Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020

Geldend van 29-01-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020

De raad van de gemeente Het Hogeland;

gelet op gelet op de artikelen 2.1.3-2.1.7, 2.3.6, 2.6.6 e.a. van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Het Hogeland 2020

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen
  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan gelet op de omstandigheden- aannemelijk is dat de cliënt daarover -ook als hij geen beperking(en) had- zou (hebben kunnen) beschikken;

  • bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid en artikel 2.1.4a van de wet;

  • ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Het Hogeland;

  • hoofdverblijf: de woonruimte -bestemd en geschikt voor permanente bewoning- waar de persoon met beperking(en) zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en

    • in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven of

    • zal staan ingeschreven of

    • het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven.

  • anti-revaliderend: het versterken of creëren van beperkingen als gevolg van de verstrekking van voorzieningen;

  • hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 1, van de wet;

  • melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015;

  • pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden (bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet) beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet. 

HOOFDSTUK 2. MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG

Artikel 2. Melding hulpvraag
  • 1.

    Een hulpvraag kan vormvrij door of namens een cliënt bij het college worden gemeld;

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek;

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning
  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is;

  • 2.

    Het college wijst cliënt en mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.

Artikel 4. Persoonlijk plan
  • 1.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • 2.

    Als de cliënt een persoonlijk plan, als bedoeld in lid 1 aan het college, heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening.

Artikel 5. Informatie en identificatie
  • 1.

    Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen;

  • 2.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, is vaststelling van de identiteit aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voldoende.

Artikel 6. Onderzoek
  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en diens situatie en maakt zo spoedig als mogelijk met cliënt een afspraak voor een gesprek;

  • 2.

    Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag voldoende bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger, voor zover mogelijk mantelzorger en/of voor zover nodig familie;

  • 3.

    De factoren, genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 van de wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 2;

  • 4.

    Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel;

  • 5.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om diens persoonsgegevens te verwerken;

  • 6.

    In het onderzoek wordt -indien van toepassing- gebruik gemaakt van de bepalingen van het Protocol Gebruikelijke Zorg, CIZ 2005 voor HO en Protocol Gebruikelijke Zorg CIZ versie 7.1. of nadien vastgestelde versies;

  • 7.

    Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, als bedoeld in lid 2.

Artikel 7. Advisering
  • 1.

    Het college is bevoegd om -voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek- degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

  • a.

    op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem/haar te bevragen;

  • b.

    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken;

  • 2.

    Het college kan een door haar daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als:

  • a.

    het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad en/of met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 5 is gevoerd;

  • b.

    het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of met wie wel een gesprek is gevoerd (zoals bedoeld in artikel 5); maar waarvan de medische, psychisch of psychosociale omstandigheden zodanig zijn veranderd dat deze veranderingen de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden.

  • c.

    het college dat gewenst vindt.

Artikel 8. Aanvraag
  • 1.

    Een cliënt of diens vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Hiertoe wordt het hiervoor bestemde aanvraagformulier gebruikt;

  • 2.

    Als bijlage kan cliënt of vertegenwoordiger het verslag (of persoonlijk plan) bij de aanvraag toevoegen;

  • 3.

    Het college neemt een bijgevoegd verslag mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

HOOFDSTUK 3. MAATWERKVOORZIENING

Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening

1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot ondersteuning en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:

  • a.

    eigen kracht en/of

  • b.

    gebruikelijke hulp en/of

  • c.

    mantelzorg en/of

  • d.

    hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of

  • e.

    algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of

  • f.

    algemene voorzieningen en/of

  • g.

    andere voorzieningen.

  • 2.

    Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang/beschermd wonen indien:

  • a.

    de cliënt problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving; of

  • b.

    de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; en

  • c.

    voor zover de cliënt deze problemen niet kan wegnemen/verminderen door gebruik te maken van:

  • i.

    eigen kracht en/of

  • ii.

    gebruikelijke hulp en/of

  • iii.

    mantelzorg en/of

  • iv.

    hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of

  • v.

    voorliggende voorzieningen

  • vi.

    algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of

  • vii.

    algemene voorzieningen en/of

  • viii.

    andere voorzieningen.

  • 3.

    Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor zover:

  • a.

    hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de kaders zoals de Centrale Raad van Beroep deze heeft gesteld;

  • b.

    het betreft een van de volgende voorzieningen:

1°. Eenvoudige middelen die bijdragen aan afschaling van ondersteuning;

2°. Een verhuiskostenvergoeding;

3°. Een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is.

  • 4.

    Het college beoordeelt of het primaat van verhuizen van toepassing is;

  • 5.

    Het college kent slechts de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening toe.

Artikel 10. Criteria individuele begeleiding basis en speciaal
  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor individuele begeleiding basis als:

  • a.

    de cliënt ondersteuning nodig heeft bij of met het oefenen met vaardigheden en handelingen, of

  • b.

    de cliënt ondersteuning nodig heeft inzake het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie in het dagelijks leven, of

  • c.

    de cliënt ondersteuning nodig heeft bij het aansturen van zijn of haar gedrag, of

  • d.

    toezicht op de cliënt nodig is.

  • 2.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor individuele begeleiding speciaal als:

  • a.

    de cliënt voldoet aan de criteria zoals beschreven in artikel 10, lid 1, sub a tot en met d, en

  • b.

    bij cliënt sprake is van een complexe ondersteuningsvraag, blijkend uit de noodzaak tot inzet van individuele begeleiding, of

  • c.

    er bij het functioneren van de cliënt sprake is van risico voor hemzelf of diens omgeving, of

  • d.

    toezicht op de cliënt nodig is, of

  • e.

    er sprake is van niet-aangeboren hersenletsel, meervoudige problematiek, gedragsproblematiek zoals agressie of zware psychiatrische problematiek waarbij specialistische begeleiding nodig is.

Artikel 11. Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf

Een cliënt kan in aanmerking komen voor kortdurend verblijf met een maximum van 159 etmalen per jaar als:

  • a.

    de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht, en

  • b.

    de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke -redelijkerwijs van hem te verwachten- toezicht overbelast dreigt te worden.

Artikel 12. Maatwerkvoorziening begeleiding groep basis en speciaal
  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor ‘begeleiding groep basis’ als:

  • a.

    de cliënt als gevolg van een beperking onvoldoende zelfredzaam is om een dagbesteding, waaronder het volgen van een opleiding of het leveren van een arbeidsprestatie, voor zichzelf of met behulp van zijn netwerk te organiseren; of

  • b.

    daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

  • 2.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor vervoer naar dagbesteding indien hij redelijkerwijs niet in staat geacht mag worden om de dagbesteding op eigen kracht of middels gebruik van het openbaar vervoer te bereiken.

  • 3.

    Een cliënt kan, indien hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, in aanmerking komen voor arbeidsmatige dagbesteding, als:

  • a.

    de cliënt ondersteuning nodig heeft inzake het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie in het dagelijks leven, en

  • b.

    de aanvrager geen of zeer geringe loonvormende arbeidsprestatie kan leveren door het ontbreken van werkvaardigheden als gevolg van beperkingen en daaruit voortvloeiend een ondersteunings- en/of toezichtvraag heeft, of

  • c.

    daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

  • 4.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor ‘begeleiding groep speciaal’ als:

  • a.

    De cliënt voldoet aan de criteria zoals beschreven in artikel 12, lid 1, sub a tot en met b of artikel 12 lid 2 sub a tot en met c;

  • b.

    de aanvrager als gevolg van een aandoening of beperking zwaar regieverlies ondervindt met als gevolg langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijkse leven, en

  • c.

    er sprake is van een dermate complexe beperking, dat gedurende de dagbesteding directe nabijheid van gespecialiseerde zorg, ondersteuning en/of toezicht nodig is, of

  • d.

    daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

Artikel 13. Weigeringsgronden
  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

  • a.

    wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening een (mogelijk) anti-revaliderende werking heeft;

  • b.

    wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

  • c.

    indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

  • d.

    voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

  • e.

    als een eerder door het college verstrekte voorziening nog niet is afgeschreven volgens het afschrijvingsschema zoals bedoeld in artikel 12 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Het Hogeland, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

  • tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of

  • als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • f.

    als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande beperkingen, die geen verband houden met de overgang naar een volgende levensfase.

  • 2.

    Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:

  • a.

    als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden, kortdurend verblijf en Publiek Vervoer (Wmo-deel).

  • b.

    indien de cliënt geen ingezetene is van, of zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Het Hogeland.

  • 3.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

  • a.

    voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

  • b.

    ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing;

  • c.

    indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

  • d.

    indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment

  • e.

    meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

  • f.

    de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;

  • g.

    indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van co-ouderschap;

  • h.

    voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van complexen bedoeld voor de doelgroep betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing;

  • i.

    voor zover de woning valt onder de versterkingsopgave of waarvoor een versterkingsadvies geldt, versterkt wordt en deze versterking relatie heeft met de aanpassingen.

  • 4.

    Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.

Artikel 14. Inhoud beschikking
  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  • b.

    wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

  • c.

    hoe de voorziening wordt verstrekt;

  • d.

    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

  • e.

    wie de aanbieder is.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

  • b.

    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

  • c.

    wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

  • d.

    wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

  • e.

    de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • f.

    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    voor welk resultaat de financiële tegemoetkoming kan worden aangewend;

  • b.

    of en welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van de financiële

  • c.

    tegemoetkoming;

  • d.

    wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming;

  • e.

    wat de duur is van de verstrekking waarvoor de financiële tegemoetkoming is bedoeld, en

  • f.

    of en hoe de financiële tegemoetkoming dient te worden verantwoord.

Artikel 15. Regels voor pgb
  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en toetst hierbij aan de landelijke toetsingskaders PGB inzake pgb-vaardigheid.

  • 2.

    Een pgb wordt alleen verstrekt indien de pgb-houder of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is en er geen sprake is van andere onoverkomelijke bezwaren voor het verstrekken van het pgb.

  • 3.

    De zorgverlener is geen (wettelijk) vertegenwoordiger, bewindvoerder of mentor van de pgb-houder.

  • 4.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft het vervoer is gebaseerd op het OV-tarief (voor vervoer met een OV-chipkaart) waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd; waarbij bovenregionale reizen buiten de puntbestemmingen vallen onder de reikwijdte van Valys.

  • 5.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) voor wat betreft begeleiding is gebaseerd op de ondergrens van de bandbreedte van de aanbesteding uit het Ommelander Samenwerkingsmodel. De bandbreedte is tot stand gekomen aan de hand van marktonderzoek.

  • 6.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft Huishoudelijke Ondersteuning bedraagt maximaal 70% van het uurtarief van de aanbieders Huishoudelijke Ondersteuning zoals deze contractueel zijn vastgesteld.

  • 7.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget voor overige zaken wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura of de door het college geaccepteerde offerte en is toereikend voor de aanschaf, verzekering en het onderhoud daarvan. Als richtlijnen gelden in eerste aanleg de prijzen van de door de gemeente gecontracteerde leveranciers, of waar nodig de normen van het Nibud.

  • 8.

    Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • a.

    Het tarief voor professionals. Tot deze groep behoren personen die:

  • i.

    werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;

  • ii.

    aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken waar nodig over de relevante diploma’s/certificaten die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;

  • b.

    Sociaal netwerk: een persoon zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • c.

    Informeel netwerk; een ondersteuner niet zijnde een persoon als bedoeld onder a of b.

  • 9.

    Het persoonsgebonden budget voor personen als bedoeld onder lid 8, sub a, onderdeel i en ii bedraagt maximaal de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  • 10.

    Het persoonsgebonden budget voor personen waarbij sprake is van een arbeidsovereenkomst, bedraagt maximaal het van toepassing zijnde uurloon vermeerderd met de werkgeverslasten.

  • 11.

    Het persoonsgebonden budget voor personen als bedoeld onder lid 8, sub b, en lid 8, sub c, is een all-in tarief afgeleid van het wettelijk minimumloon voor volwassenen, op basis van een 36-urige werkweek.

  • 12.

    De pgb-tarieven voor sociaal netwerk worden tenminste gebaseerd op het wettelijk minimumloon tenzij het gaat om inzet voor kortdurend verblijf en dagbesteding.

  • 13.

    Wanneer de pgb-uitvoerder -ook als deze voldoet aan de kwaliteitseisen van een professionele pgb-uitvoerder- deel uitmaakt van het sociaal netwerk van de pgb-houder, wordt in principe een ‘pgb sociaal netwerk tarief’ toegekend.

  • 14.

    De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

  • a.

    Kosten voor bemiddeling;

  • b.

    Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • c.

    Kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • d.

    Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

  • e.

    Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

  • 15.

    Loondoorbetaling bij ziekte, vervanging bij ziekte en claims zijn verzekerd via de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

  • 16.

    Een pgb dient door de cliënt binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 17.

    Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.

Artikel 16. Nadere verplichtingen budgethouder
  • 1.

    De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren.

  • 2.

    In geval van een elektrische vervoersvoorziening, autoaanpassingen en/ of elektrische rolstoel is de budgethouder verplicht een allriskverzekering af te sluiten gedurende de gebruiksduur van het hulpmiddel.

HOOFDSTUK 4. OPVANG EN BESCHERMD WONEN EN DAARMEE SAMENHANGENDE PGB’S

Artikel 17 Algemene bepaling

De in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen gelden uitsluitend voor beschermd wonen en opvang. Het college van de gemeente Groningen functioneert in deze als uitvoerder voor de gemeente Het Hogeland.

Artikel 18 Begripsomschrijvingen
  • Formele ondersteuning: Ondersteuning door cliënt met een pgb ingekocht van derden op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst en bij natuurlijke personen bovendien in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • Informele ondersteuning: Ondersteuning die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Artikel 19 Algemene voorziening dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief

Het college draagt binnen het kader van de opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief zorg voor de mogelijkheid van kortdurend onderdak. In elk geval met een slaapplaats indien noodzakelijk en verder al dan niet inclusief voeding, douche en eventueel andere diensten of faciliteiten gedurende de nacht en de dag.

Artikel 20 Maatwerkvoorziening opvang
  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als cliënt

  • a.

    feitelijk of residentieel dakloos is, en

  • b.

    niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, en

  • c.

    niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen.

  • 2.

    Een slachtoffer van huiselijk geweld kan in aanmerking komen voor opvang als deze:

  • a.

    slachtoffer is van geweld in huiselijke kring en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten. Of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en

  • b.

    18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en

  • c.

    geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor kortdurend voltijdopvang naar aanleiding van een:

    • a.

      crisissituatie, op voor specifiek dat doel bestemde plekken, voor maatschappelijke opvang;

    • b.

      gedurende maximaal drie aaneengesloten dagen en in geval van huiselijk geweld maximaal gedurende tien dagen.

Artikel 21 Beschermd wonen

Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als:

  • a.

    cliënt toezicht en begeleiding nodig heeft, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch of psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast, of het afwenden van gevaar voor zichzelf of anderen;

  • b.

    cliënt een psychische of psychosociale problemen heeft, en

  • c.

    niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen.

Artikel 22 Regels voor pgb opvang en beschermd wonen
  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    De hoogte van een pgb:

  • a.

    wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

  • b.

    wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, van derden te betrekken, en

  • c.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de berekeningswijze van pgb’s. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning en -voor zover van toepassing- in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid en/of het vereiste opleidingsniveau en/of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden.

  • 5.

    Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

  • a.

    deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gangbare tarief voor informele hulpverleners;

  • b.

    tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald;

  • c.

    is komen vast te staan dat de hulpverlener afkomstig uit het sociaal netwerk in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze.

  • 6.

    Het Pgb-tarief informeel voor Beschermd wonen is modulair samengesteld en opgebouwd uit de volgende onderdelen: toezicht, begeleiding, persoonlijke verzorging, verpleging en dagbesteding en vakantie/respijtzorg.

  • a.

    Dagbesteding kan niet informeel worden geleverd;

  • b.

    Het pgb-tarief voor het onderdeel 24-uurs toezicht is gelijk aan één wettelijk minimum(uur)loon per dag;

  • c.

    De informele tarieven voor de onderdelen begeleiding, persoonlijke verzorging en verpleging zijn gebaseerd op het bij de uitvoering van het Wlz-gangbare uurtarief voor informele hulpverleners;

  • d.

    Naast de informele ondersteuning voor de onderdelen onder a. genoemd kan ook professionele ondersteuning worden ingekocht.

  • 7.

    Het college geeft bij nadere regels verdere invulling aan het bepaalde in de voorgaande leden.

Artikel 23 Bijdrage verblijf beschermd wonen
  • 1.

    Een cliënt is voor verblijf in beschermd wonen een bijdrage verschuldigd.

  • 2.

    De bijdrage voor beschermd wonen is het maximale bedrag dat overeenkomstig paragraaf 3 van hoofdstuk drie van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning kan worden vastgesteld.

  • 3.

    Cliënt mag bij opvang niet minder overhouden na het heffen van de bijdrage dan een bedrag aan zak- en kleedgeld; waarbij de zak- en kleedgeld grens gelijk is aan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag en inclusief vakantiegeld, overeenkomstig volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet op de zorgtoeslag.

Artikel 24 Bijdrage verblijf in opvang
  • 1.

    Een cliënt is voor verblijf in opvang een bijdrage verschuldigd.

  • 2.

    De bijdrage voor opvang is gelijk aan de kostprijs voor het verblijf, met in achtneming van paragraaf vier van hoofdstuk drie van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 3.

    Onder de kostprijs van maatschappelijke opvang wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente opvang voor een cliënt heeft ingekocht.

  • 4.

    Cliënt mag bij opvang niet minder overhouden na het heffen van de bijdrage dan een bedrag aan zak- en kleedgeld, waarbij de zak- en kleedgeld grens gelijk is aan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag en inclusief vakantiegeld, overeenkomstig volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet op de zorgtoeslag.

  • 5.

    Indien de instelling bij voltijdopvang of crisisopvang aan de cliënt geen voeding verstrekt, dient de instelling de cliënt een bedrag per dag beschikbaar te stellen voor het inkopen van voedingsmiddelen. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting jaarlijks berekent als gemiddelde kosten voor voeding per dag.

  • 6.

    Afwezigheid uit de opvang, anders dan in verband met beëindiging van de opvang, wordt voor de verschuldigdheid van de bijdrage buiten beschouwing gelaten.

  • 7.

    Een cliënt is geen bijdrage verschuldigd, indien hij een vergoeding voor huisvesting betaalt aan een instelling.

  • 8.

    Voor dag-, nacht- en noodopvang voor personen die de huiselijke situatie hebben verlaten, in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, is voor maximaal drie dagen geen bijdrage verschuldigd.

  • 9.

    Een cliënt is bij maatschappelijke opvang geen bijdrage verschuldigd als hij tijdens zijn verblijf woonkosten is verschuldigd als hoofdbewoner voor de woning die hij heeft verlaten in verband met risico’s voor de veiligheid in verband met huiselijk geweld.

  • 10.

    De door het college aangewezen instellingen voor maatschappelijke opvang en opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten, in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, zijn verplicht de vastgestelde bijdrage van de cliënten te innen in alle gevallen dat de bijdrage niet door de gemeente wordt ingehouden op de bijstandsuitkering of inkomensvoorziening van de cliënt.

  • 11.

    Het college stelt de bijdrage voor opvang vast.

  • 12.

    Het college bepaalt bij nadere regeling door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, Wmo 2015 de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.

HOOFDSTUK 5. BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 25. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen
  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd, zoals bedoeld in artikel 2.1.4a van de wet, voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget zolang de cliënt gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura of het persoonsgebonden budget of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 is geen eigen bijdrage zoals bedoeld in artikel 2.1.4a a van de wet verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

  • a.

    rolstoelvoorzieningen;

  • b.

    kind voorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing;

  • c.

    Publiek Vervoer (Wmo-deel) regiotaxi (wel een bijdrage tarief gebaseerd op de kostprijs van het OV, conform de tariefstelling van het OV-bureau Groningen Drenthe);

  • d.

    financiële tegemoetkomingen.

  • 3.

    De bijdrage in de kosten voor woningaanpassingen en hulpmiddelen overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 4.

  • a.

    Voor de kostprijzen van de vastgestelde maatwerkvoorzieningen in de vorm van woningaanpassingen en hulpmiddelen wordt aansluiting gezocht bij de kostprijzen zoals deze worden gehanteerd door de gecontracteerde aanbieders;

  • b.

    Voor trapliften geldt dat niet de kostprijs, maar de looptijd van de bruikleenovereenkomst van toepassing is.

  • 5.

    De kostprijs van een:

  • a.

    maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of hulpmiddel wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

  • b.

    maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of hulpmiddel wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen, huur of eigendom);

  • c.

    pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 6.

    De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen eigen bijdrage is verschuldigd.

  • 7.

    De bijdrage gaat in op het moment van levering van een voorziening of aanvang van een dienst en stopt na beëindiging van de voorziening of de beëindiging van de bruikleenovereenkomst.

  • 8.

    Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt, is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:

  • a.

    de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen,

  • b.

    en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 9.

    In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

HOOFDSTUK 6. KWALITEIT EN VEILIGHEID

Artikel 26. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

  • a.

    het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en het aansluiten bij de informele zorg;

  • b.

    het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

  • c.

    erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

  • d.

    te voldoen aan de governance-code van hun sector;

  • e.

    te voorzien in een actief kwaliteitsbeleid;

  • f.

    de ondersteuning tot stand te brengen in overleg met cliënten zowel op individueel als collectief niveau.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervarings-onderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 27. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden
  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

  • a.

    een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

  • b.

    een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

  • i.

    een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

  • ii.

    de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

  • a.

    overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

  • b.

    rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

  • a.

    de kosten van de beroepskracht;

  • b.

    redelijke overheadkosten;

  • c.

    kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

  • d.

    reis en opleidingskosten;

  • e.

    indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

  • f.

    overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

HOOFDSTUK 7. TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 29. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget
  • 1.

    Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2.

    Het college stelt handhavingsbeleid vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven.

  • 3.

    Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader.

  • 4.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 5.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb, als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 6.

    Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan en gebruikt hiertoe onder meer de toetsingskaders PGB en ZIN zoals deze zijn vastgesteld door het college.

Artikel 30. Verrekening

Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de wet.

HOOFDSTUK 8. WAARDERING MANTELZORGERS EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN

Artikel 31. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt nader door het college bepaald.

Artikel 32. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
  • 1.

    Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben én die een inkomen hebben lager dan een door het college nader te bepalen percentage van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. De regelingen hiertoe zijn opgenomen in het gemeentelijk minimabeleid.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.

HOOFDSTUK 9. KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 33. Klachtregeling
  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de klachtafhandeling.

Artikel 34. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met uitzondering van de Huishoudelijke Hulp en individuele hulpmiddelen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 35. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

HOOFDSTUK 10. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 36. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd, beginnend een jaar na de inwerkingtreding van de verordening. Het college zendt hiertoe telkens om de vier jaar beginnend een jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 37. Hardheidsclausule

Indien de toepassing van de bepalingen van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt, kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt gemotiveerd worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening.

Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Het Hogeland 2019-1 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening gemeente Het Hogeland 2019-1 en voorgaande verordeningen, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Het Hogeland 2019-1 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

  • 5.

    Beslissing op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Het Hogeland 2019-1 geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Het Hogeland 2019-1 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.

  • 6.

    Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 39 Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.

    Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Het Hogeland 2020.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werkt terug tot aan 1 januari 2020.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Het Hogeland op 22 januari 2020

H.J. Bolding, voorzitter

P. Norder, griffier