Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020

Raadsbesluit

De raad van de gemeente Tilburg;

- gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

- Gemeentewet, artikel 149;

- Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Besluit

1. In te trekken de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg juni 2019 met inbegrip van de nadien doorgevoerde wijzigingen.

2. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020 vaststellen, waarin de volgende wijzigingen ten opzichte van de huidige verordening zijn opgenomen:

- Aan hoofdstuk 3 (algemene voorzieningen) is Hulp aan Huis toegevoegd.

- Wijziging van artikel 4.6 lid 3

- Indexatie van alle PGB bedragen uit hoofdstuk 5.

- Het artikel waarin bedragen waren opgenomen voor persoonsgebonden budgetten voor Hulp bij het Huishouden voor cliënt die deze vóór 1 januari 2015 toegekend hebben gekregen is vervallen.

- Toevoeging van lid 3 aan artikel 5.27.

- Aanpassing van de bedragen voor persoonsgebonden budgetten voor Beschermd Wonen in artikel 5.28 en 5.29.

- Aanpassing van artikel 6.1 met de aangepaste regels voor het opleggen van de eigen bijdrage (abonnementstarief).

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;

  • b.

    algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

  • c.

    beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg;

  • d.

    besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg, het door het college op grond van deze verordening vast te stellen Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Tilburg (Besluit MO Tilburg) waarin nadere regels opgenomen worden over de uitvoering van deze verordening;

  • e.

    bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

  • f.

    budgetplan: door cliënt en/of zijn vertegenwoordiger opgesteld plan waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed en met een concrete invulling van de te verlenen ondersteuning;

  • g.

    college: College van burgemeester en wethouders;

  • h.

    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • i.

    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • j.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • k.

    ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Tilburg;

  • l.

    mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • m.

    melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • n.

    onafhankelijke cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie en advies die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • o.

    ondersteuningsplan: een door de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger en de zorgaanbieder overeengekomen plan dat een concrete invulling bevat van de door de aanbieder te verlenen ondersteuning aan de cliënt;

  • p.

    onverwijld: in ieder geval binnen drie werkdagen;

  • q.

    persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • r.

    persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;

  • s.

    sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • t.

    voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

  • u.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • v.

    woonvoorziening: roerende zaak dan wel bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning of voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten.

Artikel 1.2 Doelgroep van deze verordening

  • 1.

    Deze verordening richt zich op personen:

  • a. die hun woonplaats hebben in Tilburg, en

  • b.die hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren en daar ondersteuning bij nodig hebben, of

  • c. die, al dan niet woonachtig in Tilburg, als mantelzorger ondersteuning aan een Tilburger bieden.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid richt de verordening zich wat betreft opvang en beschermd wonen met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.2.2. van de wet op ingezetenen van Nederland die in Tilburg ondersteuning zoeken.

Hoofdstuk 2 Toegang

Artikel 2.1 Melding en vooronderzoek

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en informeert de cliënt over de gang van zaken na de melding, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

  • 4.

    De cliënt of degene die namens hem de melding doet wordt gewezen op de mogelijkheid zich tijdens het onderzoek te laten bijstaan door iemand uit het eigen netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner.

  • 5.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 6.

    Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 7.

    Het college brengt de cliënt op hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 2.2 Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  • a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

  • b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

  • c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  • d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  • e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

  • f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  • g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

  • h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

  • i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

  • j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de aanvraag ziet op een verstrekking van een pgb waarbij cliënt een vertegenwoordiger heeft gemachtigd de aanvraag namens hem in te dienen, kan het college de gemachtigde bij het onderzoek betrekken en vragen bij het gesprek aan te sluiten.

  • 3.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.1, zevende lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Het college informeert de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

  • 5.

    Voor zover het college dat nodig acht om het onderzoek volledig en zorgvuldig uit te kunnen voeren, kan informatie ingewonnen worden bij derden, mits de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger daarvoor door ondertekening van een toestemmingsverklaring daarvoor toestemming hebben gegeven.

  • 6.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger besluiten af te zien van het gesprek.

Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2.

    Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3.

    De cliënt en/of zijn vertegenwoordiger tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie hij het gesprek heeft gevoerd.

  • 4.

    Als de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.

  • 5.

    Als de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.

Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na ontvangst van de melding. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2 lid 6.

  • 2.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 3.

    Het college kan een ondertekend verslag aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging zorg in natura

  • 1.

    Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) of persoonlijke verzorging in de vorm van zorg in natura wordt gebruik gemaakt van het de matrix en het stappenplan uit bijlage 1A en bijlage 1D). De Toegangsprofessional stelt een Plan van Aanpak op en vervolgens maakt de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger samen met de aanbieder een ondersteuningsplan. In dit ondersteuningsplan wordt aangegeven op welk van de resultaatgebieden ondersteuning middels een maatwerkvoorziening nodig is. Per resultaatgebied wordt de benodigde omvang in aantal uren/dagdelen per week vermeld.

  • 2.

    Aanbieder en cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen het ondersteuningsplan.

  • 3.

    Het ondertekende ondersteuningsplan samen met het ondertekende verslag van het onderzoek kunnen als aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden aangemerkt.

Artikel 2.6 Aanvraag persoonsgebonden budget

In aanvulling op artikel 2.4 omvat een aanvraag voor een persoonsgebonden budget in elk geval:

  • a. de motivering waarom een pgb gewenst wordt;

  • b. de te treffen maatwerkvoorziening en het beoogde resultaat;

  • c. de voorgenomen uitvoering daarvan en de kwalificaties van de uitvoering.

Artikel 2.7 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging persoonsgebonden budget

  • 1.

    Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) of persoonlijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt gebruik gemaakt van de matrix (bijlage 1A). De Toegangsprofessional stelt een Plan van Aanpak op en vervolgens maakt de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger samen met de beoogd zorgverlener een budgetplan. In dit budgetplan wordt aangegeven hoe de ondersteuning wordt verleend. Per resultaatgebied wordt de benodigde omvang in aantal uren/dagdelen per week vermeld.

  • 2.

    Zorgverlener en cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen het budgetplan.

  • 3.

    Het ondertekende budgetplan samen met het ondertekende verslag van het onderzoek kunnen als aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden aangemerkt.

Artikel 2.8 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening geeft het college in ieder geval aan of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en geeft het college tevens aan hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  • b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

  • c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, en

  • d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  • b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

  • c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

  • d. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

  • e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 2.9 Advisering

  • 1.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

  • a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.

  • b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip op een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:

  • a. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 2.2 is gevoerd.

  • b. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 2.2 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of soort van voorziening kunnen beïnvloeden.

  • c. het college dat overigens gewenst vindt.

  • 3.

    Indien het college advies gaat inwinnen als bedoeld in lid 1 en lid 2 wordt de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger hiervan op de hoogte gebracht.

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen

Artikel 3.1 Algemene voorziening

  • 1.

    Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Tilburg of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 3.2 Waardering voor mantelzorgers

Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. Het college zal bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 3.3 Hulp aan Huis

  • 1.

    De algemene voorziening Hulp aan Huis blijft bestaan voor cliënten die op uiterlijk 31 december 2019 zijn toegelaten tot deze voorziening.

  • 2.

    Voor deze algemene voorziening is met ingang van 1 januari 2020 een eigen bijdrage verschuldigd.

  • 3.

    Cliënten die al van deze voorziening gebruik maken, de zogenaamde overgangscliënten, worden gefaseerd via een indicatie omgezet naar de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis.

  • 4.

    Tot deze beoordeling wordt het aantal uren van de algemene voorziening vastgezet op het gemiddelde werkelijke verbruik per week in 2019. Indien een cliënt meer uren wenst zal er meteen een indicatie plaatsvinden voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis.

  • 5.

    Het college stelt nadere regels

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

Artikel 4.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

  • a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of

  • b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 3.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening (zaak), wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

  • a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

  • b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

  • c. de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 4.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.

Artikel 4.2 Regels voor pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    Het tarief voor een pgb:

  • a. wordt vastgesteld op de soort voorziening, de omvang van de voorziening en een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden;

  • b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige en doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;

  • c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 4.

    De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten. In hoofdstuk 5 is de opbouw van de pgb tarieven opgenomen alsmede de betreffende tarieven voor maatwerkvoorzieningen.

  • 5.

    Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoord tot het sociale netwerk.

  • 6.

    Een pgb wordt alleen verstrekt als tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding is vastgesteld dat cliënt en/of zijn vertegenwoordiger voldoende in staat is regie te voeren over de kwaliteit en uitvoering van het budgetplan met het oog op de te behalen resultaten.

  • 7.

    Het college kan nadere regels stellen aan de toegang tot en het gebruik van het persoonsgebonden budget.

  • 8.

    Tussenpersonen en belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald.

  • 9.

    Het is verplicht om de modelovereenkomsten van de Sociale Verzekeringsbank te gebruiken.

Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen

  • 1.

    Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, eerst of de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat. Deze beoordeling zal alleen plaatsvinden indien de aanpassing van de woning een bedrag zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg te boven gaat.

  • 2.

    Het college stelt nadere regels.

Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen

  • 1.

    Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, eerst of de cliënt gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare algemene voorziening of van collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de individuele situatie van de cliënt kan leiden tot het te bereiken resultaat.

  • 2.

    Het college stelt nadere regels.

Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden

  • 1.

    Bij de toekenning van ondersteuning bij het huishouden in de vorm van een maatwerkvoorziening richt het college zich op één of meerdere van de volgende resultaten:

  • a. het schoon en leefbaar houden van de woning;

  • b. het beschikken over schone en draagbare kleding.

  • 2.

    Het schoon en leefbaar houden van de woning heeft uitsluitend betrekking op woonruimten binnen de woning. Buitenruimten vallen hier niet onder.

  • 3.

    Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, of de cliënt één of meerdere huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen in het kader van gebruikelijke zorg.

  • 4.

    Een cliënt komt, in aanvulling op artikel 4.1, niet in aanmerking voor ondersteuning bij het huishouden als hij zelf, of met behulp van zijn partner/gezin of sociale netwerk de resultaten zoals genoemd in lid 1 kan behalen.

  • 5.

    Het college stelt nadere regels.

Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor opvang als hij:

  • a. feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en

  • b. beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en

  • c. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 4.1 kan een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang als deze:

  • a. slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en

  • b. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en

  • c. geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorziening.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als:

  • a. er sprake is van een beperkt psychisch/psychosociaal functioneren en/of beperkt intellectueel functioneren (al dan niet in combinatie met gedragsproblemen, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap en/of verslavingskenmerken), en

  • b. er behoefte is aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken, en

  • c. het voor de cliënt noodzakelijk is dat er een woonomgeving is waarbij toezicht en begeleiding aanwezig is, of in de nabijheid aanwezig is, en

  • d. hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen inzake toelating naar aanleiding van afspraken met andere gemeenten over wederzijdse overdracht van cliënten inzake prioritering van doelgroepen bij de toegang tot beschermd wonen.

Artikel 4.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:

  • a. als met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

  • b. als de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

  • c. als de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

  • d. als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

  • e. als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

  • f. als deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

  • g. indien er sprake is van voorzienbaarheid.

  • 2.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie:

  • a. als deze niet langdurig noodzakelijk is;

  • b. als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Tilburg.

  • 3.

    Het college verstrekt geen woonvoorziening:

  • a. als de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

  • b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

  • c. als het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingenbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

  • d. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

  • e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten

Hulpmiddelen

Artikel 5.1 Opbouw van tarief van persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst passende voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten en een eventueel verplichte WA-verzekering.

  • 2.

    Bij hulpmiddelen wordt een onderscheid gemaakt tussen hulpmiddelen die binnen het kernassortiment vallen en hulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen.

Artikel 5.2 Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen binnen het kernassortiment

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen, die binnen het kernassortiment van de gemeente Tilburg vallen, wordt per voorzieningencategorie vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening.

  • 2.

    Deze bedragen zijn vastgelegd in bijlage 2.

  • 3.

    Deze basisbedragen worden, indien van toepassing, verhoogd met een bedrag voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen.

  • 4.

    De noodzaak voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt vastgesteld op basis van een (medisch) advies en/of het selectierapport van de voorziening.

  • 5.

    Het persoonsgebonden budget voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen.

  • 6.

    De PGB-bedragen bedoeld in dit artikel onder lid 1 en lid 3 vormen tezamen het totale persoonsgebonden budget voor de voorziening.

Artikel 5.3 Persoonsgebonden voor hulpmiddelen buiten het kernassortiment

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen die buiten het kernassortiment van de gemeente Tilburg vallen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte moet ook (indien van toepassing) een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen.

  • 2.

    Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder.

Sportvoorziening

Artikel 5.4 Persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening

  • 1.

    Voor een sportvoorziening kan men in aanmerking komen als zonder deze voorziening sporten niet mogelijk is.

  • 2.

    Voor een sportvoorziening wordt uitsluitend een gemaximeerd persoonsgebonden budget verstrekt. De hoogte is, ongeacht het inkomen, gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum van € 3.024,81. Tegelijk met de verstrekking van de aanschafkosten wordt een forfaitair bedrag verstrekt van € 672,54 waarmee voor een periode van drie jaar een sportvoorziening aangepast, verzekerd, gerepareerd en onderhouden dient te worden.

  • 3.

    Als de cliënt nog steeds gebruikt maakt van de sportvoorziening, kan aansluitend aan de in het tweede lid bedoelde periode van drie jaar, jaarlijks een forfaitair bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt worden van € 466,01 in de kosten van aanpassing, verzekering, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening. De werkelijke kosten van de sportvoorziening worden bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. De offerte moet ook bevatten een indicatie voor de onderhouds- en reparatiekosten gedurende de afschrijvingsduur. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde leverancier.

Vervoersvoorzieningen

Artikel 5.5 Persoonsgebonden budget voor vervoerskosten

  • 1.

    Kan een persoon vanwege zijn specifieke situatie geen gebruik maken van het CVV (regiotaxi/regiovervoer), dan kan hij in aanmerking komen voor een gemaximeerd persoonsgebonden budget om zelf in het vervoer te voorzien. De onderstaande bedragen zijn per kalenderjaar.

  • a. voor gebruik van een (eigen) auto: € 620,00;

  • b. voor gebruik van een taxi: € 620,00;

  • c. voor gebruikskosten bruikleenauto € 380,00;

  • 2.

    De tarieven (lid 1 sub a en b) zijn gebaseerd op de voorziening in natura (regiotaxi/regiovervoer) waarbij maximaal 2000 kilometer per (kalender)jaar gereisd mag worden en een kilometertarief van € 0,31 per kilometer. Het tarief onder lid 1 sub c is gebaseerd op een kilometertarief van € 0,19 per kilometer.

  • 3.

    Indien een cliënt geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, regiotaxi niet mogelijk is en eigen vervoer niet beschikbaar is, en op geen enkele andere manier een goedkopere passende vervoersvoorziening gegeven kan worden, wordt aan de cliënt een persoonsgebonden budget verstrekt om met een reguliere (rolstoel)taxi te reizen. Dit bedrag wordt vastgesteld op grond van het feitelijke vervoerspatroon van de cliënt, maar met een maximum van 2000 kilometer tegen een bedrag dat met het taxibedrijf wordt afgesproken, maar maximaal het goedkoopste tarief van de reguliere (rolstoel)taxi. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen.

Artikel 5.6 Persoonsgebonden budget voor weekendvervoer

  • 1.

    Onder weekendvervoer wordt verstaan het vervoer van de instelling waar de cliënt woont naar het adres waar de te bezoeken relatie (bijv. ouder, broer) woonachtig is en vice versa.

  • 2.

    Vervoer vanuit het woonadres van de relatie waar de cliënt gedurende het weekend verblijft wordt niet vergoed.

  • 3.

    Het aantal bezoeken wordt in overleg met de cliënt en/of diens vertegenwoordiger bepaald. Per kalenderjaar wordt voor maximaal 26 bezoeken aan het weekendadres een persoonsgebonden budget verstrekt.

  • 4.

    Per weekend wordt maximaal 4 maal de afstand van de instelling naar het te bezoeken adres vergoed.

  • 5.

    De gemeente bepaalt de afstand van de instelling naar het te bezoeken adres met behulp van de ANWB-routeplanner.

  • 6.

    Voor vergoeding komen alleen in aanmerking kilometers die binnen Nederland worden gereden.

  • 7.

    De kilometerprijs bedraagt € 0,19 per kilometer.

  • 8.

    De vergoeding per kalenderjaar is beperkt tot maximaal het bedrag dat verstrekt wordt op grond van artikel 5.5 lid 1 sub a van deze verordening.

  • 9.

    Het persoonsgebonden budget wordt door de gemeente maandelijks uitbetaald. Na afloop van het kalenderjaar vindt middels een steekproef controle plaats op het gebruik van de voorziening.

Artikel 5.7 Tarieven voor cliënt met een toekenning voor vervoerskosten op grond van de Wmo 2007 (vóór 1 januari 2015).

Voor cliënten aan wie een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor vervoer is toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 blijven de bedragen zoals toegekend van toepassing voor de duur dat de beschikking is afgegeven. De tarieven worden geïndexeerd zoals beschreven in artikel 5.30.

Artikel 5.8 Persoonsgebonden budget voor een gehandicapten parkeerkaart / kosten parkeerplaats

  • 1.

    Als een cliënt niet of onvoldoende gecompenseerd wordt met collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi/regiovervoer) en het gebruik van een auto wel voldoende compensatie biedt, kan hij, als een gehandicaptenparkeerkaart voor hem noodzakelijk is, in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget voor de kosten van een invalidenparkeerkaart en de kosten van de noodzakelijke medische keuring.

  • 2.

    Als een cliënt niet of onvoldoende gecompenseerd wordt met collectief vraagafhankelijk vervoer en het gebruik van een auto wel voldoende compensatie biedt, kan hij, als een gehandicaptenparkeerplaats voor hem noodzakelijk is, in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget in verband met de aanleg van die parkeerplaats. De hoogte van het persoonsgebonden budget is gelijk aan de kosten die de gemeente in rekening brengt voor het aanleggen van de parkeerplaats.

Artikel 5.9 Persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte moet ook (indien van toepassing) een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen.

  • 2.

    Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder.

Woonvoorzieningen

Artikel 5.10 Persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen.

  • 2.

    Het is mogelijk een persoonsbonden budget te krijgen voor de kosten van het aanbouwen of uitbreiden van een vertrek bij een bestaande woning of de extra bouwkosten bij een nieuw te bouwen woning. Voor de berekening van het persoonsgebonden budget wordt als richtlijn genomen een aantal extra m2 (conform de aanvullende criteria in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg), vermenigvuldigd met de verdiepingshoogte, met een maximum van 3.00m. De grondprijs wordt bepaald op grond van het "Kader Grondprijzen" dat jaarlijks door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De kubieke meterprijs is bepaald op maximaal € 397,07 per m3.

Artikel 5.11 Persoonsgebonden budget voor verhuis-en inrichtingskosten en bezoekbaar maken van een woning

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten

  • a. De hoofdbewoner van een woonruimte kan een gemaximeerd persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten ontvangen van € 2.146,82.

  • b. Een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een gehandicapte een aangepaste woonruimte ontruimt, komt in aanmerking voor een gemaximeerd persoonsgebonden budget van € 3.928,23.

  • 2.

    Een persoonsgebonden budget voor het bezoekbaar maken

Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken bedraagt € 5.635,52.

Artikel 5.12 Persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen van niet bouwkundige of technische aard

Indien de bedoelde voorziening een wo¬ningsa¬nering betreft, die noodzakelijk is in verband met cara en/of allergi¬sche aandoenin¬gen, of de vervanging van tapijt dat niet geschikt is voor rolstoelgebruik, worden de maximale vergoe¬dingsbedragen bere¬kend op de wijze als aange¬geven onder a en b.

  • a.

    Voor gordijnen en vloerbedekking worden de volgende normbedragen per vierkante meter gehanteerd:

• Overgordijnen woonkamer € 35,35 per m2 raamoppervlak

• Overgordijnen slaapkamer € 25,33 per m2 raamoppervlak

• Vitrage woon- en slaapkamer € 23,27 per m2 raamoppervlak

• Vloerbedekking woonkamer € 18,87 per m2 vloeroppervlak

• Vloerbedekking slaapkamer € 16,65 per m2 vloeroppervlak

  • b.

    Bij het bepalen van het persoonsgebonden budget wordt rekening gehou¬den met afschrij¬ving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbe¬dekking in een periode van 8 jaar, op de volgende wijze:

• Leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100 % van het normbedrag;

• Leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75 % van het normbedrag;

• Leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50 % van het normbedrag;

• Leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25 % van het normbedrag;

• Ouder dan 8 jaar: geen vergoeding meer omdat de artikelen economisch zijn afgeschreven

Reparatie/keuring/onderhoud

Artikel 5.13 Persoonsgebonden budget voor reparatie en onderhoud van hulpmiddelen

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie van hulpmiddelen is een vast bedrag op jaarbasis.

  • 2.

    De vaste bedragen zijn opgenomen in bijlage 2.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie wordt jaarlijks uitgekeerd.

Artikel 5.14 Persoonsgebonden budget voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen

  • 1.

    Ten aanzien van de onder lid 2 genoemde voorzieningen komen de werkelijk gemaakte kosten voor reparatie in aanmerking voor vergoeding alsmede de kosten van de wettelijke verplichte keuringen en de onderhoudskosten (1 maal per jaar) in aanmerking voor vergoeding. De hoogte van het persoonsgebonden budget is dan gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten

  • 2.

    Dit artikel is uitsluitend van toepassing de volgende voorzieningen; elektromechanisch openings- en sluitingsmechanisme van deuren; stoelliften, rolstoel- of sta plateauliften, woonhuisliften, hefplateauliften en balansliften.

Dienstverlening

Artikel 5.15 Persoonsgebonden budgetten voor diensten

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor diensten is afgeleid van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd bij verstrekking in natura.

  • 2.

    Er is sprake van gedifferentieerde tariefstelling. Een pgb-houder die een zorgorganisatie of een ZZP'er inschakelt kan het maximale pgb-tarief ontvangen. Het maximale pgb-tarief voor deze formele zorgverleners is bepaald op 90% van de prijs van zorg in natura. Ook bij inschakeling door de pgb-houder van iemand uit zijn sociale netwerk geldt een korting op het pgb-tarief. Voor een zorgverlener uit het sociale netwerk is het maximale tarief voor informele zorgverleners bepaald op 50% van de prijs van zorg in natura. Verderop in dit hoofdstuk zijn de maximale pgb-bedragen per categorie dienst opgenomen.

  • 3.

    Onder een zorgaanbieder/zorgorganisatie verstaan we een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg die meerdere personeelsleden in dienst heeft.

  • 4.

    Onder een ZZP'er verstaan we een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Handelswetregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg en die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel.

  • 5.

    Informele zorgverleners uit het eigen sociale netwerk en overige niet-gekwalificeerde zorgverleners ontvangen het tarief voor informele zorg. Bij vaststelling of er sprake is van een formeel (geleverd door zorgaanbieder) of informeel (geleverd door informeel zorgverlener) tarief, geldt dat 1e en 2e graads familiebanden voorgaan op de kwalificatie.

  • 6.

    Indien een cliënt een persoonsgebonden budget wil verzilveren bij een door de gemeente Tilburg gecontracteerde aanbieder (Zorg in Natura) wordt het pgb budget gelijkgesteld aan het tarief dat de aanbieder bij Zorg in Natura zou ontvangen (ongeacht het aantal uren of dagdelen begeleiding dat nodig is voor het te behalen resultaat). Dit is conform de contractuele afspraken die met de aanbieders voor Zorg in Natura zijn gemaakt.

Huishoudelijke Hulp

Artikel 5.16 Persoonsbonden budget voor maatwerkvoorzieningen Hulp bij het huishouden

Het tarief voor het persoonsbonden budget is € 15,57 per uur bij de maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden en is gebaseerd op de Regeling "Particuliere dienstverlening aan Huis".

Begeleiding individueel/begeleiding groep/ logeeropvang/persoonlijke verzorging

Artikel 5.17 Persoonsgebonden budget voor begeleiding individueel, begeleiding groep, logeeropvang en/of persoonlijke verzorging

  • 1.

    Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van het aantal benodigde uren/dagdelen vermenigvuldigd met het geldende tarief.

  • 2.

    Het is aan de cliënt om samen met de zorgverlener afspraken te maken over het tarief per uur, dagdeel of etmaal en dit op te nemen in het budgetplan. De hoogte van het tarief hoeft niet te corresponderen met de tarieven zoals verder in dit hoofdstuk beschreven.

  • 3.

    Het is toegestaan om een lager tarief met de zorgverlener af te spreken mits dit tarief niet lager is dan het geldende minimumloon.

  • 4.

    Het is toegestaan om een hoger tarief met de zorgverlener af te spreken mits de resultaten zoals beschreven in het plan van aanpak worden behaald. Het afspreken van een hoger tarief dan de tarieven in dit hoofdstuk beschreven zal nooit leiden tot een verhoging van het persoonsgebonden budget of het toekennen van meer dagdelen of uren tegen dit hogere tarief.

  • 5.

    De toegangsprofessional beoordeelt op basis van het budgetplan of het resultaat zoals beschreven in het plan van aanpak, met het voorstel van de cliënt en zijn zorgverlener, redelijkerwijs kan worden behaald. Indien de toegangsprofessional van mening is dat het resultaat niet kan worden behaald, wordt het budgetplan afgewezen.

  • 6.

    Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van het aantal benodigde uren/dagdelen is het budgetplan leidend.

  • 7.

    Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget moet er sprake zijn van boven gebruikelijke zorg.

Artikel 5.18 Tarieven voor begeleiding leefdomein Wonen

Voor het resultaatgebied "Het huishouden wordt zelfstandig gevoerd" bedraagt het tarief:

  • a. € 43,74 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 24,30 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

Artikel 5.19 Tarieven voor begeleiding leefdomein Financiën

  • 1.

    Voor het resultaatgebied "De financiën zijn op orde" bedraagt het tarief:

  • a. € 64,98 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 36,10 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

  • 2.

    Voor het resultaatgebied "De administratie is op orde" bedraagt het tarief:

  • a. € 54,27 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 30,15 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

Artikel 5.20 Tarieven voor begeleiding leefdomein Regie op eigen leven

1. Voor het resultaatgebied "Psychische stabiliteit" bedraagt het tarief:

  • a. € 61,65 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 34,25 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

2. Voor het resultaatgebied "Iemand is in staat om de activiteiten in het dagelijks leven uit te voeren":

  • c. € 54,18 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • a. € 30,10 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

Artikel 5.21 Tarieven voor begeleiding leefdomein Maatschappelijke participatie

  • 1.

    Voor het resultaatgebied "Iemand heeft sociale contacten/zinvolle dagbesteding" bedraagt het tarief:

€ 28,98 per dagdeel indien geleverd door een zorgaanbieder

  • 2.

    Voor het resultaatgebied "Iemand levert een actieve bijdrage aan de samenleving in de vorm van vrijwilligerswerk":

€ 24,57 per dagdeel indien geleverd door een zorgaanbieder

  • 3.

    Voor het resultaatgebied "Iemand levert een actieve bijdrage aan de samenleving in de vorm van arbeidsmatige dagbesteding":

€ 26,91 per dagdeel indien geleverd door een zorgaanbieder

Artikel 5.22 Tarieven voor begeleiding leefdomein Gezin en huiselijke relaties

  • 1.

    Voor het resultaatgebied "De leden van het huishouden gaan goed met elkaar om":

  • a. € 66,33 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 33,85 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

  • 2.

    Voor het resultaatgebied "Er is een gezond opvoed- en opgroeiklimaat":

  • a. € 57,42 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 31,90 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

Artikel 5.23 Tarieven voor begeleiding leefdomein Sociaal netwerk

1. Voor het resultaatgebied "Het netwerk is versterkt":

  • a. € 59,04 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 32,80 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

2. Voor het resultaatgebied Het netwerk is ondersteunend en/of ontlast

  • a. € 61,47 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 34,15 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

Artikel 5.24 Verhoging tarieven begeleiding leefdomein Maatschappelijke participatie

  • 1.

    De tarieven genoemd in artikel 5.21 worden verhoogd met een bedrag van € 7,50 per dag als is vastgesteld dat vervoer naar en van de locatie waar de maatschappelijke participatie wordt uitgevoerd noodzakelijk is.

  • 2.

    De tarieven genoemd in artikel 5.21 worden verhoogd met een bedrag van € 28,50 per dag als is vastgesteld dat rolstoelvervoer naar en van de locatie waar de maatschappelijke participatie wordt uitgevoerd noodzakelijk is.

Artikel 5.25 Tarieven voor persoonlijke verzorging

Voor persoonlijke verzorging bedraagt het tarief:

  • a. € 38,34 per uur indien geleverd door een zorgaanbieder

  • b. € 21,30 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener

Artikel 5.26 Tarieven voor kortdurend verblijf

Voor kortdurend verblijf bedraagt het tarief:

  • a. € 26,10 per etmaal indien geleverd door een zorgaanbieder

Beschermd wonen

Artikel 5.27 Persoonsgebonden budget voor Beschermd Wonen

  • 1.

    Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van de soort benodigde zorg. De toegangsprofessional bepaalt welk soort zorg nodig is.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is uitsluitend in te zetten bij een professionele zorgaanbieder.

  • 3.

    Een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is altijd exclusief de kosten voor huisvesting.

  • 4.

    Er kan alleen een persoonsgebonden budget worden toegekend voor beschermd wonen indien de zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg. Voldoet de beoogd zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen dan wordt het persoonsgebonden budget niet verstrekt. De cliënt kan dan kiezen voor een andere pgb aanbieder of voor zorg in natura.

  • 5.

    Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van de soort zorg is het budgetplan leidend.

  • 6.

    De tarieven zijn ingedeeld in arrangementen en modules. De omschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 4 van deze verordening.

Artikel 5.28 Tarieven voor de arrangementen Beschermd Wonen

  • 1.

    € 532,46 per week voor Begeleid Zelfstandig Wonen

  • 2.

    € 570,95 per week voor Ondersteund Wonen 1

  • 3.

    € 727,69 per week voor Ondersteund Wonen 2

  • 4.

    € 789,80 per week voor Beschermd Wonen 1

  • 5.

    € 1.083,67 per week voor Beschermd Wonen 2

Artikel 5.29 Tarieven voor de modules Beschermd Wonen

  • 1.

    € 128,28 per week voor dagbesteding intensiteit 1 exclusief vervoer

  • 2.

    € 141,22 per week voor dagbesteding intensiteit 1 inclusief vervoer

  • 3.

    € 274,90 per week voor dagbesteding intensiteit 2 exclusief vervoer

  • 4.

    € 302,61 per week voor dagbesteding intensiteit 2 inclusief vervoer

Indexatie

Artikel 5.30 Indexering van tarieven

Jaarlijks per 1 januari vindt indexering plaats van de door de gemeente verstrekte maatwerkvoorzieningen als volgt:

  • 1.

    Persoonsgebonden budget voor dienstverlening: aangesloten wordt bij de prijs die de gemeente betaald voor de voorziening in natura. Is in het contract geen indexering voorzien, dan wordt ook het PGB niet verhoogd.

  • 2.

    De overige persoonsgebonden budgetten worden verhoogd met de Consumenten Prijsindex (CPI). Dit CPI-percentage baseren we op de "nominale ontwikkelingen t.b.v. actualisering" die het Rijk verstrekt in maart van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden.

Hoofdstuk 6 Bijdragen

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb is verstrekt.

  • 2.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.

  • 3.

    De bij verordening aangewezen voorzieningen zijn:

a. De algemene voorziening Hulp aan Huis

  • 4.

    De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan te hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 5.

    In afwijking van het eerste en tweede lid is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten van het gebruik van collectief vervoer (regiovervoer/regiotaxi) ter hoogte van;

  • a. Een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op het niveau van het in de regio geldende standaardtarief van openbaar vervoer, of in afwijking daarvan;

  • b. Een opstaptarief en een bijdrage per kilometer met een hoger tarief zodra de cliënt zijn jaarlijks te gebruiken kilometerbudget heeft verbruikt;

  • c. De bedragen, zoals bedoeld in lid 5 sub a, worden jaarlijks vastgesteld door de Provincie Noord-Brabant & de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant

  • d. De bedragen, zoals bedoeld in lid 5 lid b, worden jaarlijks vastgesteld door de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant.

  • e. Het college stelt nadere regels

  • 6.

    De kostprijs van een:

  • a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

  • b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (eigendom, huur of bruikleen).

  • c. Persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget.

Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving

Artikel 7.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

  • 1.

    Het college informeert cliënten of vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorzieningen of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

  • a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening is aangewezen;

  • c. de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet meer toereikend is te achten;

  • d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening verbonden voorwaarden, of

  • e. de cliënt de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, algemene voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 6.

    Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen.

  • 7.

    Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen.

  • 8.

    Teneinde uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wmo2015 verwerkt het college persoonsgegevens, waaronder mogelijk bijzondere persoonsgegevens als bedoelt in artikel 9 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Artikel 7.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e van de wet.

Artikel 7.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit en Klachten

Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

  • a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

  • b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning en

  • c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

  • d. voor zover van toepassing, er op toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen (waaronder persoonsgebonden budgetten), eisen met betrekking tot deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

  • a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

  • b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

  • 1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

  • 2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

  • a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c van de wet, en

  • b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

  • a. de kosten van de beroepskracht;

  • b. redelijke overheadkosten;

  • c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

  • d. reis en opleidingskosten;

  • e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

  • f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudende instantie aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudende instantie.

  • 3.

    De toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 8.4 Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden.

Artikel 8.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden.

Hoofdstuk 9 Inspraak

Artikel 9.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 10 Privacy

Artikel 10.1 Privacyprotocol

Op de vastlegging en verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening is het Privacyprotocol Toegang Tilburg van toepassing.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt of mantelzorger afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 11.2 Voorwaarden

Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening.

Artikel 11.3 Besluit en Beleidsregels

Het college stelt een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en beleidsregels vast. Hierin neemt het nadere regels op over de uitvoering van deze verordening, over de omvang van verstrekkingen en over de omvang van de eigen bijdrage.

Artikel 11.4 Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende bedragen indexeren. In deze verordening en in het Besluit Maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg is opgenomen voor welke bedragen dit geldt, welk prijsindexcijfer gehanteerd wordt en over welke periode van 12 maanden de index berekend wordt.

Artikel 11.5 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg oktober 2019 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg oktober 2019, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Meldingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2020 onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg oktober 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

  • 5.

    Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg oktober 2019, geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg oktober 2019 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.

  • 6.

    Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 11.6 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020 (Verordening MO Tilburg 2020).

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 25 november 2019.

de griffier,

voorzitter,

Toelichting op de verordening

Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020.

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In de Wmo en het daarop gebaseerde Besluit is een groot aantal definities opgenomen. Voor de leesbaarheid is een selectie hiervan opgenomen in de begripsbepalingen van de verordening. Niet iedere bepaling behoeft toelichting.

a. Algemeen gebruikelijke voorziening

Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt richt zich op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op grond van de Wmo 2007, de volgende criteria een rol spelen:

- Is de voorziening gewoon te koop?

- Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

- Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

- Is de voorziening voor de persoon als de aanvrager ook algemeen gebruikelijk?

e. Bijdrage in de kosten

Bijdrage in de kosten van een algemene of maatwerkvoorziening (m.u.v. onafhankelijke cliëntondersteuning). Voorheen werd dit eigen bijdrage of eigen aandeel genoemd. In hoofdstuk 5 wordt dit nader uitgewerkt.

f. Budgetplan

In het budgetplan beschrijft de cliënt, samen met de beoogd zorgverlener, hoe zij het persoonsgebonden budget wilt besteden. De basis voor dit plan is het gesprek dat de cliënt heeft gehad met de Toegangsprofessional en het Plan van Aanpak dat is opgesteld. In het Plan van aanpak staat ook beschreven wat de cliënt met deze ondersteuning concreet moet bereiken. Het ingevulde budgetplan wordt beoordeeld door de Toegangsprofessional.

g. College

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg

h. Gebruikelijke hulp

Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

i. Gesprek

Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang.

m. Melding

Iedereen kan zich melden met een hulpvraag. Door het melden maakt men de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien de ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet, in te stellen.

q. Persoonlijk plan

In het plan kan de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst beschrijven.

Artikel 1.2 Doelgroep

Deze verordening kent twee doelgroepen. Allereerst cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie. Om hiervoor in

aanmerking te komen dient de cliënt ingezetene te zijn van de gemeente Tilburg. We gaan

hierbij uit van de inschrijving in de Basis registratie personen (Brp).

Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen in aanmerking te komen

moet de men in ieder geval ingezetene zijn van Nederland, maar niet per se van de gemeente

Tilburg.

Mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene

voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van de gemeente Tilburg.

Hoofdstuk 2 Toegang

Artikel 2.1 Melding en vooronderzoek

In dit artikel is opgenomen dat een hulpvraag schriftelijk, elektronisch, mondeling of

telefonisch bij het college kan worden gedaan. Dit kan zowel op het gemeentelijk LoketZ als bij één van de partners van de gemeente die gezamenlijk de Tilburgse Toegang vormen. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.

In lid 2 is opgenomen dat het college de ontvangst van de melding registreert (tijdstip van

melding) en schriftelijk bevestigt. Tevens wordt de cliënt geïnformeerd over de

vervolgprocedure en diens rechten en plichten (zoals het maken van een afspraak voor het

gesprek, de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en de mogelijkheid

gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. De cliënt mag zich tijdens het onderzoek laten bij

bijstaan door iemand uit zijn eigen netwerk of een cliëntondersteuner. Het gebruik van een

cliëntondersteuner is altijd gratis.

In lid 3 is opgenomen dat in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de

wet het college na ontvangst van de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening treft in

afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Met onverwijld bedoelen wij binnen

maximaal 3 werkdagen.

In lid 5 is opgenomen dat het college alle gegevens verzamelt die door het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, toegankelijk en van belang zijn over de cliënt en zijn situatie. Er wordt zo spoedig mogelijk een afspraak gemaakt voor een gesprek.

Lid 6 bepaalt dat de cliënt voor het gesprek alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen aan het college moet overhandigen. In ieder geval verstrekt de cliënt een identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

In lid 7 is opgenomen dat de cliënt de mogelijkheid heeft een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet op stellen. In dit plan kan de cliënt aangeven op welke wijze hij vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Dit draagt bij aan de mate van eigen regie door de cliënt. Indien de cliënt zo'n persoonlijk plan wil indienen dient hij dit uiterlijk 7 dagen na de melding te overhandigen aan het college.

Artikel 2.2 Gesprek

In dit artikel is opgenomen dat het college in een gesprek onderzoek doet. Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 vierde lid de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt.

Het gesprek wordt gevoerd namens het college door professionals. Het uitgangspunt hierbij is dat het (eerste) gesprek bij de cliënt thuis zal plaatsvinden. Op verzoek van de cliënt kan het gesprek ook op een andere locatie plaatsvinden.

In lid 3 is opgenomen dat indien de cliënt een persoonlijk plan heeft overhandigd dit wordt betrokken bij het onderzoek.

In lid 4 is bepaald dat het college de cliënt informeert over de gang van zaken tijdens het gesprek, dienst rechten en plichten, uitleg geeft over de vervolgprocedure en hem vraagt om toestemming te geven voor het verwerken van zijn persoonsgegevens.

Lid 5 bepaalt dat voor het inwinnen van informatie bij derden (bijvoorbeeld hulp- of zorgverleners) een toestemmingsverklaring wordt ondertekend.

Lid 6 bepaalt dat indien de cliënt genoegzaam bekend is het college met de cliënt kan besluiten af te zien van het onderzoek zoals bedoeld in de wet. De cliënt kan dan middels een aanvraagformulier een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek

Het college draagt zorg voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en verstrekt dit binnen 10 werkdagen aan de cliënt. De weergave van het onderzoek bevat tevens een verslag van het gesprek. Dit is een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is.

In lid 3 is opgenomen dat de cliënt het verslag tekent voor gezien of akkoord. Indien hij uitsluitend tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven waarom hij niet akkoord is. De cliënt draagt er zorg voor dat het getekende exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie hij het gesprek heeft gevoerd.

In lid 5 is opgenomen dat indien de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening hij dit kan aangeven op het door hem ondertekende verslag. Dit verslag dient dan tevens als aanvraag.

Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening

In de Wmo 2015 zijn de termijnen afwijkend geregeld ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Na ontvangst van de melding dient er binnen maximaal zes weken een onderzoek plaats te vinden. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is afgerond tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding.

Na ontvangst van een aanvraag heeft het college twee weken de tijd om een beschikking af te geven.

Indien er conform artikel 2.2 lid 6 wordt afgezien van een onderzoek kan de cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger een aanvraag schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Lid 3 bepaalt dat ook een ondertekend verslag van het onderzoek kan dienen als aanvraag indien de cliënt op het verslag heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging zorg in natura

Bij de regionale inkoop voor begeleiding en persoonlijke verzorging is met zeven regiogemeentes (Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden, Hilvarenbeek, Oisterwijk en Tilburg) afgesproken dat de beoogd zorgaanbieder een rol krijgt bij het vaststellen van de aard en omvang van de benodigde voorziening. De medewerker van de Toegang brengt tijdens het gesprek met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger in kaart op welk van de volgende leefdomeinen ondersteuning nodig is: wonen, financiën, regie op eigen leven, maatschappelijke participatie, gezin en huiselijke relaties en sociaal netwerk. De resultaten worden ingevuld in de matrix leefdomeinen en resultaatgebieden, het stappenplan uit bijlage 1d wordt hierbij gevolgd. De matrix is als bijlage 1a bij deze verordening opgenomen. In bijlage 1b en 1c wordt de matrix nader uitgewerkt (omschrijving van de resultaatgebieden en de intensiteiten).

De beoogd zorgaanbieder stelt met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger een ondersteuningsplan op. Daarin wordt de benodigde intensiteit vertaald in (gemiddelde) omvang in uren of dagdelen per week.

Het verslag van het gesprek samen met het ondersteuningsplan vormt de aanvraag voor de maatwerkvoorziening.

Artikel 2.6 Aanvraag persoonsgebonden budget

Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in beginsel de mogelijkheid om te kiezen tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget. Indien iemand kiest voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, moet hij hiervoor een motivering kunnen geven, zoals bedoeld in artikel 2.3.6 tweede lid onder b van de wet. Door de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Ook moet hij vooraf inzicht geven in hoe de besteding van het persoonsgebonden budget voorziet in de vastgestelde ondersteuningsbehoefte. Mede door aan deze eisen te voldoen maakt de cliënt zich verantwoordelijk voor een passende besteding van het budget.

Met sub c bedoelen we bij een materiele zaak bijvoorbeeld technische eisen van bijvoorbeeld een traplift of scootermobiel. Bij een dienst gaan we uit van het budgetplan waarin staat opgenomen hoe, door wie en in welke vorm de dienst wordt verleend.

Artikel 2.7 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging persoonsgebonden budget

Bij de aanvraag van een maatwerkvoorziening voor begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in het verslag van het gesprek de benodigde omvang van zorg opgenomen (conform de matrix zoals opgenomen in bijlage 1a). In het budgetplan wordt aangegeven hoe de concrete invulling van de ondersteuning is (per resultaatgebied). De zorgverlener en de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen dit budgetplan. Het verslag van het gesprek samen met het budgetplan vormt de aanvraag voor de maatwerkvoorziening.

Artikel 2.8 Inhoud beschikking

In dit artikel is opgenomen welke elementen worden opgenomen in de beschikking. In de beschikking staat de informatie die voor de cliënt nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen.

Artikel 2.9 Advisering

Dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening.

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen

Artikel 3.1 Algemene voorziening

Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of op opvang. De beperkte toegangsbeoordeling van de algemene voorziening zal voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening.

Het college kan de regels voor bepaalde algemene voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels.

Artikel 3.2 Waardering voor mantelzorgers

Het college moet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De woonplaats van de cliënt is bepalend, het kan dus ook mantelzorgers betreffen die in andere gemeenten wonen.

Het gaat hierbij ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van de wet uitgekomen.

Artikel 3.3 Hulp aan Huis

Sinds 2013 bestaat de algemene voorziening Hulp aan Huis. Hiervoor was de cliënt een eigen betaling verschuldigd. Met ingang van 1 januari 2020 is nieuwe instroom niet meer mogelijk in de algemene voorziening en worden alle cliënten gefaseerd omgezet voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis door middel van indicatie/beoordeling. Met ingang van 1 januari 2020 is voor de algemene voorziening Hulp aan Huis een eigen bijdrage van toepassing (abonnementstarief).

Tot de beoordeling voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis worden de uren van de algemene voorziening Hulp aan Huis vastgezet op het niveau van het gemiddeld werkelijke verbruik (in uren per week) over het jaar 2019. Indien er sprake is van een situatie waarbij de cliënt gedurende een kortere periode gebruik gemaakt heeft van de algemene voorziening wordt hiermee rekening gehouden. Bij een verzoek tot verhoging van het aantal uren zal de cliënt (vervroegd) worden beoordeeld voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

Artikel 4.1 Criteria voor maatwerkvoorzieningen

In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

In artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In dit artikel van de verordening zijn de algemene criteria opgenomen, in de volgende artikelen uit dit hoofdstuk zijn meer specifieke criteria opgenomen per productgroep. Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen komt het neer op het leveren van maatwerk. Het is daardoor niet mogelijk en wenselijk om in de verordening limitatief te regelen welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt.

In lid 4 is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan wordt, moge duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen.

Ook bij maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is het begrip goedkoopst compenserend van toepassing. Indien bijvoorbeeld de kosten van het te leveren aantal uren begeleiding de vastgestelde tarieven voor Beschermd Wonen (een zwaardere ondersteuningsvorm) overstijgt kan het persoonsgebonden budget voor begeleiding worden gemaximeerd tot het niveau van de kostprijs van Beschermd Wonen.

Artikel 4.2 Regels voor pgb

In dit artikel is opgenomen dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt in overeenstemming met de wet. Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt dit wenst en hier gemotiveerd om vraagt. Door deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen.

In lid 2 is opgenomen dat het in beginsel niet mogelijk is om kosten achteraf te declareren.

Lid 3 bepaalt de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Het tarief van het pgb is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden en is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. De hoogte van het pgb bedraagt maximaal de hoogte van de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd zal worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.

Er zijn verschillende tarieven voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Er wordt rekening worden gehouden met onder andere de rechtsvorm van de dienstverleners.

Tevens wordt in nadere regels verder uitgewerkt onder welke voorwaarden een cliënt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoord tot zijn sociale netwerk. Uitgangspunt is hierbij dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt.

Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen

Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijk geschikt te maken woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning. Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen dat er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo mogelijk rekening gehouden worden met de behoeften van de cliënt. Dat wil zeggen dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de belangen (met name financiële) van de gemeente.

Het college stelt hier nadere regels over op.

Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen

In dit artikel is bepaald dat bij vervoersvoorzieningen een aanwezige en bruikbare algemene voorziening (zoals een rolstoel of scootermobielpoule) een oplossing kan bieden voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de cliënt uitgangspunt zijn voor de beoordeling welke voorziening nodig is om het te bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen maatwerkvoorzieningen voorkomen.

De omvang van de te bieden compensatie zal over het algemeen liggen tussen de 1500 en 2000 kilometer per jaar.

Het college stelt hier nadere regels over op.

Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden

Dit artikel gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid die ouder zijn dan 18 jaar. Wanneer die in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt allereerst gekeken of dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten boven de 18 jaar zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dan, wanneer één van de huisgenoten uitvalt, via herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als huisgenoten met enige regelmaat langdurig afwezig (bijvoorbeeld militairen op uitzending) zijn kan er aanleiding bestaan voor het verstrekken van een voorziening.

Uiteraard bestaat er een noodzaak tot verstrekken van een voorziening als de huisgenoot zelf ook niet in staat is de bedoelde werkzaamheden te verrichten. Niet gewend zijn deze werkzaamheden te verrichten is geen reden tot het verstrekken van een voorziening. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten kan hiertoe aanleiding zijn. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld worden.

Het college stelt hier nadere regels over op.

Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen

In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen opvang of beschermd wonen.

Indien blijkt dat beschermd wonen voor een cliënt noodzakelijk is wordt er ook altijd beoordeeld wat voor deze cliënt de meest passende plek is.

In lid 3 is uitgewerkt wanneer een cliënt in aanmerking komt voor beschermd wonen. Er moet sprake zijn van de in het artikel genoemde beperkingen en een noodzaak zijn om verslechtering van de huidige situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Een cliënt komt alleen in aanmerking voor beschermd wonen als de cliënt niet beschikt over alternatieven.

Artikel 4.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen

In lid 1 sub a wordt bepaald dat voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, er geen maatwerkvoorziening wordt toegekend.

Lid 1 sub b is een herhaling van het algemene toetsingskader zoals deze in de wet centraal staat. Indien men op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen bestaat er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening.

Ook lid 1 sub c is een herhaling van het algemene toetsingskader van de wet. Een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Kan men gebruik maken van een algemene voorziening dan bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening.

Lid 1 sub d gaat over algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij de begripsbepalingen is een nadere uitleg opgenomen over het begrip algemeen gebruikelijk voorziening. Indien een voorziening voor een persoon als de aanvrager als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening.

In lid 1 sub f is opgenomen dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. De maatwerkvoorziening is immers gericht op de individuele cliënt. Het past niet om generieke voorzieningen te treffen, daar zijn algemene voorzieningen meer geschikte instrumenten voor.

In lid 1 sub g is opgenomen dat er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de noodzaak voor deze voorziening door de cliënt redelijkerwijs te voorzien was en de cliënt in redelijkheid te vergen mogelijkheden heeft/had om zelf voor een passende oplossing te zorgen.

In lid 2 is opgenomen dat er geen voorziening wordt verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk is. Er worden alleen voorzieningen verstrekt als die voor langere tijd nodig zijn en tevens noodzakelijk zijn om de beperkingen op te heffen of te verminderen.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten

In dit hoofdstuk is de tariefstelling van de persoonsgebonden budgetten geregeld. Er zijn diverse soorten tarieven voor persoonsgebonden budgetten zoals voor hulpmiddelen (zoals bijvoorbeeld rolstoelen), voor vervoersvoorzieningen, woningaanpassingen maar ook voor begeleiding (individueel/groep), logeeropvang en beschermd wonen. De opbouw van de tarieven staat hier beschreven maar ook de daadwerkelijke tarieven zijn opgesomd per voorzieningencategorie.

Voor enkele voorzieningen wordt voor een nadere uitwerking verwezen naar bijlage 2, 3 & 4.

Hoofstuk 6 Bijdragen

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

Dit artikel geeft uitvoering aan het artikel 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.

Op maatwerkvoorzieningen is het abonnementstarief van toepassing. In het landelijke uitvoeringsbesluit is het tarief per maand opgenomen. In dit artikel is opgenomen voor welke voorzieningen het abonnementstarief van toepassing is en hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs.

In het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen. Het CAK is verantwoordelijk voor de vaststelling en inning van de eigen bijdragen.

Het college kan eventueel nadere regels stellen met betrekking tot de eigen bijdrage.

Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving

Artikel 7.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

In dit artikel zijn regels opgenomen ter bestrijding van het onterecht ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit artikel is tevens van toepassing op de algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening.

Lid 1

Het is van belang dat cliënten zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een maatwerkvoorziening of een daaraan gekoppeld persoonsgebonden budget. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden of de medewerkingsverplichting. Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de cliënt hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.

Lid 2

Deze bepaling berust mede op artikel 2.3.8 van de wet, waarin is vastgelegd dat de cliënt het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget. De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 2.3.8 ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op rechtmatige verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb.

Lid 3

Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een maatwerkvoorziening of algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening, kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij "wijzigen" gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is "herzien", wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.

Lid 8

Deze bepaling ziet op het wettelijk mogen verwerken/gebruikmaken van (bijzondere) persoonsgegevens bij controle door de Toezichthouder Wmo. Ook vormt dit de grondslag om (controlerende) interventies en passende maatregelen te kunnen toepassen.

Artikel 7.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget

In dit artikel is geregeld dat het college aan de Sociale Verzekeringsbank kan verzoeken om de betalingen uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk op te schorten (voor maximaal 13 weken van betalingen) als er een ernstig vermoeden is dat er sprake is van een omstandigheid uit artikel 2.3.10 eerste lid, onder a, d of e. Het gaat dan om bijvoorbeeld niet voldoende aan de gestelde voorwaarden of het persoonsgebonden budget gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is toegekend.

Artikel 7.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten

Naast met het oog op de beoordeling van kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb's worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit en klachten

Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

In dit artikel zijn de kwaliteitseisen opgenomen voor aanbieders ten behoeve van een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundigheid van beroepskrachten.

Het college kan tevens nadere regels stellen op het gebied van kwaliteit voor te verstrekken persoonsgebonden budgetten.

Het college ziet toe op naleving van de eisen door periodieke overleggen, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien nodig het ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit voorzieningen door derden

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college en reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

In het tweede lid is opgenomen dat bij het vaststellen van de prijs het college rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

Het derde lid bepaalt dat het college de vaste prijs of reële prijs minimaal moet baseren op de in het artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend, er kunnen elementen aan worden toegevoegd.

Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van de reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen.

Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Daarnaast zullen meldingen over incidenten, calamiteiten en geweld ook in het kader van het contractmanagement onderwerp van gesprek zijn.

Artikel 8.4 Klachtregeling

Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten met de aanbieder worden eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren.

Artikel 8.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, opvang of beschermd wonen moeten beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door het voeren van periodieke overleggen met de aanbieders en door een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Hoofdstuk 9 Inspraak

Artikel 9.1 Betrekken van ingezetenen bij beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

In lid 1 wordt verwezen naar de door gemeente vastgestelde inspraakverordening ter waarborging van eenzelfde inspraakprocedure voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.

De inspraak geldt voor alle ingezetenen, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

Hoofdstuk 10 Privacy

Artikel 10.1 Privacyprotocol

Het college heeft op 15 december 2015 een Privacyprotocol vastgesteld met betrekking tot de vastlegging en verwerking van persoonsgegevens. Voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo2015) is het vastleggen en verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk. Naast de regels die opgenomen in de wetgeving is ook het Privacyprotocol Toegang Tilburg van toepassing.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze hardheidsclausule.

Artikel 11.2 Voorwaarden

In dit artikel wordt bepaald dat er aan het verstrekken van voorzieningen voorwaarden verbonden mogen worden.

Artikel 11.3 Besluit en Beleidsregels

In dit artikel wordt bepaald dat er een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en beleidsregels worden vastgesteld. Deze documenten bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening. Het besluit onder andere de hoogte van eigen bijdrage in de kosten.

Artikel 11.4 Indexering

De tarieven en bijdragen uit deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg kunnen jaarlijks worden geïndexeerd. In deze verordening en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg staan de regels opgenomen op grond waarvan dit gebeurt.

Artikel 11.5 Intrekkingen oude verordening en overgangsrecht

De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de Wmo overgaan naar de Wmo 2015 (artikel 8.9). In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. Bestaande rechten lopen door, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.

In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat meldingen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. De zelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid.

Artikel 11.6 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd. De kortere vorm voor dagelijks gebruik is Verordening MO Tilburg 2020.

Ondertekening