Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Lopik houdende regels omtrent jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2020)

Geldend van 01-01-2020 t/m 05-05-2021

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Lopik houdende regels omtrent jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2020)

De raad van de gemeente Lopik;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 september 2019;

gelet op, de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 2.1.4a eerste, tweede vijfde en zesde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de artikelen 3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

besluit:

de ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2020’ vast te stellen.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld artikel 1.1.1. van de Wmo 2015;

    • b.

      Breed Sociaal Loket: Uitvoerend team van professionals vanuit onder andere de domeinen jeugdhulp, maatschappelijk werk, maatschappelijke ondersteuning en eerstelijns zorg die niet- en beperkt zelfredzame inwoners basishulp en kortdurende zorg en ondersteuning bieden;

    • c.

      budgetplan: een door de cliënt ingevuld plan waarin de motivering is opgenomen waarom de cliënt een persoonsgebonden budget wenst, welke diensten uit het persoonsgebonden budget worden betaald, wat de kwaliteit daarvan is en welke resultaten daarmee worden bereikt;

    • d.

      cliënt: in aanvulling op de definitie in artikel 1.1.1 Wmo 2015, wordt onder cliënt mede verstaan de jeugdige of zijn ouders als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die gebruik maakt/maken van jeugdhulp of door of namens wie een melding is gedaan;

    • e.

      gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

    • f.

      maatwerkvoorziening: daar, waar in deze verordening gesproken wordt over maatwerkvoorziening, wordt naast de definitie van de maatwerkvoorziening zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, ook de individuele voorziening bedoeld zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

    • g.

      ondersteuningsplan: het onderdeel van het verslag dat een weergave bevat van het onderzoek, de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding;

    • h.

      ondersteuningsvraag: behoefte van een cliënt aan ondersteuning op hulp op grond van de Jeugdwet of Wmo 2015;

    • i.

      overige voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.9 onder a van de Jeugdwet en artikel 3.1 van deze verordening;

    • j.

      persoonlijk plan: in aanvulling de definitie in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo 2015, wordt onder persoonlijk plan mede het familiegroepsplan bedoeld zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

    • k.

      pgb: een door het college verstrekt budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo 2015.

HOOFDSTUK 2 VAN MELDING TOT BESLISSING

Artikel 2.1 Melding via de gemeente
  • 1. Een ondersteuningsvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of digitaal.

  • 3. Het college brengt cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om gebruik te maken van een cliëntondersteuner.

  • 4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om zelf een persoonlijk plan op te stellen waarin de cliënt uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en welke resultaten hij wil bereiken met zijn vraag. Het persoonlijk plan dient binnen zeven dagen na de melding te worden aangeleverd.

  • 5. In spoedeisende gevallen verstrekt het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.

Artikel 2.2 Jeugdhulp via andere wettelijke verwijzers
  • 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de bij wet bevoegde verwijzers, opgenomen in art. 2.4. lid b en art. 2.6. lid g van de Jeugdwet.

  • 2. Het college maakt lokaal en/of regionaal afspraken met de huisartsen, medische specialisten, jeugdartsen en de gecertificeerde instellingen over deze doorverwijzingen.

  • 3. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 2.8 van deze verordening.

Artikel 2.3 Onderzoek en identificatie
  • 1. Naar aanleiding van de melding, bedoeld in artikel 2.1 voert het college in samenspraak met cliënt dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk mantelzorger(s), zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding, een onderzoek ter verheldering van de hulpvraag uit.

  • 2. In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde:

    • -

      de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, voorkeuren, ontwikkeling en gezinssituatie van de cliënt en het probleem of de ondersteuningsvraag;

    • -

      het vermogen van de cliënt (of zijn ouder) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de ondersteuningsvraag te vinden;

    • -

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • -

      het gewenste resultaat van de in te zetten jeugdhulp;

    • -

      de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;

    • -

      de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • -

      de wijze waarop de jeugdhulp wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • -

      de mogelijkheden om te kiezen voor een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget.

  • 3. Als de cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

  • 4. Het college kan, in overleg met de cliënt besluiten het onderzoek, bedoeld als in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk achterwege laten, als het college op basis van voorafgaand dossieronderzoek en bekendheid met de cliënt en zijn actuele situatie, over voldoende inzicht beschikt in de ondersteuningsbehoefte.

  • 5. De cliënt dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen

  • 6. Het college draagt er zorg voor dat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek tijdig wordt geïnformeerd over de procedure van het onderzoek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 7. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 2.4 Ondersteuningsplan
  • 1. Na het onderzoek verstrekt het college aan cliënt (of zijn wettelijk vertegenwoordiger) een ondersteuningsplan.

  • 2. Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten van het onderzoek, de te nemen vervolgstappen, de te bereiken resultaten en de relevante voorzieningen of ondersteuning die al aanwezig zijn.

  • 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt of zijn ouders worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.

Artikel 2.5 Aanvraag
  • 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden ingediend door middel van ondertekening van het ondersteuningsplan, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.

  • 2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook via een daarvoor bestemd aanvraagformulier worden ingediend.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend.

Artikel 2.6 Beslistermijn
  • 1. Het college beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken nadat de ondertekende aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag van een jeugdige en/of zijn ouders dan beslist het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschort als de cliënt niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als het college de ondertekende aanvraag niet binnen de termijn kan behandelen.

Artikel 2.7 Beschikking
  • 1. De cliënt ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening in natura of als pgb aan de cliënt wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd.

  • 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt, wat de omvang en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

    • c.

      hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt, en

    • d.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE EN OVERIGE VOORZIENINGEN

Artikel 3.1 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen
  • 1. Ingezetenen die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening of een overige voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening.

  • 2. Overige voorzieningen voor jeugdigen worden onderscheiden in:

    • a.

      basishulp Breed Sociaal Loket:

      • ambulante opvoedhulp;

      • begeleiding van jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke, of zintuiglijke beperking;

      • coördinatie van zorg c.q. casemanagement

      • gezinsondersteuning waaronder gezinscoaching.

    • b.

      informatie, trainingen en (opvoed)advies;

    • c.

      kortdurende generalistische basis-ggz-hulp bij enkelvoudige problematiek;

    • d.

      jeugdgezondheidszorg.

HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN

Artikel 4.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen jeugdhulp
  • 1. Het college stelt de volgende maatwerkvoorzieningen jeugdhulp beschikbaar:

    • a.

      ambulante hulp, dagbehandeling, pleegzorg, geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen (jeugd-ggz) niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen of gedragsproblemen van de jeugdige of opvoedingsproblemen;

    • b.

      diagnostiek en behandeling in het kader van dyslexiezorg;

    • c.

      persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen;

    • d.

      residentiële jeugdhulp;

    • e.

      jeugdzorgplus;

    • f.

      crisishulp;

    • g.

      jeugdbescherming en jeugdreclassering;

    • h.

      vervoersvoorziening.

  • 2. Het college kan daarnaast zorgdragen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid.

Artikel 4.2 Beschikbare maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning

Het college stelt de volgende maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning beschikbaar:

  • a.

    ondersteuning zelfredzaamheid;

  • b.

    ondersteuning Maatschappelijke deelname;

  • c.

    kortdurend verblijf;

  • d.

    beschermd wonen en maatschappelijke opvang;

  • e.

    huishoudelijke ondersteuning;

  • f.

    woonvoorzieningen;

  • g.

    financiële tegemoetkoming;

  • h.

    vervoersvoorzieningen;

  • i.

    hulpmiddelen.

Artikel 4.3 Algemene criteria maatwerkvoorzieningen
  • 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Lopik komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.

  • 2. Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt wanneer cliënt geen of slechts gedeeltelijk een oplossing voor de ondersteuningsvraag kan vinden:

    • a.

      op eigen kracht, al dan niet met zijn ouders of andere personen uit zijn netwerk;

    • b.

      b met gebruikelijke hulp;

    • c.

      c, door gebruik te maken van een algemene en/of overige voorziening; of

    • d.

      door gebruik te maken van de mogelijkheden in het kader van andere voorliggende voorzieningen of regelgeving.

  • 3. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 4. Het college kent eveneens een maatwerk voorziening toe in de gevallen als bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening (jeugdhulp via andere wettelijke verwijzers).

Artikel 4.4 Maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen
  • 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen voor. de aanpassing van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, als een verhuizing geen adequate oplossing biedt voor cliënt.

  • 2. De aanpassing van de woning moeten onvoorzien en onvermijdbaar zijn;

  • 3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers niet zijnde hoofdverblijf;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, zoals trapliften, automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, mits de voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden;

    • d.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen aanleiding voor verhuizing aanwezig is;

    • e.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • f.

      voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden;

    • g.

      als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.

  • 4. Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.

Artikel 4.5 Financiële tegemoetkoming
  • 1. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt, als

    • a.

      dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van cliënt;

    • b.

      de kosten onvoorzien en onvermijdbaar zijn.

  • 2. Een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt voor verhuiskosten.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de financiële tegemoetkoming.

HOOFDSTUK 5 ZORG IN NATURA

Artikel 5.1 Maatwerkvoorziening in natura
  • 1. Een product kan in eigendom of in bruikleen worden verstrekt.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat de leverancier van een product in bruikleen de cliënt voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.

  • 3. Het college zorgt ervoor dat de leverancier van een product in bruikleen de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft.

  • 4. De leverancier informeert, adviseert, instrueert de cliënt over alles wat van belang is om te weten over het product in bruikleen

HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 6.1 Persoonsgebonden budget
  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de Jeugdwet of artikel 2.3.6. van de Wmo 2015.

  • 2.

    Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de cliënt daartoe een budgetplan in, waarbij hij aangeeft:

    • a.

      waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen;

    • b.

      welke diensten hij met het pgb gaat inkopen;

    • c.

      hoe de kwaliteit van diensten is gewaarborgd;

    • d.

      welke resultaten hij wenst te bereiken met het pgb;

    • e.

      indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren.

  • 3.

    Een pgb is alleen mogelijk als:

    • a.

      er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is;

    • b.

      de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat;

    • c.

      de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren

    • d.

      er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken.

  • 4.

    Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden:

    • a.

      problematische schuldenproblematiek;

    • b.

      ernstige verslavingsproblematiek;

    • c.

      aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

    • d.

      een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

    • e.

      een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

    • f.

      een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

    • g.

      het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

    • h.

      twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid.

  • 5.

    Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een vertegenwoordiger alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien:

    • a.

      hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden;

    • b.

      er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.

  • 6.

    Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt

  • 7.

    Een pgb is niet mogelijk:

    • a.

      als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.2, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 2.6, derde lid van deze verordening;

    • b.

      voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college, op basis van nader door het college te stellen regels;

    • c.

      voor zover deze is bedoeld voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de vertegenwoordiger;

  • 8.

    Een cliënt heeft de mogelijkheid om dienstverlening te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het informeel netwerk:

    • a.

      als dit leidt tot betere dienstverlening die tegemoet komt aan de ondersteuningsvraag van de cliënt;

    • b.

      hij daarvoor blijkens het ingediende budgetplan aan die persoon een vergoeding verstrekt die past binnen de kaders van het maximale pgb-tarief dat het college ter beschikking stelt voor informele zorg;

  • 9.

    Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon of organisatie verantwoorde dienstverlening kan leveren. De aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien dit advies uitwijst dat de kwaliteit van de dienstverlening niet of onvoldoende gewaarborgd is.

  • 10.

    Uitbetaling van een pgb voor ondersteuning of jeugdhulp vindt op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, plaats door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing vindt plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen.

Artikel 6.2 Hoogte persoonsgebonden budget.
  • 1. De hoogte van het pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt of diens vertegenwoordiger opgesteld budgetplan;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

    • d.

      de tarieven van de diensten (jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning) zijn als volgt:

      Maatwerkvoorziening jeugd

      Categorie

      Tarief

      Eenheid

      Begeleiding Individueel

      licht

      midden

      zwaar

      € 41,37

      € 56,89

      € 80,67

      Per uur

      Per uur

      Per uur

      Begeleiding Groep / ondersteuning zelfredzaamheid

      Licht

      Midden

      Zwaar

      € 41,37

      € 51,71

      € 82,74

      Per dagdeel

      Per dagdeel

      Per dagdeel

      Behandeling jeugd en opvoeding (niet zijnde jGGZ)

      Overig licht

      Behandeling en diagnostiek

      Specialistisch

      Hoog specialistisch

      € 67,23

      € 87,92

      € 93,08

      € 98,26

      Per uur

      Per uur

      Per uur

      Per uur

      Behandeling jGGZ

      Basis

      Specialistisch

      € 1,55

      € 1,79

      Per minuut

      Per minuut

      Dyslexiezorg

      Diagnostiek en behandeling

      € 1,47

      per minuut

      Vervoersvoorziening

       

      Algemeen

      Rolstoelvervoer

      maatwerk

      € 8,53

      € 20,58

      maatwerk

      Etmaal

      Etmaal

      Per rit

      Verblijf

      Kortdurend / logeren

      € 151,95

      Per etmaal

      Maatwerkvoorziening MO

       

       

       

      Ondersteuning zelfredzaamheid

      Licht

      Midden

      Zwaar

      € 41,43

      € 53,86

      € 67,32

      Per uur

      Per uur

      Per uur

      Ondersteuning Maatschappelijke deelname

      Licht

      Midden

      Zwaar

      € 30,04

      € 45,58

      € 59,04

      Per uur

      Per uur

      Per uur

      Kortdurend verblijf

       

      €168,38

      Etmaal

      Huishoudelijke verzorging

      HH1

      HH2

      € 27,00

      € 27,00

      Per uur

      Per uur

  • 2. De in het eerste lid onder d genoemde tarieven zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2019 en worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex die geldt voor het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar (T-2). De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20.

  • 3. De hoogte van het pgb voor:

    • a.

      een hulpmiddel, vervoersvoorziening, of woonvoorziening wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening indien deze in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering;

    • b.

      diensten (jeugdhulp, ondersteuning zelfredzaamheid, maatschappelijke deelname, kortdurend verblijf en, huishoudelijke ondersteuning) bedraagt maximaal € 20,00 per uur, dagdeel of etmaal tot maximaal als de ondersteuning wordt geleverd door iemand vanuit het sociale netwerk of een niet-professionele aanbieder.

    • c.

      een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 kan voor op onverplichte basis verleende maatschappelijke ondersteuning een tegemoetkoming van € 141,00 per kalendermaand worden betaald, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen.

  • 4. De gedifferentieerde tarieven zijn opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten (all-in tarief).

Artikel 6.3 Besteding en verantwoording van het pgb
  • 1. De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde budgetplan.

  • 2. De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, vooral in relatie tot verantwoording, zorgovereenkomst en trekkingsrecht.

  • 3. Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan in ieder geval leiden tot:

    • a.

      terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en

    • b.

      de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken.

HOOFDSTUK 7 VERPLICHTINGEN, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 7.1 Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen
  • 1. Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van maatwerk-voorzieningen.

  • 2. De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:

    • a.

      de medewerking aan de verduidelijking van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp;

    • b.

      de medewerking aan het opstellen en uitvoeren van de voorzieningen, gericht op de daarin geformuleerde resultaten;

    • c.

      het naleven van leef- en gedragsregels bij het gebruik van een voorziening;

    • d.

      het ondertekenen en naleven van de gebruiksovereenkomst met de leverancier van de maatwerkvoorziening;

  • 3. Het zorgvuldig gebruik van de voorziening.

  • 4. Het niet nakomen van de aan de voorziening verbonden verplichtingen of voorwaarden kan leiden tot herziening, intrekking of beëindiging van de voorziening of vergoeding door de cliënt van de veroorzaakte schade.

Artikel 7.2 Controle

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

Artikel 7.3 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening en intrekking
  • 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 doet een cliënt op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget.

  • 2. Het college kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      een cliënt niet langer op een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden;

    • e.

      cliënt een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd;

    • f.

      de situatie van de cliënt dusdanig wijzigt dat het recht op een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget niet meer kan worden vastgesteld of vervalt.

  • 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 7.4 Terugvordering

Het college kan de voorziening of de waarde daarvan van de cliënt terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 7.3 tweede en derde lid.

HOOFDSTUK 8. BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 8.1 Eigen bijdrage maatschappelijke ondersteuning
  • 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:

    • a.

      voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning;

    • b.

      voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2. De bijdrage, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor cliënt of de gehuwde cliënten samen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid van de Wmo 2015 geen of lagere bijdrage is verschuldigd..

  • 3. Inzake toekenning van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is een eigen bijdrage verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 4. De kostprijs van een algemene of maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt; of na overleg met de aanbieder.

  • 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (in bruikleen of in eigendom);

  • 6. De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het verstrekte bedrag.

  • 7. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,80 per zone.

  • 8. De in het zevende lid genoemde bedrag is uitgedrukt in het prijspeil van 2019 en wordt ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20.

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen
  • 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2. Het college kan Beleidsregels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, het jaarlijks houden van cliëntervaringsonderzoeken en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 9.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening van derden
  • 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derden en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst houdt het college in ieder geval rekening met:

    • a.

      het soort dienst of product;

    • b.

      de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • c.

      de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

    • d.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • e.

      een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, bijscholing en werkoverleg;

    • f.

      (jaarlijkse) indexatie van reële prijs voor leveren van een dienst.

Artikel 9.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wmo 2015 , doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

HOOFDSTUK 10 KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 10.1 Klachtenregeling

Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in de Jeugdwet, de Wmo 2015 en deze verordening.

Artikel 10.2 Klachtenregeling en medezeggenschap aanbieders
  • 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten en voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen en medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 10.3 Vertrouwenspersoon
  • 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders kosteloos een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon;

  • 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kosteloos kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 10.4 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
  • 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Het college kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep die het treft. Uit de op artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend worden gevolgd.

  • 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

HOOFDSTUK 11 OVERIG

Artikel 11.1 Waardering mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat en onder welke voorwaarden deze kan worden verkregen.

Artikel 11.2 Tegemoetkoming meerkosten
  • 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • 2. Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit deze tegemoetkoming bestaat en onder welke voorwaarden deze kan worden verkregen.

Artikel 11.3 Evaluatie

Het college evalueert eenmaal per twee jaar het gevoerde beleid. Het college zendt hiertoe binnen zes maanden na evaluatie aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

HOOFDSTUK 12 SLOTBEPALINGEN

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 12.2 Nadere regels en onvoorziene gevallen
  • 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.

Artikel 12.3 Inwerkingtreding
  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020 onder gelijktijdige intrekking van:

    • -

      de Nadere Regels Jeugdhulp gemeente Lopik 2015;

    • -

      de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Lopik januari 2019;

    • -

      de Verordening Jeugdhulp gemeente Lopik 2015;

    • -

      de Verordening Jeugdhulp gemeente Lopik januari 2019.

Artikel 12.4 Overgangsbepalingen
  • 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik januari 2019 en de verordening Jeugdhulp gemeente Lopik januari 2019 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken.

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik januari 2019 en Verordening jeugdhulp gemeente Lopik januari 2019 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3. Van het in lid 2 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

  • 4. Op bezwaar- en (hoger) beroepschriften in verband met een besluit, genomen op grond van de één van de onder het eerste lid genoemde ingetrokken verordeningen, is de ingetrokken verordening van toepassing.

  • 5. Van het gestelde in lid 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 12.5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2020.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Lopik,

gehouden op 17 december 2019.

de griffier,

MW. MR. G.M.G. DOLDERS

de voorzitter,

DR. L.J. DE GRAAF