Windturbines zijn bespreekbaar als tegelijkertijd wordt ingezet om energie te besparen, en zonnepanelen op daken en zonneparken te realiseren.

3.6.3 Zo groot mogelijk lokaal eigenaarschap (C)

Het draagvlak voor een windpark neemt toe naarmate het eigendom gedeeltelijk of geheel in handen is van een lokale organisatie (lokaal eigenaarschap). Bij windparken is dat een complexe opgave. Op voorhand is duidelijk dat in de financiering van het park rekening moet worden gehouden met wensen vanuit de omgeving, derden en de overheid. Het initiatief op voorhand opzadelen met irreële wensen en eisen zal niet leiden tot een haalbare business-case. Het vraagt een initiatiefnemer om openheid te geven in de kosten en opbrengsten van een windpark. Tevens dient deze inzichtelijk te maken welke ruimte er is voor investeringen in de omgeving en of er aan de voorwaarden gesteld aan compensatie kan worden voldaan. Dit betekent dat voordat een vergunning wordt aangevraagd, duidelijk moet zijn dat het initiatief voor ten minste 50% lokaal eigenaarschap betreft.

3.6.4 Zorgvuldig gebiedsproces (D)

Een project met de impact van een windpark, vraagt een zorgvuldig gebiedsproces. Er is tijd nodig om verschillen van inzicht te overbruggen, informatie uit te wisselen en te luisteren naar elkaar. In sommige gevallen en/of sommige momenten van het proces kunnen belanghebbende partijen dat met elkaar doen. Op andere momenten is de aanwezigheid van de gemeente juist gewenst of vereist. Het windkader wordt geen toetsingslijstje dat afgevinkt dient te worden, het is bedoeld om het gesprek tussen en met inwoners en belanghebbenden te begeleiden. Deelnemers willen dat de gemeente bij de vergunning nagaat of aan alle randvoorwaarden is voldaan. En dat zij zal toezien op hoe is omgegaan met inwoners (omwonenden) die geraakt worden door een initiatief.

3.6.5 Geef goed inzicht in de effecten (E)

Van de initiatieven zal bij de uitvoering van onderzoeken pas duidelijk worden wat de werkelijke effecten zijn. Deze onderzoeken zijn in de regel complex. Deelnemers willen niet alleen weten of voldaan wordt aan wettelijke vereisten, maar ook wat zij concreet gaan merken van de turbines (licht, vorm, geluid, slagschaduw, uitzicht e.d.). De initiatiefnemer moet deze en andere gewenste informatie op een begrijpelijke manier presenteren en ter beschikking stellen aan de omwonenden binnen de invloedsfeer van de windturbines en aan andere belanghebbenden.

3.6.6 Zo groot mogelijke afstand van woningen (F)

Op alle avonden is benadrukt dat de wettelijke voorzorgsafstand van 400 meter als een absoluut minimum wordt ervaren. Er is zorg dat een initiatiefnemer deze afstand als maatgevend zal nemen en dat de afstand daarmee het recht van de initiatiefnemer dient. Gepleit is voor een benadering en voorzorg naar de omwonenden waarbij als afstand een aantal keren een 750 meter-zone wordt genoemd tot aan woningen.

3.6.7 Lijnopstelling (geen confetti) (G)

In principe zou het kunnen zijn dat iedere gemeenschap een eigen windturbine wil realiseren. Over het algemeen wordt het niet wenselijk geacht dat er verspreid door de gemeente grote windturbines komen te staan. Er is een algemeen pleidooi voor clustering van wind turbines in lijnopstellingen.

3.6.8 Algemene conclusie: “gemeente, houdt de regie”

Ter afsluiting is de algemene boodschap aan de gemeente: wees erbij en houdt de regie. Er is vertrouwen dat de gemeente de kaders goed zal formuleren. Het gaat ook om een actieve rol van de gemeente om zo nodig partijen aan te spreken op hun handelen in processen. Of om even een pauze in te lassen en weer door te gaan als de partijen weer aangehaakt zijn.

In paragraaf 5.2 en de daarop opvolgende paragrafen is concreet weergegeven hoe de gemeente de input van de inwoners heeft vertaald naar de randvoorwaarden van het windkader.

4 Beleid en regelgeving

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de bestaande (ruimtelijke) beleidskaders van de provincie Noord-Brabant en de gemeente ten aanzien van hernieuwbare energie. De provincie is, zoals in paragraaf 3.6.1 al is aangegeven, in beginsel het bevoegd gezag als het vermogen van het windpark meer dan 5 MW is. De provincie heeft daarnaast specifieke regels voor de plaatsing van turbines met een hoogte van meer dan 25 m. Wat betreft het gemeentelijk beleid, wordt het bestemmingsplan Buitengebied aangehaald.

Daarnaast wordt de actuele regelgeving genoemd die bij de plaatsing van windturbines een rol speelt. Voor de lezer verschaft het achtergronden en inzichten die bij de plaatsing van windturbines een rol kunnen gaan spelen. Complexe informatie. In paragraaf 4.3.1 wordt getracht enige uitleg te geven bij de mogelijk aanvullende onderzoeken die windturbines vragen. Ten slotte wordt ingegaan op de gezondheidsaspecten die samenhangen met windturbines.

4.2 Beleid

4.2.1 Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

De Omgevingsvisie Noord-Brabant, focust op vier grote maatschappelijke opgaven, waar de provincie samen met alle Brabanders aan wil werken. Energietransitie is één van deze opgaven.

De provincie Noord-Brabant wil bijdragen aan de doelstelling van minder dan 2°C opwarming uit het Klimaatakkoord. De doelstelling van reductie van uitstoot van broeikasgassen zet Brabant op 50% in 2030. De opgave voor de Brabantse energietransitie voor 2050 bestaat daarom uit twee aspecten:

- Het opwekken van 245 PJ aan duurzame energie.

- Het realiseren van een energiebesparing van 75 PJ t.o.v. het energieverbruik in 2016.

De opwekking van energie biedt kansen voor het versterken van de sociale samenhang in de samenleving door lokaal samen te werken, de lokale veerkracht te versterken en het maatschappelijk rendement te verhogen. De provincie Noord-Brabant wordt in de Omgevingsvisie gezien als innovatief gidsgebied en proeftuin voor de energietransitie. De provincie neemt een richtinggevende en stimulerende rol in. Voor de feitelijke realisering spelen gemeenten en initiatiefnemers de hoofdrol.

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (POV) zijn de regels voor windturbines op provinciaal niveau opgenomen (vanaf 25 m). Het POV stelt nadere eisen aan de plaatsing van turbines (goed inpasbaar, clustering van minstens 3 turbines, afstemming met netbeheerder) en het gebiedsproces (maatschappelijke meerwaarde door goed gebiedsproces). De omgevingsvergunning wordt voor een periode van maximaal 25 jaar verleend. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsing van windturbines in landelijk gebied, stedelijk gebied en in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) waarvoor aanvullende regels en/of onderzoeken kunnen gelden.

4.2.2 Gemeentelijk beleid

Zoals in paragraaf 1.1 aangegeven, is deze Kadernotitie is een herziening van het beleid uit 2009: “Kadernotitie plaatsingsmogelijkheden windturbines in de gemeente Heusden”. Bij de vaststelling van dit windkader vervalt dat beleid.

De Ontwikkelingsvisie Buitengebied (2010) stelt al dat de gemeente streeft naar plaatsing van windmolens op geclusterde locaties. In bestemmingsplannen wordt niet rechtstreeks ruimte geboden voor het grootschalig opwekken van windenergie.

Beleid ten aanzien van kleine windturbines (tot 25 meter) maakt zoals gezegd geen onderdeel uit van het windkader. Op dit moment is het zo dat het bestemmingsplan Buitengebied windturbines tot 20 meter mogelijk maakt.

4.3 Regelgeving

4.3.1 Inleiding 

Windturbines brengen visuele, hinder- en veiligheidseffecten met zich mee. De regelgeving is vooral leidend voor de procedurele fase. Een vergunning dient getoetst te worden aan regelgeving door het bevoegd gezag of door de instantie die de regelgeving uitvaardigt (Rijk, provincie, waterschap, leidingbeheerders). Het kan zijn dat één of meer turbines vallen binnen een zone die is aangewezen door derden. De initiatiefnemer zal een extra vergunning bij één van de gezagen moeten vragen, die vervolgens kan instemmen (of niet). Meestal gebeurt dit na aanvullend onderzoek (archeologie, externe veiligheid, inpassingsplan e.d.).

Voor het windkader is kennis en bewustwording van de mogelijke beperkingen niet op voorhand leidend, maar wel van belang om te weten. Voor de inwoners is het belangrijke informatie om te betrekken bij gebiedsprocessen, voor initiatiefnemers is het een hulpmiddel om te komen tot een haalbaar en uitvoerbaar plan.

Bij de behandeling van de regelgeving focussen wij ons eerst op regelgeving die een dwingend karakter heeft. De regels bieden de mogelijkheid tot maatwerk en van sommige regels kan gemotiveerd worden afgeweken, maar er zal altijd een nader onderzoek moeten volgen naar de effecten. En er is regelgeving waarvan bij de inpassing rekening moet worden gehouden, maar waarbij een hard nee niet van toepassing is.

4.3.2 Nader onderzoek nodig

Geluid en slagschaduw

De meest bepalende effecten van een windturbine zijn geluid en slagschaduw op woningen. Het activiteitenbesluit geeft normen voor de maximale geluidsbelasting in de dag en avond (47 dB als langdurig daggemiddelde overdag en 41 dB in de nacht) en hoe vaak een woning hinder mag ondervinden van slagschaduw (maximaal 17 dagen per jaar slagschaduw op een gevel met ramen, gedurende maximaal 20 minuten per dag). In het algemeen (zo lang niet bekend is wat voor turbine geplaatst wordt) wordt door de overheden een voorzorgsafstand van minimaal 400 meter tot woningen aangehouden. Afbeelding 4.1 geeft een beeld van deze 400 meter-zone rond de nu in het BAG geregistreerde woningen. Voor vergunning is altijd nader onderzoek noodzakelijk waarbij de initiatiefnemer moet aantonen dat de effecten van geluid en slagschaduw voldoen aan de wettelijke normen uit oogpunt van een goed woon- en leefklimaat. De initiatiefnemer kan de turbines dichter bij de woningen plaatsen, indien de zone op een betreffende woning wordt opgeheven. Dat kan door de betreffende woning op te kopen of onderdeel te laten zijn van het windpark (molenaarswoning).

Hoofdinfrastructuur en leidingen

In afbeelding 4.1 zijn tevens de wettelijke risicocontouren als gevolg van de hoofdinfrastructuur aangegeven. Voor hoogspanningsleidingen dient 245 meter te worden aangehouden, voor buisleidingen minimaal 180 meter en voor rijks- en provinciale wegen en waterwegen respectievelijk 60 en 50 meter.

Grotendeels vallen deze zones samen met de hiervoor genoemde voorzorgsafstand van 400 meter. Door inwoners is een aantal keren opgemerkt dat turbines geplaatst kunnen worden langs de hoofdinfrastructuur. Ook dan geldt dat een vergunning van het bevoegd bezag nodig is, waarbij effecten op de veiligheid van leidingen en (water)wegen onderzocht zijn. Het bevoegd gezag zal bij een vergunning aangeven aan welke randvoorwaarden dient te worden voldaan om een risico te mitigeren (wat leidt tot hogere kosten).

Natuur

Ten slotte staan op afbeelding 4.1 de beschermde natuurgebieden. Wat betreft natuur dient rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. De wet ziet toe op soorten en gebieden. Een initiatief mag geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en beschermde soorten. Onafhankelijk van waar één of meer turbines geplaatst worden, als niet op voorhand kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten zijn, is nader onderzoek altijd verplicht. Kritisch is niet alleen de directe plaatsing in of nabij natuur, maar ook slachtoffers als gevolg van aanvaringen met turbines. Middels onderzoek dient te worden aangetoond dat het windproject met het oog op de soortenbescherming waarin de Wet natuurbescherming voorziet, uitvoerbaar is.

Verspreid in de gemeente liggen delen van het provinciale Natuurnetwerk Brabant. Deze natuurgebieden vertegenwoordigen bijzondere natuurlijke waarden en moeten conform de gestelde natuurdoelen in het Natuurbeheerplan worden beheerd of gerealiseerd. De Loonse en Drunense Duinen en het Vlijmens Ven maken bovendien deel uit van een Natura 2000-gebied. Naast bijzondere natuurwaarden is dit gebied ook aardkundig waardevol.

De provincie Noord-Brabant staat de ontwikkeling van windturbines in het Natuurnetwerk niet toe. Een uitzondering is de nieuwvestiging van windturbines in dat deel van het Natuurnetwerk Brabant dat direct aansluitend op de hoofdinfrastructuur ligt[1]. Overigens is deze uitzondering in Heusden niet aan de orde.

Ten slotte geldt er specifieke regelgeving voor weidevogelgebieden. De gemeente heeft in 2014 het Weidevogelconvenant ‘de Vughtse Gement’ (zie afbeelding 4.1 het deel dat in Heusden valt) gesloten met verschillende partijen ten behoeve van instandhouding en verbetering van het leefgebied van weidevogels. Bij de bouw van windturbines moet hier rekening mee worden gehouden.

Afbeelding 4.1: Voorzorgsafstand tot woningen (400 meter), infra/leidingen en natuurgebieden

foto

4.3.3 Mogelijk nader onderzoek

Op voorhand is de status, interpretatie en hardheid van het navolgende beleid slechts globaal te duiden. Het is afhankelijk van het bevoegd gezag hoe deze het initiatief beoordeelt en of zij de onderbouwing en onderzoek afdoende gaat vinden voor een positief besluit over een vergunning.

Beperkingen in het luchtruim

Beschermingsvlakken CNS-hulpmiddelen

Besluit militaire luchthavens (art. 16): Onderdeel van het beschermingsvlak CNS-hulpmiddelen (Communicatie Navigatie en Surveillance) van vliegbasis Gilze-Rijen.

Radarverstoringsgebieden

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (art. 2.4 t/m 2.6, incl. bijlagen 8, 9 en 10): Het noordelijke deel van de gemeente ligt in het radarverstoringsgebied van het militair radarstation in Herwijnen. Het moet aantoonbaar gemaakt worden dat windturbines geen negatief effect op de radar zal hebben.

Beschermingsvlak Laagvliegen

Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters: Het realiseren van windturbines op laagvliegroutes kan gevolgen hebben voor de veiligheid van deze routes.

Afbeelding 4.2: Beperkingen in het luchtruim

foto

 

Cultuurhistorie

Beschermd Stadsgezicht Heusden

De vestingstad Heusden is van bijzondere cultuurhistorische waarde. Nog veel van het historische karakter van Heusden is bewaard gebleven. Belangrijk daarin is de opzet van de stad als vestingwerk met bastions, ravelijnen en grachten. Om ook het zicht op de oude vestingstad te behouden, is ook een gebied rond de vesting onderdeel van het beschermd stadsgezicht.

De aanwijzing als beschermd stadsgezicht is gericht op het herkenbaar en beleefbaar houden van de bijzondere historische waarden van de stad. Grote windturbines mogen geen onevenredige afbreuk doen aan deze waarden.

Schootsvelden

De vestingstad Heusden en het fort Hedikhuizen hebben een belangrijke rol gespeeld als verdedigingswerk. Rond de stad en het fort liggen de voormalige schootsvelden. De openheid en weidsheid van deze schootsvelden zijn van groot belang voor de beleving van (het verleden) van zowel fort Hedikhuizen als vestingstad Heusden. Ook deze aspecten zijn het beschermen waard.

De Overlaat

Vanwege de cultuurhistorische waarden is De Overlaat opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (art. 3.29). Dit is het gebied tussen Waalwijk en Drunen (De Baardwijkse Overlaat) en het gebied noordelijk van het kanaal ’s-Hertogenbosch – Drongelen en zuidelijk van de bebouwingsreeks Drunen – Vlijmen. De Baardwijkse Overlaat is in 1766 aangelegd om het water van de Maas op te vangen in tijden van overstromingen. Het gebied heeft historisch ook een rol gespeeld als onderdeel van de waterlinie.

De Overlaat heeft al enige tijd de waterbergende en militaire functie verloren. Maar het bijzonder weidse en open karakter, zeker in het noordelijk deel ten westen van Drunen, heeft het gebied altijd behouden. De lage ligging wordt geaccentueerd door de dijken aan de randen. Grote windturbines mogen geen onevenredige afbreuk doen aan deze waarden.

Eendenkooien

In het landelijk gebied van de gemeente Heusden zijn twee functionerende eendenkooien. Om deze eendenkooien te kunnen laten functioneren, ligt er rond de eendenkooien een gebied met een straal van 750 meter waar het zogenaamde afpalingsrecht geldt. Dit recht moet verzekeren dat er geen activiteiten worden toegestaan die de eenden kunnen verstoren of wegjagen en heeft tevens te gelden voor windprojecten.

Afbeelding 4.3: Cultureel erfgoed, schootsvelden en eendenkooien

foto

 

Water

Groenblauwe Mantel

Verspreid in de gemeente Heusden liggen gebieden die onderdeel zijn van de groenblauwe mantel. Deze gebieden zijn aangewezen voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Ontwikkelingen moeten gepaard gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Ook de bouw van windturbines moet daar een bijdrage aan leveren.

Waterwingebied

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (paragraaf 2.1.2): Het is onder andere verboden om constructies te realiseren of een locatie gebonden milieubelastende activiteit uit te voeren.

Regionale waterberging

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (art. 3.35): Het waterbergend vermogen van het gebied mag niet worden belemmerd.

Afbeelding 4.4: Water gerelateerde zones

foto

 

Ondergrond

Archeologie

In de Wet op de archeologische monumentenzorg is de bescherming van het archeologisch erfgoed geregeld. De gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart geeft de bekende en verwachte archeologische waarden aan. Afhankelijk van de locatie is nader onderzoek nodig zodat archeologische waarden (zoals aangegeven met een specifieke waardering op de kaart) niet verloren gaan door de uitvoering van een windproject.

Boringsvrije zone

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (par. 2.1.4): Afhankelijk van de diepte van een boring en grondwerkzaamheden ten behoeve van fundering van windturbines, kunnen nadere eisen opgelegd worden.

Afbeelding 4.5: Ondergrond

foto

4.3.4 Alle belemmeringen tezamen

Het is duidelijk dat als alle belemmeringen op kaart worden gezet, er geen ruimte meer lijkt voor de plaatsing van turbines. Zo is het niet. Mits goed wordt onderzocht wat de effecten zijn en hoe met deze effecten in een initiatief wordt omgegaan of worden gemitigeerd, is het verkrijgen van een vergunning van het betreffende bevoegde gezag in de regel onder voorwaarden mogelijk. Aan de hand van de specifieke locatie en het specifieke project wordt beoordeeld of een windproject ruimtelijk aanvaardbaar is, waarbij het ook van belang is of er draagvlak voor het project bestaat onder de inwoners. Direct contact met het betreffende bevoegd gezag wordt altijd aanbevolen. Juist in een gesprek kunnen de nuances afgetast worden en wordt duidelijk waar de rek wel en niet zit.

4.4 Gezondheid

Veel deelnemers van de inloop- en verdiepingsavonden hebben vragen gesteld over de gezondheid in relatie tot windturbines. Op dit moment is de praktijk zo dat bij de Nederlandse vergunningverlening gezondheid marginaal getoetst wordt. Hoewel individuen last kunnen ervaren van windturbines (geluid in bepaalde frequenties, beweging, slagschaduw), ontbreekt onderzoek naar de structurele gezondheidseffecten op langere termijn. Het windkader kan om die reden ook geen harde nadere eisen stellen aan gezondheidseffecten. Wel zal de gemeente uit oogpunt van gezondheid, een extra veiligheidsmarge aanhouden in de afstanden tot turbines. Zie daarvoor paragraaf 5.4.2. De gemeente zal de nodige beperkingen opleggen t.a.v. het in gebruik hebben en nemen van windturbines indien nieuwe inzichten t.a.v. de gezondheidseffecten van windturbines leiden tot nieuwe landelijke wet- en regelgeving.

[1] art. 3.38, Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 

5 Windkader

5.1 Inleiding

Heusden wil ruimte bieden aan grootschalige windenergie, maar wel windenergie die door, voor en met de Heusdense samenleving tot stand komt. Want als één ding belangrijk is gebleken in het participatieproces, is dat draagvlak en zeggenschap van de inwoners. Dat is de basis van het windkader.

Maar niet iedereen krijgt haar of zijn zin. Zoals op de avonden ook vaak gezegd, het windkader is een document. Het begeleidt het gesprek tussen overheid en burger, initiatiefnemer en overheid.

De gemeente Heusden kiest er voor om niet op voorhand locaties aan te wijzen voor windenergie. Het (keuze)proces en de daarbij horende randvoorwaarden staan centraal. Deze randvoorwaarden zijn allereerst samen met de inwoners geformuleerd en worden gecompleteerd door voorwaarden die vanuit wet- en regelgeving zijn vastgelegd. De randvoorwaarden leiden er toe dat er plekken zijn die niet geschikt zijn voor windenergie en plekken waar windenergie onder voorwaarden kan.

Vertrouwen

Het kader bouwt op vertrouwen en ruimte geven. Dat is een kwetsbaar proces waarin alle betrokkenen een verantwoordelijkheid dragen die groot is. De gemeente heeft de regie, maar moet uiteraard ook aandacht hebben voor de maatschappelijke krachten die een rol spelen.

5.2 Ambities

Voor de gemeente is de inbreng van de inwoners belangrijk. Vanuit de gesprekken met de inwoners over dit windkader, heeft de gemeente een aantal ambities geformuleerd. Deze ambities liggen aan de basis van het windkader en zijn hierna vertaald naar randvoorwaarden. Zoals in paragraaf 3.6 is aangegeven, is de input vanuit de inwoners en belangenorganisaties herleidbaar gemaakt middels letteraanduidingen:

  • -

    De gemeente wil haar eigen verduurzamingsopgave grotendeels binnen haar eigen grondgebied realiseren, rekening houdend met een opgave vanuit de REKS en naar de toekomst alternatieven zorgvuldig afwegen en innovaties op de voet volgen (A, B).

  • -

    De gemeente wil dat inwoners vroegtijdig en volwaardig worden betrokken in het proces bij de ontwikkeling van windenergie en ziet er op toe dat marktpartijen voor inwoners een gelijkwaardig mogelijk speelveld creëren (C, D, E).

  • -

    De gemeente wil dat lasten en lusten eerlijk verdeeld worden en dat waar sprake is van belasting, maatwerk in compensatie wordt gepleegd (D).

  • -

    De gemeente wil een begeleid proces waarin het plaatsen van windturbines als een integrale gebiedsontwikkeling wordt gezien: aandacht voor plaatsing, inpassing en nieuwe functies (E, F, G).

5.3 Vier randvoorwaarden windkader

Grootschalige opwekking van windenergie heeft grote invloed op de fysieke leefomgeving en op de mens in zijn leefomgeving. Windturbines zijn vaak van ver te zien. De gemeente Heusden wil dan ook zorgvuldig omgaan met het toestaan van grote windturbines. Dit windkader geeft inzicht in de voorwaarden die de gemeente (gehoord de input van de inwoners) belangrijk vindt bij de totstandkoming van initiatieven voor windenergie. Daarbij leggen vier randvoorwaarden de basis voor het kader:

  • -

    Effecten voor de mensen zo klein mogelijk (E, F).

  • -

    Respect voor erfgoed, natuur en landschap (B, G).

  • -

    Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving (C, D).

  • -

    Compensatieplicht (D).

Proces

Hierna komen deze vier onderdelen allemaal aan bod. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij op alle vier onderdelen een onderbouwing leveren, in eerste instantie als denklijn in een procesvoorstel, in tweede instantie (als het zover komt) als onderdeel van de onderbouwing in de ruimtelijke procedure. Daar wordt in paragraaf 5.10 verder op ingegaan.

5.4 Effecten zo klein mogelijk

5.4.1 Overlast en gezondheid

Uit de participatie blijkt dat deelnemers twijfel hebben bij wettelijke afstanden (400 meter tot woningen). De voorzorgsafstand is een op voorhand ingeschatte minimum afstand van een turbine tot een object. Het is gedacht vanuit de windturbine (overlast als gevolg van geluid en slagschaduw) en niet vanuit de bewoner (gezondheid). Hoewel met de voorzorgsafstand voldaan kan worden aan de wettelijke vereisten, is daarmee niet geheel uitgesloten dat windturbines dan geen schadelijke effecten zouden hebben. Op dit moment ontbreekt echter zoals in paragraaf 4.4 is aangegeven wetenschappelijk onderzoeken naar de effecten en op korte termijn is ook geen duidelijkheid te geven over de lange termijn gezondheidseffecten.

De belangrijkste nadelige effecten zijn geluid en slagschaduw en deze effecten zijn binnen de voorzorgsafstand van 400 meter tussen de woningen (hieronder wordt ook een bedrijfswoning verstaan) en windturbines gemitigeerd. Binnen de 400 meter-zone is de bouw van windturbines alleen mogelijk als woningen worden aangewezen als zogenaamde molenaarswoning. Daarbij moeten de woningen technisch, functioneel en/of organisatorisch gebonden zijn aan de windturbine(s), bijvoorbeeld doordat de inwoners mede-exploitant zijn van de windturbine(s)[1]. Indien een molenaarswoning geen optie is, dient de woning te worden aangekocht en aan de woonbestemming te worden onttrokken.

Daarnaast is vaak gesproken over een zone van 750 meter tot woonbebouwing. Aangenomen wordt dat de nadelige effecten, van windturbines op een afstand van 750 meter voldoende zijn afgenomen om niet meer tot compensatie over te gaan zonder bewijsvoering van de nadelige effecten.

5.4.2 750 meter als grens

De gemeente houdt gezien de overwegingen in 5.4.1 de 750 meter-grens rond de woonkernen (op basis van grens bebouwde kom) aan als harde afstand (afbeelding 5.1). Binnen deze zones mogen geen grote turbines gebouwd worden. Mogelijke overlast van (laagfrequent) geluid, slagschaduw, mogelijke gezondheidsklachten en visuele effecten nemen onmiskenbaar af naarmate de afstand groter wordt.

Dat betekent niet dat solitaire woningen (hieronder wordt ook een bedrijfswoning verstaan) in het buitengebied ‘vogelvrij’ zijn. De voorzorgsafstand van 400 meter voor deze woningen blijft gelden. Onderzoek naar geluid en slagschaduw zal uitwijzen waar de precieze contour ligt. Indien deze dichterbij de woning ligt dan 400 meter, handhaaft de gemeente de 400 meter-grens, indien deze verder weg ligt bij de woning wordt de afstand groter. De gemeente zal toezien op het voorkomen van mogelijke overlast op een woonkern, veroorzaakt door de aanwezigheid van meerdere windparken. Voorkomen dient te worden dat woongebieden of woningen ingesloten raken door meerdere windparken en/of turbines.

Afbeelding 5.1: 750 meter-zone tot grens bebouwde kom

foto

5.5 Respect voor erfgoed, natuur en landschap

5.5.1 Aanwijzing gebieden

Cultuurhistorische gebieden, structuren of objecten (kortgezegd cultuurhistorische waarden) tonen de geschiedenis van een gebied. Voor veel inwoners zijn deze cultuurhistorische waarden een deel van de eigenheid van het gebied waar bijzonder veel belang aan wordt gehecht. Het herkenbaar en afleesbaar houden van deze waarden staat voorop bij het toestaan van nieuwe ontwikkelingen, dus ook windenergie.

In de gemeente Heusden gaat het om een aantal bijzondere cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 4 passeerden deze de revue. Het is duidelijk dat het beschermingsregime dat samenhangt met het Beschermd Stadsgezicht Heusden, de Schootsvelden van de Vestingstad en van het Fort Hedikhuizen, de eendenkooien (afpalingsrecht) en de Baardwijkse Overlaat nadere eisen stelt aan de plaatsing van windturbines.

De plaatsing van windturbines kan visuele effecten en verstoring van erfgoed met zich meebrengen. De gemeente neemt daarom als eis op dat als één of meer turbines geplaatst worden in de nabijheid (zulks ter beoordeling door de gemeente o.b.v. een concreet initiatief) van de op afbeelding 4.3 aangegeven zones, er in elk geval een studie moet zijn van de effecten (openheid, aanzicht, vrij zicht) van de turbines op het beschermd stadsgezicht, de schootsvelden en cultuurhistorische waarde. Uitgangspunt is dat de waarden niet onevenredig worden aangetast. Zoals aangegeven in paragraaf 4.3.2 hebben de beschermde natuurgebieden een eigen beschermingsregime vanuit provincie, Rijk en Europa. In die zin is natuur geborgd en is het niet nodig om vanuit de gemeente strengere eisen te stellen t.a.v. natuur.

5.5.2 Landschappelijke inpassing

Bij de landschappelijke inpassing van windturbines wordt met name gedoeld op de wijze waarop de locatiekeuze van windturbines op de landschappelijke opzet kan worden afgestemd. In algemene zin gelden de volgende uitgangspunten:

  • -

    Clustering: windturbines in een cluster (minimaal 3 turbines) dienen te staan op plekken die een logische landschappelijke of stedenbouwkundige verankering hebben.

  • -

    Lijnopstelling: windturbines in een lijn dienen een logische ordening te hebben en dezelfde verschijningsvorm. De lijn dient bij voorkeur ingegeven te worden door bestaande lijnen in het landschap (weg, rivier, kanaal, bosrand, hoogspanningsleiding).

Voor windturbines is het van belang dat ze op een landschappelijk gezien logische plek staan. Daarmee zijn ze weliswaar een nieuw element in het landschap, maar bouwen ze verder op de bestaande landschappelijke opzet. Dat maakt de ontwikkeling van het landschap afleesbaar. Vanuit die denklijn geldt een aantal richtlijnen voor de positionering van windturbines:

  • -

    Kies voor windturbines een plek die aansluit bij de bestaande landschappelijke opzet van het gebied.

  • -

    Voorkom dat windturbines belangrijke landschappelijke of historische zichtlijnen wegnemen.

  • -

    Binnen een project dienen windturbines hetzelfde te zijn (type, as- en tiphoogte).

De bouw van windturbines kan een stimulans zijn voor het behoud of versterken van de landschappelijke of natuurlijke kwaliteiten binnen de invloedssfeer van de windturbines. Voor deze nieuwe kwaliteiten wordt gezocht naar koppelkansen, onder andere op het gebied van water, natuur of infrastructuur. Te denken valt aan het opnemen van ruimte voor weidevogelleefgebied, mogelijkheden om de biodiversiteit in het gebied te versterken, mogelijkheden om recreatieve verbindingen te maken, historische beplanting te herstellen of om waterberging te realiseren. Deze koppelkansen kunnen samen met de inwoners en de gemeente in het participatieproces inzichtelijk worden gemaakt. In gebieden die horen tot de groenblauwe mantel is het realiseren van koppelkansen in elk geval verplicht.

De gemeente vindt het van belang voor haarzelf en de initiatiefnemer dat een principeverzoek voor de bouw van een windturbine gepaard gaat met een voorstel voor de landschappelijke inpassing. Het landschappelijk inpassingsplan moet laten zien dat bij de landschappelijke inpassing koppelkansen zijn verzilverd en er daarnaast rekening is gehouden met:

  • -

    De historische gegroeide landschapsstructuur, dan wel de historische dorpsstructuur van het gebied.

  • -

    Een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de windturbine(s).

De vormgeving van windturbines is maatwerk en ook onderhevig aan innovaties en nieuwe technieken. Vanuit landschappelijk oogpunt verdient het de voorkeur dat windturbines een ranke en transparante constructie hebben en neutrale kleuren die wegvallen of opgaan in de achtergrond.

5.6 Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving

5.6.1 Zeggenschap 

Om de realisatie van grote windturbines succesvol te laten zijn, is draagvlak onder inwoners noodzakelijk. Dit draagvlak ontstaat als inwoners en ondernemers vroegtijdig worden meegenomen in initiatieven in hun woon- en leefomgeving. Het totstandkomingsproces van dit kader is daarin de eerste stap geweest.

Uit de gesprekken met de inwoners is gebleken dat veel inwoners waarde hechten aan zeggenschap bij de totstandkoming van initiatieven en willen delen in de opbrengst van de initiatieven, onder de noemer van een ‘eerlijke verdeling van de lusten en de lasten’. De gemeente staat daar ook zo in: windenergie moet van, voor en met de lokale samenleving worden gerealiseerd. De revenuen moeten voor minimaal 50% terugvloeien naar de lokale gemeenschap onder meer om de inbreuk op de leefomgeving aanvaardbaar te maken.

Van initiatiefnemers wordt daarom gevraagd om inwoners vroegtijdig te betrekken bij de planvorming en ook ruimte te geven aan daadwerkelijke deelname in een windturbine/windpark. Op die manier wordt direct een lokale betrokkenheid georganiseerd. Bovendien wordt op deze manier ook de lokale kennis van de fysieke leefomgeving ingebracht in het proces.

Participatie valt uiteen in twee aspecten: procesparticipatie en financiële participatie. Bij procesparticipatie gaat het erom hoe inwoners betrokken worden bij de ontwikkeling van initiatieven en plannen. Dit wordt nader uitgewerkt in paragraaf 5.10. Bij financiële participatie gaat het over de mogelijkheid om financieel te participeren en (mede)-eigenaar te worden van een duurzaamheidsinitiatief.

5.6.2 Rollen

Het bouwen aan draagvlak is primair de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Bij de initiatiefnemer ligt dus de verantwoordelijkheid voor het goed doorlopen van het participatieproces. Vanuit de gemeente zullen we in de rol van regisseur voor de vergunningenprocedure nauw betrokken zijn bij de te zetten participatiestappen. De gemeente is graag gesprekspartner bij het tot stand komen van windmolens. Zij hecht grote waarde aan een zorgvuldig proces en verankering van het project in Heusden. Bij de vergunningprocedure kan zo ook beter worden getoetst of het participatieproces zorgvuldig is doorlopen. Bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het initiatief wordt daarom tevens meegewogen op welke wijze het proces is doorlopen, of daarin voldoende zorgvuldigheid is betracht en voldoende is ingezet op het bouwen van draagvlak voor het initiatief. Zie daarvoor de stappen in de proceswijzer in paragraaf 5.10.

5.6.3 Financiële participatie

Het Klimaatakkoord stelt dat participatie en draagvlak essentieel zijn voor de uitvoerbaarheid van de energietransitie. Inwoners en belanghebbenden moeten goed betrokken worden bij de planvorming en, waar mogelijk, in staat gesteld worden om financieel te participeren. De ambitie uit het Klimaatakkoord is dat 50% van nieuwe hernieuwbare productie op land in eigendom komt van de lokale omgeving.

In het Coalitieprogramma 2018-2022 staat dat bij plaatsing van windmolens en zonnevelden een aanzienlijk deel van de revenuen terug moet vloeien naar de lokale samenleving. Dat is in dit windkader vertaald in lijn met het Klimaatakkoord: bij initiatieven voor windturbines moet er voor minimaal 50% van het windpark sprake zijn van een vorm van meeprofiteren door de lokale samenleving van Heusden. Dat kan in een coöperatieve vorm, maar er zijn meerdere manieren waarop financiële participatie mogelijk wordt gemaakt, bijvoorbeeld met een postcoderoosregeling en aandeelhouderschap. De vormen liggen niet op voorhand vast en de gemeente staat open voor creatieve voorstellen die een evenredig voordeel opleveren voor de lokale samenleving en haar opgave voor de energietransitie.

Het zorgvuldig betrekken van inwoners en belanghebbenden geeft mede-eigenaarschap over het proces en helpt in het creëren van draagvlak, maar zorgt niet voor direct eigenaarschap van het project/initiatief. Dat laatste kan door middel van financiële participatie om zo lokale gebondenheid te regelen. In het participatietraject wordt daarom ook onderzocht op welke wijze er voor lokale partijen en inwoners de mogelijkheid is om eigenaarschap te verwerven in het project.

Afhankelijk van de wijze van participatie kan zo echt eigendom ontstaan. De gemeente hanteert daarbij het uitgangspunt van minimaal 50% lokaal eigenaarschap.

 

In beginsel zijn er twee manieren voor financiële participatie:

  • -

    meedoen in de financiering;

  • -

    meedoen in de exploitatie.

Meedoen in financiering

Het meefinancieren van een windturbine/windpark betekent feitelijk dat inwoners, lokale bedrijven, maar ook gemeenten kunnen investeren in het initiatief en daarmee een rendement realiseren. De investeerder hoeft niet per se de eigenaar te zijn, maar krijgt rendement op het gefinancierde bedrag. In deze vorm is er geen sprake van lokaal eigenaarschap.

Meedoen in exploitatie

Door een rol te nemen in de exploitatie van een windturbine/windpark worden deelnemers daadwerkelijk een risicodragende investeerder. In ruil daarvoor krijgen de investeerders zeggenschap over het initiatief en delen ze in de opbrengsten ervan. In deze situatie is er wel sprake van lokaal eigenaarschap.

Het beleid van de gemeente is er op gericht dat in ieder initiatief voor (een) windturbine(s) lokaal eigendom een plek heeft. Daarbij vraagt de gemeente een lokaal eigendom van minimaal 50%. Dat sluit aan bij de afspraken die in het kader van het Klimaatakkoord zijn gemaakt en een-op-een door de gemeente is overgenomen.

Er zijn meerdere manieren waarop financiële participatie mogelijk wordt gemaakt. Het is aan de initiatiefnemer om te onderbouwen dat de gekozen vorm in alle gevallen voldoet aan de minimale 50% eis.

5.7 Compensatie

De navolgende paragraaf gaat specifiek over compensatie als gevolg van een windinitiatief. Dat staat los van de rechten die inwoners hebben als belanghebbende[2] (indienen van een zienswijze of instellen van beroep tegen het initiatief) of het beroep doen op een planschaderegeling.

Inwoners moeten aanspraak kunnen maken op compensatie door een initiatiefnemer. Dat betreft inwoners die onevenredige hinder ervaren van één of meer windturbines op hun individuele (bedrijfs)woningen en niet een zogenaamde molenaarswoning zijn. De compensatie gaat vooraf aan het lokaal eigenaarschap van 50%. Dit betekent in concrete zin dat deze financiële compensatie onderdeel uitmaakt van de kosten van het project en niet meetellen in de hoogte van de lokale revenuen.

De gemeente hanteert voor individuele compensatie de volgende regeling:

  • -

    Binnen de voorzorgsafstand van 400 meter gehele compensatie door ofwel de betreffende (bedrijfs)woning onderdeel te laten zijn van het windpark (molenaarswoning), dan wel de woning op te kopen en aan de woonbestemming te onttrekken.

  • -

    Indien een windturbine geplaatst wordt tussen de 400 meter en 750 meter, is sprake van gedeeltelijke compensatie. De mate waarvan is afhankelijk van de uitkomsten van de effectonderzoeken (geluid en slagschaduw).

  • -

    Buiten de 750 meter in principe geen individuele compensatie.

Op voorhand kan de gemeente niet aangeven wat in elk geval een redelijke compensatie is. De gemeente zal zich echter goed laten informeren of hierin redelijkheid betracht is. Ook als een inwoner zich net buiten de aangegeven grenzen bevindt of anderszins kan worden aangetoond dat een individuele inwoner bijzonder nadeel ondervindt door een initiatief, houdt de gemeente het recht voor deze inwoners compensatie te bedingen. Dit zal afhangen van het specifieke project en de specifieke locatie.

Naast individuele compensatie bestaat de mogelijkheid dat een gehinderde gelden ontvangt uit een gebiedsfonds. De invulling van het gebiedsfonds is in beginsel vrij en wordt bepaald in overleg met de inwoners. Wel is het van belang dat er in het fonds een koppeling wordt gelegd met de leefbaarheid en de verduurzaming van de leefomgeving. Te denken valt aan de financiering van de verduurzaming van een buurthuis of het gesubsidieerd aanbieden van besparings- en verduurzamingsmaatregelen voor particulieren.

5.8 Beleid en regelgeving

De initiatiefnemer kan geen rechten ontlenen aan het windkader alleen. Het windkader staat namelijk op voorhand geen projecten toe, maar voorziet in criteria waaraan aanvragen in elk geval worden beoordeeld Het kan bovendien zijn dat uit beleid en regelgeving (zie daarvoor hoofdstuk 4) toestemmingen en/of vergunningen van andere bevoegde gezagen noodzakelijk zijn.

5.9 Netaansluitingen en -voorzieningen

Vanwege de financiële uitvoerbaarheid (aanleg kabels) zullen initiatiefnemers van nieuwe windparken in de nabijheid van afnemers en/of aansluitpunten op het net willen realiseren. Hoewel ontwikkelaars dus locaties prefereren in de nabijheid van het net, worden locaties buiten deze zones niet op voorhand uitgesloten. Het netwerk kan zich uitbreiden, de techniek kan innoveren en bij een bepaalde grootschalige omvang van een windpark kan het financieel haalbaar worden om een langere kabel aan te leggen.

Bij de toename van het aantal windparken blijkt dat de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk soms een beperkende factor kan zijn. Ook de afstand tot transportstations is daarbij van belang. Om zeker te zijn dat het initiatief uitvoerbaar is t.a.v. het elektriciteitsnetwerk moet de initiatiefnemer aantonen dat er een geldende offerte ligt van de leidingbeheerder, of op andere wijze borgen dat aansluiting op het elektriciteitsnetwerk plaats kan vinden.

Afbeelding 5.2: Infrastructuur van Enexis (2019)

foto

5.10 Planvormende fase

5.10.1 Participatie

De gemeente vindt dat projecten voor duurzame opwek met en voor de lokale samenleving moeten worden ontwikkelt. Met de eis dat minimaal 50% van een ontwikkeling in lokaal eigendom moet zijn, wordt hier al voor een belangrijk deel invulling aan gegeven. Maar ook de mensen en partijen die niet direct participeren in het project, moeten op redelijke wijze invloed kunnen hebben in de planvormende fase. Dit zijn bijvoorbeeld de direct omwonenden en belangenverenigingen voor natuur en milieu, maar de gemeente adviseert om het proces naar de ontwikkeling van een project direct vanaf het begin zo open en transparant mogelijk te houden. Daarbij hoort ook brede betrokkenheid van de lokale omgeving en belanghebbenden. Ook de gemeente hoort daarbij.

5.10.2 Proces

Uitwerken Projectvoorstel

Om een initiatief voor (een) windturbine(s) te kunnen realiseren zal eerst een plan uitgewerkt moeten worden in een projectvoorstel. Het projectvoorstel heeft het niveau van een schetsontwerp of principeverzoek en moet voldoende duidelijk maken op welke manier invulling wordt gegeven aan de in het windkader genoemde criteria:

- Effecten voor de mensen zo klein mogelijk.

- Respect voor erfgoed en landschap.

- Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving.

- Compensatieplicht.

Ook moet er dan inzicht zijn in de wijze waarop de initiatiefnemer de participatie door de omgeving wil vormgeven (participatieplan). Vanaf het eerste begin van het uitwerken van een plan voor een windpark is de gemeente een belangrijke gesprekspartner. Zij kan adviseren over de uitwerking van het plan en faciliteren in het participatieproces.

Principe-uitspraak

Met een compleet en voldoende uitgewerkt projectvoorstel kan bij het college een verzoek worden gedaan een principe-uitspraak te doen over het project. Het voorstel wordt beoordeeld en de afweging wordt gemaakt of het project van voldoende kwaliteit is om een uitzondering voor te maken. Het college neemt het besluit of een verzoek wordt toe- of afgewezen.

Uitwerken definitief voorstel

De principe-uitspraak is nog geen garantie voor realisatie van een project voor (een) windturbine(s). Op basis hiervan kan een volgende stap worden gezet in het uitvoeren van het projectplan. Dit betreft het uitvoeren van het participatieplan en de registratie van de daarin opgehaalde informatie, en ook moeten de verplichte onderzoeken voor de benodigde vergunningen worden doorlopen. Zoals aangegeven zijn dit complexe onderzoeken en dient de omgeving en belanghebbenden in begrijpelijke taal op de hoogte te worden gesteld van de uitkomsten. Daarna kan een volledig en definitief uitgewerkt projectplan worden opgesteld, inclusief een ruimtelijke onderbouwing en mogelijke onderzoeken. Op basis hiervan kunnen de nodige vergunningen worden aangevraagd (zie paragraaf 5.11). De gemeente kan hierbij adviseren.

5.11 Procedurefase

Op het moment dat de gemeente het windkader vaststelt, kunnen initiatiefnemers starten met het proces zoals in paragraaf 5.10.2 is omschreven. De gemeente verwacht dat, als de vergunningsaanvraag wordt ingediend, de initiatiefnemer de stappen zoals in paragraaf 5.10.2 zijn aangegeven, heeft doorlopen. Dit betreft het startgesprek met de gemeente in de ideefase, het betrekken van de samenleving van idee tot project en een verkenning van en afspraken over het eigenaarschap (partners, financiering en financiële participatie). De kans op slagen wordt zo vergroot voor de initiatiefnemer.

De ruimtelijke procedure is een traject op zichzelf. Voor het doorlopen van het vergunningentraject (vooralsnog een Omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan) is een aantal documenten nodig.

De aanvraag omvat onder meer een ruimtelijke onderbouwing van het initiatief inclusief alle (milieu) onderzoeken. Hierbij dienen ook de resultaten van het participatieproces te worden gevoegd evenals de landschappelijke inpassing en onderbouwing.

Afspraken met betrekking tot de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering en het eventueel terugbrengen van de locatie in oorspronkelijke situatie worden bovendien vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer (naast opname in de vergunningsvoorschriften).

De Omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan wordt ter visie gelegd door de gemeente. In die fase is er ook formeel de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door inwoners of andere belanghebbenden.

 

De procedure heeft na indiening globaal gezien de volgende stappen:

  • -

    Het bevoegd gezag geeft op geschikte wijze kennis van de beslissing op de aanvraag.

  • -

    Het bevoegd gezag legt alle belangrijke stukken voor 6 weken ter inzage. Iedereen kan zienswijzen tegen de ontwerpvergunning naar voren brengen.

  • -

    Het bevoegd gezag pleegt overleg met de overleginstanties, zoals provincie en waterschap.

  • -

    Het bevoegd gezag reageert op de zienswijzen. Deze beantwoording is een motivering van het besluit.

  • -

    Het bevoegd gezag besluit normaal binnen zes maanden na de tervisielegging. Het vergaart kennis over de belangrijke feiten en belangen en weegt de belangen af.

  • -

    Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend hebben na het besluit van bevoegd gezag 6 weken de tijd om in beroep te gaan. Een rechter doet daarna uitspraak.

5.12 Wind en zon

Het kan zijn dat initiatiefnemers voor grootschalige wind- en zonneparken onafhankelijk van elkaar hetzelfde gebied voor ogen hebben. Het kan ook zijn dat een initiatiefnemer met opzet beide vormen van duurzame energie (en de daarvoor noodzakelijke infrastructuur en voorzieningen) wil combineren. De gemeente wil dat in beginsel niet belemmeren, maar zal uiteraard kritisch kijken naar de inpassing en de cumulatieve effecten van een gecombineerd initiatief.

5.13 Amoveren van turbines

Na de exploitatietermijn (zoals vast te leggen in de vergunning), dient de plek van de turbine weer in de oorspronkelijke staat te worden hersteld.

5.14 Flexibiliteit

De energietransitie in Heusden is geen op zichzelf staande exercitie. Er is een REKS, regio’s zijn met het Rijk in discussie en overheden onderling. Met enige regelmaat vinden innovaties plaats die de opbrengst en/of opslag van energie relevant beïnvloeden.

De energietransitie is daarmee een groot en langdurig proces met veel onzekerheden omgeven. De kunst is de balans tussen dingen doen en durven, maar geen dingen die onomkeerbaar blijken en morgen achterhaald zijn. Met dit kader is de koers bepaald voor de lange termijn en worden stappen gezet voor de komende tijd. Om te bepalen of er voldoende voortgang is, of de kaderstelling leidt tot passende initiatieven en of er knelpunten en aandachtspunten zijn die vragen om een aanscherping van de visie, is evaluatie en monitoring van groot belang. Dat past ook in de filosofie van de Omgevingswet, waarin wordt geredeneerd vanuit een beleidscyclus. Geen statisch einddocument maar een visie die meebeweegt en aangepast wordt op de nieuwste inzichten en ontwikkeling.

[1] Dit blijkt uit uitspraak van de Raad van State, te vinden op: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2018:4180 

[2] ECLI:NL:RVS:2018:616