Monumentenverordening Den Haag 2019

Geldend van 28-12-2019 t/m heden

Intitulé

Monumentenverordening Den Haag 2019

De raad van de gemeente Den Haag,

gezien het voorstel van het college van 25 juni 2019,

gelet op:

- de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988,

- de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

en

- artikel 149 van de Gemeentewet,

besluit vast te stellen de Monumentenverordening Den Haag 2019:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

-

college:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag;

-

eigenaren:

a. degenen die, voor zover het onroerende monumenten betreft, in de kadastrale registers als eigenaren en zakelijk gerechtigden van een monument zijn ingeschreven;

b. degenen die, voor zover het roerende monumenten betreft, naar burgerlijk recht als zodanig aan te merken zijn;

-

gemeentelijk beschermd stadsgezicht

groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en die ingeschreven zijn in het gemeentelijk monumentenregister;

-

gemeentelijk monument:

monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk monumentenregister;

-

gemeentelijk monumenten register:

het register, waarin zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening beschermde monumenten, voorlopige monumenten en beschermde stadsgezichten;

-

kerkelijk monument:

monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor eenoverwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijkbelijden van de godsdienst of levensovertuiging;

-

monumenten:

a. roerende of onroerende zaken en terreinen die van algemeen belang zijn voor de gemeente Den Haag vanwege hun cultuurhistorische, stedenbouwkundige of architectuurhistorische waarde of hun betekenis voor de wetenschap;

b. terreinen die van algemeen belang zijn voor de gemeente Den Haag wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder a;

-

normaal onderhoud:

noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

-

omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

-

restauratie:

werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel;

-

rijksmonument:

monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;

-

Wabo

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

-

welstands- en monumenten commissie:

de door het college ingestelde commissie die adviseert op het gebied van de monumentenzorg als bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988 en in het kader van deze verordening.

Artikel 1:2 Gemeentelijk monumentenregister
  • 1. Het college houdt een voor eenieder openbaar toegankelijk gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijke monumenten, voorlopige monumenten en beschermde stadsgezichten (gemeentelijk monumentenregister).

  • 2. Het gemeentelijk monumentenregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk monument, namelijk de plaatselijke en kadastrale aanduiding, de datum van aanwijzing en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing tot gemeentelijk monument

Artikel 2:1 De aanwijzing tot gemeentelijk monument
  • 1. Het college kan besluiten zaken en terreinen als bedoeld in artikel 1:1, onder ‘monumenten’, aan te wijzen als gemeentelijk monument.

  • 2. Het college vraagt advies aan de welstands- en monumentencommissie over een voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid.

  • 3. Het college maakt het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, schriftelijk bekend aan de eigenaren.

  • 4. De eigenaren kunnen gedurende een termijn van zes weken na de datum van verzending van de kennisgeving bedoeld in het derde lid een schriftelijke reactie op het voornemen tot aanwijzing bij het college indienen.

  • 5. Het college voert overleg met de eigenaar over het voornemen om een kerkelijk monument aan te wijzen.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten; en

    • b.

      monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 2:2 Voorbescherming
  • 1. De bescherming van hoofdstuk 3 is van overeenkomstige toepassing op het monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2:1 is bekendgemaakt.

  • 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment dat:

    • a.

      het object in het gemeentelijk monumentenregister ingeschreven wordt;

    • b.

      het college besluit af te zien van het voornemen tot plaatsing;

    • c.

      het college binnen de termijn genoemd in artikel 2:4 geen besluit genomen heeft.

Artikel 2:3 Voorlopige aanwijzing bij spoed
  • 1. In spoedeisende gevallen kan het college zonder toepassing van artikel 2:1, tweede en vijfde lid, een zaak of terrein aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 2. Artikel 2:2 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 3. Artikel 2:1 is bij de voorbereiding van het definitieve besluit over de aanwijzing van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De voorlopige aanwijzing vervalt na zesentwintig weken of zoveel eerder wanneer het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing.

Artikel 2:4 Beslistermijn
  • 1. Het college beslist binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 2:1, vierde lid, of al dan niet tot inschrijving in het monumentenregister zal worden overgegaan.

  • 2. Het college kan de in het eerste lid bedoelde termijn met ten hoogste twaalf weken verlengen. Van deze verlenging geeft zij schriftelijk kennis aan de eigenaren.

Artikel 2:5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit
  • 1. Het college maakt de aanwijzing schriftelijk bekend aan de eigenaren.

  • 2. Een aanwijzing wordt opgenomen in het gemeentelijk monumentenregister.

  • 3. De registratie bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

  • 4. Indien de aanwijzing gebeurt vanwege één of meer specifieke onderdelen van het monument (een ‘vanwege’-bescherming), wordt dit in de registratie opgenomen.

Artikel 2:6 Wijzigen van de aanwijzing
  • 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk monumentenregister.

  • 2. Artikel 2:1, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 2:4, zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging.

  • 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft de overeenkomstige toepassing van artikel 2:1, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 2:4, achterwege.

  • 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijke monumentenregister aangetekend.

Artikel 2:7 Intrekken van de aanwijzing
  • 1. Het college kan de aanwijzing intrekken.

  • 2. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2:1, tweede, derde en vierde lid en de artikelen 2:4 en2:5 van overeenkomstige toepassing (met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen: intrekking van de aanwijzing), tenzij het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig tenietgegaan is.

  • 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal monumentenregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt bijgehouden in het gemeentelijk monumentenregister.

Hoofdstuk 3 Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 3:1 Instandhoudingsplicht

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 3:2 Omgevingsvergunning
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een beschermd gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, te verstoren of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; of

    • c.

      indien het een roerend monument betreft: te vernietigen, in enig opzicht te wijzigen of te verplaatsen buiten de gemeentegrenzen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt;

    • b.

      inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is; of

    • c.

      werkzaamheden aan een monument met een ‘vanwege’-bescherming zoals bedoeld in artikel 2:5, vierde lid, voor zover de werkzaamheden geen betrekking hebben op een onderdeel waar de ‘vanwege’-bescherming betrekking op heeft.

  • 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

  • 4. De regels zoals bedoeld in het derde lid kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3:3 De beoordeling van de aanvraag
  • 1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het college houdt rekening met het gebruik van het monument bij de beslissing op de aanvraag.

  • 2. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een kerkelijk monument neemt het college geen beslissing dan na overleg met de eigenaar. Voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het college een beslissing in overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 3:4 Advies omgevingsvergunning

Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument voor advies aan de welstands- en monumentencommissie.

Artikel 3:5 Intrekken van de omgevingsvergunning

Het college kan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, intrekken:

  • a.

    als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;

  • b.

    als blijkt dat de vergunninghouder de nadere regels als bedoeld in artikel 3:2, derde lid, niet naleeft;

  • c.

    indien gedurende zesentwintig weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  • d.

    voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.

Artikel 3:6 Schadevergoeding

Indien de omgevingsvergunning is geweigerd en de aanvrager van de vergunning daardoor schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kan het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekennen.

Hoofdstuk 4 Rijksmonumenten

Artikel 4:1 Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo voor advies aan de welstands- en monumentencommissie.

Hoofdstuk 5 Gemeentelijk beschermd stadsgezicht

Artikel 5:1 Aanwijzing
  • 1. De gemeenteraad kan, op voordracht van het college, stadsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stadsgezicht.

  • 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de welstands- en monumentencommissie.

  • 3. Een voordracht tot een aanwijzing zoals bedoeld in het eerste lid, of een intrekking zoals bedoeld in artikel 5:3 ligt gedurende zes weken voor een ieder ter inzage.

  • 4. De raad beslist binnen vierentwintig weken na het verstrijken van de in het derde lid genoemde termijn over de voordracht.

  • 5. Een aangewezen gemeentelijk stadsgezicht wordt opgenomen in het gemeentelijk monumentenregister.

  • 6. De aanwijzing kan geen stadsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening.

Artikel 5:2 Beschermende bestemmingsplannen
  • 1. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het in artikel 5:1 aangewezen beschermde stadsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stadsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 2. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stadsgezicht bepaalt de gemeenteraad of geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt.

Artikel 5:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing
  • 1. De gemeenteraad kan, op voordracht van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 5:1, tweede, derde en vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stadsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

  • 3. De wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing wordt bijgehouden in het gemeentelijk monumentenregister.

Artikel 5:4 Verbodsbepalingen en aanvraag vergunning
  • 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stadsgezicht verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen (met uitzondering van inpandige sloopwerkzaamheden).

  • 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3. De artikelen 3:2 en 3:4 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

Hoofdstuk 6 Handhaving en toezicht

Artikel 6:1 Strafbepaling

Degene die handelt in strijd met artikel 3:1, het bepaalde krachtens artikel 3:2, eerste en derde lid, of artikel 5:4 van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 6:2 Toezichthouders
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde of bij krachtens deze verordening zijn behalve de bij of krachtens artikel 141 van het wetboek van Strafvordering aanwezen personen belast, de door het college daartoe aangewezen personen.

  • 2. Eenieder is verplicht om de door de in eerste lid bedoelde toezichthouder gegeven aanwijzingen na te leven.

Hoofdstuk 7 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 7:1 Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Monumentenverordening Den Haag 2019.

Artikel 7:2 Intrekken oude verordening

De Monumentenverordening Den Haag 2010 wordt ingetrokken.

Artikel 7:3 Overgangsrecht

Een krachtens Monumentenverordening Den Haag 2010 aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, voorlopig monument of beschermd stadsgezicht, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

Ondertekening

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 19 december 2019.

De griffier, Lilianne Blankwaard-Rombouts en de voorzitter, Johan Remkes.