Algemene subsidieverordening Venlo 2020

Geldend van 03-03-2020 t/m heden

Intitulé

Algemene subsidieverordening Venlo 2020

De raad van de gemeente Venlo;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Venlo;

gelet op de artikelen 149 van de Gemeentewet en 4:23 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat:

- het subsidiestelsel van de gemeente Venlo onderhevig is aan een herijking, die onder andere zorgt voor minder administratieve lasten en een eenduidiger subsidiebeleid;

- deze herijking vraagt om een subsidieverordening die ruimte biedt om deze herijking vorm te kunnen geven;

besluit vast te stellen de Algemene subsidieverordening Venlo 2020

I. Algemeen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    activiteitenplan: een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen, dat per activiteit de daarvoor benodigde middelen vermeldt;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    raad: de gemeenteraad van de gemeente Venlo

  • d.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;

  • e.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld 1

  • f.

    onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • g.

    subsidie: De aanspraak op financiële middelen, door het college verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan de gemeente Venlo geleverde goederen of diensten. De gemeente Venlo onderscheid de volgende typen subsidies:

    • 1.

      eenmalige subsidie: incidentele subsidie ten behoeve van bijzondere en/of innovatieve activiteiten, experimenten, projecten, aanschaffingen of investeringen die door het college van belang worden geacht en die naar het oordeel van het college niet binnen de reguliere exploitatie van de organisatie kunnen worden gedekt;

    • 2.

      structurele subsidie: subsidie die per (boek)jaar of voor maximaal vier boekjaren aan een subsidieaanvrager wordt verstrekt, teneinde een bijdrage te leveren aan activiteiten met een voortdurend karakter of jaarlijks terugkerende activiteiten;

  • h.

    subsidieaanvrager c.q. -ontvanger: degene die gemeentelijk subsidie aanvraagt c.q. aan wie een subsidie is toegekend;

  • i.

    subsidieregel: krachtens deze verordening door het college vastgestelde nadere regel, die per beleidsterrein regelt onder welke voorwaarden een aanvrager voor een subsidie in aanmerking kan komen.

  • j.

    Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen, van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college op de volgende beleidsterreinen,:

    • a.

      openbare orde en veiligheid;

    • b.

      verkeer, vervoer en waterstaat;

    • c.

      economische zaken;

    • d.

      onderwijs en educatie;

    • e.

      cultuur, toerisme en recreatie;

    • f.

      sport;

    • g.

      sociale voorzieningen, welzijn en maatschappelijke activiteiten;

    • h.

      (maatschappelijke) participatie;

    • i.

      volksgezondheid.

    • j.

      Duurzaamheid

  • 2.

    De tot subsidieverlening bevoegde kan de bepalingen van deze verordening analoog van toepassing verklaren op verzoeken gebaseerd op de gevallen zoals benoemd in artikel 4:23, lid 3, Awb.

Artikel 3. Subsidieregels

Het college kan bij subsidieregel vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin in ieder geval bepaald:

  • a.

    de beleidskaders en –doelstellingen die van toepassing zijn;

  • b.

    welke doelgroep(en) voor subsidie in aanmerking komen;

  • c.

    de voorwaarden op grond waarvan subsidie wordt verstrekt;

  • d.

    hoe de subsidie wordt berekend;

  • e.

    hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald;

  • f.

    de wijze van verdeling van de beschikbare middelen binnen het vastgestelde subsidieplafond.

Artikel 4. Staatssteunregels

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij subsidieregel afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    Bij subsidieregels waarbij is bepaald dat toepassing wordt gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregel naar het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidie voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

Artikel 5. Bevoegdheden, subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    De raad stelt via de gemeentebegroting de financiële ruimte vast die voor subsidiering beschikbaar is.

  • 2.

    Het college is bevoegd besluiten te nemen tot verlening en vaststelling van subsidies, alsmede besluiten tot weigering, intrekking of wijziging van subsidies.

  • 3.

    Het college besluit over de aan de verlening te verbinden voorschriften en voorwaarden en over het aangaan van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb.

  • 4.

    Het college kan de voorwaarde opleggen een egalisatiereserve te vormen zoals is beschreven in artikel 4.72 Awb

  • 5.

    Het college is bevoegd te beslissen op aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 4:23 lid 3 van de Awb en tot het afwijzen van aanvragen om subsidie waarvoor noch een wettelijke grondslag bestaat, noch het gestelde in artikel 4:23, lid 2 van de Awb van toepassing is. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    Het college is bevoegd voorschotten op subsidies te verstrekken. Bij subsidieregel of verleningsbeschikking wordt de wijze van bevoorschotting geregeld.

  • 7.

    Het college is bevoegd om, binnen het financieel kader als bedoeld in lid 1, subsidieplafonds vast te stellen. De wijze van verdeling wordt bij Subsidieregel bepaald en bij het ontbreken van een subsidieregel wordt het beschikbare budget verdeel naar volgorden van binnenkomst van ontvankelijke aanvragen/naar evenredigheid (keuze maken).

  • 8.

    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder het voorbehoud dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

II. Aanvraag

Artikel 6. Subsidieaanvrager

  • 1.

    De subsidieaanvrager is een rechtspersoon zonder winstoogmerk. Het college kan besluiten hierop uitzonderingen te maken. Het verlenen van een subsidie aan natuurlijke personen is slechts mogelijk indien een subsidieregel daar mogelijkheden toe biedt.

  • 2.

    Voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid is afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing, tenzij het college anders bepaalt.

  • 3.

    Voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen zonder volledige rechtsbevoegdheid is afdeling 4.2.8. van de Awb zoveel mogelijk overeenkomstig van toepassing, tenzij het college anders bepaalt.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als hiervoor een aanvraagformulier door het college is vastgesteld geschiedt de aanvraag met gebruikmaking daarvan.

  • 2.

    Bij de aanvraag legt de subsidieaanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      een activiteitenplan;

    • b.

      de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      als de aanvrager een onderneming is:

      • i.

        een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • ii.

        een verklaring als bedoeld in de de-minimissteun 2 (de-minimisverklaring);

    • e.

      moet de stand van de egalisatiereserve en vermogenspositie op het moment van de aanvraag worden verstrekt.

  • 3.

    Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, een kopie van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, opgave van de bestuurssamenstelling, alsmede (indien van toepassing) van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

  • 4.

    Het college kan nadere informatie verlangen die nodig wordt geacht voor een goede beoordeling van de subsidieaanvraag. Deze informatie moet binnen de gestelde termijn worden overlegd.

  • 5.

    Bij subsidieregel kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

Artikel 8. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om een structurele subsidie die per boekjaar, zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt, wordt ingediend voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Een aanvraag om een structurele subsidie die per boekjaar, niet zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt wordt minimaal 12 weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend.

  • 3.

    Aanvragen om eenmalige subsidie worden ingediend minimaal 8 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    Bij subsidieregel kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 9. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, binnen 8 weken nadat de aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Bij subsidieregel kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 4.

    Bij een voornemen om subsidie te verlenen die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag dient te worden aangemeld bij de Europese Commissie, wordt de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

III. Verlening

Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    • b.

      als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in lid 1 weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in lid 1 en 2 kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen, tenzij dit verklaarbaar is vanuit de regionale centrumfunctie van de gemeente Venlo;

    • b.

      de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.

    • c.

      als de gelden niet of onvoldoende zullen worden besteed aan het doel waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • d.

      subsidieverlening niet past binnen het gevoerde gemeentelijk beleid dan wel de betreffende activiteiten in dat kader onvoldoende prioriteit hebben;

    • e.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • f.

      als de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die strijdig zijn met enig wettelijk voorschrift, het algemeen belang of de openbare orde, dan wel met de erkende rechten van de mens zoals vastgelegd in de Grondwet en internationale verdragen;

    • g.

      de activiteiten van godsdienstige of politieke aard zijn;

    • h.

      de activiteitenkosten betrekking hebben op verteer en vertier, behoudens reële kosten die verband houden met het waarderen en binden van vrijwilligers;

    • i.

      de raad in de begroting geen middelen ter beschikking heeft gesteld;

    • j.

      in de bij de betrokken subsidieregel bepaalde gevallen.

  • 4.

    Indien na subsidieverlening blijkt dat toch sprake is van hetgeen in lid 1 tot en met 3 is vermeld, kan het college de subsidie wijzigen dan wel intrekken.

  • 5.

    Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvangers

  • 1.

    De subsidieontvanger, die tevens rechtspersoon is, verleent medewerking aan onderzoeken die de raad, het college of de rekenkamercommissie (artikel 81oa van de Gemeentewet) uitvoert. De medewerking houdt in dat de subsidieontvanger:

    • a.

      nadere inlichtingen verstrekt over jaarrekeningen, accountantsrapporten en overige documenten met betrekking tot de subsidieontvanger;

    • b.

      genoemde jaarrekeningen, rapporten en documenten overlegt; en

    • c.

      toestaat dat de administratie wordt onderzocht.

  • 2.

    De subsidieontvanger, die een structurele subsidie per boekjaar ontvangt, behoeft toestemming van het college voor het verrichten van de in artikel 4:71 eerste lid van de Awb genoemde handelingen, althans voor zover deze handelingen leiden tot risico’s ten aanzien van de besteding van subsidiegelden.

  • 3.

    De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen blijken, alsmede de betalingen en ontvangsten.

  • 4.

    Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.

  • 5.

    Een subsidieaanvrager dient in zijn begroting rekening te houden met een redelijke financiële bijdrage van leden c.q. deelnemers en/of derden. Het college kan hierover nadere voorschriften geven.

  • 6.

    De subsidieontvanger is verplicht om de risico’s die hij niet zelf kan dragen afdoende te verzekeren. Minimaal geldt een verplichting voor een verzekering tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid en een brand- en inboedelverzekering indien de subsidieontvanger eigenaar is van een accommodatie.

  • 7.

    Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1.

    Bij subsidieregel of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting bij de subsidieregel dan wel de verleningsbeschikking wordt dan uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan.

  • 2.

    Bij subsidieregel of verleningsbeschikking kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht

  • 3.

    Bij subsidieregel of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb voordoet.

  • 4.

    Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding als bedoeld in lid 3 wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen. Daarnaast wordt de vergoeding gerelateerd aan de mate waarin de subsidie heefgt bijgedragen aan de vermogensvorming. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijk deskundige.

Artikel 13. Meerjarensubsidie

  • 1.

    Het college kan besluiten om een meerjarige beschikking af te geven tot maximaal 4 boekjaren.

  • 2.

    In een meerjarige beschikking wordt vermeld op grond waarvan tussentijds eventueel de beschikking tot subsidieverlening kan worden bijgesteld, alsmede welke gegevens periodiek dienen te worden overlegd.

  • 3.

    Bij meerjarige beschikkingen kan het college besluiten om, voorafgaand aan een nieuw boekjaar, de beschikking te wijzigen indien het door de raad vastgestelde financiële kader daartoe aanleiding geeft.

  • 4.

    Vaststelling van de subsidie vindt plaats in het jaar volgend op het laatste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

IV. Verantwoording en vaststelling

Artikel 14. Verantwoording en vaststelling subsidies

  • 1.

    De subsidieontvanger dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een structurele subsidie die per boekjaar, zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt, uiterlijk voor 1 mei van het jaar dat volgt op het betrokken boekjaar;

    • b.

      in geval van een structurele subsidie die per boekjaar, niet zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt, uiterlijk 12 weken na afloop van het betrokken boekjaar;

    • c.

      in geval van een eenmalige subsidie, uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

    • d.

      in geval van een meerjarensubsidie als bedoeld in artikel 13, uiterlijk voor 1 mei van het jaar dat volgt op het laatst betrokken boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening).

  • 3.

    Per subsidie van meer dan € 125.000 dient de subsidieontvanger een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijke accountant, bij de aanvraag tot vaststelling te voegen. De accountant onderzoekt of het activiteitenverslag met het financieel verslag verenigbaar is en onderzoekt tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan besluiten tot het opleggen van de verplichting als genoemd onder het derde lid indien het subsidiebedrag lager is dan € 125.000.

  • 5.

    Bij subsidieregel of verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.

  • 6.

    Het college kan besluiten om de subsidieverlening en –vaststelling te laten samenvallen

  • 7.

    In geval van verlening van een subsidie als bedoeld in het zesde lid wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie.

Artikel 15. Vaststelling subsidies

  • 1.

    Het college stelt een subsidie vast binnen 12 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregel anders is bepaald.

  • 2.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 8 weken worden verdaagd.

  • 3.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 14 lid 1, aanhef en onder a, b of c, is ingediend kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling op nihil.

V. Overige bepalingen

Artikel 16. Hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan in individuele gevallen ontheffing verlenen van één of meerdere verplichtingen van deze verordening.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere omstandigheden bij individuele gevallen afwijken van een of meerdere bepalingen uit deze verordening.

  • 3.

    In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.

Artikel 17. Overgangsrecht

  • 1.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Algemene subsidieverordening Venlo 2010 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Algemene subsidieverordening 2020, worden afgehandeld krachtens de Algemene subsidieverordening Venlo 2020.

  • 2.

    De Algemene subsidieverordening Venlo 2010, blijft van toepassing op bezwaar- en beroepsprocedures tegen besluiten gegrond op de Algemene subsidieverordening Venlo 2010.

Artikel 18. Slotbepalingen

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    Op dat tijdstip wordt ingetrokken de Algemene subsidieverordening Venlo 2010.

  • 3.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Venlo 2020.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 februari 2020

De griffier, de voorzitter

Geert van Soest, Antoin Scholten

Toelichting

Algemeen

Deze Algemene subsidieverordening Venlo 2020 (ASV) betreft een algemene regeling. Het schept het juridische kader waarbinnen en de wettelijke grondslag waarop subsidies kunnen worden verstrekt. Daar waar in de diverse artikelen een afwijkingsmogelijkheid voor het college is gecreëerd ten aanzien van de in de ASV genoemde hoofdregels, dient dit gemotiveerd in subsidieregels of indien van toepassing in de subsidieverleningsbeschikking te gebeuren.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren nadere regels. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregels opgenomen worden.

Onder het begrip ‘Europees steunkader’ vallen in ieder geval zowel de algemene groepsvrijstellingsverordening (verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving) als de de-minimisverordeningen (verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving).

Artikel 2. Reikwijdte

Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid toegewezen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening Venlo 2017 (hierna: ASV) van toepassing is. Onder maatschappelijke dienstverlening wordt in dit kader uitdrukkelijk ook het beheer en ingebruikgave (exploitatie) van gemeenschapsaccommodaties ten behoeve van maatschappelijke activiteiten verstaan.

Dit betreft in beginsel alle subsidies op de genoemde beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen.

Artikel 3. Subsidieregels

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om in nadere regels, hier en verder subsidieregel genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit dan eveneens in de subsidieregel te gebeuren.

In andere artikelen van de ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregel: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze van verdelen van het subsidieplafond.

Artikel 4. Europees steunkader

Bij een voornemen tot subsidieverstrekking die voldoet aan de criteria voor staatssteun, moet nagegaan worden in hoeverre een Europees steunkader van toepassing kan zijn. Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie mogelijk op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.

In subsidieregels en -beschikkingen die gebruik maken van een Europees steunkader, wordt het toepasselijke steunkader expliciet vermeld.

Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 2). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (lid 3).

Artikel 5. Bevoegdheden, subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Dit artikel regelt welke algemene bevoegdheden het college heeft ten aanzien van subsidieverstrekking.

In het vierde lid is geregeld dat het college ook bevoegd is te beslissen op aanvragen om subsidie in gevallen waarin op grond van artikel 4:23 lid 3 van de Awb subsidie mag worden toegekend, ondanks het feit dat geen wettelijke grondslag aanwezig is. Het gaat hierbij met name om incidentele subsidieverlening en de verlening van subsidie in een situatie waarin de gemeentebegroting de subsidieontvanger vermeld, evenals het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.

Artikel 6. Aanvrager

Eerste lid

In principe wordt subsidie enkel verstrekt aan rechtspersonen zonder winstoogmerk. Afhankelijk van het subsidiebeleid kan het wenselijk zijn om bv natuurlijke personen subsidie te kunnen verlenen (burgerinitiatieven). Het college heeft hiertoe dan de bevoegdheid.

Tweede lid

Afdeling 4.2.8 van de Awb geeft in zijn algemeenheid regels voor het gehele proces van per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen.

Derde lid

Volgens artikel 4:66 van de Awb wordt subsidie slechts verleend aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. Lid drie doelt met name op organisaties die in oprichting zijn en daardoor nog niet over volledige rechtspersoonlijkheid beschikken.

Artikel 7. Aanvraag

In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan; en dat als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden.

Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (tweede lid, onderdeel d, onder 1). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder de de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden (tweede lid, onderdeel d, onder 2). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening (zie toelichting artikel 1).

Artikel 8. Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen structurele subsidies (per boekjaar, al dan niet zijnde een kalenderjaar), en eenmalige subsidies. Bij subsidieregel kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste tot en met derde lid (vierde lid).

Artikel 9. Beslistermijnen

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen structurele subsidies per boekjaar, al dan niet zijnde een kalenderjaar, en eenmalige subsidies. Bij subsidieregel kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid).

De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindebeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens teruggevorderd dient te worden.

Artikel 10 Weigerings-, intrekkings-, en terugvorderingsgronden

Subsidieaanvragen worden in eerste instantie getoetst aan de in dit artikel vermelde weigeringsgronden alvorens een verdere behandeling plaatsvindt.

Artikel 4:25 regelt dat een subsidie kan worden geweigerd als toekenning zou leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Artikel 4:35 noemt nog meer gevallen, zoals het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens of als een organisatie failliet is verklaard. Een subsidie kan ook (geweigerd en) ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de

Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet.

Eerste en tweede lid

Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan wel indien het een onderneming betreft waartegen een terugvorderingsactie loopt, moet het college op grond van lid 1 overgaan tot weigering (absolute weigeringsgrond).

Ten aanzien van het tweede lid, geldt dat een onderneming, naar oordeel van de Europese Commissie, beschouwd wordt als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij - zonder overheidsingrijpen - op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.

Derde lid

Dit lid bevat een aantal facultatieve weigeringsgronden. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.

Onderdeel b. geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. In nadere regels kan dit begrip nader worden uitgewerkt, waarbij rekening gehouden wordt met mogelijke bestemmingsreserves en een buffer die nodig is voor een gezonde exploitatie.

Onderdeel i. regelt dat het college de subsidie kan weigeren in het geval de te subsidiëren instelling bezoldigingen overeenkomt of is overeengekomen die hoger zijn dan het bedrag bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: Wnt). De gedachte achter deze weigeringsgrond is dat bij subsidieaanvragers die hogere bezoldigingen dan dat bedrag overeenkomen, gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een deel van de subsidie aan dergelijke bezoldigingen wordt besteed. Vanuit het oogpunt van doelmatige besteding van subsidiegeld wordt dit onwenselijk geacht.

Als de doelmatige besteding van subsidiegeld niet in het geding is – bijvoorbeeld omdat het een zeer geringe subsidie betreft of duidelijk is dat de gelden niet besteed zullen worden aan de salariskosten – kan het college afzien van weigering ondanks dat er bij de subsidieaanvrager sprake is van bezoldigingen die het maximum overtreffen. Als de subsidiegelden niet besteed zullen worden aan salariskosten, dan zal het aan de subsidieaanvrager zijn om dit (uit eigen beweging) te onderbouwen.

De weigeringsgrond heeft betrekking op alle subsidieaanvragers, niet alleen op instellingen die al onder de Wnt vallen. Bovendien wordt gekeken naar alle bezoldigingen die door de aanvrager met functionarissen (met of zonder dienstbetrekking) zijn overeengekomen en dus niet alleen naar die bezoldigingen die zijn overeengekomen met een topfunctionaris als bedoeld in de Wnt.

Onderdeel k. tenslotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregel nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.

Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvangers

Dit artikel bevat een aantal algemene verplichtingen die gelden voor subsidieaanvragers/-ontvangers.

Op basis van het eerste lid bestaat zowel voor het college als voor de raad of de rekenkamercommissie de mogelijkheid om onderzoek te doen naar een gesubsidieerde organisatie. Deze is verplicht hieraan alle medewerking te verlenen.

Het tweede lid heeft verwijst naar artikel 4:71 van de Awb. Dit artikel noemt een aantal juridische handelingen, zoals het oprichten van of deelnemen in een rechtspersoon, het wijzigen van statuten, het verwerven van eigendom, het vervreemden of bezwaren van registergoederen, het aangaan van geldleningen of kredietovereenkomsten, enz.. Toestemming van het college voor deze handelingen is nodig als dit leidt tot risico’s ten aanzien van de besteding van subsidiegelden.

Het vereiste van een ‘redelijke financiële bijdrage van leden c.q. deelnemers en/of derden’ (vijfde lid) geldt voor de meeste organisaties. Het gaat daarbij om bijdragen van leden/deelnemers, maar bijvoorbeeld ook om sponsorgelden, crowdfunding of co-financiering door derden. In sommige gevallen zal de eigen bijdrage van leden of deelnemers echter nihil zijn vanwege de aard van de activiteiten. Dit moet door subsidieaanvrager dan onderbouwd worden bij de aanvraag.

Onder het zevende lid worden onder andere begrepen voornemens tot fusie, liquidatie of ontbinding. Al deze zaken moeten onverwijld worden gemeld aan het college. Dit kan leiden tot intrekking of wijziging van de subsidie, eventueel in combinatie met terugvordering van (een gedeelte van) de subsidie.

Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).

Het eerste lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.

Het tweede en derde lid biedt het college de mogelijkheid om te bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is bij een met subsidiegelden opgebouwd vermogen. In een dergelijk geval zal rekening worden gehouden met bestemmingsreserves en de buffer die nodig is voor een gezonde exploitatie. In artikel 4:41 lid 2 van de Awb wordt aangegeven in welke gevallen van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt.

Artikel 13 Meerjarensubsidies

Een meerjarensubsidie is een vorm van structurele subsidie en kan door het college worden verleend in het geval er sprake is van activiteiten die met grote continuïteit plaatsvinden en jaarlijks vrijwel in vrijwel gelijke vorm worden uitgevoerd. Een meerjarensubsidie leidt in dat geval tot beperking van administratieve lasten, zowel voor de betreffende organisatie als voor de gemeente.

De meerjarensubsidie wordt voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft aangevraagd. De aanvraag tot vaststelling wordt ingediend na afloop van het laatste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

Artikel 14 Verantwoording en vaststelling subsidies

Bij de grotere subsidies vindt een knip plaats tussen verlening en vaststelling. Door de subsidieontvanger moet een aanvraag tot vaststelling worden ingediend, voorzien van de vereiste (inhoudelijke en financiële) verantwoording.

De aanvraag dient in de gevallen als benoemd in derde en vierde lid te worden voorzien van een controleverklaring van een onafhankelijke accountant. De accountant onderzoekt of het activiteitenverslag met het financieel verslag verenigbaar is en onderzoekt tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen en geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid (controleverklaring).

Het college heeft de mogelijkheid om bij subsidieregel aanvullende/andere gegevens te verlangen (vijfde lid).

Om de administratieve lasten te beperken, zowel aan de kant van de gemeente als aan de kant van de subsidieontvangers, kan het college besluiten dat subsidies gelijk worden verleend en vastgesteld (lid 6). Dan wordt het voorschot gelijkgesteld aan de verleende subsidie (lid 7)

Artikel 15 Vaststelling subsidies

Het college beslist op de aanvraag tot vaststelling binnen de in dit artikel genoemde termijnen. Indien een ingediende aanvraag niet alle vereiste gegevens bevat, wordt de beslistermijn opgeschort (art 4:15 lid 1 sub a Awb) tot dat alle vereiste gegevens zijn overlegd.

Artikel 16 Hardheidsclausule

De Algemene subsidieverordening Venlo 2020 betreft een algemene regeling. Het college is bevoegd hiervan af te wijken als toepassing van bepaalde regels in een incidenteel geval voor een belanghebbende gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met deze verordening worden beoogd. De ontheffing als bedoeld in het eerste lid geschiedt vooraf, op verzoek van de aanvrager.


Noot
1

waaronder de Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1); de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37);

Noot
2

In de zin van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352/1); Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 51 I/1); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2);]