Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland van 31 maart 2020 houdende regels omtrent de toekenning van nadeelcompensatie aan diegene die onevenredig zijn benadeeld als gevolg van de stremming van de hefbrug in Boskoop (Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019)

Geldend van 03-03-2021 t/m heden

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland van 31 maart 2020 houdende regels omtrent de toekenning van nadeelcompensatie aan diegene die onevenredig zijn benadeeld als gevolg van de stremming van de hefbrug in Boskoop (Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019)

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 158, eerste lid, sub a, van de Provinciewet;

Overwegende dat de hefbrug in Boskoop van 10 oktober 2019 tot en met 20 november 2019 was gestremd voor weg- en vaarwegverkeer;

Overwegende dat het wenselijk is om een beleidsregel vast te stellen voor de toekenning van nadeelcompensatie aan diegene die onevenredig zijn benadeeld als gevolg van die stremming;

Besluiten vast te stellen:

BELEIDSREGEL NADEELCOMPENSATIE STREMMING HEFBRUG BOSKOOP 2019

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    brutowinst: het verschil tussen de verkoopwaarde van de omzet en de inkoopwaarde van de omzet.

  • b.

    normkosten: kosten op jaarbasis die naar redelijke verwachting gemaakt zouden zijn, als de schadeoorzaak, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet had plaatsgevonden;

  • c.

    normomzet: omzet op jaarbasis die naar redelijke verwachting behaald zou zijn, als de schadeoorzaak, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet had plaatsgevonden;

  • d.

    verzoek: verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 10 of artikel 17;

  • e.

    verzoeker: indiener van een verzoek.

Artikel 2 Recht op schadevergoeding
  • 1.

    Gedeputeerde staten kennen degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de stremming van de hefbrug in Boskoop van 10 oktober 2019 tot en met 20 november 2019, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

  • 2.

    Bij het nemen van een besluit omtrent schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 8 in aanmerking genomen.

  • 3.

    De vergoeding wordt bepaald in geld. Nochtans kunnen gedeputeerde staten de vergoeding toe kennen in een andere vorm dan betaling van een geldsom.

Artikel 3 Normaal maatschappelijk risico
  • 1.

    Binnen het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico vallende schade komt niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 2.

    Onder het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico valt in ieder geval:

    • a.

      schade tot een bedrag van € 500,– voor een particulier;

    • b.

      schade tot een bedrag van € 1.000,– voor een onderneming; en

    • c.

      schade ten gevolge van een omzetdaling van maximaal 2% van de normomzet van een onderneming dan wel;

    • d.

      schade ten gevolge van een kostenstijging van maximaal 2% van de brutowinst van een onderneming.

Artikel 4 Ondernemersrisico en tijdelijke omzetdaling of tijdelijke kostenverhoging door niet-normale infrastructurele maatregel

[vervallen]

Artikel 5 Schadebeperking
  • 1.

    Heeft verzoeker nagelaten redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van schade te nemen, dan blijft de schade die door het treffen van zodanige maatregelen voorkomen of beperkt had kunnen worden, ten laste van de verzoeker.

  • 2.

    De redelijke kosten van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade behoren tot de te vergoeden schade.

Artikel 6 Voordeeltoerekening

Heeft een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking worden genomen.

Artikel 7 Kosten van deskundigenbijstand
  • 1.

    Redelijke kosten voor de indiening en de behandeling van het verzoek zowel het inroepen van rechtsbijstand dan wel andere deskundigenbijstand kunnen voor vergoeding in aanmerking komen.

  • 2.

    Indien een adviescommissie wordt ingesteld, worden de kosten van deskundigenbijstand die zijn gemaakt voordat een conceptadvies is uitgebracht, in ieder geval niet redelijk geacht.

Artikel 8 Vergoeding van wettelijke rente

Een vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek kan deel uitmaken van de toe te kennen vergoeding. Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat wordt gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek door gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen

Artikel 9 Indieningstermijn
  • 1.

    Een verzoek tot vergoeding wordt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen een verzoek afwijzen indien vijf jaren zijn verlopen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de omstandigheid dat deze schade is veroorzaakt door de schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

  • 3.

    Heeft verzoeker, vóórdat de termijn is verstreken na verloop waarvan gedeputeerde staten het verzoek kunnen afwijzen, een schriftelijke mededeling aan gedeputeerde staten gedaan waarin verzoeker ondubbelzinnig verklaart dat hij zich het recht voorbehoudt om een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 2 in te dienen, dan begint een nieuwe termijn als bedoeld in het tweede lid te lopen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop deze schriftelijke mededeling is gedaan.

Artikel 10 Verzoek om schadevergoeding
  • 1.

    Het verzoek wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de naam en het adres van de verzoeker;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      een aanduiding van deze beleidsregel en het handelen dat de gestelde schade naar het oordeel van de verzoeker heeft veroorzaakt;

    • d.

      als redelijkerwijs mogelijk een opgave van de aard en de omvang van de schade, een specificatie van het bedrag van de schade; en

    • e.

      een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van verzoeker dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, een opgave van het schadebedrag, dat naar het oordeel van verzoeker vergoed dient te worden.

  • 2.

    Gedeputeerde staten bevestigen de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk, doch tenminste binnen twee weken na de ontvangst ervan, en stellen de verzoeker in kennis van de te volgen procedure.

  • 3.

    Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, of indien verzoeker overigens verzuimt de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen te verschaffen, stellen zij de verzoeker in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een door gedeputeerde staten te stellen termijn.

Artikel 11 Vereenvoudigde behandeling van het verzoek
  • 1.

    Gedeputeerde staten nemen het verzoek niet in behandeling indien het niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 is ingediend en van de geboden gelegenheid om het verzoek aan te vullen geen, niet tijdig of onvoldoende is gebruik gemaakt.

  • 2.

    Een besluit om het verzoek niet in behandeling te nemen wordt aan de verzoeker bij brief medegedeeld binnen vier weken nadat het verzoek is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen een verzoek zonder advies van een commissie afwijzen. Gedeputeerde staten wijzen een verzoek in ieder geval zonder advies van een commissie af als het verzoek naar hun oordeel kennelijk ongegrond is. Een verzoek is onder meer kennelijk ongegrond wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 9, tweede lid.

  • 4.

    Een besluit om het verzoek zonder advies van een commissie af te wijzen wordt aan de verzoeker bij brief medegedeeld binnen acht weken na ontvangst van het verzoek, dan wel binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de verzoeker het verzoek kon aanvullen.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen de termijn, genoemd in het vierde lid, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. Gedeputeerde staten stellen de verzoeker daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 12 De adviescommissie
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een adviescommissie instellen.

  • 2.

    De commissie heeft tot taak gedeputeerde staten van advies te dienen over de op het verzoek te nemen beslissing.

  • 3.

    De commissie bestaat uit één of meer onafhankelijke deskundigen, die door gedeputeerde staten worden benoemd. Indien de commissie uit meer leden bestaat, wijzen gedeputeerde staten de voorzitter aan.

  • 4.

    De commissie wordt ingesteld uiterlijk vier weken na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 11, vierde lid, dan wel indien het vijfde lid van dat artikel toepassing heeft gevonden, uiterlijk vier weken na het verstrijken van de in dat lid genoemde termijn.

  • 5.

    Gedeputeerde staten stellen de verzoeker in kennis van zijn voornemen om een commissie in te stellen. De kennisgeving bevat de namen van de deskundigen, hun beroep en de plaats waar zij hun werkzaamheden plegen te verrichten. De belanghebbende kan binnen twee weken na verzending van de kennisgeving bedenkingen uiten tegen de voorgenomen samenstelling.

Artikel 13 Het door de commissie te verrichten onderzoek
  • 1.

    De commissie dient gedeputeerde staten van advies over de op het verzoek te nemen beslissing. Zij stelt daartoe, voorzover een zorgvuldige advisering daartoe noopt, een onderzoek in naar:

    • a.

      de vraag of de door verzoeker in zijn verzoek gestelde schade een gevolg is van de in het verzoek aangeduide schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

    • b.

      de omvang van de schade als bedoeld onder a;

    • c.

      de vraag of deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks met inachtneming van het in artikel 2 tot en met 8 bepaalde; en

    • d.

      de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.

  • 2.

    De commissie brengt rapport uit over haar bevindingen. Zij adviseert gedeputeerde staten over de hoogte van de uit te keren schadevergoeding en doet, indien gedeputeerde staten een daartoe strekkende verzoek hebben gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Artikel 14 Bevoegdheden en verplichtingen
  • 1.

    Gedeputeerde staten stellen de commissie, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De verzoeker verschaft de commissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 3.

    De commissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de commissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming van gedeputeerde staten.

  • 4.

    De commissie kan een plaatsopneming houden, indien zij dit nodig acht.

Artikel 15 Procedure adviescommissie
  • 1.

    De commissie stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure.

  • 2.

    De commissie stelt verzoeker en gedeputeerde staten in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting. Beiden kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde.

  • 3.

    Meegebrachte deskundigen worden in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven.

  • 4.

    Van de toelichtingen wordt een verslag opgemaakt. Het verslag wordt aan verzoeker en de gedeputeerde staten toegezonden.

  • 5.

    Alvorens de commissie haar definitieve advies opstelt, maakt zij een conceptadvies op. Dit conceptadvies wordt uiterlijk zesentwintig weken nadat de commissie is ingesteld, aan verzoeker en aan gedeputeerde staten toegezonden. Indien niet binnen deze termijn een conceptadvies opgemaakt kan worden, deelt de commissie verzoeker en gedeputeerde staten gemotiveerd mede, waarom deze termijn overschreden wordt. Zij geeft daarbij een termijn aan waarbinnen het conceptadvies aan verzoeker en aan gedeputeerde staten zal worden toegezonden. Deze termijn bedraagt ten hoogste zesentwintig weken.

  • 6.

    Verzoeker en gedeputeerde staten maken eventuele bedenkingen tegen het conceptadvies, uiterlijk acht weken na de datum van verzending daarvan, schriftelijk aan de commissie kenbaar.

  • 7.

    De commissie stelt haar advies vast binnen acht weken na het verstrijken van de in het zesde lid genoemde termijn. Zij kan deze termijn, onder opgaaf van redenen, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. Zij zendt het advies terstond toe aan de verzoeker en aan gedeputeerde staten.

Artikel 16 Beslistermijn
  • 1.

    Gedeputeerde staten beslissen binnen acht weken of, indien een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter, dan wel het enig lid, geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken verlengen of, indien een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter, dan wel het enig lid, geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, zes maanden verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 17 Voorschot
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk verzoek de verzoeker die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding een voorschot toekennen op deze vergoeding van de geleden schade indien zij van oordeel zijn dat de uitzonderlijke omstandigheden van het geval of het gecompliceerde karakter van het verzoek daartoe nopen.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verlenen onder de voorwaarde van zekerheidsstelling.

  • 3.

    Een voorschot geeft geen recht op definitieve toekenning van schadevergoeding.

Artikel 18 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019.

Artikel 19 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dag van uitgifte van het provinciaal blad waarin deze wordt geplaatst.

Den Haag, 31 maart 2020

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

Drs. J. Smit, voorzitter

Drs. H.M.M. Koek, secretaris

Toelichting bij de Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019

Algemene toelichting

Aanleiding

De hefbrug in Boskoop is van 10 oktober tot 21 november 2019 door de provincie gestremd. De provincie heeft besloten tot deze stremming in het kader van haar publiekrechtelijke taak van wegbeheer. Aangezien deze stremming nadeel heeft opgeleverd voor weg- en vaarweggebruikers hebben gedeputeerde staten besloten tot het vaststellen van deze beleidsregel. Opgemerkt zij dat voor de invulling van deze beleidsregel de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 waar toepasselijk als uitgangspunt is genomen.

Reikwijdte en doel

Deze beleidsregel strekt zich uit tot alle verzoeken om nadeelcompensatie, waaronder tijdelijke inkomensschade. Het doel van deze beleidsregel is om verzoeken om nadeelcompensatie als gevolg van voornoemde tijdelijke stremming op een uniforme en redelijke wijze af te handelen. Hiermee wordt beoogd:

  • rechtszekerheid voor burgers en bedrijven (transparantie en voorspelbaarheid);

  • minder kosten (in verband met het inschakelen van deskundigen); en

  • minder procedures en snellere behandeling van verzoeken.

Normaal maatschappelijk risico

Voor het bepalen van de invulling van het normaal maatschappelijk risico is aangesloten bij de overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als uitgangspunt geldt dat een overheidshandeling zoals het treffen van een verkeersmaatregel of de uitvoering van een infrastructureel project als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee eenieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten.1 Dit neemt evenwel niet weg dat er sprake kan zijn van zodanig feiten en/of omstandigheden die de overheid verplichten (een deel van) de toerekenbare schade te vergoeden. Dit betekent dat bij het beoordelen van het normaal maatschappelijk risico onderzocht dient te worden of en zo ja in welke mate sprake is van dergelijke bijzondere feiten en/of omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan de aard van de schadeoorzaak, de duur ervan, de wijze van verwezenlijking ervan en de (relatieve) omvang van de schade.2

In het geval van de stremming van de hefbrug in Boskoop is sprake van een niet normaal maatschappelijke ontwikkeling gezien de brug abrupt en plotseling is afgesloten voor al het vaar- en wegverkeer.3 De afsluiting heeft in totaal zes weken geduurd. De afsluiting houdt verband met de constatering dat de hefbrug op dat moment constructief onveilig was. Na deze constatering is de brug direct voor weg- en vaarwegverkeer gestremd. De stremming houdt derhalve geen verband met gepland en/of regulier onderhoud. Dit laat onverlet dat een deel van de schade altijd behoort tot het normaal maatschappelijk risico, omdat (1) er wordt geprofiteerd van het bestaan van de infrastructuur, (2) evident is dat een brug af en toe aan onderhoud onderhevig is conform de onderhouds- en beheerplicht van de provincie als (vaar)wegbeheer en men daar rekening mee dient te houden, (3) men zich afhankelijk heeft gemaakt van deze brug en dus kwetsbaar is voor stremmingen en (4) men altijd rekening dient te houden met onverwachte schommelingen in omzet of kosten. De beleidsregel geeft hier invulling aan door minimaal 2% van de normomzet voor eigen rekening te laten komen en daarna een korting van 25% te hanteren.

Het toepassen van een minimale drempel van 2% van de omzet wordt ook in dergelijke gevallen niet als onredelijk aangemerkt door de ABRvS.4 Immers heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat dat de 2%-drempel die is neergelegd in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening een minimum forfait is dat altijd geldt, ook als de schadeveroorzakende ontwikkeling niet als normaal kan worden beschouwd. Hierbij wordt opgemerkt dat de drempel wordt toegepast op het niveau van de rechtspersoon die de schade heeft geleden.

Het staat de provincie daarnaast ook vrij om, gelet op haar discretionaire bevoegdheden, het normaal maatschappelijk risico in te vullen middels een korting op het schadebedrag. 5 Gelet op de uitspraak inzake de stremming van de Hollandse Brug van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State acht de provincie een dergelijke korting (op het schadebedrag) van 25% redelijk.6 In de uitspraak volgt dat de Afdeling grond aanwezig acht voor toepassing van een korting wegens normaal ondernemersrisico. Het in deze zaak betrokken transportbedrijf was afhankelijk van de infrastructuur. Hieraan is inherent dat, naast het profiteren van een goed onderhouden wegennet, soms nadeel wordt ondervonden door de uitvoering van verkeersmaatregelen en wegwerkzaamheden. De locatie van de onderneming, de tijdelijkheid van de schade en de mogelijkheid om gedurende de afsluiting om te rijden zijn op zichzelf omstandigheden die aanleiding vormen voor een korting op de geleden schade wegens normaal ondernemersrisico.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor bepaling van de normkosten en de normomzet wordt aangesloten bij de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019.

Artikel 2 Recht op schadevergoeding

Het eerste lid van artikel 2 vormt de kern van deze beleidsregel. Hier wordt de grondslag neergelegd voor het recht op een vergoeding van schade als gevolg van de afsluiting van de hefbrug te Boskoop van 10 oktober tot 21 november 2019.

Artikel 3 Normaal maatschappelijk risico

In de algemene toelichting wordt het normaal maatschappelijk risico in het algemeen en in de situatie van de stremming van de hefbrug te Boskoop van 10 oktober tot 21 november 2019 uitvoerig toegelicht. De omschreven uitgangspunten in de algemene toelichting zijn in dit artikel verwoord. Er wordt aangesloten bij de jurisprudentie en de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019.

Artikel 4 Ondernemersrisico en tijdelijke omzetdaling of tijdelijke kostenverhoging

Zie de toelichting bij artikel 3.

Artikel 5 Schadebeperking

Van de verzoeker mag worden verwacht dat hij in voorkomende geval waarin schade optreedt alle redelijke maatregelen neemt om de schade te beperken of voorkomen (zie ook art. 6:101 BW). Daarmee hangt samen dat genomen maatregelen om de schade te beperken of voorkomen voor vergoeding in aanmerking komen.

Artikel 6 Voordeeltoerekening

In dit artikel is een bepaling inzake voordeeltoerekening (zie ook art. 6:100 BW) opgenomen. Op grond van deze bepaling moet worden bezien of de rechtmatige overheidsdaad voor de benadeelde naast schade ook voordeel heeft opgeleverd. Indien en voor zover de benadeelde (ook) gebaat is bij de overheidsmaatregel die de schade veroorzaakt, moet dit voordeel met het nadeel worden verrekend. Een voorbeeld daarvan is de situatie waarbij een zusterfiliaal van de benadeelde onderneming een deel van de klap opvangt vanwege de overloop van klanten.

Artikel 7 Kosten van deskundigenbijstand

Degene die in aanmerking komt voor schadevergoeding op grond van het bepaalde in deze beleidsregel, komt ook in aanmerking voor vergoeding van bepaalde andere kosten die hij heeft gemaakt in verband met het vaststellen van de geleden schade. Op grond van het bepaalde in artikel 7 worden de redelijke kosten vergoed, die zijn gemaakt in verband met het inschakelen van deskundigenbijstand bij het vaststellen van (de omvang van) de schade. Het artikel ziet niet op de kosten van deskundigenbijstand in bezwaar en beroep. Op kosten die zijn gemaakt in de fase van bezwaar en beroep, zijn immers de artikelen 7:15 en 8:75 Awb van toepassing. In het tweede lid is aanvullend geregeld dat als de provincie een onafhankelijke deskundige/adviescommissie inschakelt de redelijke vergoeding van kosten in verband met het instellen van een deskundige niet aan de verzoeker worden toegekend, tenzij deze haar advies uitbrengt nadat de door de provincie ingestelde deskundige haar conceptadvies heeft uitgebracht.

Artikel 8 Vergoeding van wettelijke rente

Indien in het kader van deze beleidsregel wordt gesproken over de wettelijke rente, dan wordt de wettelijke rente van artikel 6:119 BW bedoeld.

Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen

Artikel 9 Indieningstermijn

In dit artikel wordt aangesloten bij de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vergoeding van schade als geregeld in art. 3:310 BW.

Artikel 1 0 Verzoek om schadevergoeding

De Awb somt in artikel 4:2 een aantal eisen op waaraan een verzoek tenminste moet voldoen. In aanvulling hierop zijn, mede gezien de aard van de materie, een aantal gegevens noodzakelijk om tot een beslissing op het verzoek te kunnen komen. Voor zover het omzetderving betreft dient de normomzet te worden bepaald aan de hand van de jaarstukken van de drie voorafgaande jaren (2016, 2017 en 2018) aan het jaar waarin de schade zicht heeft voorgedaan. Verder wordt met dit artikel geregeld dat een onvolledig verzoek niet in behandeling wordt genomen.

Artikel 1 1 Vereenvoudigde behandeling

Gedeputeerde staten kunnen besluiten een verzoek niet in behandeling te nemen indien het verzoek niet volledig is ingediend conform de eisen van artikel 10. Daarnaast kunnen gedeputeerde staten besluiten een verzoek af te wijzen bijvoorbeeld omdat het kennelijk ongegrond is of omdat het niet conform de eisen van artikel 9 op tijd is ingediend.

Artikel 12 -1 5 Adviescommissie

Omdat de mogelijkheid wordt voorzien dat de beoordeling van nadeelcompensatieverzoeken bijzondere deskundigheid vereist is geregeld dat voor dergelijke verzoeken een adviescommissie kan worden ingesteld door gedeputeerde staten. Deze artikelen regelen hoe de afhandeling van het verzoek verloopt wanneer een adviescommissie wordt ingesteld.

Artikel 1 6 Beslistermijn

Wanneer gedeputeerde staten een besluit nemen inzake een aanvraag voor nadeelcompensatie moet dit worden gemotiveerd. Om de beslissing op het verzoek zorgvuldig te kunnen voorbereiden, waarbij zo nodig (een) externe deskundige(n) of een commissie wordt ingeschakeld, regelt dit artikel daarvoor de redelijke termijnen. Het besluit inzake de aanvraag voor nadeelcompensatie is vatbaar voor bezwaar en beroep.

Artikel 1 7 Voorschot

Dit artikel regelt dat in uitzonderlijke situaties, die gekenmerkt worden door een gecompliceerd karakter van het verzoek om vergoeding uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid een voorschot kan worden gegeven. Hierbij dient een verzoeker overigens schriftelijk te garanderen, al dan niet met zekerheidsstelling, dat indien achteraf het voorschot geheel of gedeeltelijk onverschuldigd betaald blijkt te zijn, dit onverschuldigd bedrag wordt terugbetaald aan de provincie. Het toekennen van een voorschot leidt niet tot het erkennen van aanspraak op een vergoeding zoals bedoeld in deze regeling.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 1 8 -1 9 Inwerkingtreding en citeertitel

Deze artikelen over de datum van inwerkingtreding en de citeertitel spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting.  

Toelichting

Algemene toelichting

Dit besluit tot wijziging van de Beleidsregel nadeelcompensatie strekking hefbrug Boskoop behelst een nadere invulling van het normaal maatschappelijk risico.

In de beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019 is een drempelwaarde opgenomen aangaande de invulling van het normaal maatschappelijk risico bij een niet-normale infrastructurele maatregel. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een omzetverlies van minder dan 2% van de normomzet niet voor vergoeding in aanmerking komt. Wanneer sprake is van overlast of nadeel dat het normaal maatschappelijk risico en dus de drempelwaarde van 2% overstijgt, wordt een kortingspercentage van 25% gehanteerd ten aanzien van het deel van de schade dat de drempelwaarde overstijgt.

Gelet op de huidige stand van de rechtspraak ten aanzien van het stelsel van nadeelcompensatie dient deze invulling van het normaal maatschappelijk risico bij een niet normaal maatschappelijke ontwikkeling te worden aangepast. In lijn met de jurisprudentie en op advies van een onafhankelijk en deskundig adviesbureau 1 wijzigen wij de beleidsregel. Het onderhavige besluit voorziet hierin door:

  • a.

    de drempel van 2% van de normomzet2 te verduidelijken voor ondernemingen bij verzoeken om tijdelijke inkomensschade door omzetdaling en;

  • b.

    de drempel van 2% van de brutowinst te introduceren voor ondernemingen bij verzoeken om tijdelijke inkomensschade door kostenstijging.3

Bovenstaande vaste drempels sluiten beter aan bij de huidige stand van het recht dan het hanteren van een kortingspercentage4 of de combinatie van een drempel en een kortingspercentage5 . Door deze minimumdrempel is het voor de verzoeker en voor de provincie voorspelbaar welk deel van de schade onder het maatschappelijk risico valt en blijven bagatelschades onder de drempel. Ook heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een aantal uitspraken aangegeven dat bij nadeelcompensatie, net als bij planschade, een (vast) minimumforfait (2% drempel) kan worden gehanteerd dat altijd geldt, ook als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet als normaal kan worden aangemerkt.6

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdelen A, B en C

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor bepaling van de brutowinst wordt aangesloten bij de reguliere bedrijfseconomische definitie daarvan.

Artikel 3 Normaal maatschappelijk risico

Deze wijziging betreft ter verduidelijking een aanpassing van de bagatelregeling die voor ondernemingen geldt. In de gewijzigde beleidsregel worden drempels gehanteerd voor de bepalingen van het normale maatschappelijke risico bij zowel omzetdaling als kostenstijging.

Met deze wijziging wordt tot uitdrukking gebracht dat niet het absolute bedrag van de geleden schade boven 2% van de normomzet dient uit te stijgen, maar dat de omzetdaling hierboven uit dient te stijgen om de bagateldrempel te overstijgen. Schade voortvloeiend uit een omzetdaling kleiner of gelijk aan 2% ten opzichte van de normomzet kan in de regel worden gezien als een bagatel en die behoort tot het algemene ondernemersrisico. Daarbij wordt aangesloten bij de jurisprudentie en de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019.

In geval van schade in de kostensfeer (bij voorbeeld extra kosten vanwege omrijden en/of omvaren) wordt ook een bagateldrempel opgenomen. Een kostenstijging kleiner of gelijk aan 2% valt onder het maatschappelijk risico en dus onder het ondernemersrisico. Deze drempel dient niet te worden berekend over de normomzet. Immers in dit geval is geen sprake van schade in de vorm van een omzetderving, maar in de vorm van extra gemaakte kosten. Gelet hierop dient de drempel van 2% conform de rechtspraak toegepast te worden op de brutowinst. De Afdeling heeft in haar uitspraak overwogen dat het bij kostenschade gerechtvaardigd is om aansluiting te zoeken bij de brutomarge (brutowinst), omdat de omrijschade in feite een extra kostenpost voor de bedrijfsvoering is, die in mindering op de brutomarge (brutowinst) dient te worden gebracht.7

Artikel II

Aangezien de wijziging van de beleidsregel verzoekers niet in een minder gunstige positie brengt en het vooral een verduidelijking betreft, treedt de wijziging direct in werking.

Ondertekening


Noot
1

Zie ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6926.

Noot
2

Zie ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5105 (Tussenuitspraak Wouwse Tol), ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2052 (Tussenuitspraak Hollandse Brug), ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1868 (De Wouwse Tol) en ABRvS 15 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1650 (Cassandraplein).

Noot
3

Zie ABRvS 11 december 2013 ECLI:NL:RVS:2013:2310 (Hollandse Brug).

Noot
4

Zie ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:336.

Noot
5

Zie ABRvS 5 december 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BY5105 (Tussenuitspraak Wouwse Tol) en ABRvS 5 juni 2013 ECLI:NL:RVS:2013:CA2052 (Tussenuitspraak Hollandse Brug).

Noot
6

Zie ABRvS 5 juni 2013 ECLI:NL:RVS:2013:CA2052 (Tussenuitspraak Hollandse Brug) en ABRvS 11 december 2013 ECLI:NL:RVS:2013:2310 (Hollandse Brug).

Noot
1

Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken

Noot
2

Zie ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:336.

Noot
3

Zie ABRvS 2 oktober 2019 ECLI:NL:RVS:2019:3327 Moerdijk en ABRS d.d.12 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4034.

Noot
4

Zie Zie ABRvS 5 juni 2013 ECLI:NL:RVS:2013:CA2052 Tussenuitspraak Hollandse Brug en ABRvS 11 december 2013 ECLI:NL:RVS:2013:2310 Hollandse Brug.

Noot
5

Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019

Noot
6

Zie Zie ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:336 en ABRS 2 oktober 2019 ECLI:NL:RVS:2019:3327 Moerdijk.

Noot
7

Zie ABRvS 2 oktober 2019 ECLI:NL:RVS:2019:3327 Moerdijk en ABRS d.d.12 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4034