Regeling vervalt per 01-07-2024

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort houdende nadere regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning Amersfoort 2020)

Geldend van 22-01-2020 t/m 30-06-2024

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort houdende nadere regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning Amersfoort 2020)

Burgemeester en wethouders van Amersfoort;

Gelet op de artikelen 4.9 derde lid, 5.3 zesde lid, 5.4 vijfde lid, 6.1, 6.2 derde lid, 7.2 eerste lid en 9.4 tweede lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2020;

Besluit vast te stellen de volgende nadere regels:

Nadere regels verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2020

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. In deze Nadere regels wordt verstaan onder:

    • a.

      Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2020;

    • b.

      Instandhoudingskosten: een door het college te bepalen bedrag dat bestemd is voor onder houd, reparatie en verzekering verband houdend met de te verstrekken maatwerkvoorziening, waaronder ook een WA-verzekering bij vervoersvoorzieningen kan worden gerekend;

    • c.

      Budgethouder: de cliënt of diens vertegenwoordiger die de taken verbonden aan het PGB uitvoert (declareren en verantwoorden);

    • d.

      Accommodatie voor beschermd wonen: een door de instelling bestemde ruimte voor het bieden van de noodzakelijke ondersteuning en bijbehorend toezicht, waaronder de ruimte die is bedoeld voor wonen. Onder noodzakelijk verblijf wordt de beschermende woonomgeving verstaan met (in overwegende mate) 24-uurs toezicht en beschikbaarheid van ondersteuning/begeleiding en zonodig hotelmatige diensten die door de instelling in de accommodatie wordt geboden.

    • e.

      24-uurs verblijf of voltijd verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen met of zonder hun kinderen in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding;

    • f.

      24-uurs verblijf of voltijd verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding;

    • g.

      instelling voor Opvang: een organisatie die een voorziening voor Opvang exploiteert of trajecten voor opvang uitvoert met subsidie van een gemeente of in opdracht van een gemeente;

    • h.

      bijstandsnorm: de van toepassing zijnde norm op grond van artikel 20 tot en met 28 van de Participatiewet, exclusief vakantietoeslag;

    • i.

      zak-en kleedgeld: de van toepassing zijnde normbedragen voor verblijf in een inrichting op grond van artikel 23, eerste en tweede lid, van de Participatiewet, exclusief vakantietoeslag;

    • j.

      eigen bijdrage: de bijdrage in de kosten als bedoeld in hoofdstuk 6 van de verordening;

  • 2. Alle begrippen die in deze Nadere regels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015 (de wet) en daarop gebaseerde lagere regelgeving, de verordening en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb).

HOOFSTUK 2 AANVULLENDE REGELS DEELNAME MAATSCHAPPELIJK VERKEER

Artikel 2.1 Omvang gebruik Regiotaxi

  • 1.

    Indien gebruik wordt gemaakt van de gebruikerspas Regiotaxi kan maximaal 600 zones per jaar worden gereisd.

  • 2.

    Indien de cliënt naar het oordeel van het college bij het vervoer met het collectief (openbaar) vervoer is aangewezen op persoonlijke begeleiding, dan kan die begeleider gratis meereizen.

HOOFDSTUK 3 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 3.1 Algemene bepalingen

  • 1. Het college verstrekt geen PGB voor het collectief aanvullend vervoer (Regiotaxi).

  • 2. Onverminderd de voorwaarden en/of weigeringsgronden van artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen recht op een PGB indien en zolang een risico bestaat dat beslag kan worden gelegd op het PGB.

Artikel 3.2 Budgetperiode hulpmiddelen

  • 1. Het PGB wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor zover van toepassing met de economische levensduur die geldt voor de met het PGB aan te schaffen dan wel in te kopen hulpmiddel en wordt gesteld op 7 jaar. De budgethouder wordt geacht gedurende deze periode te kunnen gebruikmaken van een compenserende maatwerkvoorziening.

  • 2. Indien de afschrijvingstermijn van een hulpmiddel, al dan niet aangeschaft met een PGB, is verstreken kan deze door het verlenen van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst passende bijdrage worden aangemerkt.

Artikel 3.3 Persoonsgebonden budget beschermd wonen

  • 1. De leveringsvorm PGB voor beschermd wonen is alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan:

    • a.

      de cliënten staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden;

    • b.

      de bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte voor gezamenlijke activiteiten.

  • 2. Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm.

Artikel 3.4 Besteden persoonsgebonden budget buiten Amersfoort

  • 1. De budgethouder kan het PGB, met uitzondering voor huishoudelijke hulp, voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van ondersteuning te verlenen tijdens verblijf buiten Amersfoort.

  • 2. De budgethouder kan het PGB, met uitzondering voor huishoudelijke hulp, voor ten hoogste zes weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van ondersteuning te verlenen tijdens verblijf buiten Nederland.

  • 3. Het college kan op aanvraag de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn verlengen.

  • 4. Op de besteding buiten Amersfoort zijn alle verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het PGB van toepassing.

HOOFDSTUK 4 EIGEN BIJDRAGE OPVANG

Artikel 4.1. Eigen bijdrage voor Opvang

  • 1. De cliënt beschikt, na afdracht van de eigen bijdrage, over een bedrag dat overeenkomt met de norm voor zak- en kleedgeld conform artikel 23 Participatiewet, welke norm wordt vermeerderd met de standaardpremie bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag en gecorrigeerd met de zorgtoeslag en omgerekend naar vier weken (bijdrageperiode).

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid, wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en een periode die, afhankelijk van de resterende dagen, vier of vijf weken bedraagt.

  • 3. De eigen bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van de maatwerkvoorziening;

  • 4. De hoogte van de eigen bijdrage is nooit hoger dan de werkelijke kostprijs en is ten hoogste gelijk aan de feitelijke woonlasten van de voorziening. Onder woonlasten wordt in ieder geval verstaan de kosten voor huur, gas, water en licht.

  • 5. Indien een cliënt gehuwd is en zijn partner geen gebruik maakt van de Opvang geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande (ouder) bij opname in een inrichting zoals bedoeld in artikel 23 van de Participatiewet.

  • 6. Indien de instelling aan de cliënt geen voeding verstrekt, wordt de verschuldigde eigen bijdrage verminderd met een bedrag voor voeding zoals jaarlijks geïndexeerd vastgesteld door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD).

  • 7. Indien een cliënt ouder/verzorger is van minderjarige kinderen en met hen in de Opvang woont, wordt de norm persoonlijke uitgaven met 10 procent per kind opgehoogd, tot een maximum van drie kinderen.

  • 8. Indien de gecontroleerde aanschaf van alcohol deel uitmaakt van een behandeling, wordt de norm persoonlijke uitgaven opgehoogd met een bedrag van maximaal € 100,00 per vier weken.

Artikel 4.2. Bijzondere omstandigheden

  • 1. In het geval het inkomen, verminderd met eigen bijdrage, minder bedraagt dan de norm voor persoonlijke uitgaven, wordt de eigen bijdrage zodanig verminderd, dat de norm voor persoonlijke uitgaven beschikbaar blijft. Indien de instelling geen voeding verstrekt, wordt de eigen bijdrage zodanig verminderd dat naast de norm voor persoonlijke uitgaven, ook de norm voor voeding beschikbaar blijft.

  • 2. Het eerste lid geldt niet indien de cliënt verzuimt zijn verantwoordelijkheid te nemen om voldoende inkomen te verwerven.

HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE TEGEMOETKOMING

Artikel 5.1 Hoogte financiële tegemoetkoming

  • 1. Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4.10 van de verordening voor:

    • a.

      verhuis- en inrichtingskosten geldt een forfaitair bedrag;

    • b.

      het gebruik van eigen auto kan het college in ieder geval rekening houden met: een samen vallende vervoersbehoefte, een beperkte vervoersbehoefte of andere aanwezige vervoers voorzieningen;

    • c.

      een woningsanering komen slechts niet afgeschreven raambekleding en vloerbedekking voor een tegemoetkoming meerkosten in aanmerking;

    • d.

      de aanschaf van een sportvoorziening als bedoeld in artikel 7.1 van de verordening geldt een gemaximeerd bedrag dat wordt afgestemd op de soort voorziening;

    • e.

      huurderving wordt afgestemd op de hoogte van de huurtoeslag van de betreffende woning.

HOOFDSTUK 6 TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN

Artikel 6.1 Financiële draagkracht

VERVALLEN.

HOOFDSTUK 7 KWALITEIT

Artikel 7.1 Beoordelen kwaliteit

  • 1. Bij de beoordeling van de kwaliteit als bedoeld in de wet gaat het college in ieder geval uit van de Algemeen geldende normen (ondergrensnormen).

  • 2. Het doel van de normen als bedoeld in het vorige lid is onwenselijke en onveilige situaties te voorkomen waarbij 3 thema’s centraal staan:

    • a.

      cliëntgerichte ondersteuning, hetgeen gepaard kan gaan met een door de aanbieder opgesteld ondersteuningsplan wat in samenspraak met de cliënt tot stand is gekomen en is afgestemd op zijn behoeften. De aanbieder voert dat plan uit, toetst en evalueert dit regelmatig in samenspraak met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger;

    • b.

      veilige voorziening, wat betrekking heeft op: de cliëntveiligheid (sociale en fysieke veiligheid), professionals en vrijwilligers in contact met cliënten en beleid over ongewenst gedrag en veiligheid van cliënt en professional, daaronder begrepen het beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). De aanbieder werkt conform het protocol calamiteitentoezicht als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van de wet;

    • c.

      bedrijfsvoering en organisatie, het betreft de continue cyclus van kwaliteitsverbetering, waar de aanbieder aan werkt.

HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN

Artikel 8.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van hetgeen in deze nadere regels is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 8.2 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2020 onder gelijktijdige intrekking van de Nadere regels verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2019 en onder intrekking van de Nadere Regels Opvang 2019.

  • 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning Amersfoort 2020.

Ondertekening

Vastgesteld in het college 19 november 2019.

De secretaris,

de burgemeester.

Toelichting nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2020

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk zijn een aantal noodzakelijke begripsbepalingen opgenomen die geen nadere toelichting behoeven.

Hoofdstuk 2 Aanvullende regels ondersteuning deelname maatschappelijke verkeer

Artikel 2.1 Omvang gebruik Regiotaxi

Indien de cliënt een gebruikerspas krijgt toegewezen bepaalt dit artikel het aantal zones op jaarbasis. Verder kan een (noodzakelijk) begeleider gratis meereizen.

Hoofdstuk 3 Persoonsgebonden budget

Artikel 3.1 Algemene bepalingen

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 3.2 Budgetperiode hulpmiddelen

Dit artikel geeft invulling aan de delegatiebepaling van artikel 5.4, vijfde lid, van de verordening en herhaalt feitelijk dat het PGB toereikend wordt geacht voor de periode waarvoor het wordt toegekend. Voor de cliënt die het PGB binnen de budgetperiode volledig heeft besteed vanwege een door hem gemaakte keuze geldt dat het college niet verplicht is om binnen deze periode opnieuw een PGB te verstrekken voor de eerder geïndiceerde voorziening. Denk in dit kader aan de situatie dat met het PGB een andere voorziening wordt aangeschaft dan de door het college geïndiceerde voorziening. De gemaakte keuze blijft in principe voor rekening en risico van de cliënt (CRVB:2015:4918). Een andere opvatting zou er feitelijk op neer komen dat het college ook de aan de keuze van de cliënt verbonden extra kosten zou moeten vergoeden. Dit verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 3.3, eerste lid onder b, van de verordening dat slechts aanspraak bestaat op de goedkoopste passende bijdrage. Het tweede lid bepaalt dat een met het PGB aangeschafte voorziening na afloop van de budgetperiode nog steeds als (goedkoopst) passende bijdrage kan worden gekwalificeerd door het verlenen van instandhoudingskosten.

Artikel 3.3 Persoonsgebonden budget beschermd wonen

Dit artikel geeft invulling aan de delegatiebepaling van artikel 4.9, derde lid, van de verordening. Uit de wettelijke definitie van beschermd wonen volgt dat het een maatwerkvoorziening betreft voor (noodzakelijk) verblijf in een accommodatie van een instelling (zie begripsbepaling van de verordening) en bijbehorende aangewezen ondersteuning. In het geval de cliënt recht heeft op een PGB worden eisen gesteld aan de accommodatie, het moet gaan om een zogeheten kleinschalige woonvorm. Hoewel dat uit de wet kan worden afgeleid bepaalt het tweede lid expliciet dat verblijf bij ouders of wettelijk vertegenwoordigers niet kan worden aangemerkt als kleinschalige woonvorm.

Hoofdstuk 5. Financiële tegemoetkoming

Artikel 5.1 Hoogte tegemoetkoming

Dit artikel bepaalt de kaders voor de hoogte van de financiële tegemoetkoming afhankelijk van de kostensoort.

Hoofdstuk 7. Kwaliteit

In de Wmo 2015 staat in hoofdstuk 3 (artikelen 3.1-3.5 van de wet) beschreven wat relevante kwaliteitseisen voor voorzieningen zijn. Zo wordt bepaald dat de (maatwerk)voorziening zelf veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht moet zijn. Andere eisen die relevant zijn hebben betrekking op regelingen voor de afhandeling van klachten, medezeggenschap, meldcode en betrokken professionals. In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 8.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van de nadere regels. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering.

Artikel 8.2 Citeertitel en inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding, waarbij geen overgangsrecht is opgenomen. Dat betekent dat deze nadere regels, net als de verordening, onmiddellijke werking hebben.