Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020

Geldend van 08-01-2022 t/m heden

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020

De raad van de gemeente Steenwijkerland;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2019, nummer 2019-RAAD-00043;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

besluit vast te stellen de volgende:

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen;

  • b.

    algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning, zoals bedoeld in art. 1.1.1 van de wet;

  • c.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • d.

    bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.14a van de wet;

  • e.

    cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen zoals bedoeld in art. 1.1.1 van de wet;

  • f.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • g.

    maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen

    • ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

    • ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

    • ten behoeve van beschermd wonen en opvang; zoals bedoeld in art. 1.1.1 van de wet;

  • h.

    melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • i.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • j.

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • k.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  • 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan

  • 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

Zo spoedig mogelijk na het onderzoek verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het verslag).

Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Het college kan een door cliënt of zijn gemachtigde ondertekend en geretourneerd verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag, indien cliënt of zijn gemachtigde dat op het verslag heeft aangegeven.

  • 2. Een cliënt of zijn gemachtigde kan direct na afloop van het gesprek, via de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd, een mondelinge aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen. Van de mondelinge aanvraag wordt, met vermelding van de datum van aanvraag, aantekening gemaakt in het verslag van het onderzoek.

  • 3. Ter bevestiging van de mondelinge aanvraag als genoemd in lid 2 van dit artikel ondertekent de cliënt of zijn gemachtigde het verslag.

  • 4. Indien de aanvraag een pgb betreft wordt een pgb-plan als genoemd in artikel 12 lid 1 van deze verordening ingediend.

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

  • 3. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 4. Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover:

    • a.

      hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en

    • b.

      het betreft een van de volgende voorzieningen: 1. vervoersvergoeding 2. verhuiskostenvergoeding, of 3. een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is.

    De tegemoetkoming bedraagt voor:

    • a.

      collectief vraagafhankelijk vervoer (vervoer door vrijwilligersorganisaties in de gemeente Steenwijkerland), eigen auto of taxikosten bedraagt jaarlijks: maximaal € 360,00. De vergoeding bij gebruikmaking van (eigen) auto bedraagt € 0,20 per afgelegde kilometer tot maximaal het normbedrag van € 360,00 per jaar;

    • b.

      rolstoeltaxikosten per jaar: € 1503,00;

    • c.

      een autoaanpassing, sportrolstoel, aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel en aanpassing van een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen, een open elektrische buitenwagen of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • d.

      verhuiskosten en inrichtingskosten: € 2782,00.

  • 5. De tegemoetkoming bedraagt voor:

    • a.

      een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening 100% van de voor de vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • b.

      een woonvoorziening van niet-bouwkundige of technische aard 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c.

      onderhoud en keuring van een woonvoorziening 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • d.

      tijdelijke huisvesting de werkelijke kosten van de kale huur (minus huurtoeslag) als tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een zelfstandig woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte (dubbele woonlasten) of de werkelijke kosten als tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een niet zelfstandige woonruimte.

  • 6. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie.

  • 7. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

    • a.

      tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • b.

      tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

    • c.

      als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 8. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.

Artikel 9. Aanvullende criteria voor maatwerkvoorzieningen opvang en beschermd wonen

  • 1. In aanvulling op artikel 9, tweede lid, kan een cliënt (alsmede eventuele kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor opvang als:

    • a.

      hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en;

    • b.

      hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving – niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en;

    • c.

      opvang, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2. In aanvulling op artikel 8, tweede lid, kan een cliënt (alsmede eventuele kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor opvang als

    • a.

      deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van deze cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld, en de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en;

    • b.

      deze de situatie -waarbij de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld- , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en;

    • c.

      opvang, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie zich te handhaven in de samenleving.

  • 3. In aanvulling op artikel 8, tweede lid, kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als

    • a.

      hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en;

    • b.

      deze de situatie – waarbij de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld – , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en;

    • c.

      beschermd wonen, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Artikel 10. Advisering

Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

Artikel 11. Inhoud beschikking

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en

    • d.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 12. Regels voor pgb

  • 1. Onder een pgb-plan wordt verstaan een plan waarin de inwoner omschrijft hoeveel persoonsgebonden budget hij nodig heeft voor een maatwerkvoorziening en waaraan hij het toe te kennen budget wil gaan besteden/ hoe het pgb ingezet gaat worden en hoe de zorg bijdraagt aan de doelen die geformuleerd zijn in het verslag van het onderzoek, hoe de kwaliteit van zorg wordt gewaarborgd en hoe het contractbeheer wordt ingevuld. De indiener van het plan gebruikt het op de website van de gemeente Steenwijkerland beschikbaar gestelde model.

  • 2. Wanneer er sprake is van een pgb voor dienstverlening door een zorgaanbieder levert de cliënt samen met het pgb-plan de volgende gegevens/documenten van de beoogde zorgaanbieder aan:

    • -

      geldig uittreksel van de Kamer van Koophandel (op het moment van indienen niet ouder dan 6 maanden);

    • -

      een van de volgende, geldige en bij opdracht passende kwaliteitscertificaten: ISO-9000, EN15224, HKZ, PREZO; of

    • -

      of een actueel kwaliteitsplan/kwaliteitshandboek, passend bij de ondersteuning. Denk hierbij aan protocollen en een beschrijving van gevolgde opleidingen; en

    • -

      een kopie van de polis van een marktconforme en adequate verzekering of voorziening voor bedrijfsaansprakelijkheid van minimaal twee miljoen Euro (€ 2.000.000,--) per gebeurtenis; en

    • -

      een regeling voor de afhandeling van klachten (Klachtenregeling); en

    • -

      een regeling voor medezeggenschap; en

    • -

      een “Gedragsverklaring Aanbesteden” (of een Verklaring Omtrent Gedrag als er geen sprake is van een rechtspersoon).

  • 3. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 4. De pgb-vaardigheid van de cliënt en/of degene die namens de cliënt het pgb gaat beheren wordt getoetst aan de hand van de ‘Handreiking voor toetsing op (minimale) pgb-vaardigheid’ zoals opgesteld door de VNG, Per Saldo en VWS.

  • 5. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 6. De hoogte van een pgb:

    • a.

      is gebaseerd op het pgb-plan;

    • b.

      is toereikend om veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede zorg of materiele voorzieningen van derden te betrekken, en

    • c.

      bedraagt – onverminderd het bepaalde in lid 5 – ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

  • 7. De kostprijs van de zorg in natura wordt bepaald door de (regionale) inkoop.

  • 8. De hoogte van een pgb voor de aanschaf van een zaak, een woningaanpassing of een autoaanpassing wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt via een door de gemeente gecontracteerde leverancier of aannemer en rekening houdend met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten.

  • 9. Het tarief voor een pgb voor dienstverlening door:

    • a.

      een zorgaanbieder zijnde een natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat, of de rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg verleent bedraagt maximaal 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura;

    • b.

      een zorgaanbieder zijnde een solistisch werkende zorgverlener (zzp’er) bedraagt maximaal 75% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura;

    • c.

      een persoon uit het sociale netwerk dan wel een persoon anders dan de onder a en b genoemde zorgaanbieders bedraagt maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura met een maximum van €20,- per tijdseenheid waarmee de betreffende zorg bij zorg in natura wordt verrekend.

    • d.

      een persoon uit het sociaal netwerk dan wel een persoon anders dan de onder a en b genoemde zorgaanbieders bedraagt maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura met een maximum van € 20,- per dagdeel voor begeleiding groep en per uur voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging.

    • e.

      een persoon uit het sociaal netwerk die op grond van een verklaring logeren (kortdurend verblijf) biedt aan de cliënt – als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 – bedraagt maximaal € 141 per kalendermaand.

  • 10. Het tarief voor vervoer van een belanghebbende van en naar de locatie waar zorg wordt verleend bedraagt € 0,31 per kilometer.

  • 11. Het pgb mag niet worden aangewend voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, bemiddelings- en coördinatietaken alsmede begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag. Cadeautjes en feestdagenuitkeringen mogen ook niet uit het pgb worden bekostigd.

  • 12. Wanneer het pgb beheerd gaat worden door iemand uit het sociale netwerk van de cliënt dan wel door zijn vertegenwoordiger, is het niet toegestaan dat deze persoon ook vanuit het pgb wordt betaald. Het is niet toegestaan dat het pgb wordt beheerd door iemand die tevens vanuit het pgb bekostigde ondersteuning biedt en vanuit het pgb wordt betaald.

  • 13. Het is cliënt niet toegestaan om met dienstverlener een vast maandloon overeen te komen, dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan de SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette zorg.

  • 14. Wanneer geen passende voorziening in natura beschikbaar is, én niet door de gemeente alsnog gecontracteerd kan worden, én de belanghebbende(s) niet in staat is op verantwoorde wijze uitvoering te geven aan het pgb, dan zal de gemeente een coördinator (zorg in natura) aanwijzen of (al dan niet tijdelijk) toestaan dat een pgb-bureau voor ondersteuning wordt ingeschakeld. Er vindt daarbij in ieder geval functiescheiding plaats tussen de coördinatortaken en het bieden van daadwerkelijke hulp.

  • 15. De hoogte van een pgb voor beschermd wonen wordt bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend budget. Dit budget bedraagt maximaal 81% van de maximale kostprijzen van de maatwerkvoorziening beschermd wonen in natura.

    Dit resulteert in de volgende pgb-tarieven:

    pgb-tarieven beschermd wonen 1-1-2021 t/m 31-12-2021

    Persoonsgebonden budget*

    zzp exclusief behandeling, exclusief dagbesteding

    Op basis van 365 dagen

    1GGZC*

    2GGZC*

    3GGZC

    4GGZC

    5GGZC

    6GGZC

    Excl. vervoer pgb (niet wonend in wooninitiatief)

    € 15.390

    € 26.992

    € 29.916

    € 37.899

    € 41.066

    € 56.070

    pgb (wonend in wooninitiatief)

    € 19.325

    € 30.926

    € 33.851

    € 41.834

    € 45.001

    € 60.005

    * Deze toekenning wordt niet meer afgegeven vanaf 1-1-2015 in de regio IJssel-Vecht bij herindicaties (of toekenningen voor nieuwe beschermd wonen-cliënten)

    Persoonsgebonden budget*

    zzp exclusief behandeling, inclusief dagbesteding

    Op basis van 365 dagen

    1GGZC*

    2GGZC*

    3GGZC

    4GGZC

    5GGZC

    6GGZC

    Excl. vervoer pgb (niet wonend in wooninitiatief)

    € 24.962

    € 36.565

    € 39.487

    € 47.471

    € 50.639

    € 65.641

    pgb (wonend in wooninitiatief)

    € 28.897

    € 40.499

    € 43.422

    € 51.406

    € 54.574

    € 69.576

    Incl. vervoer pgb (niet wonend in wooninitiatief)

    € 26.105

    € 37.707

    € 40.631

    € 48.614

    € 51.783

    € 66.785

    pgb (wonend in wooninitiatief)

    € 30.040

    € 41.642

    € 44.565

    € 52.549

    € 55.717

    € 70.720

    *Deze toekenning wordt niet meer afgegeven vanaf 1-1-2015 in de regio IJssel-Vecht bij herindicaties (of toekenningen voor nieuwe beschermd wonen-cliënten)

    pgb-tarieven beschermd wonen 1-1-2022 t/m 31-12-2022

    Persoonsgebonden budget*

    zzp exclusief behandeling, exclusief dagbesteding

    Op basis van 365 dagen

    1GGZC*

    2GGZC*

    3GGZC

    4GGZC

    5GGZC

    6GGZC

    Excl. vervoer pgb (niet wonend in wooninitiatief)

    €15.683

    € 27.505

    € 30.484

    € 38.619

    € 41.847

    € 57.135

    pgb (wonend in wooninitiatief)

    €19.692

    € 31.514

    € 34.494

    € 42.629

    € 45.856

    € 61.145

    * Deze toekenning wordt niet meer afgegeven vanaf 1-1-2015 in de regio IJssel-Vecht bij herindicaties (of toekenningen voor nieuwe beschermd wonen-cliënten)

    Persoonsgebonden budget*

    zzp exclusief behandeling, inclusief dagbesteding

    Op basis van 365 dagen

    1GGZC*

    2GGZC*

    3GGZC

    4GGZC

    5GGZC

    6GGZC

    Excl. vervoer pgb (niet wonend in wooninitiatief)

    € 25.436

    € 37.260

    € 40.238

    € 48.373

    € 51.601

    € 66.889

    pgb (wonend in wooninitiatief)

    € 29.446

    € 41.268

    € 44.247

    € 52.383

    € 55.611

    € 70.898

    Incl. vervoer pgb (niet wonend in wooninitiatief)

    € 26.601

    € 38.424

    € 41.403

    € 49.538

    € 52.767

    € 68.054

    pgb (wonend in wooninitiatief)

    € 30.611

    € 42.433

    € 45.412

    € 53.548

    € 56.775

    € 72.064

    *Deze toekenning wordt niet meer afgegeven vanaf 1-1-2015 in de regio IJssel-Vecht bij herindicaties (of toekenningen voor nieuwe beschermd wonen-cliënten)

  • 16. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de kwaliteitseisen voor een pgb beschermd wonen.

Artikel 12a. Voorwaarden pgb voor hulp door persoon uit sociaal netwerk

  • 1. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de maatwerkvoorziening onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk dan wel van een persoon niet zijnde een zorgaanbieder:

    • a.

      dat naar het oordeel van het college het verlenen van informele zorg, in combinatie met alle overige verplichtingen en verantwoordelijkheden van deze persoon, een gezonde balans tussen draagkracht en draaglast niet verstoort en het verlenen van de informele zorg niet leidt tot de noodzaak een voorziening voor respijtzorg ter ontlasting van de informele hulp toe te kennen.

    • b.

      dat de informele hulp op geen enkele wijze druk op de cliënt heeft uitgeoefend bij de besluitvorming om over te gaan tot uitbetaling;

    • c.

      dat de informele hulp een recente verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG NP), specifiek screeningsprofiel 45. ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’, kan overleggen;

    • d.

      dat naar het oordeel van het college de kwaliteit van de geboden hulp voldoende is gewaarborgd;

    • e.

      de informele hulp bevoegd en bekwaam is, (gelet op het doel van de maatschappelijke ondersteuning) de betreffende zorg te verlenen;

    • f.

      dat per dagdeel ondersteuning maatschappelijke deelname waarvoor het tarief van artikel 12, lid 9, sub d geldt, een zorgovereenkomst van maximaal 80 minuten individuele zorg wordt gesloten, zodat met het van toepassing zijnde tarief tevens kan worden voldaan aan de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Artikel 13. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

  • 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 3. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      vervoerskostenvoorziening;

    • b.

      verhuiskostenvoorziening.

  • 4. De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

    • b.

      pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 5. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door de zorgaanbieder die de opvang verzorgt vastgesteld en geïnd.

  • 6. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 16. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

  • 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste onvolledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt langer dan 2 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

    • e.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

    • f.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 6. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 16a. Opschorting betaling uit het pgb

  • 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder d.

  • 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 16b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

  • 2.

    De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste €100,- en wordt door het college jaarlijks na overleg met het Mantelzorgnetwerk Steenwijkerland en de Adviesraad Sociaal Domein vastgesteld.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde of;

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1°.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • 2°.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 19. Klachtenregeling

  • 1. Het college behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de klachtenregeling van de gemeente Steenwijkerland.

  • 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 20. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van voorzieningen in de vorm van:

    • -

      beschermd wonen;

    • -

      begeleiding (individueel dan wel groep);

    • -

      kortdurend verblijf.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek

Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 3. Het betrekken van ingezeten en cliënten bij de beleidsontwikkeling op het gebied van jeugdhulp op maatschappelijke ontwikkeling geschiedt in eerste instantie via de Adviesraad Sociaal Domein.

  • 4. Daarnaast kan het college op andere wijzen inwoners of cliënten betrekken bij de vormgeving van beleid.

Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2017 wordt ingetrokken.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2017 of deze verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2017 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2017, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2020.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 17 december 2019,

de griffier,

A. ten Hoff

de voorzitter,

J.H. Bats