Verordening maatregelen, handhaving en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen Weesp 2020

Geldend van 31-01-2020 t/m 24-03-2022 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2020

Intitulé

Verordening maatregelen, handhaving en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen Weesp 2020

De gemeenteraad van de gemeente Weesp,

Gelet op artikel 8 en 8b van de Participatiewet;

Besluit:

Hoofdstuk 1 Algemene bepaling

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

    • b.

      IOAW: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • c.

      IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • d.

      college: het college van burgemeester en wethouders;

    • e.

      uitkering:

      • -

        de van toepassing zijnde norm inclusief eventuele gemeentelijke toeslag of verlaging ingevolge de participatiewet;

      • -

        de bijzondere bijstand voor levensonderhoud aan jongeren ingevolge de WWB;

      • -

        de van toepassing zijnde grondslag ingevolge de IOAW en IOAZ;

    • f.

      belanghebbende: degene die een uitkering krachtens de in artikel 1 genoemde wetten heeft aangevraagd of aan wie een uitkering is toegekend;

    • g.

      maatregel: een tijdelijke verlaging van de uitkering, te weten:

      • -

        de verlaging van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de participatiewet;

      • -

        de verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ;

      • -

        de weigering van de uitkering als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ;

    • h.

      beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • i.

      bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de participatiewet;

    • j.

      boete: de bestuursrechtelijke boete als bedoeld in artikel 18a van de participatiewet en artikel 20a van de IOAW en de IOAZ;

    • k.

      re-integratievoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de participatiewet, artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAW, artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAZ, gericht op arbeidsinschakeling;

    • l.

      flankerende voorziening: een flankerende voorziening is randvoorwaardenscheppend voor belanghebbende voor deelname aan re- integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen; hieronder is in ieder geval begrepen schuldhulpverlening en kinderopvang;

    • m.

      wetten: de participatiewet, IOAW, IOAZ en het Bbz.

  • 2. Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de desbetreffende wet.

Artikel 2 Het opleggen van een maatregel

  • 1. Als de belanghebbende de verplichtingen van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de verplichtingen uit de wetten, genoemd in artikel 1 van deze verordening, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich tegenover het college zeer ernstig misdragen, dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, legt het college op de uitkering een maatregel op in overeenstemming met deze verordening.

  • 2. Bij het opleggen van een maatregel betrekt het college de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en zijn gezin.

  • 3. Als gevolg van het bepaalde in het tweede lid kan het college in afwijking van het gestelde in deze verordening wijzigingen aanbrengen in de hoogte en/of de duur van de maatregel.

Artikel 3 Samenloop van gedragingen

Bij het tegelijkertijd begaan van meerdere maatregelwaardige gedragingen die vallen in verschillende maatregelcategorieën, wordt die maatregel opgelegd die behoort tot de hoogste categorie.

Artikel 4 Afzien van een maatregel

  • 1. Van het opleggen van een maatregel wordt afgezien, als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 2. Het college ziet van het opleggen van een maatregel af, als sprake is van dringende redenen.

Artikel 5 Vaststellen van de maatregel

De maatregel wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van de uitkering.

Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak

  • 1. Een maatregel wordt niet uitgevoerd voordat het besluit aan belanghebbende is bekendgemaakt.

  • 2. In overleg met belanghebbende kan de uitvoering van de maatregel, conform het bepaalde in artikel 18, vijfde lid, van de wet, over maximaal drie maanden worden verdeeld.

  • 3. Als het recht op uitkering eindigt, kan, voor zover het tijdvak waarover de maatregel is opgelegd nog niet is verstreken, het resterende deel van de maatregel ten uitvoer worden gelegd, als de belanghebbende binnen drie maanden na de beëindiging opnieuw aanspraak op uitkering maakt.

Artikel 6a Inkeerregeling

Op verzoek van belanghebbende herziet het college een opgelegde maatregel door de duur en/of de hoogte van de opgelegde maatregel te matigen per datum verzoek belanghebbende, indien uit de houding en gedraging van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 8 en 8a nakomt.

Hoofdstuk 2 Categorieën van op te leggen maatregelen en te onderscheiden maatregelwaardige gedragingen

Artikel 7 Categorie-indeling van op te leggen maatregelen

  • 1. Voor de bepaling van de hoogte en de duur van een maatregel wordt een categorie-indeling gehanteerd. De hoogte en de duur van de maatregelen worden als volgt onderscheiden:

    • a.

      eerste categorie:

      • -

        een schriftelijke waarschuwing;

      • -

        30% gedurende één maand bij de eerste recidive;

      • -

        100% gedurende één maand bij de tweede en volgende recidive;

    • b.

      tweede categorie:

      • -

        30% van de uitkering voor de duur van één maand;

      • -

        100% gedurende één maand bij de eerste recidive;

      • -

        100% gedurende twee maanden bij de tweede en volgende recidive;

    • c.

      derde categorie:

      • -

        100% van de uitkering voor de duur van één maand;

      • -

        100% gedurende twee maanden bij de eerste recidive;

      • -

        100% gedurende drie maanden bij de tweede en volgende recidive.

  • 2. Onder recidive, als bedoeld in het vorige lid, wordt verstaan het vertonen van een in artikel 8, 8a, 9 of 10 genoemde gedraging binnen een jaar na het nemen van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd.

Maatregelwaardige gedragingen

Artikel 8 Het onvoldoende en het niet nakomen van arbeidsverplichtingen

  • 1.

    • a.

      Het niet nakomen van lichte arbeidsverplichtingen omvat de volgende gedraging:

      • -

        niet verschijnen op een oproep in verband met zijn arbeidsinschakeling.

    • b.

      In geval van een in dit lid onder a genoemde gedraging wordt een maatregel van de eerste categorie opgelegd.

  • 2.

    • a.

      Het onvoldoende nakomen van de arbeidsverplichtingen omvat de volgende gedragingen:

      • -

        onvoldoende meewerken aan het wegnemen van belemmeringen, waaronder in ieder geval begrepen het onvoldoende meewerken aan een flankerende voorziening;

      • -

        onvoldoende meewerken aan een aangeboden re-integratievoorziening;

      • -

        onvoldoende solliciteren;

      • -

        het zich anderszins onvoldoende inzetten voor arbeidsinschakeling;

      • -

        het uit diens houding en gedragingen door de alleenstaande ouder die een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet heeft, ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de WWB, niet te willen nakomen.

    • b.

      In geval van in dit lid onder a genoemde gedragingen wordt een maatregel van de tweede categorie opgelegd.

  • 3.

    • a.

      Het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen omvat de volgende gedragingen:

      • -

        zich zodanig gedragen dat een stage niet behouden wordt;

      • -

        het niet meewerken aan een procedure die kan leiden tot het verkrijgen van een baan.

    • b.

      In geval van in dit lid onder a genoemde gedragingen wordt een maatregel van de derde categorie opgelegd.

    • c.

      Ten aanzien van de belanghebbende of diens partner die een uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ ontvangt, weigert het college de uitkering conform de systematiek van de maatregel van de derde categorie, bij het verwijtbaar zijn geëindigd van een dienstbetrekking of bij het verwijtbaar niet verkrijgen van een dienstbetrekking.

  • 4. In geval van het niet nakomen van de wettelijke verplichtingen als genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, wordt een maatregel van de derde categorie opgelegd.

Artikel 8a Het onvoldoende nakomen en het niet nakomen van verplichtingen opgelegd op grond van de artikelen 55 en 57

Het college kan nadere verplichtingen opleggen zoals genoemd in de artikelen 55 en 57 Participatiewet.

  • a.

    Bij het onvoldoende nakomen van deze nadere verplichtingen wordt een maatregel van de tweede categorie opgelegd.

  • b.

    Bij het niet nakomen van deze nadere verplichtingen wordt een maatregel van de derde categorie opgelegd.

Artikel 9 Zeer ernstige misdragingen

  • 1. Wanneer de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens personen die onder verantwoordelijkheid of in opdracht van het college werkzaam zijn bij de uitvoering van de in artikel 1 genoemde wetten, wordt een maatregel van de derde categorie opgelegd.

  • 2. Onder zeer ernstige misdragingen wordt in ieder geval verstaan: verbaal geweld, discriminatie, intimidatie, lichamelijk geweld of bedreiging met lichamelijk geweld, gijzelneming, huis- of lokaalvredebreuk met geweld, dreiging met geweld of enige andere feitelijkheid.

Artikel 10 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan

  • 1. Als de belanghebbende voorafgaand aan of tijdens de uitkeringsverstrekking tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, wordt een maatregel opgelegd.

  • 2. Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen:

    • -

      het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan de uitkeringsverlening, voor zover het beroep op uitkeringsverlening redelijkerwijs was te voorzien;

    • -

      het door belanghebbende niet alles doen ter voorkoming van het, gedeeltelijk of volledig, afhankelijk worden van een uitkering.

  • 3. De maatregelcategorie die op grond van dit artikel van toepassing is, is afhankelijk van de hoogte van het benadelingsbedrag:

    • a.

      bij een benadelingsbedrag tot € 4.000,-: een maatregel van de tweede categorie;

    • b.

      bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: een maatregel van de derde categorie;

    • c.

      als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen: een maatregel van de tweede categorie.

  • 4. Onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag aan uitkering dat als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid extra uitbetaald moet worden aan belanghebbende ten opzichte van de situatie dat het tekortschietend besef zich niet zou hebben voorgedaan.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt in alle gevallen een maatregel opgelegd van de derde categorie indien een voorliggende voorziening niet of niet volledig tot uitbetaling komt vanwege verrekening, waarbij op grond van een wettelijk voorschrift artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing is gelaten.

Hoofdstuk 3 Handhaving

Artikel 11 Voorkoming en opsporing fraude

Het college draagt zorg voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet en treft maatregelen ten aanzien van:

  • a.

    preventie van misbruik en oneigenlijk gebruik;

  • b.

    controle op misbruik en oneigenlijk gebruik;

  • c.

    opsporing van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Artikel 12 Aangifte

Als het college bij de uitvoering van de wet het gerechtvaardigde vermoeden heeft dat een belanghebbende een strafbaar feit heeft begaan, doet het college daarvan aangifte bij het openbaar ministerie, in overeenstemming met de daarvoor geldende richtlijnen en de met het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.

Hoofdstuk 4 Verrekenen bestuurlijke boete

Artikel 13 Verrekenen bestuurlijke boete met beslagvrije voet bij voldoende bezit

  • 1. Indien het bezit van degene die algemene bijstand ontvangt ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.

  • 2. De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.

Artikel 14 Verrekenen bestuurlijke boete bij geen of onvoldoende bezit

  • 1. Indien het bezit van degene die algemene bijstand ontvangt niet ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete gedurende één maand zonder toepassing van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.

  • 2. Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent het college de recidiveboete in de daaropvolgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 3. Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Participatiewet.

Artikel 15 Verrekening met inachtneming van de beslagvrije voet

In afwijking van de artikelen 13 en 14 kan het college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:

  • a.

    aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de artikelen 13 of 14, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin;

  • b.

    er anderszins sprake is van dringende redenen, met name als de verrekening op de wijze, bedoeld in de artikelen 13 of 14, onwenselijke consequenties heeft voor inwonende minderjarige kinderen van de belanghebbende.

Artikel 16 Eerder opgelegde bestuurlijke boetes

De artikelen 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 17 Intrekking oude verordeningen

De Verordening Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Weesp 2017 en de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Weesp 2017 worden ingetrokken.

Artikel 18 Overgangsbepalingen

Maatregelen en boetes die voor 1 januari 2020 zijn opgelegd blijven bij het van kracht zijn van deze verordening gehandhaafd.

Artikel 19 Slotbepaling

In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 20 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

Artikel 21 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als de ‘Maatregelverordening Participatiewet Weesp 2020’.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 6 november 2019

M. van Engelshoven,

griffier

B.J. van Bochove,

voorzitter

Toelichting op de Verordening maatregelen, handhaving en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze verordening worden twee nieuwe begripsbepalingen geïntroduceerd, te weten de begrippen "re-integratievoorziening" en de "flankerende voorziening". In de begripsomschrijving van "flankerende voorziening" is specifiek aangegeven dat geen limitatieve opsomming is bedoeld te geven, maar juist een indicatieve opsomming.

Hoofdstuk 2. Categorieën van op te leggen maatregelen en te onderscheiden maatregelwaardige gedragingen

Artikel 7

De definitie van de drie categorieën van maatregelen is duidelijker en bondiger opgesteld; dit is mogelijk daar in de artikelen 8, 8a, 9 en 10 bij de maatregelwaardige gedragingen zelf genoemd staat welke categorie van maatregel wordt opgelegd. De schriftelijke waarschuwing is als categorie benoemd, als "eerste categorie", in plaats van als "waarschuwing". De eerste en tweede categorie zijn hierdoor vernoemd tot respectievelijk tweede en derde categorie.

Een maatregel van de eerste categorie kan alleen maar worden opgelegd bij het niet verschijnen op een oproep in verband met arbeidsinschakeling. Bij het niet-verschijnen op een oproep kan de uitkering worden opgeschort. Deze opschorting wordt ongedaan gemaakt, indien belanghebbende na een hersteltermijn alsnog gevolg geeft aan de oproep om te komen. In dat geval blijft het recht op uitkering ongewijzigd doorlopen. Om toch een consequentie te kunnen verbinden aan het feit dat betrokkene niet meteen bij de eerste oproep is verschenen, wordt voor dat gedrag achteraf alsnog een maatregel opgelegd als het gedrag verwijtbaar is. Indien het de eerste keer betreft dat iemand niet verschijnt op een gesprek, is een schriftelijke waarschuwing aan de orde. Heeft betrokkene bij eerdere gesprekken in het kader van zijn arbeidsinschakeling ook de eerste oproep genegeerd en is daarvoor een maatregel opgelegd, dan is er sprake van recidive en wordt een maatregel van 30% opgelegd. Bij 2de en volgende recidive zal de uitkering gedurende 1 maand volledig worden gekort.

De term recidive is ten opzichte van de voorgaande verordening aangepast; recidive is aan de orde als er wederom maatregelwaardig gedrag wordt vertoond door belanghebbende, ongeacht of dit gedrag wordt gesanctioneerd met een maatregel uit dezelfde, lagere of hogere categorie.

Door de aanpassing van het begrip recidive wordt de verordening beter uitvoerbaar.

Artikel 8

Ten opzichte van de voorgaande verordening is de in artikel 8, sub 1a, genoemde gedraging aangepast aan de tekst van artikel 17, tweede lid, WWB. In plaats van niet verschijnen op een oproep in het kader van een onderzoek naar de arbeidsinschakeling wordt thans gesproken van niet verschijnen op een oproep in verband met zijn arbeidsinschakeling.

De gedragingen die opgenomen waren onder het oude artikel 8, sub 2a, eerste gedachtestreepje, te weten "het niet verschijnen op een oproep voor een medische keuring, een bezoek aan een re-integratiebedrijf of een oproep in het kader van de voortgang van een traject", zijn komen te vervallen door de wijziging van artikel 17, lid 2, WWB. Al deze gedragingen vallen onder artikel 17, lid 2, WWB. Bij het niet verschijnen op de eerste oproep, wordt in die gevallen een maatregel van de eerste categorie opgelegd.

De overige gedragingen onder artikel 8, sub 2a, "het onvoldoende nakomen van de arbeidsverplichtingen" zijn deels anders verwoord, zodat duidelijker te onderscheiden is welke gedragingen begrepen worden onder onvoldoende nakomen en welke gedragingen vallen onder niet nakomen van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in lid 3 van artikel 8.

Daarnaast is een gedraging toegevoegd: "het zich anderszins onvoldoende inzetten voor arbeidsinschakeling"; dit ziet op situaties dat met de belanghebbende in het kader van zijn arbeidsinschakeling afspraken zijn gemaakt, bijvoorbeeld het aanpassen van het curriculum vitae en deze afspraken niet worden nagekomen.

Ook de tekst van artikel 8, lid 3, is enigszins aangepast. Doordat in artikel 1 het begrip "re-integratievoorziening" is gedefinieerd, kon het derde lid van artikel 8 bondiger worden geformuleerd.

Verder is in het derde lid na "het zich zodanig gedragen dat een baan niet wordt verkregen" een extra maatregelwaardige gedraging toegevoegd: "het niet meewerken aan een procedure die kan leiden tot het verkrijgen van een baan". De eerste omschrijving ziet op situaties waarin belanghebbende door eigen toedoen een concreet aangeboden baan niet verkrijgt. De toegevoegde gedraging is bedoeld voor de situatie dat een belanghebbende niet meedoet aan een assessment of een sollicitatieprocedure, terwijl er een aanbod van een concrete baan ligt. Deze aanvulling is noodzakelijk daar uit jurisprudentie is gebleken dat de rechter dit onderscheid maakt.

Artikel 8a

Dit is een nieuw artikel; hierin is het opleggen van een maatregel opgenomen in geval van het onvoldoende c.q. niet nakomen van verplichtingen opgelegd op grond van artikel 55 of 57 WWB.

Artikel 9

In de redactie van artikel 9 is het woord "daarbij" toegevoegd. Er staat nu ' Wanneer de belanghebbende zijn verplichtingen niet nakomt en zich daarbij zeer ernstig misdraagt'. Hierdoor wordt benadrukt dat het zich zeer ernstig misdragen als bedoeld in dit artikel alleen maar kan leiden tot een maatregel, als die gedraging plaatsvindt op het moment dat de belanghebbende dient te voldoen aan een van de in de artikel 18, lid 2, van de WWB genoemde verplichtingen. Dit artikellid verwijst naar alle verplichtingen die uit de WWB voortvloeien. Als voorbeelden kunnen genoemd worden: op het moment dat de klant mee dient te werken aan een aangeboden voorziening, als de klant is opgeroepen voor een gesprek in verband met de arbeidsinschakeling of als de klant is opgeroepen voor het verstrekken van inlichtingen.

Als de klant, zonder dat daarbij sprake is van het voldoen aan een hiervoor genoemde verplichting, opbelt of langskomt en zich zeer ernstig misdraagt jegens een persoon als genoemd in dit artikel, dan kan dus geen maatregel worden opgelegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep LJN: BN0660). Wel is het dan mogelijk om hiervan aangifte te doen bij de politie.

Artikel 10

In artikel 10, lid 2, is de definitie van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan aangevuld. Duidelijk moet zijn dat belanghebbende ook tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont als deze voorafgaande aan de aanvraag van een WWB-uitkering onvoldoende actief is geweest om te voorkomen, geheel of gedeeltelijk, afhankelijk te worden van de WWB. De uitspraak van de CRvB van 10 januari 2012 ECLI:BV1067 geeft hierin ook helderheid.

In het derde lid van artikel 10 is de indeling gewijzigd uit behoefte aan logica; eerst staat vermeld het benadelingsbedrag tot € 4.000,-, vervolgens van € 4.000,- of meer en als sub c staat vermeld de situatie dat het benadelingsbedrag niet is vast te stellen.

Het benadelingbedrag wordt, net zoals bij het berekenen van een vordering, netto dan wel bruto berekend. Er wordt gerekend met een netto benadelingbedrag indien de uitkering in het lopende jaar is verstrekt. Indien de uitkering in voorgaande jaren is verstrekt, wordt het benadelingbedrag verhoogd met de door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) afgedragen premies en loonheffing.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 17

Twee verordeningen komen te vervallen met het vaststellen van deze verordening, namelijk de Verordening Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Weesp 2017 en de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Weesp 2017.