Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004

Geldend van 01-04-2004 t/m 31-12-2011

Intitulé

TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2004

De Raad van de gemeente Kerkrade, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17.02.2004,

gelet op de Wet werk en bijstand (Wwb),

Overwegend dat op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 Wwb,

B E S L U I T

vast te stellen de hierna volgende ' Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004’.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder

    a. de wet: de Wet werk en bijstand;

    b. alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

    c. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

    d. gehuwd: een persoon die gehuwd is;

    e. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;

    f. ten laste komend kind: het kind, jonger dan 18 jaar, voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken;

    g. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

    h. woning: een woning, een woonwagen en een woonschip;

    i. woonkosten:

    1. indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet

    2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan: het eigenaarsdeel van de rioolrechten, het eigenaaraandeel van de onroerende-zaak- belasting, de brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaaraandeel van de waterschapslasten en de kosten van groot onderhoud;

    j. netto minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekering, premies werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel ziekenfondspremie; de loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel 55, tweede lid, van de wet;

    k. schaalvoordelen: dit begrip wordt gehanteerd in de situatie dat een alleenstaande (ouder) of gehuwde de algemeen noodzakelijke bestaanskosten met een ander deelt of kan delen; er is sprake van schaalvoordelen omdat in een dergelijke situatie financieel voordeel wordt of kan worden behaald;

    l. cliëntenparticipatie: het door burgemeester en wethouders in te stellen overlegorgaan met vertegenwoordigers van cliëntenorganisaties als bedoeld in artikel 47 Wwb juncto artikel 150 Gemeentewet.

    m. inkomen: onder inkomen wordt verstaan het gestelde in paragraaf 3.4, artikel 31 tot en met artikel 33 van de wet.

  • 2. Als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een persoon een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Met gehuwden worden tevens gelijkgesteld de als partners geregistreerden.

  • 3. Als ongehuwd wordt mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

  • 4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

  • 5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

    a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

    b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

    c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of

    d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het derde lid.

  • 6. Voorzover niet anders bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.

Hoofdstuk 2 Categorieën

Artikel 2 Categorieaanduidingen
  • 1. Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding.

  • 2. De volgende categorie-indeling wordt gehanteerd:

    a. de gehuwden

    b. de alleenstaande

    c. de alleenstaande ouder

    d. de alleenstaande met schaalvoordelen

    e. de alleenstaande ouder met schaalvoordelen

    f. de gehuwden en alleenstaanden met ten laste komende kinderen én/of inwonend(e) kind(eren), die:

    - 18 jaar of ouder zijn met een inkomen lager of gelijk aan 60% van het wettelijk minimumloon van 23-jarigen;

    - aanspraak maken op studiefinanciering op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000 of grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten;

    - pleegkind zijn.

Hoofdstuk 3 Verhogen van de bijstandsnorm met een toeslag

Artikel 3 Toeslagen
  • 1. Gehuwden ontvangen nimmer een toeslag op de wettelijk vastgestelde bijstandsnorm van 100% van het wettelijk minimumloon.

  • 2. De alleenstaande ontvangt een toeslag van 20% op de wettelijk vastgestelde bijstandsnorm van 50% van het minimumloon. De toeslag is gelijk aan het in artikel 25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag.

  • 3. De alleenstaande ouder ontvangt een toeslag van 20% op de wettelijk vastgestelde bijstandsnorm van 70% van het minimumloon. De toeslag is gelijk aan het in artikel 25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag.

  • 4. De alleenstaande met schaalvoordelen ontvangt een toeslag van 10% op de wettelijk vastgestelde bijstandsnorm van 50% van het minimumloon.

  • 5. De alleenstaande ouder met schaalvoordelen ontvangt een toeslag van 10% op de wettelijk vastgestelde bijstandsnorm van 70% van het minimumloon.

  • 6. De alleenstaanden met ten laste komende en/of inwonend(e) kind(eren), die:

    - 18 jaar of ouder zijn met een inkomen lager of gelijk aan 60% van het wettelijk minimumloon van 23-jarigen;

    - aanspraak maken op studiefinanciering op grond van de Wet op de Studiefinanciering of op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten;

    - pleegkind zijn, ontvangen een toeslag van 20 % op de wettelijk vastgestelde bijstandsnorm van 50% van het wettelijk minimumloon.

  • 7. De alleenstaanden respectievelijk alleenstaande ouders welke verblijven in een pand zoals gesteld in de nota Bemoeizorg, ontvangen een toeslag van 10% op de wettelijk vastgestelde bijstandsnorm van 50% respectievelijk 70% van het wettelijk minimumloon.

Hoofdstuk 4 Verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag

Artikel 4 Verlagingen
  • 1. De bijstandsnorm voor een echtpaar wordt verlaagd voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

  • 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het netto minimumloon.

  • 3. De in lid 2 genoemde verlaging is niet van toepassing, indien sprake is van uitsluitend ten late komende kinderen en/of inwonend(e) kind(eren), die:

    - 18 jaar of ouder zijn met een inkomen lager of gelijk aan 60% van het wettelijk minimumloon van een 23-jarige,

    - aanspraak maken op studiefinanciering op grond van de Wet op de Studiefinanciering of op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten:

    - pleegkind zijn.

Artikel 5 Woonsituatie
  • 1. De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

  • 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 15% van het netto minimumloon.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde verlaging vindt plaats ná vaststelling van de toeslag.

Artikel 5a Briefadres

De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde niet over een vaste woon – of verblijfplaats beschikt, maar een briefadres heeft.

Artikel 6 Anticumulatie

De toepassing van de artikelen 3 tot en met 5a geschiedt zodanig, dat de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:

a. 50% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,

b. 70% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,

c. 80% van de gehuwdennorm voor gehuwden.

Artikel 7 Bevoegdheid
  • 1. Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van deze verordening.

  • 2. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd de uitvoering van deze verordening op te dragen aan door hen aan te wijzen gemeenteambtenaren.

  • 3. Burgemeester en Wethouders kunnen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen, de cliëntenparticipatie gehoord.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 8 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: de Toeslagenverordening Wwb.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2004.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering van 31 maart 2004.
De voorzitter, De griffier,
J.J.M. Som mr. drs. H.J.W. van Dongen