Beleidsregel Bibob Heemstede 2020

Geldend van 10-01-2020 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Bibob Heemstede 2020

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

Gelet op:

• het bepaalde in de Wet Bibob;

• artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluiten vast te stellen de:

Beleidsregel Bibob Heemstede 2020.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Definities
  • 1.

    De definities in artikel 1, eerste lid, van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel.

  • 2.

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • APV: Algemene Plaatselijke Verordening;

    • Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders;

    • betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de houder van een vergunning, de subsidieontvanger, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is aangegaan of wordt aangegaan, de gegadigde die wil deelnemen aan een aanbestedingsprocedure, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of wordt gegund, de onderaannemer;

    • beschikking: een vergunning, toekenning, erkenning of ontheffing, waarop de wet kan worden toegepast;

    • Bibob-toets: het onderzoek en de beoordeling door het bestuursorgaan en/of het Bureau of, en zo ja in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 4 en artikel 9 van de wet;

    • Bureau: het Landelijk Bureau Bibob (LBB);

    • eigen onderzoek: het onderzoek door het bestuursorgaan of, en zo ja, in hoeverre er sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, artikel 4 en artikel 9 van de wet en de beoordeling of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren, respectievelijk de beschikking in te trekken of te beëindigen, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een advies bij het Bureau aan te vragen;

    • handelaren (als bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht): handelaren in onder andere gebruikte of ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur;

    • OM: Openbaar Ministerie;

    • RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum;

    • vastgoedtransacties: een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

      • -

        het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom;

      • -

        het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;

      • -

        de huur of verhuur;

      • -

        het verlenen van een gebruiksrecht;

      • -

        de deelname aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of die onroerende zaak huurt of verhuurt;

      • -

        gronduitgifte;

    • Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    • wet: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob);

    • overheidsopdracht: een opdracht als beschreven in artikel 1 van de wet en waarop de wet kan worden toegepast.

Artikel 2 Toepassing beleidsregel
  • 1.

    Deze beleidsregel heeft uitsluitend betrekking op de toepassing van de wet. Het laat onverlet dat binnen de grenzen van enige andere wet een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming worden betrokken.

  • 2.

    In gevallen waarin deze beleidsregel niet voorziet en er toch aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet, ten aanzien van:

    • a.

      de integriteit van de aanvrager;

    • b.

      de integriteit van het zakelijk samenwerkingsverband;

    • c.

      de transparantie van de financiering;

    • d.

      de transparantie van de bedrijfsstructuur;

    • e.

      de transparantie van de organisatiestructuur,

beslist het bestuursorgaan of zij de wet daarop van toepassing wil laten zijn.

Hoofdstuk 2 Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 3 Toepassingsbereik bij aanvragen om beschikkingen
  • 1.

    Het bestuursorgaan kan, met inachtneming van hetgeen in deze beleidsregel daarover is bepaald, een Bibob-toets uitvoeren met betrekking tot aanvragen om (wijziging van) beschikkingen als vermeld in:

    • a.

      artikel 3 van de Drank- en Horecawet (drank- en horecawetvergunning), indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming alleen indien deze wijziging samen gaat met een wijziging van de persoon die zeggenschap over het bedrijf heeft. Uitvoering vindt niet standaard plaats in het geval het een horecabedrijf betreft, als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en horecawet (para-commerciële horeca inrichting);

    • b.

      artikel 30b van de Wet op de kansspelen (vergunning speelhallen / vergunning aanwezigheid kansspelautomaten), voor zover deze vergunning betrekking heeft op inrichtingen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de kansspelen. Indien sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf, verlenging van een vergunning, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van de aandelen van een bestand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming alleen indien deze wijziging samen gaat met een wijziging van de persoon of de personen met zeggenschap over het bedrijf;

    • c.

      artikel 3:4 van de APV (vergunning seksinrichting of escortbedrijf), indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, verlenging van een vergunning, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming alleen indien deze wijziging samen gaat met een wijziging van de persoon of de personen met zeggenschap over het bedrijf;

    • d.

      artikel 2:39 van de APV (vergunning speelgelegenheid / vergunning speelautomatenhal), indien sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf, verlenging van een vergunning, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming alleen indien deze wijziging samen gaat met een wijziging van de persoon of de personen met zeggenschap over het bedrijf.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan in aanvulling of in afwijking van het eerste lid een Bibob-toets uitvoeren, indien er op grond van:

    • a.

      ambtelijke informatie;

    • b.

      informatie verkregen van het Bureau;

    • c.

      informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

    • d.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet,

aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

  • 3.

    Bovendien vindt een Bibob-toets plaats als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat tegen de aanvrager van een beschikking in de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau.

Artikel 4 Bibob-toets naar aanleiding van informatie van partners

De uitvoering van de Bibob-toets kan bij onderstaande aanvragen voor een beschikking plaatsvinden, indien sprake is van ambtelijke informatie en/of informatie van één of meerdere partners zoals toezichthouders, politie, Belastingdienst, het RIEC of het OM, die een aanleiding vormen om te vermoeden dat de beschikking zal worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de wet:

  • a.

    de aanvraag als bedoeld in artikel 30a van de Drank- en Horecawet;

  • b.

    de aanvraag als bedoeld in de gemeentelijke subsidieregeling;

  • c.

    de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van de Wabo is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets);

  • d.

    de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van de Wabo is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet kan worden geweigerd (omgevingsvergunning milieutoets);

  • e.

    artikel 2:25 van de APV (evenementenvergunning).

Artikel 5 Bibob-toets bij risico-indicatoren

Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking plaats als zij vallen onder de daartoe aangewezen branche en/of gebied en de daarbij geldende risico-indicatoren.

Artikel 5.1 Toepassingsbereik bij seksinrichtingen en escortbedrijven
  • 1.

    Het bestuursorgaan voert een Bibob-toets uit voor de aangevraagde beschikking, als genoemd in artikel 3:4 van de APV, indien sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf, een nieuw bestuur van een bestaand bedrijf of wijziging van rechtsvorm van de onderneming, én de aanvrager de vier voorgaande jaren niet is getoetst aan de wet.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan, naast het bepaalde in het eerste lid, in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren indien er op grond van:

    • a.

      ambtelijke informatie;

    • b.

      informatie verkregen van het Bureau;

    • c.

      informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

    • d.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet,

aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Artikel 5.2 Omgevingsvergunning bouwactiviteit
  • 1.

    In geval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (omgevingsvergunning bouwactiviteit) kan het bestuursorgaan in beginsel uitvoering geven aan een Bibob-toets indien één of meer van de volgende criteria op de aanvraag van toepassing is:

    • a.

      De aanvraag heeft betrekking op een bouwsom hoger dan 20% van de WOZ-waarde van het gebouw, of meer dan € 200.000 (exclusief BTW) of een cumulatie van meerdere aanvragen binnen 3 jaar voor hetzelfde adres met een bouwsom boven € 200.000 (exclusief BTW);

    • b.

      De aanvraag heeft betrekking op één of meer van de volgende risicocategorieën:

  • horeca-inrichtingen;

  • speelautomatenhallen;

  • kinderdagverblijven;

  • kamerverhuurbedrijven (hotels, logies en pensions);

  • seks-inrichtingen (inclusief erotische massage-, prostitutie- en escortbedrijven, darkrooms en sekswinkels);

  • autobranche (autohandel, garages, leasebedrijven, autodemontage en autoverhuur);

  • wellnessbranche (sauna-, massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);

  • handelaren;

  • belwinkels, internetcafés en gamecenters;

  • smart-, head- en growshops, coffeeshops en shishalounges;

  • categorieën die een sterke relatie hebben met bovenstaande categorieën (zoals wonen boven bordelen);

Op grond van nieuwe ontwikkelingen kunnen deze risicocategorieën worden aangepast.

  • 2.

    Ingeval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan het bestuursorgaan voorts in beginsel uitvoering geven aan een Bibob-toets indien op grond van:

    • a.

      eigen ambtelijke informatie;

    • b.

      informatie verkregen van het Bureau;

    • c.

      informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

    • d.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet,

indien vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of ondernemingen of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of de hierboven vermelde partners.

Artikel 5.3 Omgevingsvergunning milieu

In geval van een aanvraag:

  • a.

    voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo (omgevingsvergunning inrichting Wet milieubeheer) en die behoort tot de afval- en/of vuurwerkbranche, of

  • b.

    voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van de Wabo is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets),

kan het bestuursorgaan in beginsel uitvoering geven aan een Bibob-toets bij de aanvraag als:

  • vanuit eigen informatie;

  • vanuit informatie van een of meerdere partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in de artikelen 11 en 26 van de wet,

er aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Artikel 6 Toepassingsbereik bij aanvragen om overige beschikkingen

Het bestuursorgaan kan uitsluitend een Bibob-toets uitvoeren met betrekking tot een aanvraag om beschikking, anders dan genoemd in artikel 3 en 5.1 tot en met 5.3, wanneer er op grond van:

  • a.

    ambtelijke informatie;

  • b.

    informatie verkregen van het Bureau;

  • c.

    informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

  • d.

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet,

aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Artikel 7 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan kan de wet in beginsel toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien:

  • a.

    De verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie, die gelegen is in een concreet gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, is aangewezen als risicogebied;

  • b.

    Vanuit ambtelijke informatie, informatie verkregen van het Bureau, informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet, er aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

  • c.

    Bekend wordt, dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een ernstig gevaar is geconstateerd en aan betrokkene in Heemstede een soortgelijke beschikking is verstrekt. In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het RIEC al eerder een soortgelijke beschikking is verleend, kan het bestuursorgaan het RIEC verzoeken om de Bibob-toets te coördineren.

Artikel 8 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan past de wet eens in de vijf jaar actief toe met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien:

  • a.

    De verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche zoals genoemd in artikel 3 lid 1, onder a tot en met d;

  • b.

    Vanuit de eigen informatie dan wel vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het RIEC, blijkt dat er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet;

  • c.

    Informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet verkregen is;

  • d.

    Bekend wordt dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd en aan betrokkene een soortgelijke beschikking is verstrekt. In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het RIEC eerder al een soortelijke beschikking is verleend, kan het bestuursorgaan het RIEC om coördinatie in de Bibob-toets verzoeken.

Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties

Artikel 9 Toepassingsbereik bij aanbestedingen van overheidsopdrachten
  • 1.

    Voor het kunnen toepassen van het instrumentarium van de Wet Bibob op aanbestedingen is in de contracts- en aanbestedingsdocumenten medegedeeld dat op de opdracht de Wet Bibob van toepassing is.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan een Bibob-toets uitvoeren bij openbare aanbestedingen met name bij de sectoren bouw, informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het milieu op grond van:

    • a.

      ambtelijke informatie;

    • b.

      informatie verkregen van het Bureau;

    • c.

      informatie verkregen vanuit het OM conform artikel 26 van de wet;

    • d.

      informatie verkregen van een of meerdere partners uit het samenwerkingsverband RIEC,

er aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

  • 3.

    Het bestuursorgaan kan in iedere fase van een aanbesteding ter zake van een overheidsopdracht als bedoeld in het eerste lid een Bibob-toets uitvoeren. Aan een Bibob-toets kunnen worden onderworpen zowel degene(n) die deelnemen aan de aanbesteding, dan wel aan wie het bestuursorgaan voornemens is de betreffende overheidsopdracht te gunnen.

  • 4.

    Het bestuursorgaan kan ook na definitieve gunning van een overheidsopdracht als bedoeld in het eerste lid besluiten een Bibob-toets uit te voeren. Daartoe kan in de betreffende aanbestede (concept)overeenkomst(en) een voorbehoud worden opgenomen. Deze heeft als strekking dat de overeenkomst kan worden ontbonden door het bestuursorgaan indien (alsnog) feiten of omstandigheden in relatie tot het bedrijf op de persoon van de opdrachtgever bekend zijn geworden die, als deze bekend waren geweest vóór het tot stand komen van de overeenkomst, aanleiding zouden zijn geweest om de opdrachtnemer uit te sluiten van verdere deelname aan de aanbesteding. De rechtspersoon met een overheidstaak kan in het hiervoor bedoelde geval besluiten niet tot ontbinding over te gaan indien zij van oordeel is dat uit de Bibob-toets gebleken mate van gevaar in voldoende mate valt te reduceren door het stellen van (nadere) uitvoeringsvoorwaarden.

Artikel 10 Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties
  • 1.

    Bij de start van elke onderhandeling over het aangaan van een vastgoedtransactie, stelt het bestuursorgaan de wederpartij ervan in kennis dat een Bibob-toets deel kan uitmaken van de procedure.

  • 2.

    De Bibob-toets wordt in beginsel beperkt tot de gevallen met betrekking tot aan- en verkoop, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben:

    • a.

      Hoge mate van financiële complexiteit;

    • b.

      Behorend tot één of meer van de volgende risicocategorieën;

      • horeca-inrichtingen;

      • speelautomatenhallen;

      • kinderdagverblijven;

      • kamerverhuurbedrijven (hotels, logies en pensions);

      • seks-inrichtingen (inclusief erotische massage-, prostitutie- en escortbedrijven, darkrooms en sekswinkels);

      • autobranche (autohandel, garages, leasebedrijven, autodemontage en autoverhuur);

      • wellnessbranche (sauna-, massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);

      • handelaren;

      • belwinkels, internetcafés en gamecenters;

      • smart-, head- en growshops, coffeeshops en shishalounges;

      • categorieën die een sterke relatie hebben met bovenstaande categorieën (zoals wonen boven bordelen);

        Op grond van nieuwe ontwikkelingen kunnen deze risicocategorieën worden aangepast.

    • c.

      Behorend tot een als zodanig door het college benoemd risicogebied;

    • d.

      Hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur;

    • e.

      Exceptioneel financieel risico voor de gemeente;

    • f.

      Alle transacties boven €500.000,-.

  • 3.

    Het bestuursorgaan kan in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie indien voorafgaand of tijdens de onderhandelingen met een wederpartij op grond van:

    • a.

      op basis van eigen ambtelijke informatie;

    • b.

      informatie verkregen van het Bureau;

    • c.

      informatie verkregen vanuit het OM conform artikel 26 van de wet;

    • d.

      informatie verkregen van een of meerdere partners uit het samenwerkingsverband RIEC,

er aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

  • 4.

    Indien besloten is tot uitvoering van een Bibob-toets neemt het bestuursorgaan geen definitief besluit tot het aangaan van een vastgoedtransactie totdat de Bibob-toets volledig is afgerond.

Hoofstuk 4 Uitvoering

Artikel 11 Uitzonderingen

Van een Bibob-toets kan worden afgezien, in geval de aanvraag afkomstig is van respectievelijk een vastgoedtransactie betreft met:

  • a.

    overheidsinstanties;

  • b.

    semi-overheidsinstanties;

  • c.

    schoolbesturen;

  • d.

    op grond van artikel 70 van de Woningwet toegelaten woning(bouw)corporaties;

door het college bij (specifiek) besluit aangewezen betrokkenen.

Artikel 12 Onderzoek
  • 1.

    In beginsel geldt een toetsing aan de wet als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Het bestuursorgaan moet hierbij de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen, waardoor het bestuursorgaan eerst gebruik moet maken van de eigen instrumenten.

  • 2.

    Indien op grond van deze beleidsregel een Bibob-toets wordt uitgevoerd, dient betrokkene de Bibob-vragenformulieren in te vullen en in te leveren bij het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd die in de vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. Daarnaast bevatten de vragenformulieren in elk geval de in artikel 30, tweede lid, van de wet genoemde vragen en eventuele aanvullende vragen die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen een eigen onderzoek te kunnen verrichten. Indien de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van die aanvraag.

  • 3.

    Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van intrekkings- of weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt gestart, wordt een aanvraag eerst beoordeeld op grond van de bepalingen van de Awb en de reguliere intrekkings- of weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning. Het daarop aansluitende eigen onderzoek naar het zich voordoen van de intrekkings- of weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet kan bestaan uit 2 fases.

  • 4.

    Fase 1: Eigen onderzoek

    Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

    • a.

      De door de betrokkene aangereikte informatie/documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) en de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;

    • b.

      Eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door betrokkene overgelegde documenten of informatie;

    • c.

      Open bronnen onderzoek.

Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van het bestuursorgaan versterkt worden vanuit het RIEC. Ook kan het bestuursorgaan desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC.

  • 5.

    Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de wet genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in de wet, kan hij de vergunning weigeren of intrekken.

  • 6.

    Fase 2: een adviesaanvraag bij het Bureau

    Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien:

    • a.

      Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden van betrokkene en/of daarmee in verband te brengen derden, waaronder onder andere de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd of de partner van de betrokkene;

    • b.

      Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfs- en/of organisatiestructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en);

    • c.

      Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten;

    • d.

      De officier van justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen.

  • 7.

    Een toetsing aan de wet met behulp van een advies van het Bureau geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Het is in het kader van de vergewisplicht aan het bestuursorgaan om te bepalen of het advies voldoende ondersteuning biedt voor het uiteindelijk te nemen besluit.

Artikel 13 Niet (volledig) invullen Bibob-vragenformulieren en termijnen
  • 1.

    Het bestuursorgaan dient na ontvangst van de aanvraag zo spoedig mogelijk te beoordelen of de aanvraag compleet is. De aanvraag is pas compleet wanneer de aanvrager tevens het Bibob-formulier en aanvullende bescheiden heeft ingediend. Wanneer de aanvraag onvolledig is, laat het bestuursorgaan de aanvrager weten welke bescheiden ontbreken. Wanneer het Bibob-vragenformulier binnen het gestelde termijn om de aanvraag te completeren niet volledig wordt ingevuld, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Een weigering om gevraagde extra informatie aan te leveren dan wel onvolledig aan te leveren leidt tot het buiten behandeling stellen van de nieuwe aanvraag dan wel de mogelijkheid tot het intrekken van de reeds verstrekte vergunning. Bij volharding wordt de weigering beschouwd als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 4 en 3 van de wet.

  • 2.

    Gedurende de periode dat de aanvrager zijn aanvraag volledig maakt, wordt de beslistermijn opgeschort op grond van artikel 4:15 van de Awb.

Artikel 14 Informatieplicht
  • 1.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 van de wet. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.

  • 2.

    In geval een van het Bureau ontvangen adviesverzoek leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, een aanbesteding niet te gunnen dan wel de overeenkomst te ontbinden of geen vastgoedtransactie aan te gaan dan wel deze te beëindigen, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de wet.

Artikel 15 Adviestermijn bij een beschikking
  • 1.

    Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, als genoemd in artikel 15, eerste lid, van de wet.

  • 2.

    Indien het Bureau het advies niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid, van de wet, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15, derde lid, van de wet.

  • 3.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.

  • 5.

    De adviesaanvraag bij het Bureau is geen beschikking in de zin van de Awb. Hiertegen staat geen bezwaar of beroep open. Wel is het de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken.

Artikel 16 Beschikking
  • 1.

    Het bestuursorgaan/de rechtspersoon met een overheidstaak gaat over tot een negatief besluit op de aanvraag op de beschikking of de intrekking van een beschikking, dan wel het niet aangaan van een vastgoedtransactie of het beëindigen van een overeenkomst indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt, dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet. Daarbij kan in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, het geconstateerde ernstige gevaar dienen als versterking van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.

  • 2.

    Indien het bestuursorgaan voornemens is negatief te beschikken op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht of het aangaan van een vastgoedtransactie wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijzen in te brengen. Het voorgaande is ook van toepassing indien het bestuursorgaan voornemens is de beschikking in te trekken dan wel de overeenkomst te beëindigen.

  • 3.

    Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar (dat de aangevraagde vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en witwaspraktijken) voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar extra voorwaarden opnemen in de overeenkomst die zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

  • 4.

    Het bestuursorgaan kan een advies van het Bureau als bedoeld in de wet ontvangt, gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 17 Inwerkingtreding
  • 1.

    Artikel 3 treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    De overige artikelen treden in werking op 1 februari 2020.

Artikel 18 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregel Bibob Heemstede 2020.

Ondertekening

Vastgesteld door het college op 7 januari 2020.

Vastgesteld door de burgemeester op 7 januari 2020.