Verordening Tegenprestatie Participatiewet Weesp 2020

Geldend van 31-01-2020 t/m 24-03-2022 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2020

Intitulé

Verordening Tegenprestatie Participatiewet Weesp 2020

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp;

  • b.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • c.

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • d.

    raad: gemeenteraad van Weesp;

  • e.

    re-integratievoorziening: re-integratievoorziening als bedoeld in artikel 1 van de Wet Participatiebudget;

  • f.

    tegenprestatie: verrichten van onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;

  • g.

    uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet, dan wel een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

  • h.

    uitkeringsgerechtigde: persoon die algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt, dan wel een uitkering ontvangt op grond van de IOAW of de IOAZ;

  • i.

    wet: Participatiewet.

Artikel 2 Het verrichten van een tegenprestatie

  • 1. Het college kan onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden van een uitkeringsgerechtigde aanmerken als een tegenprestatie.

  • 2. Het college kan de uitkeringsgerechtigde die vooralsnog geen uitzicht heeft op arbeidsinschakeling en aan wie geen re-integratievoorziening wordt aangeboden, vragen een tegenprestatie te verrichten.

  • 3. Het college treedt bij de toepassing van het eerste en tweede lid niet in de keuze van de uitkeringsgerechtigde voor een bepaalde aard en omvang van een tegenprestatie, afgezien van de mogelijkheid om te besluiten dat een bepaalde activiteit naar haar aard en/of omvang voor een belanghebbende niet of niet langer verenigbaar is met het recht op algemene bijstand.

Artikel 3 Geven van informatie door het college

Het college informeert de uitkeringsgerechtigde over bestaande mogelijkheden voor onbeloonde, maatschappelijk nuttige activiteiten.

Artikel 4 Geven van informatie door de belanghebbende

  • 1. De uitkeringsgerechtigde is verplicht het college desgevraagd te informeren over de aard, intensiteit en andere aspecten van de voorgenomen of verrichte tegenprestatie en de uitvoering daarvan.

  • 2. De uitkeringsgerechtigde informeert het college uit eigen beweging over relevante wijzigingen met betrekking tot de uitvoering van de tegenprestatie ten opzichte van eerder door hem verstrekte inlichtingen.

Artikel 5 Verslaglegging aan de raad.

Het college informeert de raad ten minste jaarlijks over de toepassing en effecten van deze verordening.

Artikel 6 Nadere regels

Het college is bevoegd ter uitvoering van deze verordening nadere regels te stellen.

Artikel 7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Tegenprestatie Participatiewet Weesp 2020.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2020.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 6 november 2019

M. van Engelshoven

griffier

B.J. van Bochove

voorzitter

Toelichting bij de Verordening Tegenprestatie Participatiewet Weesp

De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan personen die een bijstandsuitkering ontvangen of een IOAW- of IOAZ-uitkering. Daarnaast heeft het college de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie. Invulling van de tegenprestatie is dus aan de gemeente.

Het beleid ten aanzien van de tegenprestatie is toegespitst op uitkeringsgerechtigden met een dusdanig grote afstand tot de arbeidsmarkt dat re-integratie naar werk vooralsnog niet aan de orde is. Het college vindt het van belang dat alle Weespers volwaardig meedoen en wil mensen daartoe ondersteunen en stimuleren. Dit gebeurt in samenwerking met maatschappelijke partners. Het verrichten van onbeloonde maatschappelijke activiteiten vindt plaats op vrijwillige basis.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Het verrichten van een tegenprestatie

Vrijwilligheid staat bij het verrichten van een tegenprestatie door uitkeringsgerechtigden voorop. Met dit uitgangspunt voorziet de verordening in de mogelijkheid dat het college onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden die een uitkeringsgerechtigde verricht, aanmerkt als een tegenprestatie (eerste lid). Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat het college van een uitkeringsgerechtigde een tegenprestatie vraagt (tweede lid). Degenen aan wie het college een tegenprestatie kan vragen, zijn uitkeringsgerechtigden die vooralsnog geen uitzicht hebben op arbeidsinschakeling en aan wie geen re-integratievoorziening wordt aangeboden. Wanneer een uitkeringsgerechtigde de mogelijkheid heeft om uit te stromen naar werk, op eigen kracht of via een re-integratietraject, dan is hier de focus op gericht. Hierbij kan het ook gaan om werken naar loonwaarde of deeltijdwerk, of de voorbereiding op zelfstandig ondernemerschap. Mensen met een re-integratieverplichting worden niet tevens belast met de vraag om een tegenprestatie te leveren. Zowel voor de belanghebbenden zelf als voor degenen die hen begeleiden, biedt dit veruit de meeste helderheid en focus.

De mogelijkheid een tegenprestatie te vragen beperkt zich dus tot uitkeringsgerechtigden met een dusdanig grote afstand tot de arbeidsmarkt, dat re-integratie naar werk vooralsnog niet aan de orde is. In Weesp gaat het dan in de praktijk om uitkeringsgerechtigden die zijn ingedeeld op treden 1 en 2 van de Participatieladder. Hierbij past de aantekening dat een deel van de groep op trede 2 wél perspectief kan hebben op werk, maar dan op de langere termijn. Voor deze groep moeten afspraken worden gemaakt in het kader van re-integratie, waardoor doorstroom naar trede 3 mogelijk is. Alleen wanneer is vastgesteld dat re-integratie (vooralsnog) niet mogelijk is, kan een vorm van tegenprestatie passend zijn voor klanten in deze groep.

Het vrijwillige karakter van de tegenprestatie komt eveneens tot uitdrukking in het derde lid. Daarin is bepaald dat het college niet treedt in de keuze van de belanghebbende voor een bepaalde activiteit of de omvang daarvan. Hierbij geldt wel een beperking, die samenhangt met het karakter van de bijstandsuitkering. In termen van de Participatiewet moeten activiteiten van uitkeringsgerechtigden, voor zover het niet gaat om betaald werk, ‘naast of in aanvulling op reguliere arbeid worden verricht, en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt’. Bij veel activiteiten van mensen zal het duidelijk zijn dat deze additioneel zijn. Maar wanneer mensen binnen een bedrijf actief zijn of wanneer persoonlijke activiteiten een bedrijfsmatig karakter krijgen, kan dit conflicteren met het ontvangen van een bijstandsuitkering. In zo’n geval kan een klantmanager besluiten dat een bepaalde activiteit naar haar aard en/of omvang voor een belanghebbende niet of niet langer verenigbaar is met het recht op algemene bijstand. Daarmee is deze activiteit ook niet of niet langer aan te merken als tegenprestatie.

Artikel 3 Geven van informatie door het college

De gemeente heeft een informerende rol richting burgers met betrekking tot bestaande mogelijkheden om actief te zijn binnen een wijk of de stad. Hierbij is een samenhang met de opdracht die de gemeente heeft in het kader van de Wet Maatschappelijke ondersteuning (WMO). In de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 is bepaald dat als onderdeel van de basisvoorzieningen op wijkniveau maatregelen worden genomen voor de beschikbaarheid van informatie en advies, versterking van de vrijwillige inzet en informele netwerken, mantelzorgondersteuning en activering en participatie. Bij de WMO is een belangrijk vertrekpunt een ondersteuningsvraag van de burger. Bij de tegenprestatie komt de opdracht van de gemeente. De informerende taak ten behoeve van de tegenprestatie heeft daarom sterke raakvlakken met de WMO-taken maar valt daar niet volledig mee samen. Daarom wordt deze informerende rol in deze verordening afzonderlijk benoemd.

Artikel 4 Geven van informatie door de belanghebbende

De keuze voor een bepaalde tegenprestatie is aan de uitkeringsgerechtigde. Wel geldt voor hem of haar de verplichting om op verzoek van het college informatie te leveren over de tegenprestatie. Bij een andere invulling van de tegenprestatie moet een uitkeringsgerechtigde verplicht dit zelf doorgeven. Aan het niet nakomen van deze verplichtingen wordt vooralsnog geen sanctie verbonden. Wel kan het college een sanctie toepassen wanneer een gedraging van de uitkeringsgerechtigde in strijd komt met de informatieplicht met het oog op de rechtmatigheid van de uitkering of iemands arbeidsre-integratie (artikel 17, eerste en tweede lid, van de wet) of een andere wettelijke verplichting, zoals het zich onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens personen die op dat moment taken in het kader van de wet uitvoeren (artikel 9, zesde lid, van de wet).

Artikel 6 Verslaglegging aan de raad

Als onderdeel van de verantwoording aan de raad informeert het college de raad ten minste jaarlijks over de toepassing en de effecten van het beleid en de uitvoering rond de tegenprestatie.