Vaststelling Subsidieregeling Toekomstgerichte Landbouw provincie Drenthe

Geldend van 01-01-2020 t/m 01-01-2023

Intitulé

Vaststelling Subsidieregeling Toekomstgerichte Landbouw provincie Drenthe

Besluit van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 17 december 2019, kenmerk 4.4/2019002770, team Plattelandsontwikkeling, tot bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van de Subsidieregeling Toekomstgerichte Landbouw provincie Drenthe

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

gelet op artikel 145 van de Provinciewet en artikel 1.3 van de Algemene subsidieverordening Drenthe 2017;

BESLUITEN:

  • 1.

    de Subsidieregeling Toekomstgerichte Landbouw provincie Drenthe vast te stellen;

  • 2.

    de Subsidieregeling Toekomstgerichte Landbouw provincie Drenthe van 18 december 2018, kenmerk 4.4/2018002915, Provinciaal Blad 9600 van 2018, per 1 januari 2020 in te trekken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 en komt van rechtswege te vervallen op 1 januari 2023.

Gedeputeerde Staten voornoemd,

mevrouw drs. J. Klijnsma, voorzitter

W.F. Brenkman MSc, secretaris

Uitgegeven: 19 december 2019

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    AGVV: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Algemene Groepsvrijstellingsverordening (PbEU L187/1);

  • b.

    agribusiness: de verzameling activiteiten die gericht is op het produceren en distribueren van producten voor agrarische bedrijven, op het productieproces van de agrarische bedrijven zelf en op het distribueren van de agrarische producten, al of niet nadat deze zijn bewerkt of verwerkt;

  • c.

    Asv: Algemene subsidieverordening provincie Drenthe 2017;

  • d.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • e.

    experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 2, lid 86, van de AGVV;

  • f.

    haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie zoals bedoeld in artikel 2, lid 87, van de AGVV;

  • g.

    mkb: midden- en kleinbedrijf, gelijkgesteld aan de kmo-definitie (kleine of middelgrote onderneming) zoals beschreven in bijlage 1 van de AGVV;

  • h.

    kleine onderneming: een onderneming waarin minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal € 10 miljoen niet overschrijdt, zoals bedoeld in bijlage 1 van de AGVV;

  • i.

    LVV: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Landbouwvrijstellingsverordening (PbEU L193/1);

  • j.

    middelgrote onderneming: een onderneming waarin minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen en/of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt, zoals bedoeld in bijlage 1 van de AGVV;

  • k.

    onderneming: entiteit ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

  • l.

    primaire sector: ondernemingen die actief zijn in de productie van de in bijlage I van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde producten van de bodem en de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;

  • m.

    Programma Toekomstgerichte Landbouw: programma van de provincie Drenthe gericht op toekomstgerichte landbouw: https://www.provincie.drenthe.nl/publish/pages/122448/programma_toekomstgerichte_landbouw.pdf.

Artikel 2 Doel

De subsidie heeft tot doel projecten te stimuleren gericht op innovatie, modernisering en verduurzaming in de primaire sector en in de agribusiness. Het project dient bij te dragen aan de doelen zoals verwoord in het Programma Toekomstgerichte Landbouw in de primaire sector en/of agribusiness.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verleend voor het uitvoeren van een onderzoeks- en ontwikkelingsproject gericht op innovatie, modernisering, verduurzaming en kennisdeling in de primaire sector en in de agribusiness door middel van experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie zoals bedoeld in artikel 25, lid 2, sub c en d, van de AGVV.

Artikel 4 Doelgroep

Subsidie voor activiteiten genoemd in artikel 3 wordt verstrekt aan ondernemingen die in Drenthe actief zijn met het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Ingeval het een samenwerkingsproject betreft, kan een kennisinstelling deel uitmaken van het samenwerkingsverband.

Artikel 5 Aanvraagperiode

Een aanvraag tot subsidie kan gedurende de looptijd van de regeling worden ingediend.

Artikel 6 Aanvraag

Een aanvraag voor subsidie wordt digitaal of schriftelijk ingediend met behulp van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Dit aanvraagformulier gaat vergezeld van de volgende bescheiden:

  • a.

    een projectplan waarin ten minste zijn opgenomen:

    • i.

      de doelstellingen van het project;

    • ii.

      een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijken;

    • iii.

      de wijze van uitvoering van het project;

    • iv.

      de verwachte resultaten van het project;

  • b.

    een begroting van de kosten van de activiteit;

  • c.

    een toelichting op de begroting;

  • d.

    een financieringsplan van de kosten van het project;

  • e.

    een ingevulde en getekende mkb-verklaring.

Artikel 7 Toetsingscriteria

  • 1.

    De subsidieaanvragen die vallen onder de activiteiten zoals bedoeld in artikel 3 worden getoetst op grond van de volgende aanvullende beoordelingscriteria:

    • a.

      effectiviteit

    • b.

      kans op succes/haalbaarheid

    • c.

      innovativiteit

    • d.

      efficiëntie

  • 2.

    Per aanvraag worden deze criteria door middel van een puntentoekenning getoetst met behulp van het scoresysteem zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regeling.

Artikel 8 Weigeringsgronden

Onverminderd de weigeringsgronden op grond van de Awb en Asv, wordt subsidie geweigerd indien:

  • a.

    ter zake van de subsidiabele kosten verplichtingen zijn aangegaan vóór de ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    de activiteiten zoals bedoeld in artikel 3 bij de puntentoekenning op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regeling, 32 punten of minder van de maximale 55 punten scoren.

Artikel 9 Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

  • 1.

    bij subsidiabele activiteiten zoals genoemd in artikel 3 voor wat betreft experimentele ontwikkeling:

    • a.

      de kosten zoals opgenomen in artikel 25, lid 3, van de AGVV;

    • b.

      voor wat betreft de eigen personeelskosten zijn de volgende tarieven met een onderverdeling naar werkniveau van toepassing:

      • i.

        mbo-niveau: maximaal € 40,-- per uur

      • ii.

        hbo-niveau: maximaal € 80,-- per uur

      • iii.

        wo-niveau: maximaal € 120,-- per uur

  • 2.

    bij subsidiabele activiteiten zoals bedoeld in artikel 3 voor wat betreft de haalbaarheidsstudie:

    • a.

      de kosten van de haalbaarheidsstudie, zoals bedoeld in artikel 25, lid 4, van de AGVV.

Artikel 10 Niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten in verband met nakoming van wettelijke verplichtingen;

  • b.

    kosten die op grond van 200 Duurzaamheidsplannen Melkveehouderij Drenthe, Beloning 200 Duurzame Melkveehouders Drenthe of Uitvoeringsbijdrage Duurzame Melkveehouders Drenthe kunnen worden aangevraagd.

Artikel 11 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 1.000,--.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 40.000,-- voor activiteiten genoemd in artikel 3.

  • 3.

    Het steunpercentage voor experimentele ontwikkeling zoals genoemd in artikel 3 is 25% van de subsidiabele kosten en kan worden verhoogd met de volgende percentages wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      met 10% voor een aanvraag van middelgrote ondernemingen;

    • b.

      met 20% voor een aanvraag van kleine ondernemingen;

    • c.

      met 15% voor samenwerkingen, mits wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 25, lid 6, van de AGVV.

  • 4.

    Het steunpercentage voor haalbaarheidsstudies zoals genoemd in artikel 3 is 50% van de subsidiabele kosten en kan worden verhoogd met de volgende percentages wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      met 10% voor een aanvraag van middelgrote ondernemingen

    • b.

      met 20% voor een aanvraag van kleine ondernemingen

  • 5.

    Indien voor dezelfde kosten van het project een of meer andere subsidies zijn of worden verleend, worden deze subsidies bij de verlening of - indien deze na de verlening zijn toegekend – bij de vaststelling op het bedrag van de subsidie in mindering gebracht.

Artikel 12 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 2.9 van de Asv worden alle subsidies onder deze regeling voor 80% bevoorschot, tenzij in de verleningsbeschikking een ander bevoorschottingsregime wordt bepaald.

Artikel 13 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.

Artikel 14 Verdeelsystematiek

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van datum van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door het aantal behaalde punten bij de beoordeling zoals bedoeld met de puntentoekenning in bijlage 1 van deze regeling en bij gelijk aantal punten door middel van loting.

Artikel 15 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    het project dient binnen 18 maanden na subsidieverlening gerealiseerd te zijn, tenzij in de verleningsbeschikking anders is bepaald;

  • b.

    indien zich in de periode tussen de subsidieverlening en de oplevering van het project wijzigingen voordoen, is de subsidieontvanger verplicht hiervoor toestemming te vragen aan Gedeputeerde Staten. Wijzigingen kunnen niet leiden tot een hogere provinciale financiering.

Artikel 16 Prestatieverantwoording en vaststelling

  • 1.

    In afwijking van de artikelen 3.5 en 3.6 van de Asv wordt de subsidie altijd achteraf vastgesteld, op basis van werkelijke kosten.

  • 2.

    Binnen 13 weken na afronding van de subsidiabele activiteit dient de subsidieontvanger een verzoek tot vaststelling in met daarin:

    • a)

      een activiteitenverslag dat de volgende onderdelen beslaat:

      • i)

        als het gaat om een activiteit zoals bedoeld in artikel 3: de resultaten van het onderzoeksproject;

    • b)

      een financieel verslag.

Artikel 17 Staatssteun

  • 1.

    Subsidie voor de activiteiten genoemd in artikel 3 wordt slechts verleend onder toepassing van artikel 25, lid 2, sub c en d, van de AGVV.

Artikel 18. Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 en komt van rechtswege te vervallen op 1 januari 2023.

  • 2.

    De Subsidieregeling Toekomstgerichte Landbouw provincie Drenthe van 18 december 2018, kenmerk 4.4/2018002915, Provinciaal Blad 9600 van 2018, wordt op 1 januari 2020 ingetrokken.

Ondertekening

Bijlage 1 Scoretabel voor de beoordeling van ingediende projecten

In onderstaande tabel staan de vier criteria voor beoordeling uitgewerkt. Voor elk criterium geldt dat er maximaal 5 punten worden toegekend:

0 punten: zeer geringe bijdrage

1 punt: geringe bijdrage

2 punten: matige bijdrage

3 punten: voldoende bijdrage

4 punten: goede bijdrage

5 punten: zeer goede bijdrage

a. Effectiviteit

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    meerwaarde beoogde innovatie voor doelen van het Programma Toekomstgerichte Landbouw, betreft de aanvraag een goede oplossing voor de in het Programma Toekomstgerichte Landbouw beschreven te halen doelen en uitdagingen?

  • 2.

    bijdrage project aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden, heeft het project voorbeeldwerking, levert het ervaringen op waarmee andere samenwerkingsverbanden en ondernemers hun voordeel kunnen doen?

  • 3.

    mate van geschiktheid van de beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid/uitrol, is er goede kans op snelle vertaling naar de praktijk?

  • 4.

    kwaliteit communicatieplan t.b.v. kennisdeling tijdens het innovatietraject en t.b.v. verspreiding van de resultaten, is er blijk van actieve beoogde koppeling van wetenschappelijke en praktijkkennis, bevat de begroting ruimte voor actieve kennisdeling?

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 4

Totaal maximaal 20 punten

b. Kans op succes/haalbaarheid

Bij dit criterium wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    kwaliteit procesplan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie, zijn alle randvoorwaarden goed in beeld gebracht en vertaald naar beheersmaatregelen, is er goed nagedacht over ruimte voor procesmanagement, is goed nagedacht over risicomanagement, zijn er goede kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project?

  • 2.

    blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voorhanden kennis, geeft de aanvrager er blijk van zich te hebben georiënteerd of te gaan oriënteren op bestaande kennis, aanbevelingen, best practices en dergelijke rond het beoogde innovatiedoel?

  • 3.

    blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel, heeft de aanvrager de probleemstelling of kans die ten grondslag ligt aan de beoogde innovatie scherp voor ogen en kijken de aanvragers naar hoe de innovatie in praktijk gebracht kan worden?

  • 4.

    kwaliteit in relatie tot breedte samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband, past de samenstelling van de groep bij de ambitie?

  • 5.

    kennisdeling, zegt de aanvrager toe kennis uit te wisselen en is er blijk van een actieve opstelling hierbij?kennisdeling, zegt de aanvrager toe kennis uit te wisselen en is er blijk van een actieve opstelling hierbij?

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 3

Totaal maximaal 15 punten

c. Innovativiteit

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    technisch of sociaal grensverleggend karakter van de innovatie/het idee (product, procedé, techniek, concept, aanpak), hoe bijzonder is het idee?

  • 2.

    transitiekarakter van de innovatie, draagt de innovatie bij aan realisatie van de toekomstgerichte “duurzame landbouw”, d.w.z. inzet op beoogde transitie van benadering kostenreductie en/of verhoogde volumes naar benadering meerwaardecreatie, circulaire bedrijfsvoering/productie en/of sectoroverstijgende toepassing (cross-over)?

  • 3.

    innovatieve waarde van het samenwerkingsverband, ontstaat er nieuwe ketensamenwerking of cross-over-samenwerking?

  • 4.

    toepassingsgebied, is er al een oplossing maar wordt deze niet toegepast en is het project erop gericht om belemmeringen weg te nemen?

  • 5.

    innovatie infrastructuur, waar wordt de innovatie feitelijk ontwikkeld, geproduceerd en gereedgemaakt voor installatie? Zijn hierbij de ondernemers uit eigen regio/land aan zet? Beogen zij de leiding te nemen bij uitrol elders?

Het begrip 'innovativiteit' wordt relatief breed uitgelegd. Iets kan landelijk of wereldwijd gezien niet innovatief zijn, maar wel innovatief zijn binnen de provincie, sector of zelfs het bedrijf waar de nieuwe kennis toegepast gaat worden. Iets dat binnen een bepaalde provincie of sector al heel breed toegepast wordt, hoeft niet specifiek gestimuleerd te worden. Zo'n soort project zal dan ook op dit criterium geen punten scoren. Bestaande kennis die nog niet veel toegepast wordt, maar waarvan toepassing beleidsmatig wel wenselijk is, kan een 'innovatieve kennisoverdrachtsactie' zijn. Aanvragers dienen in de aanvraag onderbouwd aan te tonen wat het gebruik van de aangeboden kennis door bedrijven vergelijkbaar met de doelgroep van de actie in de provincie is.

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

d. Efficiëntie

De efficiëntie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    redelijkheid van kosten, staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie? Hoe is dit aannemelijk gemaakt? Hierbij wordt gelet op:

    • a.

      omvang van de totale subsidiabele projectkosten in relatie tot de innovatieopgave;

    • b.

      potentieel toepassingsbereik van de innovatie binnen de agrarische sector;

  • 2.

    relevantie van de kosten, wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed?

  • 3.

    efficiënt gebruik van kennis, kunde en arbeid, in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut, staat de overhead van het project in redelijke verhouding tot de prestatie?

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

In totaal maximaal 55 punten te behalen.

Ondergrens (minimale score) is 33 punten (60%)

Bij 32 of minder punten wordt de subsidie geweigerd

Toelichting op de subsidieregeling

Algemeen

Het Programma Toekomstgerichte Landbouw gaat over innoveren, moderniseren en verduurzamen in de primaire sector en in de agribusiness. Een goede balans tussen geld verdienen, een gezonde leefomgeving en tevreden mensen. Dat is goed voor Drenthe en ook goed voor de boeren, de ondernemers. In Drenthe geven wij innovatieve ondernemers de ruimte om te experimenteren en kennis te delen, zodat zij nieuwe afzet kunnen realiseren. Door het beschikbaar stellen van subsidie wil de provincie een versnelling stimuleren in het behalen van de gestelde doelen uit het Programma Toekomstgerichte Landbouw.

Artikel 1, sub e

De definitie van experimentele ontwikkeling zoals genoemd in de AGVV wordt gevolgd. Die luidt: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten.

Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden.

Bij het maken van een prototype gaat het erom dat het werkingsprincipe van het te ontwikkelen product wordt aangetoond. Op basis van het prototype dient te worden aangetoond of hetgeen bedacht is werkt. Bij het werkingsprincipe dient het te gaan om een go/no go-moment ten aanzien van de technisch nieuwe eigenschap van het te ontwikkelen product. Er dient sprake te zijn van innovatie. Het moet gaan om de ontwikkeling van iets technisch nieuws, dat nog niet bestaat. De ontwikkeling kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderdeel van een product of een volledig nieuw product.

Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen inhouden.

Wij vinden het belangrijk dat het projectvoorstel aandacht besteed aan de kennisdeling tijdens het innovatietraject en t.b.v. verspreiding van de resultaten. Geeft het projectplan blijk van een actieve beoogde koppeling van wetenschappelijke en praktijkkennis en bevat de begroting ruimte voor actieve kennisdeling.

Artikel 1, sub g

De definitie van een haalbaarheidsstudie zoals genoemd in de AGVV wordt gevolgd. Die luidt: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn.

Bij een haalbaarheidsstudie dient uit het onderzoek te blijken of het wel of niet technisch dan wel bedrijfseconomisch haalbaar is om de productie uit te breiden met een nieuw product, een nieuwe dienst dan wel een nieuwe werkwijze. Het is de bedoeling dat de aanvragende onderneming op basis van de uitkomsten van het onderzoek voldoende onderbouwing heeft om een go/no go-besluit te nemen.

Artikel 1, sub h

Conform de in bijlage 1 van de AGVV vastgestelde definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen behoren tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s, in de Nederlandse taal mkb genoemd) ondernemingen waarin minder dan 250 fte werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt. Gevolg van deze Europese regelgeving is dat voor het bepalen of de aanvragende onderneming een mkb-er is, gekeken dient te worden naar het gehele verband van ondernemingen waartoe de aanvragende onderneming behoort. Denk bijvoorbeeld aan moedermaatschappijen, zusterondernemingen en dochterondernemingen.

Indien de aanvragende onderneming direct of indirect voor 25% of meer en minder dan 50% qua aandelenkapitaal en/of zeggenschap relaties heeft met andere ondernemingen, worden voor het bepalen of de aanvragende onderneming een mkb-er is, het aantal werkzame personen, de jaaromzet en het balanstotaal van die ondernemingen naar rato meegenomen. Dit geldt ook indien een andere onderneming 25% of meer aandelen in de aanvragende onderneming heeft.

Indien de aanvragende onderneming op een andere onderneming of een andere onderneming op de aanvragende onderneming overheersende invloed kan uitoefenen of een andere invloed heeft als genoemd in de definitie van het mkb, dienen voor het bepalen of de aanvragende onderneming een mkb-er is, het aantal fte, de jaaromzet en het balanstotaal van die ondernemingen volledig meegenomen te worden.

Indien een of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten van de aanvragende onderneming, kan de aanvragende onderneming (behoudens de uitzonderingen die in de definitie zijn genoemd) niet als een mkb-er worden aangemerkt.

Artikel 2

Door de manier waarop de primaire sector en de agribusiness zich de afgelopen decennia hebben ingezet voor duurzaamheid – denk aan technologieën, milieu, dierenwelzijn, natuurontwikkeling en waterbeheer – is de productie momenteel aanzienlijk diervriendelijker, schoner en zuiniger dan een kwart eeuw geleden. Maar, we zijn er nog niet. Nieuwe uitdagingen op het gebied van klimaatverandering, bodemvruchtbaarheid, gezondheid en voedsel vragen ook om oplossingen voor een toekomstgerichte landbouw in Drenthe. Als provincie waarderen we de prestaties van de koplopers: projecten en initiatieven die succesvol zijn uitgevoerd, al in gang zijn gezet of waar ondernemers op dit moment over nadenken. We willen dat de nieuwe kennis van de koplopers gedeeld wordt met en toegepast wordt door de grote groep ondernemers: het peloton. De echte 'winst' wordt behaald als iedereen het gaat doen. In dat proces spelen naast de ondernemers ook andere en diverse intermediairs, werkgevers een belangrijke rol.

Tuinbouw

Vergroten van de toegevoegde waarde is de rode draad. Denk aan zeer smaakvolle groenten, zaden en bloemen van de beste kwaliteit. Planten worden steeds vaker geteeld voor de waardevolle inhoudsstoffen die zij bevatten. Met name voor toepassing in geneesmiddelen en in cosmetica, maar ook als grondstof voor bijvoorbeeld biologische bestrijdingsmiddelen en als kleurstof in de voedselproductie. Voor de restproducten zoals loof, worden nieuwe toepassingsmogelijkheden gezocht. Tuinders optimaliseren en verduurzamen. Op dit moment wordt bijvoorbeeld grootschalig ingezet op het terugdringen van ongezuiverde lozingen. Dat gebeurt door het afvalwater te zuiveren voordat het geloosd wordt, door het beperkter toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en door minder schadelijke middelen te ontwikkelen en te gebruiken. We zien ook dat de export stijgende is; nieuwe markten in het buitenland worden een steeds belangrijker bron van inkomsten.

Veehouderij

Grondgebonden melkveehouderij betreft veruit de grootste groep bedrijven binnen de veehouderij in Drenthe, is van groot belang voor de economie en werkgelegenheid in de provincie en beeldbepalend in het landschap. De provincie werkt samen met partners binnen de ‘Ontwikkelagenda Melkveehouderij’ aan het toekomstgericht maken van de sector. Het doel is dat de Drentse melkveehouderij zo snel mogelijk op het gebied van fosfaat, stikstof en ammoniak presteert op het niveau van de 25% best presterende Drentse bedrijven uit 2013 (de koplopers). Het sluiten van de kringlopen, het toepassen van weidegang en het zuinig omgaan met de bodem zijn acties die bijdragen aan het halen van die doelstelling. Veehouders zijn aan zet om dat in hun bedrijfsvoering in te bedden. Samenwerking, onderzoek, innovatie en educatie zijn erop gericht om het grote ‘peloton’ aan bedrijven mee te krijgen in deze verduurzamingsslag. Het versterken van het ondernemerschap in de sector zorgt ervoor dat iedere ondernemer in staat is de juiste strategie te kiezen die past bij het bedrijf en zijn omgeving.

Akkerbouw

Nieuwe veredelingstechnieken kunnen het kweken van ziekteresistente rassen versnellen en dragen bij aan nieuwe teelten als lupine en soja, die steeds meer in opmars komen. Moderne veredelingstechnologie biedt mogelijkheden op het gebied van gezondheid en klimaatverandering in relatie tot voedselzekerheid. Technologische verbeteringen zijn vooral te verwachten op het gebied van precisielandbouw en nieuwe milieuvriendelijke producten en -processen om onder andere de bodemvruchtbaarheid in stand te houden of te verbeteren. Samenwerking met de andere sectoren is een middel om reststromen zoveel mogelijk te hergebruiken en om te komen tot meer gesloten kringlopen (voer-mest-energie). Roulatie van gronden tussen verschillende sectoren en bedrijfstypen biedt mogelijkheden voor specialisatie en kan bijdragen aan de bodemvruchtbaarheid. Biodiversiteit is van groot belang voor het creëren van ziektewerende bodems. Gezonde bodems leiden tot gezondere gewassen die weerbaarder zijn tegen ziekten en plagen. Boven de grond gaat het over akkerranden voor de boerenlandvogels, bloemrijke randen langs sloten en akkers voor schoon water en natuurlijke bestrijding van ziekten en plagen door insecten in het gewas. Wij blijven de ondernemers in de akkerbouw en de daaraan verbonden ketens ondersteunen in het meer rendabel maken van bestaande teelten en het verder verduurzamen ervan. Aandacht voor een gezonde en vruchtbare bodem heeft een prominente plek. We ondersteunen initiatieven die zoeken naar nieuwe teelten en teeltmogelijkheden. Wij stimuleren verduurzaming van de akkerbouw op een integrale manier, waarbij de boeren en partijen uit de keten met elkaar optrekken. Daarnaast ondersteunen wij initiatieven die het maatschappelijk draagvlak en de betrokkenheid van mensen buiten de landbouw stimuleren.

Agribusiness

De vraag naar eerlijk en gezond voedsel wordt steeds groter. Transparantie is belangrijk voor de consument: waar komt voedsel vandaan? Hoe wordt het verbouwd en verwerkt? Er zijn verschillende initiatieven voor korte voedselketens: de weg van boer naar bord wordt korter, gaat over minder schijven en het voedsel komt steeds vaker uit de regio. Ondernemers werken daarnaast aan de ontwikkeling van nieuwe producten, productieprocessen, informatietechnologie en afzetmarkten. Niet alleen voor de voedselproductie, maar juist ook om nieuwe verbindingen te maken met hightech, gezondheid, zorg, biobased economy, circulaire economie en de productie van duurzame energie (waaronder het benutten van reststromen). De innovaties worden toegepast in de hele keten. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van sensoren en ICT-toepassingen op het land, op de trekker en in de fabriek. Deze ontwikkelingen bieden kansen voor nieuwe verdienmodellen, op alle onderdelen van de agribusinessketen.

Artikel 4

Subsidie kan worden aangevraagd door alle soorten ondernemingen. Dit kan ook een kennisinstelling zijn of een samenwerking met een kennisinstelling.

Artikel 7

De subsidieaanvragen, worden beoordeeld met behulp van een puntentoekenningssysteem zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regeling.

De beoordelingscriteria zijn een belangrijk instrument om projectaanvragen te beoordelen op de doelen van het Programma Toekomstgerichte Landbouw. De selectiecriteria zijn meetbaar en verifieerbaar en garanderen een gelijke en transparante behandeling van aanvragen. De criteria dragen bij aan een zo goed mogelijk gebruik en doelbereik van de beschikbare financiële middelen.

De aanvragen worden beoordeeld op basis van een aantal categorieën van criteria. Deze criteria zijn opgenomen in de scoretabel van bijlage 1 van deze regeling en zijn voorzien van een eigen toelichting. Projecten die scoren beneden de drempel van 33 punten worden niet gehonoreerd.

De beoordeling van projecten aan de hand van de scoretabel wordt ambtelijk uitgevoerd.

Artikel 8, sub a

Onder het aangaan van verplichtingen wordt bijvoorbeeld verstaan het (mondeling) bevestigen van een opdracht aan een deskundige of een ondertekening voor akkoord van een offerte. Indien vóór de ontvangst van de aanvraag is gestart met de werkzaamheden wordt ervan uitgegaan dat de verplichting is aangegaan. Indien een verplichting is aangegaan vóór ontvangst van de aanvraag wordt géén subsidie verleend.

In het geval de verplichting voor een deel van de opgevoerde projectkosten vóór ontvangst van de aanvraag is aangegaan, zal de gehele aanvraag worden afgewezen.

Artikelen 9 en 10

De subsidiabele activiteiten uit deze regeling vallen onder de werking van de artikel 25, lid 2, sub c en d, van de AGVV. Deze Europeesrechtelijke verordening geeft de exacte subsidiabele kosten aan. Bij toetsing van de aanvragen zal in de meegestuurde begrotingen getoetst worden of de opgegeven kosten onder deze subsidiabel geachte kosten vallen.

Artikel 25, lid 3, van de AGVV geeft aan dat voor experimentele ontwikkeling de volgende kosten subsidiabel zijn:

  • a)

    personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

  • b)

    kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

  • c)

    kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

  • d)

    kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

  • e)

    bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Artikel 25, lid 4, van de AGVV geeft aan dat voor haalbaarheidsstudies de in aanmerking komende kosten de kosten van de studie zijn.

Artikel 10, lid d, geeft verder aan dat kosten die al kunnen vallen onder de regimes van 200 Duurzaamheidsplannen Melkveehouderij Drenthe, Beloning 200 Duurzame Melkveehouders Drenthe of Uitvoeringsbijdrage Duurzame Melkveehouders Drenthe niet in aanmerking komen voor subsidie onder de onderhavige regeling.

Artikel 11, leden 4 en 5

Het steunpercentage voor een onderzoek binnen experimentele ontwikkeling is 25% en kan worden verhoogd met 10% voor middelgrote ondernemingen of 20% voor kleine ondernemingen. Een middelgrote onderneming kan maximaal 35% subsidie ontvangen over de subsidiabele kosten, een kleine onderneming kan maximaal 45% subsidie ontvangen over de subsidiabele kosten. Ook mag er bij een samenwerking binnen experimentele ontwikkeling nog eens 15% aan extra steun worden gegeven.

Het steunpercentage voor een haalbaarheidsonderzoek is 50% en kan worden verhoogd met 10% voor middelgrote ondernemingen of 20% voor kleine ondernemingen. Een middelgrote onderneming kan maximaal 60% subsidie ontvangen over de subsidiabele kosten, een kleine onderneming kan maximaal 70% subsidie ontvangen over de subsidiabele kosten.

Bij een samenwerking tussen een kleine of middelgrote onderneming met een grote onderneming wordt gekeken welke kosten elke onderneming maakt voor het project. Op basis daarvan wordt per onderneming (indien mogelijk) gekeken wat de steunpercentages per onderneming kunnen zijn. Vervolgens wordt berekend wat het maximale steunbedrag mag zijn.

Artikel 16

In deze regeling wordt afgeweken van de normale arrangementensystematiek zoals bedoeld in de Asv. Alle subsidies worden eerst verleend en achteraf op werkelijke kosten vastgesteld. Voor de vaststelling dient de subsidieontvanger een verzoek tot vaststelling in. De noodzaak om af te wijken van de arrangementensystematiek volgt uit het vereiste dat deze regeling leunt op Europese regelgeving.

Artikel 17

Alle subsidieverleningen binnen deze regeling betreffen staatssteun. De gehele regeling valt onder toepassing van artikel 25, leden c en d, van de AGVV. Van de gehele regeling is hiervoor kennisgegeven bij de Europese Commissie.