Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland houdende Subsidieregeling deelakkoorden human capital Zuid-Holland (Subsidieregeling deelakkoorden human capital Zuid-Holland)

Geldend van 07-02-2020 t/m heden

Intitulé

Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland houdende Subsidieregeling deelakkoorden human capital Zuid-Holland (Subsidieregeling deelakkoorden human capital Zuid-Holland)

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

Gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

Overwegende dat het wenselijk is om in Zuid-Holland een groeiende, duurzame en innovatieve economie te realiseren, dat een goed functionerende arbeidsmarkt daarbij een positieve concurrentiefactor kan zijn waar het aanwezige talent optimaal wordt benut.

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Subsidieregeling deelakkoorden human capital Zuid-Holland

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Asv: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

  • b.

    Human Capital akkoord Zuid-Holland: het akkoord zoals dat op 24 juni 2019 door partijen is ondertekend, waarmee een structurele verbetering van de arbeidsmarkt in Zuid-Holland wordt beoogd;

  • c.

    deelakkoord: een door de Taskforce Human Capital van de Economic Board Zuid-Holland mede ondertekende overeenkomst, die bijdraagt aan de doelstellingen van het Human Capital akkoord;

  • d.

    penvoerder: rechtspersoon die deelnemer is aan het samenwerkingsverband en door de overige deelnemers is aangewezen als penvoerder;

  • e.

    samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit de partijen bij het deelakkoord, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van dat deelakkoord.

  • f.

    Taskforce Human Capital: Een uit de drie geledingen ondernemers, onderwijs en overheid van de Economic Board Zuid-Holland geformeerde taskforce die op bestuurlijk niveau sturing geeft aan de Human Capital agenda van Zuid-Holland.

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van deelakkoorden die bijdragen aan de realisatie van een toekomstbestendige en veerkrachtige arbeidsmarkt de kwalitatieve doelstellingen zoals benoemd in het Human Capital akkoord Zuid-Holland:

    • a.

      Zuid-Holland is koploper in Leven Lang Ontwikkelen;

    • b.

      Zuid-Holland heeft de meest veerkrachtige arbeidsmarkt;

    • c.

      Zuid-Holland spreekt het onbenut potentieel beter aan;

    • d.

      Zuid-Holland trekt internationaal talent aan en behoudt dit.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3.

    De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot de uitvoering en realisatie van een deelakkoord waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de kwantitatieve doelstellingen zoals benoemd in het Human Capital akkoord:

    • a.

      een vergroting van de ontwikkeling van 40.000 werknemers;

    • b.

      een beter gebruik van menselijk kapitaal door 1.000 werkgevers;

    • c.

      een verbeterd ontwikkelperspectief van 45.000 flexwerkers;

    • d.

      55.000 transities van werk naar werk over sector- en regiogrenzen heen;

    • e.

      verbeterd gebruik van het potentieel van 3000 mbo-geschoolde vakkrachten die nu geen passende functie hebben;

    • f.

      verhoging van de arbeidsparticipatie van 25.000 werklozen en niet-werkenden;

    • g.

      verhoging van de arbeidsparticipatie van 20.000 onderbenutte deeltijdwerkers; of

    • h.

      het aantrekken van 1.000 internationale talenten.

Artikel 3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt uitsluitend verstrekt aan de penvoerder van een samenwerkingsverband die belast is met de coördinatie van een deelakkoord.

Artikel 4 Penvoerder

  • 1. De penvoerder is partij bij het samenwerkingsverband en heeft de volgende taken:

    • a.

      indienen van de subsidieaanvraag;

    • b.

      overleggen van voortgangsrapportages;

    • c.

      indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling;

    • d.

      kassiersfunctie voor de uit hoofde van deze regeling verstrekte subsidiegelden naar de andere partijen in het samenwerkingsverband;

    • e.

      informeren van de deelnemers uit het samenwerkingsverband over de relevante ontwikkelingen aangaande de subsidieaanvraag en -verstrekking;

    • f.

      fungeren als aanspreekpunt voor Gedeputeerde Staten en voldoen aan de overige administratieve verplichtingen uit hoofde van de verstrekte subsidie.

  • 2. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

  • 3. De deelnemers aan het samenwerkingsverband machtigen de penvoerder om de taken zoals genoemd in dit artikel namens hen uit te voeren.

Artikel 5 Weigeringsgronden

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2 geweigerd indien:

  • a.

    Het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 50.000, meer dan € 250.000 per jaar of meer dan € 1.000.000 bedraagt;

  • b.

    Gedeputeerde Staten voor dezelfde activiteiten eerder al subsidie hebben verleend of anderszins middelen ter beschikking hebben gesteld;

  • c.

    Uit de laatste twee gepubliceerde of bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde jaarrekeningen van de aanvrager blijkt dat:

    • i.

      de solvabiliteitsratio van de aanvrager (eigen vermogen/totaal vermogen) gelijk is aan of lager is dan 7,5%; of

    • ii.

      de rentedekkingsgraad van de aanvrager op basis van de EBITDA (inkomsten voor aftrek van interest, belastingen en afschrijvingen) lager is dan 1.0.

Artikel 6 Deelakkoord

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2 in aanmerking te komen, is er een door ten minste drie partijen, waaronder de Taskforce Human Capital van de Economic Board Zuid-Holland, ondertekend deelakkoord. Het deelakkoord omvat in ieder geval de volgende elementen:

    • a.

      de bijdrage aan de doelstellingen uit het Human Capital akkoord Zuid-Holland, waarbij er sprake moet zijn van een bijdrage op:

      • i.

        ten minste één van de vier routes: binnen bedrijven – leven lang ontwikkelen, tussen bedrijven – transities over regio- en sectorgrenzen heen, naar bedrijven – activeren onbenut potentieel of naar bedrijven vanuit het binnenland – aantrekken en behouden internationaal talent; en

      • ii.

        ten minste een van de kwantitatieve doelstellingen als bedoeld in artikel 2, derde lid;

    • b.

      het motiveren en concretiseren van projecten die bijdragen aan een of meer doelstellingen, genoemd in artikel 2, eerste lid;

    • c.

      het aantonen van de te realiseren plus op de bestaande en reguliere activiteiten, waarbij het kan gaan om een plus op de inzet van mensen, een plus op de te behalen doelstellingen of een plus op de investeringen;

    • d.

      een uitnodiging aan partijen om te participeren en partij te worden bij het deelakkoord;

    • e.

      een taakverdeling en afspraken binnen het samenwerkingsverband om de noodzakelijke afstemming te realiseren.

  • 2. Het deelakkoord is ondertekend door ten minste drie partijen, waarvan ten minste één individuele werkgever of werkgeversorganisatie, en de taskforce Human Capital van de Economic Board Zuid-Holland.

Artikel 7 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2 in aanmerking te komen wordt voorts voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de activiteiten komen ten gunste van:

    • i.

      ten minste een van de speerpuntsectoren van de Economic Board Zuid-Holland: haven in transitie, feeding & greening megacities, cybersecurity, life sciences & health, smart industry; of

    • ii.

      ten minste een van de drie eerstgenoemde transitiepaden uit de Roadmap Next Economy: smart digital delta, smart energy delta of circular economy.

  • b.

    de activiteit kan binnen 26 weken na de datum van subsidieverlening in uitvoering zijn;

  • c.

    de activiteit heeft een maximale looptijd van vier jaar.

Artikel 8 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten die de penvoerder maakt voor de coördinatie, projectleiding, ondersteuning en communicatie van het deelakkoord;

  • b.

    kosten voor instrumentontwikkeling;

  • c.

    kosten voor de ontwikkeling van een scholingsaanbod;

  • d.

    kosten voor de certificering van het ontwikkelde scholingsaanbod;

  • e.

    kosten voor de realisatie van transities van werk naar werk over sector- en regiogrenzen;

  • f.

    kosten voor het uitbreiden van arbeidsuren van onderbenutte deeltijdwerkers;

  • g.

    kosten voor het aantrekken en behouden van internationaal talent.

Artikel 9 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten die betrekking hebben op de eigenlijke bij-, her- en omscholing van werknemers;

  • b.

    kosten die betrekking hebben op de activiteiten zoals benoemd onder artikel 2, derde lid, onderdelen e en f, van deze regeling;

  • c.

    kosten die betrekking hebben op het opstellen en de verantwoording van het deelakkoord en de daaraan gekoppelde subsidieaanvraag;

  • d.

    kosten voor reguliere activiteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband.

Artikel 10 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de totale kosten zoals opgenomen in de begroting van het afgesloten deelakkoord met een maximum van € 250.000 per jaar.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50.000,00 wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 11 Rangschikking

  • 1. Het bedrag dat beschikbaar is voor de te verstrekken subsidies, wordt over de aanvragen verdeeld op volgorde van datum van binnenkomst daarvan.

  • 2. Als een subsidieaanvraag niet volledig is, geldt als datum van binnenkomst de dag waarop de subsidieaanvraag aangevuld en gecompleteerd is als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Op de dag dat verlening van subsidie voor gelijktijdig binnengekomen subsidieaanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt de subsidie verdeeld op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij het laagst aangevraagde bedrag de hoogste rangschikking en het hoogst aangevraagde bedrag de laagste rangschikking krijgt.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend meer dan 12 maanden bedraagt, dient jaarlijks een voortgangsverslag te worden ingediend, waarin in ieder geval inzicht wordt gegeven in de bestede middelen en de behaalde resultaten afgezet tegen de doelstellingen van het afgesloten deelakkoord;

  • b.

    binnen 26 weken na verstrekking van de subsidie moet met de uitvoering van de activiteit begonnen zijn;

  • c.

    de activiteit is uiterlijk op 31 december 2024 afgerond.

Artikel 13 Prestatieverantwoording

  • 1. Bij een subsidie vanaf € 50.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag waarbij in ieder geval de gerealiseerde kwantitatieve resultaten worden afgezet tegen de vooraf geprognosticeerde kwantitatieve resultaten;

  • 2. Bij een subsidie van € 125.000,00 of meer gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een activiteitenverslag waarbij in ieder geval de gerealiseerde kwantitatieve resultaten worden afgezet tegen de vooraf geprognosticeerde kwantitatieve resultaten, een controleverklaring en

    • a.

      een door een accountant afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid van dat verslag, of

    • b.

      een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek mits de gesubsidieerde activiteiten daarin zijn verantwoord en die jaarrekening vergezeld gaat van een door een accountant afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid.

Artikel 14 Bevoorschotting en betaling

Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 16 Werkingsduur en overgangsrecht

Deze regeling vervalt op 31 december 2023, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 17 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling deelakkoorden human capital Zuid-Holland.

Ondertekening

Den Haag, 17 december 2019

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

drs. H.M.M. KOEK, secretaris

drs. J. SMIT, voorzitter

TOELICHTING

Algemeen

De provincie Zuid-Holland wil een toonaangevende provincie zijn waar mensen met plezier wonen, werken en recreëren. Een groeiende, duurzame en innovatieve economie draagt hieraan bij en een goed functionerende arbeidsmarkt waar het aanwezige talent optimaal wordt benut is daarbij een positieve concurrentiefactor.

Om dit te realiseren heeft de provincie samen met de Economic Board Zuid-Holland het initiatief genomen voor het opstellen en afsluiten van een Zuid-Hollands Human Capital akkoord. Een akkoord waar in eerste instantie 65 partijen uit de triple helix in Zuid-Holland bij zijn aangehaakt, middels de ondertekening van het akkoord op 24 juni 2019, maar waar steeds meer partijen aan meedoen.

Het Human Capital akkoord kent zijn legitimering in het Rapport Arbeidsmarkt Zuid-Holland (oktober 2018) waarvan de uitkomsten door zowel de Economic Board Zuid-Holland als door Provinciale Staten zijn omarmd. In het rapport worden drie knelpunten op het terrein van Human Capital benoemd die de economische groei belemmeren. Door ambities op deze knelpunten te benoemen met daaraan gekoppeld concrete kwantitatieve doelstellingen is een extra groei van 3,7% (een kleine 6 miljard euro) mogelijk.

Het Zuid-Hollands Human Capital akkoord is een akkoord op hoofdlijnen waarin is opgenomen dat concrete bijdragen van deelnemende partijen in deelakkoorden zullen worden uitgewerkt en geconcretiseerd. Waar het Zuid-Hollands Human Capital akkoord grotendeels het ‘wat willen we bereiken’ weergeeft, maken de nog op te stellen deelakkoorden duidelijk ‘hoe we dat willen bereiken’.

De provincie ziet daar waar het de Human Capital van Zuid-Holland betreft, een aanjagende, stimulerende en coördinerende rol voor zich. De provincie doet daarbij geen zaken over, noch neemt zij taken of bevoegdheden over, maar wil bestaande middelen en initiatieven richten in een toekomstbestendige richting. Als een van de ondertekende partijen van het Human Capital akkoord vult de provincie deze rol in middels het subsidiëren van de af te sluiten deelakkoorden.

Deelakkoorden kunnen worden afgesloten binnen de vijf speerpuntsectoren zoals benoemd door de Economic Board Zuid-Holland (haven in transitie, feeding & greening megacities, cybersecurity, life sciences & health en smart industry) dan wel binnen een van de drie transitiepaden uit de Roadmap Next Economy (smart digital delta, smart energy delta, circular economy), een bij Innovation Quarter ondergebracht initiatief, dat gesteund wordt door de gemeenten Rotterdam en Den Haag en de Provincie Zuid-Holland (zie: www.roadmapnexteconomy.com). Deelakkoorden kunnen worden afgesloten door partijen uit en/ of werkzaam voor de sector. De provincie is daarbij geen tekenende partij, maar is via de mogelijk toe te kennen subsidie betrokken.

Inhoudelijk maken de deelakkoorden duidelijk op welke wijze en in welke mate een bijdrage wordt geleverd aan de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen uit het Human Capital akkoord Zuid-Holland.

Gezien het bredere belang en het noodzakelijke draagvlak is de bestuurlijke aansturing van het Human Capital beleid belegd bij een taskforce van de Economic Board Zuid-Holland.

Europese staatssteunregelgeving

De provincie toetst subsidieaanvragen aan de Europese staatssteunregelgeving. Staatssteun omvat, kort gezegd, niet-marktconforme voordelen van de overheid aan ondernemingen, waarmee de mededinging wordt vervalst en het handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Als een aangevraagde subsidie leidt tot het verstrekken van onverenigbare staatssteun dan kan de provincie deze weigeren.

Provinciale subsidies aan ondernemingen die voldoen aan de staatssteuncriteria moeten in beginsel ter goedkeuring worden aangemeld bij de Europese Commissie. De aanmeldingsplicht kent echter een aantal uitzonderingen. Zo biedt de zogenaamde Algemene Groepsvrijstellingsverordening voor bepaalde categorieën steun de mogelijkheid deze onder voorwaarden direct te verlenen. Deze verordening ziet op steunmaatregelen die reëel bijdragen aan het scheppen van banen en het versterken van het Europese concurrentievermogen. Hierover dient de Europese Commissie via een kennisgeving door de provincie te worden geïnformeerd.

Daarnaast levert subsidie die onder de zogenaamde de-minimisverordening valt geen staatssteun op. Deze verordening is van toepassing op subsidies waarvan het bruto steunbedrag, ongeacht vorm en doel, voor een onderneming over een periode van drie belastingjaren het plafond van € 200.000,- niet overschrijdt. In voorkomend geval dient de subsidieontvanger een de-minimisverklaring te ondertekenen, waarmee wordt aangetoond dat het plafond niet wordt overschreden.

De wet Bibob

Gedeputeerde Staten hechten sterk aan de uitvoering van de Wet Bibob omdat het één van de belangrijkste instrumenten is waarover wij als provincie beschikken bij de bewaking van de integriteit en de bestrijding van ondermijning. De Wet Bibob heeft tot doel te voorkomen dat de overheid onbedoeld meewerkt aan criminele zaken door dit met een vergunning, opdracht, subsidies of aanbesteding te faciliteren. Bij deze subsidieregeling kan de Bibob procedure worden toegepast.

De bevoegdheden voor de provincie om de wet toe te passen liggen op de volgende werkgebieden: inkoop, aanbestedingen en opdrachtverlening van allerlei aard, subsidies en milieuvergunningen.

Overigens is, zo vermeldt artikel 3 van de Wet Bibob, het toepassen van de Wet Bibob een bevoegdheid en geen verplichting.

De Bibobprocedure kan worden opgestart om verschillende redenen. Mogelijke redenen binnen deze regeling zijn een steekproef of als er geen sprake is van een transparante bedrijfsvoering of financiën. Dit kan ook tijdens de uitvoering van het project waarvoor subsidie is verleend.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

Eerste lid: In het Human Capital akkoord zijn vier transitieroutes benoemd: binnen bedrijven (route 1), tussen bedrijven (route 2), naar bedrijven vanuit het binnenland (route 3) en naar bedrijven vanuit het buitenland (route 4). Voor elke route zijn kwalitatieve doelen en kwantitatieve doelen opgenomen. Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van een of meer van de in het Human Capital akkoord opgenomen kwalitatieve doelen.

Derde lid: De gesubsidieerde activiteit moet leiden tot de uitvoering van een deelakkoord en daarmee bijdragen aan het bereiken van een of meer van de in het Human Capital akkoord opgenomen kwantitatieve doelen.

Artikel 3 Doelgroep

Subsidie wordt alleen vertrekt aan de penvoerder van een samenwerkingsverband.

Artikel 4 Penvoerder

Eerste lid: Dit artikel regelt de taken en verantwoordelijkheden van de penvoerder. De penvoerder treedt namens de partijen bij het samenwerkingsverband op als het gaat om alle zaken die betrekking hebben op de subsidieverstrekking en daarmee samenhangende administratieve verplichtingen. Zo dient de penvoerder de subsidieaanvraag en de aanvraag tot vaststelling in, alsmede eventuele voortgangsrapportages.

Dit vereist een goede samenwerking en duidelijke afspraken tussen de penvoerder en de deelnemers aan het samenwerkingsverband. Zo moeten de overige deelnemers de penvoerder tijdig op de hoogte houden van eventuele wijzigingen en alle relevante en benodigde informatie aan de penvoerder overleggen, en moet de penvoerder de andere deelnemers op zijn beurt ook op de hoogte houden, door bijvoorbeeld correspondentie tijdig door te sturen. Daarnaast vervult de penvoerder een kassiersfunctie. Dat wil zeggen dat hij onder andere eventuele voorschotten in ontvangst neemt en doorsluist naar de overige deelnemers volgens de daarover overeengekomen afspraken.

Tweede lid: Verder rusten op de penvoerder alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten. Dit betekent onder meer dat de penvoerder kan worden aangesproken voor het gehele subsidiebedrag en dat dit zo nodig bij hem kan worden teruggevorderd.

Derde lid: Deze machtiging kan zijn opgenomen in het, door alle deelnemers aan het samenwerkingsverband ondertekende, deelakkoord. In dat geval hoeft geen afzonderlijke machtiging te worden afgegeven.

Artikel 5 Weigeringsgronden

In dit artikel zijn aanvullende weigeringsgronden opgenomen, die gelden naast de artikelen 11 en 12 van de Asv.

Onderdeel a: Allereerst wordt subsidie geweigerd indien het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 50.000 of meer dan € 1.000.000 bedraagt. Daarnaast wordt subsidie geweigerd indien per jaar meer dan € 250.000 wordt aangevraagd.

Onderdeel b: Subsidie wordt ook geweigerd indien Gedeputeerde Staten voor dezelfde activiteiten al eerder subsidie hebben verleend of anderszins middelen ter beschikking hebben gesteld. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat met name onderdelen die reeds via de Subsidieregeling campussen Zuid-Holland of het Maatregelenpakket gebiedsgericht werken Zuid-Holland 2017 zijn bekostigd, nogmaals ter financiering worden voorgelegd.

Mocht een gespecificeerde gekwantificeerde doelstelling door andere deelakkoorden reeds behaald zijn, kunnen nieuwe deelakkoorden die op die doelstelling een bijdrage leveren op dat onderdeel of in zijn geheel geweigerd worden.

Onderdeel c: Tot slot wordt subsidie geweigerd indien uit de laatste twee gepubliceerde of bij de Kamer van Koop handel gedeponeerde jaarrekeningen blijkt dat de aanvrager in zodanige financiële moeilijkheden verkeert dat het voortbestaan van de aanvrager in gevaar komt of er gerede twijfel bestaat over het door de aanvrager kunnen verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 6 Deelakkoord

Eerste lid: Subsidie wordt verleend voor de uitvoering van een deelakkoord. Dit deelakkoord moet zijn ondertekend door tenminste drie deelnemende partijen waaronder de Taskforce Human Capital van de Economic Board Zuid-Holland. Het deelakkoord kan worden ingebracht via de projectleider van het Zuid-Hollands Human Capital akkoord of een van de medewerkers van het uitvoerende bureau waarmee in de voorbereiding naar de totstandkoming contact is geweest. Zonder de betrokkenheid en ondertekening van de Taskforce Human Capital wordt een subsidieaanvraag geweigerd.

Onderdeel a: In het deelakkoord moet zijn opgenomen aan welke doelstellingen uit het Human Capital akkoord een bijdrage wordt geleverd.

Onderdeel b en c: Deze doelstellingen moeten nader toegelicht en geconcretiseerd worden. Daarbij moet ook worden aangetoond waaruit de additionaliteit is op te maken. Veel partijen houden zich, vanuit hun reguliere taak of opgave al bezig met doelstellingen uit het Human Capital akkoord. Zo zijn bijvoorbeeld uitzendbureaus dagelijks bezig met transities van werknemers van de ene sector naar de andere of van de ene regio naar de andere. Evenzo werken opleidingspartijen continu aan een actueel onderwijscirriculum. Het is niet de bedoeling dergelijke onderdelen via deze regeling te subsidiëren. Het is aan partijen om deze additionaliteit duidelijk te maken. Zij kunnen daarbij gebruik maken van een door hen uit te voeren nulmeting en de voortgang te monitoren.

Onderdeel d: Verder moet in het deelakkoord een uitnodiging aan andere, externe, partijen zijn opgenomen om deel te nemen, partij te worden bij het deelakkoord en daaraan een bijdrage te leveren. Het moet dus mogelijk zijn voor andere partijen om deel te nemen.

Onderdeel e: Om te komen tot realisatie van een deelakkoord is samenwerking tussen de verschillende partijen belangrijk. In het bijzonder is het belangrijk dat partijen concrete afspraken maken over de samenwerking tussen de penvoerder en de overige deelnemers aan het samenwerkingsverband.

Tweede lid: Tot slot moet de activiteit op voldoende steun en draagvlak kunnen rekenen; het deelakkoord moet dan ook worden afgesloten door ten minste drie partijen, waaronder de Taskforce Human Capital van de Economic Board Zuid-Holland.

Artikel 7 Subsidievereisten

Onderdeel a: Om voor subsidie in aanmerking te komen moet de activiteit ten gunste komen van ten minste een van de speerpunten van de Economic Board Zuid-Holland of een van de drie met name genoemde transitiepaden uit de Roadmap Next Economy. Meer informatie over de speerpunten van de Economic Board Zuid-Holland is te vinden via www.economicboardzuidholland.nl/initiatieven/. Meer informatie over de transitiepaden uit de Roadmap Next Economy is te vinden via https://www.roadmapnexteconomy.com/transitiepaden/.

Onderdeel b en c: Daarnaast moet de activiteit uiterlijk binnen 26 weken na de datum van subsidieverlening kunnen aanvangen. De te subsidiëren activiteit mag verder maximaal vier jaar duren.

Artikel 8 Subsidiabele kosten

Onderdeel a: Voor subsidie in aanmerking komen kosten voor coördinatie, projectleiding, ondersteuning en communicatie van het deelakkoord. Hierbij gaat het om personeelskosten voor zogenaamd ‘loopvermogen’. Werkzaamheden die zonder subsidie niet of niet in die grote en snelheid zouden zijn opgepakt, maar die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het akkoord. Voorstelbaar is dat voor de uitvoering van het akkoord, waar meerdere partijen zich aan verbinden, een nieuwe projectstructuur moet worden opgezet. Er moet iemand verantwoordelijk zijn en het overzicht hebben en bewaren, zodat de in het deelakkoord gemaakte afspraken daadwerkelijk worden uitgevoerd, dat een overlegstructuur wordt georganiseerd, dat vergaderingen worden gepland en dat aan de resultaten communicatief aandacht wordt besteed. Het is niet reëel dat deze kosten uit de reguliere activiteiten worden bekostigd.

Onderdeel b: Bij kosten voor instrumentontwikkeling gaat het bijvoorbeeld om de ontwikkeling van apps of andere tools die noodzakelijk dan wel ondersteunend zijn voor de realisatie van de doelstellingen. Een deelakkoord kan bijvoorbeeld gebaat zijn bij het al dan niet digitaal in kaart brengen van het aanwezige scholingsaanbod waardoor deelnemers sneller en betere scholingskeuzes kunnen maken.

Onderdeel c: Bij kosten voor de ontwikkeling van een scholingsaanbod gaat het om scholingsaanbod dat (nog) niet bestaat, maar dat nodig is om een groep werknemers bij-, om- of her te scholen in een richting die aansluit bij de speerpunt- dan wel transitiesectoren. Hierbij kan gedacht worden aan het ontwikkelen van lesmateriaal, lesstof en/ of het aanschaffen van lesbenodigheden. Het kan daarbij ook gaan om het op maat maken van reeds bestaand materiaal.

Onderdeel d: Ook kosten voor de certificering van het ontwikkelde scholingsaanbod komen voor subsidie in aanmerking. Het kan voorkomen dat het Civiel effect van een opleiding (nog) niet te bepalen is, omdat er geen certificering is. Dit is voor een goede borging van de scholingsinspanningen wel van belang. Kosten die hiermee gemoeid zijn, kunnen voor subsidiering worden opgenomen.

Onderdeel e: Kosten voor de realisatie van transities van werk naar werk over sector- en regiogrenzen kunnen, voor zover ze niet onder de reguliere werkzaamheden van de betrokken organisaties vallen, opgevoerd worden ter subsidiering. Het kan daarbij gaan om voorbereidende werkzaamheden zoals het bij elkaar brengen van partijen of het matchen van groepen. Van belang is dat dit onderdeel is van het totaalpakket en niet een op zichzelf staande activiteit is. Alleen het bij elkaar brengen van partijen of het matchen van groepen is immers onvoldoende om succesvolle en duurzame transities te realiseren. Daar zal ook een aanvullende scholingscomponent voor nodig zijn. Alleen binnen dat totaalpakket zijn de kosten opvoerbaar.

Onderdeel f: Bij kosten voor het uitbreiden van arbeidsuren van onderbenutte deeltijdwerkers gaat het om het identificeren van (groepen) van werknemers die wel meer uren willen werken in hun huidige tekortsector of in een sector waar tekorten zijn, maar daar geen mogelijkheden voor zien of voor krijgen van hun werkgever en die activiteiten die ingezet moeten worden om dit wel voor elkaar te krijgen. Het gaat hier om (nieuwe) initiatieven en niet om zaken als het uitbreiden van kinderopvangmogelijkheden die al langs andere wegen worden gestimuleerd.

Onderdeel g: Tot slot zijn ook kosten voor het aantrekken en behouden van internationaal talent subsidiabel. Hierbij gaat het om gecoördineerde activiteiten die daadwerkelijk bijdragen aan de komst van internationaal talent om hier in de speerpunt- dan wel de transitiesectoren aan de slag te gaan. Denk daarbij aan het identificeren van doelgroepen, actieve en gerichte benadering van deze doelgroepen, maar ook bijvoorbeeld aan het opzetten voor partnerprogramma’s of het ontwikkelen van activiteiten die aansluiten op de landelijke (EZK) programma die regionaal gespecificeerd kunnen worden. Gebleken is namelijk dat het aanboren van internationaal talent bij kan dragen aan vermindering van de personeelskrapte in de genoemde sectoren, maar dat deze doelgroep op dit moment niet gericht benaderd wordt, niet eenduidig en overzichtelijk geïnformeerd wordt en onbekend is met de mogelijkheden en die er voor hun partners zijn. Op landelijk niveau werkt het Ministerie van EZK aan de ontwikkeling van een programma, waarbij regio’s of provincies hun couleur locale kunnen aanbrengen.

Artikel 9 Niet subsidiabele kosten

Onderdeel a: Kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen zijn kosten die betrekking hebben op de eigenlijke her- en omscholing van werknemers. Hiervoor zijn reguliere sectorale middelen uit bijvoorbeeld O&O-fondsen beschikbaar of meer algemeen geoormerkte middelen vanuit het rijk. Eventuele verletkosten komen ook niet voor subsidie in aanmerking.

Onderdeel b: Ook kosten die betrekking hebben op verbeterd gebruik van het potentieel van 3000 mbo-geschoolde vakkrachten die nu geen passende functie hebben en de verhoging van de arbeidsparticipatie van 25.000 werklozen en niet-werkenden komen niet voor subsidie in aanmerking. Hoewel een deelakkoord wel (mede) deze doelstellingen mag bevatten komen de kosten hiervoor niet voor subsidie in aanmerking, omdat deze onder de reguliere taken van gemeenten en het onderwijs worden geschaard en derhalve niet additioneel zijn.

Onderdeel c: Kosten die betrekking hebben op het opstellen en de verantwoording van het deelakkoord en daaraan gekoppelde subsidieaanvraag komen niet voor subsidie in aanmerking, omdat deze kosten voor rekening van partijen zelf dienen te blijven.

Onderdeel d: Kosten voor reguliere activiteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband komen niet voor subsidie in aanmerking. De subsidieregeling is opgezet om de veelal aanwezige (scholings- en transitie)middelen beter en gerichter te kunnen benutten. Daarvoor wordt aangesloten bij de reeds bestaande (scholings- en transitie)structuren en gebruik gemaakt van reeds belegde taken en verantwoordelijkheden van organisaties die zich op dit speelveld begeven. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om activiteiten die reeds via een andere weg kunnen of worden gefinancierd nu middels deze regeling aanvullend te financieren.

Artikel 10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie is maximaal 25% van de totale kosten voor uitvoering van het deelakkoord. In totaal bedraagt de subsidie maximaal € 1.000.000, indien de subsidie is verdeeld over vier jaren, waarbij het maximum per jaar € 250.000 bedraagt.

Artikel 11 Rangschikking

Derde lid: Op de dag dat verlening van subsidie voor gelijktijdig binnengekomen subsidieaanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, wort een rangschikking gemaakt op basis van hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij het laagst aangevraagde bedrag bovenaan de rangschikking en het hoogst aangevraagde bedrag onderaan de rangschikking komt. De gedachte hierachter is dat op deze manier de lagere aanvragen nog zo volledig mogelijk gesubsidieerd kunnen worden.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Onderdeel a: In de artikel 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger verplichtingen opgelegd. Aanvullend daaraan moet de subsidieontvanger, als de subsidie is verleend voor een periode van meer dan 12 maanden, jaarlijks een voortgangsverslag indienen.

Onderdeel b en c: Daarnaast moet de activiteit waarvoor subsidie is verleend, binnen 26 weken na subsidieverlening zijn gestart en moet de activiteit uiterlijk 31 december 2024 zijn afgerond, omdat op die datum het Human Capital akkoord afloopt.