Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2020

Geldend van 01-01-2020 t/m 21-03-2024

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2020

De raad van de gemeente Someren;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 november 2019;

overwegende dat:

• Door de definitieve invoering van het abonnementstarief Wmo per 1-1-2020 de artikelen 1, 6.2, 12.3 en 12.4 van verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 dienen te worden aangepast.

• Deze wijzigingen technisch van aard zijn (er zijn geen beleidsveranderingen);

• Het overzichtelijker is om een aangepaste verordening met een nieuwe naam vast te stellen en de huidige verordening in te trekken.

gelet op:

• De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid;

• Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4.

b e s l u i t :

vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2020

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvraag: een verzoek aan het college om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening;

  • b.

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers, toegankelijk is, dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning en waarmee aan de ondersteuningsbehoefte wordt tegemoet gekomen;

  • c.

    Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten en voor de cliënt ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt;

  • d.

    Begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015);

  • e.

    Begeleiding plus: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een cliënt afgestemd geheel van diensten en activiteiten in het kader van intensieve ambulante individuele (woon-) begeleiding. Bedoeld voor personen met langdurige psychiatrische, psychische of psychosociale problemen, of een combinatie daarvan met een verstandelijke beperking of gedragsstoornissen, die niet volledig in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving c.q. niet geheel zelfstandig kunnen wonen.

    De maatwerkvoorziening wordt ingezet ter voorkoming dan wel afschaling van beschermd wonen; Deze intensieve ambulante individuele begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. De individuele begeleiding kan, indien nodig, aangevuld worden met een vorm van dagbesteding (begeleiding groep). Begeleiding Plus kan in die zin zowel begeleiding groep als begeleiding individueel omvatten waarbij begeleiding groep altijd aanvullend is op begeleiding individueel en niet los van begeleiding individueel kan worden ingezet. De maatwerkvoorziening Begeleiding-Plus wordt ingezet bij de afschaling van beschermd wonen naar zelfstandig (begeleid) wonen of ter voorkoming van opname in een beschermd-wonenvoorziening (opschaling). Daartoe behoort eveneens, in geval van individuele begeleiding, het bieden van 24-uurs bereikbaarheid van de begeleiding en deels planbare en deels onplanbare begeleiding;

  • f.

    Beperkingen: moeilijkheden die een cliënt heeft met het uitvoeren van activiteiten;

  • g.

    Beschermd wonen: wonen en verblijf in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend 24-uurs toezicht en begeleiding in de directe nabijheid, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (artikel 1.1.1 Wmo 2015);

  • h.

    Bezoekbaar maken van een woning: aanpassen van een woonruimte opdat de woonkamer, één toilet en de buitenruimte behorende bij het hoofdverblijf, bereikt kunnen worden;

  • i.

    Bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

  • j.

    Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • k.

    Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • l.

    College: college van burgemeester en wethouders;

  • m.

    Diensten: maatwerkvoorziening niet zijnde hulpmiddelen of woningaanpassingen;

  • n.

    Dienstverlener: de zorgverlener die ingevolge een pgb diensten verleent aan een budgethouder;

  • o.

    Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • p.

    Huisgenoot: iedere persoon met wie cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont;

  • q.

    Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • r.

    Ingezetene van een gemeente: inwoner van een gemeente waarbij de feitelijke plek / plaats waar een cliënt verblijft of woont bepalend is;

  • s.

    Klacht jegens een aanbieder: iedere uiting van onvrede over een handeling, of het nalaten daarvan, dat gevolgen heeft voor een cliënt, door de aanbieder of door een persoon die voor een aanbieder werkzaam is;

  • t.

    Kortdurend verblijf: de noodzakelijke ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg verleent aan een persoon met een beperking aangewezen op permanent toezicht en / of 24 uur per dag zorg in de nabijheid middels het laten verblijven van mensen met een beperking gedurende maximaal drie etmalen buitenshuis, tot een maximum van 52 etmalen op jaarbasis;

  • u.

    Maatschappelijke ondersteuning:

    • 1.

      bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

    • 2.

      ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

    • 3.

      bieden van beschermd wonen en opvang;

  • v.

    Maatwerkvoorziening:

    • 1.

      op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

      • i.

        ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

      • ii.

        ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

      • iii.

        ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

    • 2.

      onder een maatwerkvoorziening wordt, met inachtneming van hetgeen bepaald in deze verordening, tevens een financiële tegemoetkoming verstaan;

  • w.

    Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • x.

    Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • y.

    Particuliere inzet: Particuliere inzet betreft de inzet die niet wordt geleverd door een professionele dienstverlener. Onder particuliere inzet wordt mede begrepen inzet door het sociaal netwerk;

  • z.

    Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • aa.

    Professionele dienstverlener: Een entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) die beroepsmatig zorg, maatschappelijke en / of aanpalende diensten aanbiedt aan cliënten. Van een beroepsmatig aanbod van diensten zoals genoemd in de eerste zin, is sprake wanneer de entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en daarnaast uit overige feiten en omstandigheden blijkt dat de entiteit of de dienstverlener als onderneming respectievelijk als ondernemer kan worden aangemerkt;

  • ab.

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • ac.

    Trekkingsrecht: het pgb – met uitzondering van het eenmalige pgb – wordt beheerd door de SVB. De SVB betaalt vervolgens in opdracht van de cliënt rechtstreeks de dienstverlener;

  • ad.

    Uitvoeringsbesluit Wmo 2015: landelijke AMvB ingevolge artikel 2.1.4., vierde lid, Wmo 2015;

  • ae.

    Voorliggende voorziening: een voorziening ontleend aan een andere wettelijke regeling dan de Wmo 2015 waarmee aan de ondersteuningsvraag wordt tegemoetgekomen;

  • af.

    Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;

  • ag.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • ah.

    Wlz-instelling: instelling die zorg levert die valt binnen de Wet langdurige zorg (Wlz);

  • ai.

    Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

HOOFDSTUK 2 PROCEDURE MAATWERKVOORZIENING EN TEGEMOETKOMING VOOR MEERKOSTEN

Artikel 2.1 De melding en het meldingsonderzoek

  • 1.

    De melding van een hulpvraag kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch door of namens een cliënt bij het college worden ingediend. Het college bevestigt de ontvangst van een melding.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het meldingsonderzoek zoals vermeld in artikel 2.3 van de verordening.

Artikel 2.2. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kostenloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het meldingsonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 2.3 Meldingsonderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het meldingsonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het meldingsonderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een meldingsonderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 2.4 De medewerkingsverplichting van de cliënt en huisgenoten

  • 1.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      de cliënt en diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

    • b.

      de cliënt en diens huisgenoten op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of te onderzoeken.

  • 2.

    De cliënt alsook diens relevante huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp, zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.

  • 3.

    Deze medewerkingsplicht van de cliënt en diens huisgenoten behelst ook de verplichting om:

    • a.

      aan het college, gevraagd en ongevraagd, mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening;

    • b.

      medewerking te verlenen aan een bezichtiging van de persoonlijke woon- en leefsituatie, een optische controle of een controle anderszins van een verstrekte of te verstrekken dienst of middel.

  • 4.

    Wanneer het college gebruik maakt van zijn controlebevoegdheden, houdt het college rekening met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals die zijn verbonden aan het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 2.5 Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundige(n) (namens het college) en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of de samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      de bijdrage in de kosten die de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het meldingsonderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 2.6 Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het meldingsonderzoek.

  • 2.

    Na het gesprek bevestigt het college aan de cliënt schriftelijk de uitkomsten van het meldingsonderzoek via een verslag.

  • 3.

    De cliënt heeft de mogelijkheid om binnen een termijn van 14 dagen naar aanleiding van de verzending van het verslag zoals genoemd in lid 2 opmerkingen of aanvullingen te plaatsen. Dit kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch. Deze worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 2.7 De aanvraag

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch door of namens de cliënt bij het college worden ingediend.

Artikel 2.8 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening.

HOOFDSTUK 3 TE BEREIKEN RESULTATEN

Artikel 3.1 De te bereiken resultaten

  • 1.

    De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen zijn gericht op:

    • a.

      het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en / of participatie; of

    • b.

      het stabiliseren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt dan wel het voorkomen van achteruitgang van de zelfredzaamheid en / of participatie; of

    • c.

      het verbeteren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt.

  • 2.

    In de context van de gradaties sub a, b en c zoals benoemd in lid 1, wordt de cliënt zoveel als mogelijk in staat gesteld om:

  • 1.

    een huishouden te voeren, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het beschikken over een schoon en leefbaar huis;

    • b.

      het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

    • c.

      het bereiden en neerzetten van de maaltijden;

    • d.

      het beschikken over schone en draagbare kleding.

  • 2.

    de woning normaal te kunnen gebruiken, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het bereiken van de woning;

    • b.

      het zich kunnen verplaatsen in en om de woning.

  • 3.

    zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

  • 4.

    medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan;

  • 5.

    regie te voeren over het dagelijkse leven, waaronder met name verstaan kan worden:

    • a.

      het vermogen om op eigen kracht zelfstandig of met ondersteuning te wonen waaronder mede wordt begrepen (het voorkomen dan wel afschalen van) beschermd wonen;

    • b.

      het voeren van regie over de zelfzorghandelingen;

    • c.

      stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld;

    • d.

      het voorkomen van verwaarlozing, gevaar voor de cliënt of anderen of maatschappelijke overlast;

    • e.

      het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis, en in relatie met vrienden, familie en de woonomgeving;

    • f.

      het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

    • g.

      het vermogen om zelf te voorzien in het structureren van de dag;

    • h.

      het beheren van financiën en administratie;

    • i.

      het aanleren van oplossingsvaardigheden.

  • 6.

    een dagstructuur te hebben, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het hebben van een zinvolle dagbesteding, gericht op behoud of ontwikkeling van vaardigheden;

    • b.

      het hebben van een evenwichtig dag- en nachtritme.

Artikel 3.2 Nadere regels in verband met de uitwerking van de te bereiken resultaten

  • 1.

    Het college kan in nadere regels per maatwerkvoorziening zo nodig nadere deelresultaten benoemen en / of deze nader concretiseren, ter uitwerking van de resultaten, zoals genoemd in artikel 3.1.

  • 2.

    Het college stelt in nadere regels vast welke kernactiviteiten en/of taken in ieder geval moeten worden verricht om de resultaten, zoals vermeld in artikel 3.1, te kunnen bereiken alsmede, indien noodzakelijk, een aanduiding van de mate van frequentie van uitvoering.

  • 3.

    Het college kan in nadere regels de objectieve norm stellen waaraan de kernactiviteiten, en/of taken en indien noodzakelijk de frequentie moeten voldoen. In verband met de bepaling en uitwerking van wat een schoon en leefbaar huis omvat, zoals genoemd in artikel 3.2, tweede lid, sub 1, hanteert het college een normenkader gebaseerd op de NEN 2075:2000.

Artikel 3.3 Bevoegdheid tot het vaststellen van algemene voorzieningen

  • 1.

    In verband met de te bereiken resultaten kan het college besluiten tot de vaststelling van een algemene voorziening. Wanneer het college hiertoe overgaat, legt zij in nadere regels de voorwaarden en verplichtingen vast, zoals die gelden voor cliënten.

  • 2.

    Bij de nadere ontwikkeling en uitwerking van algemene voorzieningen, houdt het college waar mogelijk in het bijzonder rekening met de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers waardoor zij in staat zijn, zoveel als mogelijk, hun taken als mantelzorger of vrijwilliger te kunnen uitvoeren.

HOOFDSTUK 4 CRITERIA MAATWERKVOORZIENING

Artikel 4.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Hierbij wordt rekening gehouden met de uitkomsten van het meldingsonderzoek zoals beschreven in artikelen 2.1 tot en met 2.6 van de verordening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. De maatwerkvoorziening levert, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 3.

    Een cliënt komt voor een maatwerkvoorziening zoals genoemd in de leden 1 en 2 in aanmerking indien en voor zover de beperkingen of problemen niet verminderd of weggenomen kunnen worden middels:

    • a.

      inzet van eigen kracht van de cliënt; en/of

    • b.

      inzet van gebruikelijke hulp; en/of

    • c.

      inzet van mantelzorg; en/of

    • d.

      inzet van hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of

    • e.

      mogelijkheden tot gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; en/of

    • f.

      mogelijkheden tot inzet van voorliggende voorzieningen.

  • 4.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen genoemd in lid 1 en problemen genoemd in lid 2 op te heffen of te verminderen. Uitzondering hierop is de maatwerkvoorziening voor diensten die voor korte duur kan worden geïndiceerd.

  • 5.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 4.2 Criteria specifieke maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    De maatwerkvoorziening HO wordt ingezet ter realisatie van het te bereiken resultaat “voeren van een huishouden” en het meest in het bijzonder een “schoon en leefbaar huis” en “schone en draagbare kleding” zoals gesteld in artikel 3.1. Een schoon huis betekent dat de leefvertrekken schoon moeten zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel.

  • 2.

    De maatwerkvoorziening Primaire levensbehoeften wordt ingezet ter realisatie van het te bereiken resultaat “voeren van een huishouden” en meer in het bijzonder “het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften” en ”het bereiden en neerzetten van de maaltijden” zoals gesteld in artikel 3.1.

  • 3.

    De maatwerkvoorziening begeleiding wordt ingezet ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 in lid 3 tot en met 6. De maatwerkvoorziening kan bestaan uit begeleiding groep (dagbesteding) en begeleiding individueel.

  • 4.

    De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf wordt ingezet ter noodzakelijke ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg verleent zodat deze de zorg langer kan volhouden. Kortdurend verblijf heeft tot doel de cliënt in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen zoals gesteld in artikel 3.1, lid 5 onder a.

  • 5.

    De intramurale maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt ingezet ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 in lid 5 en 6. Voor de maatwerkvoorziening begeleiding plus gelden dezelfde te behalen resultaten waarbij de maatwerkvoorziening wordt ingezet ter voorkoming dan wel afschaling van beschermd wonen (artikel 3.1 lid 5 onder a).

  • 6.

    Het college stelt in nadere regels aanvullende criteria vast op uitvoerend niveau in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke maatwerkvoorziening.

Artikel 4.3 Weigeringsgronden maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een gevraagde voorziening wordt niet toegekend of een gevraagde voorziening wordt afgewezen:

    • a.

      indien de cliënt niet aan het bepaalde in artikel 4.1 leden 1 tot en met 4 voldoet;

    • b.

      indien cliënt geen ingezetene is conform artikel 2.3.5 eerste lid sub a van de wet en de begripsbepaling “ingezetene” van artikel 1.1 van deze verordening, met uitzondering van beschermd wonen en opvang ingevolge artikel 2.3.5 eerste lid sub b van de wet;

    • c.

      voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen of psychische of psychosociale problemen waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd;

    • d.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de persoon met beperkingen of problemen voorafgaand aan het moment van beschikken op de aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven, of het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen en als goedkoopst adequaat aangemerkt kan merken;

    • e.

      indien een gevraagde maatwerkvoorziening reeds eerder krachtens deze, of een eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • f.

      indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt of zijn of haar huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.4 van deze verordening;

    • g.

      indien:

      • i.

        de noodzaak tot ondersteuning ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; en

      • ii.

        van de cliënt redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat hij maatregelen zou hebben getroffen die de gevraagde maatwerkvoorziening overbodig had gemaakt nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de cliënt;

    • h.

      voor zover de cliënt redelijkerwijs een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolge de voorliggende voorziening;

    • i.

      indien de gevraagde voorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de weigeringsgronden voor een specifieke maatwerkvoorziening dan wel een specifieke tegemoetkoming in de meerkosten.

HOOFDSTUK 5 HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) EN DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMING

Paragraaf 1: Het persoonsgebonden budget

Artikel 5.1 Regels voor pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid Wmo 2015, vindt verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een pgb plaats indien de cliënt dit wenst.

  • 3.

    Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid Wmo 2015, wordt een pgb alleen verstrekt indien:

  • a.

    de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b.

    de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; en

  • c.

    naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden ingezet. Hierbij weegt het college, ingevolge artikel 2.3.6, derde lid, Wmo 2015, mee of de voorzieningen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 4.

    Indien het pgb wordt aangevraagd voor een dienst, dan overlegt de cliënt desgevraagd een volledig ingevuld pgb-plan conform een daartoe voorgeschreven model. Door of namens het college zal vervolgens worden getoetst of er in de situatie van een cliënt concrete belemmeringen zijn, gelet op het gestelde in lid 3, die gegronde reden zijn voor afwijzing van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van pgb.

  • 5.

    Indien de verwachting bestaat dat binnen afzienbare tijd een vervanging van de voorziening nodig is dan wel de verwachting is dat de voorziening kortdurend wordt gebruikt, wordt geen pgb verstrekt. Wat heeft te gelden als “afzienbare tijd” of “kortdurend” hangt mede af van het typevoorziening in relatie tot de eventuele gebruikelijke afschrijvingsduur (in geval van hulpmiddelen).

  • 6.

    Indien de toekenning van een pgb het voortbestaan van een collectieve voorziening (individueel verstrekt) in gevaar kan brengen, wordt geen pgb verstrekt.

Artikel 5.2 De hoogte van het pgb algemeen

  • 1.

    Het pgb wordt zo vastgesteld dat de cliënt daarmee redelijkerwijs een voorziening kan kopen, huren of betrekken die inhoudelijk gelijkwaardig is aan een voorziening in natura. Hierbij geldt dat de prijs of het tarief van het pgb zo is vastgesteld dat een cliënt daarmee redelijkerwijs verzekerd is dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

  • 2.

    In de regel is het pgb gelijk aan de werkelijke kosten van de door de cliënt aan te schaffen, te huren of te betrekken voorziening.

  • 3.

    Het maximumbedrag van het pgb is de kostprijs die het college aan haar leverancier of aanbieder betaalt voor de in de betreffende situatie goedkoopst adequate, in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

Artikel 5.3 Hoogte pgb voor woningaanpassing

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor woningaanpassing wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.

  • 2.

    Alleen de kosten van de navolgende bouwkundige- of woontechnische woningaanpassing komen voor vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, in aanmerking:

    • a.

      de aanneemsom excl. BTW (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed;

    • b.

      de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed;

    • c.

      het architectenhonorarium tot ten hoogste € 1.500,- excl. BTW;

      Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;

    • d.

      de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien toezicht noodzakelijk is, tot een maximum van twee procent van de aanneemsom;

    • e.

      de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

    • f.

      de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;

    • g.

      de kosten van noodzakelijk technisch onderzoek en voor advisering over de te treffen aanpassing;

    • h.

      de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting.

Artikel 5.4 Hoogte pgb voor HO

  • 1.

    De huishoudelijke ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt uitgedrukt in een budget en wordt bepaald aan de hand van een empirisch onderbouwd en geobjectiveerd puntensysteem. Afhankelijk van welke resultaten moeten worden behaald en de individuele kenmerken van de cliënt waaronder begrepen mogelijkheden van cliënt en zijn sociaal netwerk tot inzet ho, gezinssamenstelling, hoeveelheid kamers, mate van vervuiling, wordt een aantal punten toegekend. Het aantal punten wordt vermenigvuldigd met een factor, afgerond op 1 decimaal achter de komma. De uitkomst van die vermenigvuldiging levert het budget op jaarbasis op.

  • 2.

    Het puntensysteem zoals genoemd in lid 1 wordt opgenomen in Nadere regels.

  • 3.

    De factor zoals benoemd in lid 1 is gebaseerd op 125% van de Wet minimumloon voor 23 jaar en ouder inclusief vakantiegeld/-uren op basis van een 36-urige werkweek. De geldende factor is neergelegd in de Nadere regels.

  • 4.

    Eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van het gehanteerde minimumloon. De aanpassing per 1 januari is gelijk aan 125% van het wettelijk minimumloon zoals dat gold per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar. Aanpassing van het gehanteerde minimumloon leidt tot aanpassing van de factor genoemd in lid 1 tenzij de ophoging van het minimumloon dusdanig beperkt is dat het de factor niet beïnvloedt.

Artikel 5.5 Hoogte pgb voor Primaire levensbehoeften

  • 1.

    De hoogte van het pgb-tarief voor wat betreft het verwarmen, bereiden en neerzetten van maaltijden is gelijk aan het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura.

  • 2.

    Voor wat betreft het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen, schoonmaakmiddelen en toiletartikelen, is de hoogte van het pgb een bedrag dat aansluit bij de goedkoopst adequate oplossing.

Artikel 5.6 Hoogte pgb voor begeleiding

  • 1.

    Voor pgb gelden, voor zowel begeleiding individueel als begeleiding groep, twee tarieven:

  • een tarief voor de professionele dienstverlener; en

  • een tarief voor particuliere inzet.

  • 2.

    De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding door een professionele dienstverlener wordt afgeleid van het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura. Het pgb is het rekenkundig gemiddelde van de som van de gemiddelde tarieven per bandbreedte zoals van toepassing in geval van zorg in natura. Deze regel geldt zowel in geval van begeleiding groep als begeleiding individueel.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor begeleiding individueel en begeleiding groep in geval van particuliere inzet bedraagt per uur: 125% van de Wet minimumloon voor 23 jaar en ouder inclusief vakantiegeld/-uren op basis van een 36-urige werkweek, waarbij voor begeleiding groep heeft te gelden dat een dagdeel geldt als een uur.

  • 4.

    Eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van het in lid 3 genoemde bedrag. De aanpassing per 1 januari is gelijk aan 125% van het wettelijk minimumloon zoals dat gold per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 5.7 Hoogte pgb voor kortdurend verblijf

  • 1.

    Voor pgb gelden twee tarieven:

  • een tarief voor de professionele dienstverlener; en

  • een tarief voor particuliere inzet.

  • 2.

    De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding door een professionele dienstverlener is gelijk aan het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor kortdurend verblijf bij particuliere inzet bedraagt Euro 30,52.

Artikel 5.8 Hoogte pgb voor beschermd wonen en begeleiding plus

  • 1.

    Voor pgb gelden twee tarieven:

  • een tarief voor de professionele dienstverlener; en

  • een tarief voor particuliere inzet.

  • 2.

    De hoogte van het pgb-tarief in geval van beschermd wonen door een professionele dienstverlener is gelijk aan het pgb-zzp GGZ-c tarief 2014 zoals dat voor cliënt gold dan wel zou hebben gegolden. Het pgb-tarief wordt niet verhoogd met de AWBZ-toeslag huishoudelijke hulp en de toeslag Verhoging ZZP. Deze toeslagen c.q. bedragen die daarmee corresponderen, worden niet aanvullend op het pgb-tarief verstrekt.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor beschermd wonen bij particuliere inzet bedraagt 80% van het tarief zoals genoemd in het tweede lid.

  • 4.

    De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding plus individueel door een professionele dienstverlener is 90% van het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura.

  • 5.

    De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding plus groep door een professionele dienstverlener is gelijk aan het pgb-tarief voor begeleiding groep zoals gesteld in artikel 5.6 lid 2.

  • 6.

    De hoogte van het pgb voor begeleiding plus in geval van particuliere inzet bedraagt per uur: 125% van de Wet minimumloon voor 23 jaar en ouder inclusief vakantiegeld/-uren op basis van een 36-urige werkweek, waarbij voor begeleiding groep heeft te gelden dat een dagdeel geldt als een uur.

  • 7.

    Eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van het in lid 5 genoemde bedrag. De aanpassing per 1 januari is gelijk aan 125% van het wettelijk minimumloon zoals dat gold per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 5.9 Begrenzing van de bestedingsvrijheid van de pgb-houder

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan het doel/resultaat waarvoor het is verstrekt. Dit betekent dat het pgb in ieder geval niet besteed kan worden aan:

    • a.

      bemiddelings- en administratiekosten;

    • b.

      kosten verbonden aan opstellen pgb-plan;

    • c.

      reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de dienstverlener;

    • d.

      overheadkosten van de dienstverlener waaronder mede begrepen kosten van de dienstverlener tot opstellen van een zorg- of werkplan; en

    • e.

      feestdagen- en/of eenmalige uitkering of cadeau aan dienstverlener; en

    • f.

      een overlijdensuitkering voor de dienstverlener.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget mag niet besteed worden aan kosten die zijn te beschouwen als algemeen gebruikelijk.

  • 3.

    Het volledige bedrag aan pgb dient verantwoord te worden. Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag gehanteerd.

  • 4.

    Het is cliënt niet toegestaan om met dienstverlener een vast maandloon overeen te komen dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette zorg.

  • 5.

    Uitbetaling van een eenmalige pgb vindt plaats na overlegging van factuur waaruit realisatie van de gemaakte kosten blijkt door storting op de rekening van de cliënt of degene die als diens wettelijke vertegenwoordiger optreedt.

Artikel 5.10 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget

Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet alsook hetgeen in algemene zin over de weigering van een maatwerkvoorzieningen bepaald in artikel 4.3 van deze verordening, verstrekt het college geen pgb indien:

  • a.

    de cliënt, op verzoek daartoe zijdens het college, geen volledig ingevuld pgb-plan heeft overgelegd conform een daartoe voorgeschreven model;

  • b.

    de cliënt weigert het pgb-plan desgevraagd met het college te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het pgb-plan te bespreken;

  • c.

    de cliënt het beheren van het persoonsgebonden budget overlaat aan de dienstverlener (professioneel dan wel particulier) die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze dienstverlener;

  • d.

    de cliënt het beheren van het persoonsgeboden budget overlaat aan een bewindvoerder of een persoon die werkzaam is bij of voor deze bewindvoerder.

Paragraaf 2: Financiële tegemoetkoming

Artikel 5.11 Regels voor financiële tegemoetkoming

  • 1.

    Ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 kan het college aan een cliënt een financiële tegemoetkoming verstrekken.

  • 2.

    De regels inzake maatwerkvoorziening en in het bijzonder de regels inzake pgb’s zijn van overeenkomstige toepassing op de financiële tegemoetkoming tenzij de aard van de financiële tegemoetkoming zich tegen analoge toepassing verzet waaronder begrepen het opleggen van een bijdrage zoals bedoeld in artikel 6.2.

  • 3.

    Het college kan een tegemoetkoming verstrekken in geval van:

    • a.

      woningsanering;

    • b.

      tijdelijke huisvesting;

    • c.

      verhuis- en inrichtingskosten;

    • d.

      bezoekbaar maken van een woning niet zijnde het hoofdverblijf;

    • e.

      vervoerskosten;

    • f.

      sportvoorziening.

  • 4.

    Het college kan in nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke financiële tegemoetkoming.

Artikel 5.12 Tegemoetkoming voor woningsanering

  • 1.

    De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming voor meerkosten van woningsanering, te weten het vervangen van zachte door harde vloerbedekking of vervanging van stoffering, is gelijk aan de werkelijke kosten met een maximum van de bedragen zoals genoemd in Prijzengids Nibud.

  • 2.

    Bij de vaststelling van de tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn zoals die geldt voor het betreffende product.

Artikel 5.13 Tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting

  • 1.

    Een cliënt die tijdens het aanbrengen van woonvoorzieningen niet in zijn/haar eigen woonruimte kan blijven, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting.

  • 2.

    De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming voor de meerkosten van tijdelijke huisvesting is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 eerste lid onder a van de Wet op de Huurtoeslag.

  • 3.

    De maximale duur voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting bedraagt zes maanden.

Artikel 5.14 Tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten

  • 1.

    Indien het college heeft beoordeeld dat cliënt geen recht heeft op een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing vanwege toepassing van het primaat verhuizing, kan het college een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten verstrekken ter hoogte van de werkelijke kosten tot maximaal € 3.500,00.

  • 2.

    Bij de afweging tot het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing zoals het college die maakt ingevolge artikel 4.1 wordt, tevens beoordeeld of cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning.

  • 3.

    Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en bruikbaar is, wordt geen maatwerkvoorziening voor woningaanpassing verstrekt voor de huidige woning, rekening houdende met de criteria in het vierde lid. Een verhuiskostenvergoeding kan dan verstrekt worden en, indien noodzakelijk, een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing van de woning waar naar toe wordt verhuisd.

  • 4.

    De beoordeling of cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning vindt in ieder geval plaats indien:

    • a.

      de woning waar naartoe kan worden verhuisd voor de cliënt geschikter is of verhuizing goedkoper is dan aanpassing van zijn huidige woning;

    • b.

      er geen contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is op grond van objectieve psychische of sociale redenen;

    • c.

      de kosten van een door het college te verstrekken bouwkundige of woontechnische woonvoorziening van de door de cliënt bewoonde woning meer bedragen dan € 9.000,--, en

    • d.

      er binnen een tijdsbestek van een jaar of binnen een medisch aanvaardbare termijn een woning beschikbaar komt waar naartoe kan worden verhuisd.

Artikel 5.15 Tegemoetkoming voor bezoekbaar maken van een woning

  • 1.

    Een tegemoetkoming kan worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van één woning indien:

  • het bezoekbaar maken noodzakelijk is voor de cliënt om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; en

  • de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of in een woonvorm daarmee vergelijkbaar.

  • 2.

    Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening tot een maximum van € 5.000,00.

Artikel 5.16 Tegemoetkoming voor vervoerskosten

  • 1.

    Indien er een contra-indicatie bestaat voor gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer dan kan een tegemoetkoming verstrekt worden als individuele vervoersvoorziening. Deze vergoeding kan worden aangewend voor vervoer per personenauto dan wel reguliere taxi.

  • 2.

    De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming zoals genoemd in lid 1 bedraagt maximaal € 600,00 per jaar.

  • 3.

    Indien de cliënt aangewezen is op vervoer uitsluitend per rolstoeltaxi, wordt, indien sprake is van een contra-indicatie voor gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer, een tegemoetkoming verstrekt van maximaal € 2.000,- per jaar.

  • 4.

    Indien de cliënt voor de korte en middellange afstanden gebruik kan maken van een scootmobiel of daar waar het echtelieden betreft die beiden een tegemoetkoming ontvangen, wordt de tegemoetkoming vastgesteld op 50% van de in dit artikel genoemde bedragen.

  • 5.

    De cliënt woonachtig in een Wlz-instelling of in een woonvorm daarmee vergelijkbaar, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming welke 50% bedraagt van de in dit artikel genoemde bedragen.

Artikel 5.17 Tegemoetkoming voor sportvoorziening

  • 1.

    Het college verstrekt een tegemoetkoming voor een sportvoorziening indien de voorziening noodzakelijk is om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

  • 2.

    Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening tot een maximum van € 3.000,00.

  • 3.

    Voor wat betreft de looptijd van tegemoetkoming dan wel de afschrijvingsduur wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijn die gangbaar is voor de voorziening. Indien de sportvoorziening na verstrijken van de gestelde afschrijvingsduur nog adequaat is, kan een tegemoetkoming voor onderhoud van de voorziening verstrekt worden in plaats van verstrekking van een nieuwe tegemoetkoming.

Artikel 5.18 Uitbetaling en verantwoording tegemoetkoming

  • 1.

    Uitbetaling van de tegemoetkoming vindt plaats na overlegging van de bewijsstukken waaruit realisatie blijkt van de gemaakte kosten en uitvoering conform de gestelde eisen door de gemeente (eventueel middels een Programma van Eisen) dan wel indien de situatie waarvoor de tegemoetkoming is verstrekt is gerealiseerd door storting op de rekening van de aanvrager of degene die als diens wettelijke vertegenwoordiger optreedt.

  • 2.

    Bij de verstrekking van een tegemoetkoming zoals genoemd in artikel 5.16, vindt betaling plaats per kalenderjaar. De eerste betaling vindt plaats na verzending van de beschikking.

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR VOORZIENINGEN

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Gereserveerd. Het college heft momenteel geen bijdrage voor algemene voorzieningen door of namens het college georganiseerd.

Artikel 6.2 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt..

  • 2.

    De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen bijdrage is verschuldigd.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      een vergoeding enkel voor instandhoudingskosten, zoals onderhoud, keuring en reparatie; of

    • b.

      de voorziening collectief vraagafhankelijk vervoer; of

    • c.

      de voorziening kortdurend verblijf; of

    • d.

      een financiële tegemoetkoming.

  • 4.

    In het kader van het minimabeleid:

    • a.

      Stelt CAK het (verzamel)inkomen vast van een cliënt op wie het gemeentelijk minimabeleid van toepassing is.

    • b.

      Bepaalt de gemeente de inkomensgrens waaronder geen bijdrage verschuldigd is (0-factuur). Deze inkomensgrens wordt door de gemeente jaarlijks doorgegeven aan CAK.

    • c.

      Wordt voor de inkomensgrens zoals genoemd in lid b aansluiting gezocht bij de standaardparameter 2018 (laagste bijdrageplichtig inkomen) volgend uit artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, zoals dit tot 1 januari 2019 luidde. Dit bruto bijdrageplichtig inkomen wordt vervolgens geïndexeerd op basis van de Prijsindex voor de gezinsconsumptie. De inkomensgrens wordt vastgesteld op 100% van dit bruto bijdrageplichtige inkomen.

    • d.

      Indien het (verzamel)inkomen van cliënt (zoals berekend door CAK) beneden de inkomensgrens ligt dan wordt de bijdrage op nihil gesteld.

  • 5.

    Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de maatwerkvoorziening collectief vervoer, dat bestaat uit een opstaptarief van € 0,75 en een tarief van € 0,75 per zone. Het zonetarief kan ieder opvolgend kalenderjaar worden gewijzigd aan de hand van prijsindex voor het reguliere openbaar vervoer. Reist een cliënt meer dan vijf zones dan is cliënt het commerciële tarief verschuldigd dat door de vervoerder wordt vastgesteld.

  • Na invoering van een kilometertarief betaalt cliënt een opstaptarief van € 0,96 per rit en een kilometertarief van € 0,167 per kilometer (prijspeil 2019). Het kilometertarief kan ieder opvolgend kalenderjaar worden gewijzigd aan de hand van prijsindex voor het reguliere openbaar vervoer. Reist een cliënt meer dan 25 km dan is cliënt het commerciële tarief verschuldigd.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen m.b.t. de vaststelling en hoogte van het tarief. De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening of algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

    • b.

      pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 7.

    In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door de instantie(s) die de opvang realiseert/realiseren, vastgesteld en geïnd.

  • 8.

    Een bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

HOOFDSTUK 7 INHOUD BESCHIKKING

Artikel 7.1 Verstrekking in natura

  • 1.

    Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de te treffen voorziening is en voor welk resultaat de verstrekking in natura verstrekt wordt;

    • b.

      de eventuele duur en eventuele omvang van de verstrekking;

    • c.

      hoe de voorziening in natura verstrekt wordt; en

    • d.

      of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is geregeld.

  • 2.

    Als er sprake is van een bijdrage wordt cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 7.2 Verstrekking als pgb

  • 1.

    Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een Programma van Eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden;

    • b.

      wat de omvang van het pgb is en hoe deze omvang tot stand is gekomen;

    • c.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb bedoeld is en

    • d.

      welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 2.

    Als er sprake is van een bijdrage wordt cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

HOOFDSTUK 8 PROCEDURELE BEPALINGEN ROND WIJZIGING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 8.1 Wijziging situatie

Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk en uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.

Artikel 8.2 Intrekking en beëindigen

  • 1.

    Het college kan onverminderd artikel 2.3.10 van de wet een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken of het verleende recht beëindigen indien:

    • a.

      niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening waaronder gestelde voorwaarden en verplichtingen in de toekenningsbeschikking begrepen;

    • b.

      op grond van gegevens een besluit is genomen en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;

    • c.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • d.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 2.

    Een besluit tot het verlenen van een maatwerkvoorziening of pgb wordt ingetrokken als blijkt dat de cliënt niet langer ingezetene is conform artikel 4.2 onder b van deze verordening, tenzij het beschermd wonen of opvang betreft.

  • 3.

    Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling van het geldbedrag niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 8.3 Terugvordering en invordering

  • 1.

    Ingeval de aanspraak op een maatwerkvoorziening of pgb is ingetrokken of beëindigd kan een op basis daarvan reeds uitbetaalde pgb dan wel een verstrekte maatwerkvoorziening in natura al dan niet in geldswaarde geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.

  • 2.

    Bij de invordering van de ten onrechte verleende geldsom maakt het college, indien mogelijk, gebruik van haar bevoegdheid tot verrekening met in de toekomst uit te betalen pgb.

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen aanbieders en dienstverleners

  • 1.

    Aanbieders en dienstverleners zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door in ieder geval:

    • a.

      de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te verstrekken;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • c.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • d.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard, zoals geldend in hun branche.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen door overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. In beleidsregels kan het college hieraan nadere invulling geven.

Artikel 9.2 Kwaliteit pgb

Het college kan, uit het oogpunt van beoordeling kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoek doen naar de bestedingen van pgb’s.

Artikel 9.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering maatwerkvoorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • ii.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt bij nadere regels de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 9.4 Klachtregeling aanbieders

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door hen, krachtens deze verordening, geleverde maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door overleggen met de aanbieders, en een cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 9.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders van diensten stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door overleggen met de aanbieders en een cliëntervaringsonderzoek.

HOOFDSTUK 10 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 10.1 Fraudepreventie

Het college informeert de cliënt over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Artikel 10.2 Onderzoek rechtmatigheid

Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de wet.

Artikel 10.3 Nadere regels

Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

HOOFDSTUK 11 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 11.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente ontvangen jaarlijks een blijk van waardering voor hun inzet.

  • 2.

    Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Artikel 11.2 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Krachtens deelverordening burgerparticipatie wmo 2013 betrekt het college, ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

HOOFDSTUK 12 SLOTBEPALINGEN

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze regels, indien toepassing van het besluit tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 12.2 Besluitvorming en beleidsregels

  • 1.

    Voor zover in deze verordening geen beperkingen zijn opgelegd is het college bevoegd tot alle besluiten ter uitvoering van deze verordening en de wet.

  • 2.

    Het college kan hierover beleidsregels vaststellen.

Artikel 12.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2018 wordt ingetrokken per datum inwerkingtreding onderhavige verordening.

  • 2.

    Besluiten, genomen krachtens de eerdere Verordeningen maatschappelijke ondersteuning Someren en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van onderhavige verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2018

  • 4.

    Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat is genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist met inachtneming van het bepaalde in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2018.

Artikel 12.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Someren,

de raadsgriffier,

J. Laurens Janse-Oostdijk

de voorzitter,

D. Blok

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020

Algemeen

Achtergrond

Voor u ligt de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020, opvolger van de verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2018.

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken zijn per 1 januari 2015 toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de oude Wmo al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. In de Wmo 2015 ligt deze toegangsprocedure daarom (in hoofdlijnen) vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning kwam te vervallen, werd een recht op een zorgvuldige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Middels deze structuur wordt de eigen verantwoordelijkheid van cliënten voorop gesteld. Eerst wordt gekeken wat mensen zelf, eventueel met behulp van hun netwerk, kunnen. De ondersteuning van de overheid (Wmo) is altijd aanvullend daarop. Hierbij dient altijd gekeken te worden wat redelijkerwijs van cliënten en hun netwerk verwacht mag worden. Het thema respijtzorg heeft dan ook een belangrijke plek binnen de Wmo 2015.

Maar middels deze toegangsprocedure komt ook de maatwerkgedachte tot uiting: iedere cliënt is anders, geen enkele situatie is dezelfde en dus volgt uit een melding telkens een afzonderlijk onderzoek naar de feiten en omstandigheden in de betreffende individuele situatie. Situaties van cliënten die ogenschijnlijk, op het eerste gezicht, gelijk lijken, blijken dat niet te zijn waardoor uitkomsten van een proces van melding / aanvraag verschillen. De cliënt als zodanig bestaat eigenlijk niet.

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of het college zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Wat de gemeente bij verordening dient te bepalen, maar ook kan bepalen is in grote lijnen vastgelegd in de Wmo 2015. Zie de artikelen 2.1.3 tot en met 2.1.7, artikel 2.3.6 en artikel 2.6.6 van de Wmo 2015.

Evenals de oude verordening, legt de verordening 2020 een bevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders tot het bepalen van nadere regels. Een opvallende tendens is dat het niet zozeer de wetgever is die vorm geeft aan de doorontwikkeling van lokale regelgeving maar de Centrale Raad van Beroep als zijnde de hoogste rechterlijke instantie voor de sociale zekerheid.

Artikelsgewijze toelichting

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1. 1 Begripsbepalingen

De Wmo 2015 kent een flink aantal definities (artikel 1.1.1). Deze zijn bindend voor deze verordening. Ook definitiebepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn voor deze verordening van belang. Voor de duidelijkheid is een aantal definities zoals genoemd in deze wetten herhaald. Daarnaast is een aantal definities, zoals niet benoemd in de wet, in dit artikel gedefinieerd.

Een aantal definities nader toegelicht:

b. Algemene voorziening

Volgens de wettelijke definitie gaat het bij een ‘algemene voorziening’ om het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

Hoewel deze voorzieningen niet specifiek bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle inwoners, zijn ze anderzijds door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken.

Deze zeer brede wettelijke definitie heeft via de rechtspraak een nadere duiding gekregen (CRvB 18 mei 2016 / ECLI:NL:CRVB:2016:1404 - overweging 7.5.4). Van een algemene voorziening ingevolge de Wmo 2015, is, naast de criteria ingevolge de wet, sprake indien het gaat om voorziening door of namens het college georganiseerd. Door deze vernauwing wordt voorkomen dat ook een lokaal aanbod van diensten waar de gemeente geen bemoeienis mee heeft onder de reikwijdte van het begrip algemene voorziening valt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een boodschappenservice georganiseerd door een supermarkt.

Voorbeelden – in algemene zin -zijn (mits georganiseerd door of namens de gemeente):

Was- en strijkservice;

Dagrecreatie;

Algemeen maatschappelijk werk;

Sociale alarmering;

De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschappenhulp;

Maaltijdservice en het eetcafé;

Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice;

(Ramen)wasservice;

Rolstoel-pools en scootmobiel-pools;

Kortdurende huishoudelijke hulp;

Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen.

Een algemene voorziening is dus per definitie geen maatwerkvoorziening (individueel verstrekt middels beschikking). Hiervoor kan ook met toepassing van de Wmo-regels een eigen bijdrage gelden (artikel 6.1). Vaak gaat het om voorzieningen waarbij de inzet van vrijwilligers een grote rol speelt.

c. Algemeen gebruikelijke voorziening:

Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, zodat de voorziening ook op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en dus niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare producten (bijvoorbeeld een elektrische fiets).

Een ander belangrijk element binnen het criterium “algemeen gebruikelijke voorziening” is dat de voorziening voor de cliënt ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt. Ook hierbij geldt een zekere redelijkheidstoets.

Dit element komt nadrukkelijk terug in de uitspraak van de CRvB van 27-01-2016 (ECLI:NL:2016:373 - overweging 4.2). In deze uitspraak stelt de CRvB dat een maaltijdservice een algemeen gebruikelijke voorziening is die aan het verstrekken van een voorziening voor het bereiden van maaltijden in de weg staat, niet in strijd is met de Wmo, onder de voorwaarden dat deze maaltijdservice daadwerkelijk beschikbaar is, door de cliënt financieel kan worden gedragen en adequate compensatie biedt.

Ten aanzien van de vraag of de algemeen gebruikelijke voorziening door cliënt ook daadwerkelijk financieel gedragen kan worden, heeft de CRvB in zijn uitspraak van 17-12-2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4276 - overweging 5.9) aangegeven dat hieronder verstaan wordt dat het gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen ook voor een cliënt met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum, financieel haalbaar moet zijn.

Als het college dit aannemelijk kan maken, dan is het aan de cliënt om te onderbouwen dat zijn of haar financiële situatie van dien aard is, dat het gebruik van de algemene voorziening, al dan niet in combinatie met het gebruik van andere algemeen gebruikelijke voorzieningen, voor hem of haar financieel niet haalbaar is.

r. Ingezetene van een gemeente:

Ingevolge artikel 2.3.5, eerste lid onder a van de Wmo 2015, dient de aanvraag voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie te worden gedaan bij de gemeente alwaar men ingezetene is. Omdat dit in de praktijk niet altijd geheel duidelijk is wordt voor het begrip ingezetene aansluiting gezocht bij het woonplaatsbegrip als bedoeld in artikel 40 eerste lid van de Participatiewet 2015.

Uit de uitspraken van de CRvB 11-10-2011 (ECLI:NL:2011:BT8937) en CRvB 12-07-2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2713) blijkt dat hierbij leidend is de feitelijke plaats waar een cliënt

zijn of haar centrum van maatschappelijk leven heeft.

Van welke gemeente iemand ingezetene is en dus de vraag waar iemand zijn woonadres heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Aan de inschrijving in het GBA komt daardoor geen doorslaggevende betekenis toe, aldus de CRvB. De CRvB is verder van oordeel dat iemand niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben.

Bij de bepaling van de vraag van welke gemeente iemand ingezetene is, kan ook de intentie van cliënt een rol spelen: waar speelt iemands centrale leven zich af (de omvang van het sociale leven ter plaatse (waar iemand zijn vrienden ontvangt) en het gebruik van diverse (maatschappelijke) voorzieningen ter plaatse) alsmede de plaats van waaruit de cliënt vertrekt om een bepaalde activiteit te verrichten en waar cliënt naar terugkeert na afloop van deze activiteit.

Zie overigens ook artikel 2.3.5 eerste lid onder b van de Wmo 2015. Als het gaat om een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor opvang en beschermd wonen heeft als criterium te gelden dat men ingezetene van Nederland dient te zijn.

v. Maatwerkvoorziening

Nieuw ten opzichte van de oude verordening is de toevoeging van het begrip financiële tegemoetkoming aan de definitie van het wettelijke begrip maatwerkvoorziening. Een uitgebreide verhandeling over de financiële tegemoetkoming en de reikwijdte van de analoge toepassing is neergelegd in hoofdstuk 5 van deze verordening.

y. en aa. Particuliere inzet en professionele dienstverlener:

Voor de verstrekking van pgb’s is het relevant om een onderscheid te maken tussen inzet door de professionele dienstverlener en particuliere inzet.

Professionele dienstverlener:

Of sprake is van een professional hangt van de feiten en omstandigheden. Niet alleen wordt gekeken of sprake is van inschrijving bij KvK. Ook uit andere feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) een onderneming dan wel ondernemer is. Denk hierbij aan de zichtbaarheid van de dienstverlener als ondernemer in de maatschappij (bijvoorbeeld via website, promotieactiviteiten …), het hebben van meerdere opdrachtgevers, het lopen van ondernemersrisico, het plegen van investeringen, wijze van gebruik maken van een modelovereenkomst van de belastingdienst (opvolger VAR) …

Wanneer er sprake is van inzet door een persoon uit het sociaal netwerk die tevens aangemerkt kan worden als professioneel dienstverlener, zal het college aan de hand van het zwaartepunt van de concrete activiteiten van deze persoon, afgezet tegen noodzaak van de zorg en de ondersteuning van de zorgvrager, bepalen of er sprake is van particuliere inzet of van een professionele dienstverlener. In concreto betekent dit dat het college de vraag dient te beantwoorden of professionele deskundigheid noodzakelijk is in het belang van de cliënt. Indien die vraag met “ja” beantwoord wordt, is het aan het college om het pgb-tarief te hanteren voor de professionele dienstverlener. Maar dit dus alleen indien de persoon uit het sociale netwerk conform de definitief zoals neergelegd in deze verordening daadwerkelijk als een professioneel dienstverlener is aan te merken.

HOOFDSTUK 2 PROCEDURE EN CRITERIA MAATWERKVOORZIENING EN TEGEMOETKOMING VOOR MEERKOSTEN

In de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet zijn regels neergelegd inzake het proces tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. De artikelen 2.1 tot en met 2.8 in deze verordening vormen een uitwerking van deze wettelijke bepalingen.

De afhandelingstermijnen voor melding en aanvraag liggen verankerd in de Wmo 2015. Ingevolge artikel 2.3.2, eerste lid Wmo 2015 dient een onderzoek naar aanleiding van een melding uitgevoerd te worden binnen een termijn van zes weken. Deze meldingsfase van 6 weken is in de verordening benoemd als zijnde het meldingsonderzoek. Op deze meldingsfase / meldingsonderzoek volgt de aanvraagfase. Op een beslissing op een aanvraag dient de gemeente te beslissen binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 2.3.5, tweede lid Wmo 2015).

Dit maakt dat het proces van melding / aanvraag in totaal 8 weken duurt. Met inachtneming van artikel 4:14, eerste lid, Awb, kan in individuele gevallen door de gemeente een afwijkende termijn worden gesteld.

Artikel 2.1 De melding en het meldingsonderzoek

In artikel 2.1 wordt ingegaan op de verschillende wijzen waarop de melding kan plaats vinden: vormvrij dus. De datum van melding wordt vervolgens door de gemeente in haar digitale systeem verwerkt. Een bevestiging van de melding is eveneens vormvrij en vindt veelal plaats via de uitnodigingsbrief voor een gesprek.

Artikel 2.3 Meldingsonderzoek

In het vierde lid van dit artikel is geregeld dat het college de cliënt op de hoogte brengt van de

mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en hem of haar gedurende zeven dagen na de melding, in de gelegenheid stelt het plan te overhandigen. In dit persoonlijk plan zet de cliënt, kort gezegd, uiteen welke ondersteuning in zijn geval nodig is en waarom. Daarbij gaat de cliënt ook in op eventuele ondersteuningsmogelijkheden door huisgenoten, mantelzorgers en anderen uit zijn netwerk. Zie de precieze omschrijving van de te beschrijven onderwerpen in een persoonlijk plan in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet.

Hierbij wordt nadrukkelijk uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om desgewenst zelf een eigen persoonlijk plan te ontwikkelen alsmede om dit plan tijdig in te dienen binnen zeven dagen na de melding. Voor een aantal cliënten is dit passend. Het merendeel van de cliënten laat deze mogelijkheid echter lopen.

Hiermee is de cliënt zijn (schriftelijke) invloed op het proces niet kwijt. Immers, op grond van artikel 2.3.2, lid 8 Wmo 2015 is het college verplicht om aan de cliënt een verslag van het meldingsonderzoek toe te sturen. De cliënt heeft vervolgens recht op het aanbrengen van opmerkingen en aanvullingen op dat verslag. Bij het in behandeling nemen van de aanvraag zal het college hierop gemotiveerd moeten reageren. Deze verplichting voor het college volgt uit het gestelde in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2017 waarin staat dat het college bij de behandeling van de aanvraag rekening moet houden met de resultaten van het meldingsonderzoek. Zie artikel 2.6, lid 3 van de verordening.

Indien de cliënt een persoonlijk plan indient, betrekt het college het plan (uiteraard) bij het meldingsonderzoek (artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet). Zie dat expliciet opgenomen in artikel 2.5, tweede lid, van de verordening.

Artikel 2.4 De medewerkingsverplichting van de cliënt en huisgenoten

In dit artikel worden twee typen onderzoek van elkaar onderscheiden, te weten een uitwerking van de medewerkingsverplichting van de cliënt zelf, welke in artikel 2.3.8, lid 3 van de wet algemeen is benoemd, alsmede de medewerkingsverplichting van huisgenoten, waarover in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo nadrukkelijk gesproken wordt in verband met de beoordeling van een maatwerkvoorziening.

Geregeld is in lid 1 dat het college twee mogelijkheden heeft voor een te verrichten onderzoek. Het college kan allereerst iemand oproepen op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden die nodig zijn om tot een zorgvuldig besluit te komen. Voor wat betreft het bepalen van de locatie van onderzoek houdt het college, zoveel als mogelijk, rekening met de persoonlijke omstandigheden van cliënt dan wel de huisgenoot, bijvoorbeeld een mobiliteitsbeperking. De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Het college zal, zoveel als mogelijk, de gevraagde inzet tot bevraging en onderzoek (laten) verrichten in de gemeente zelf.

Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit onderzoek een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is. In lid 2 is daarom geregeld dat in In principe mag van de cliënt en diens huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp mag verwacht worden mee te werken aan het genoemde onderzoek.

Is de cliënt niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen of zonder deze medewerking een zorgvuldig besluit te nemen is. Is dat niet mogelijk dan zal het college de aanvraag moeten afwijzen omdat de cliënt dan niet voldaan heeft aan zijn aantoon- en inlichtingenverplichting, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij of zij voldoet aan de voorwaarden voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Een zelfde benadering geldt in de situatie dat een huisgenoot zijn of haar medewerkingsverplichting niet nakomt (in het kader van beoordeling gebruikelijke hulp). Ook dan volgt uit de jurisprudentie van de bestuursrechter dat de aanvraag afgewezen moet worden. Leidend is dan dat de aanvraag afgewezen moet worden omdat de noodzaak van de gevraagde maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld.

De niet-medewerking van een huisgenoot wordt dus toegerekend aan de cliënt. Deze komt in bewijsnood omdat hij / zij de noodzaak niet kan aantonen van de aanvraag. Zie hiertoe CRvB 25-07-2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090).

Wat betreft de term gebruikelijke hulp zoals gebezigd in dit artikel: zie ook de definitie zoals neergelegd in artikel 1.1. Bij gebruikelijke hulp gaat het om de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten redelijkerwijs geacht worden elkaar onderling te bieden. Het betreft dus een onderzoek op maat: iedere situatie is anders.

Daarbij kunnen in ieder geval de volgende aspecten van belang zijn:

persoonskenmerken van de cliënt;

de benodigde ondersteuningsintensiteit;

kennis en vaardigheden (waaronder begrepen de leerbaarheid) van huisgenoten om de benodigde ondersteuning te leveren;

gezondheidssituatie van huisgenoot / (dreigende) overbelasting van huisgenoten;

fysieke aan- en afwezigheid van huisgenoten;

bijdrage van kinderen waarbij rekening kan worden gehouden met hun leeftijd en psychosociaal functioneren.

In artikel 2.4, lid 3 is de medewerkingsverplichting van de cliënt en diens huisgenoten nader

aangevuld. Namelijk, dat zij, naast een (actieve) informatieplicht, ook dienen mee te werken aan een bezichtiging van de persoonlijke woon- en leefsituatie, een optische controle of een controle anderszins van een verstrekte of te verstrekken dienst of middel. Onder optische controle wordt verstaan dat de Wmo-consulent of een andere medewerker van de gemeente, in de gelegenheid moet worden gesteld door de cliënt om concreet te kunnen kijken naar de feitelijke situatie dan wel een dienst of middel.

Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een cliënt is in lid 4 nadrukkelijk bepaald dat er een noodzaak moet zijn voor een dergelijk onderzoek. Die noodzaak kan ook zijn gelegen in de beleidsdoelstelling ter voorkoming van oneigenlijk dan wel misbruik van voorzieningen.

Vaste lijn in de rechtspraak is dat het college gehouden is om de minst in de persoonlijke levenssfeer van de cliënt ingrijpende methode van onderzoek te volgen. Dit vloeit direct voort uit de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit betekent dat het gebruikte middel in een goede verhouding moet staan tot het doel dat wordt gediend. Subsidiariteit betekent dat, indien je de keuze hebt uit verschillende methodes, je de lichtste methode dient in te zetten.

Artikel 2.5 Het gesprek / het Keukentafelgesprek:

Kern van dit procedurele hoofdstuk is het gesprek zoals uitgewerkt in artikel 2.5: het zogenaamde keukentafelgesprek. Hierbij is direct aansluiting gezocht bij het gestelde in artikel 2.3.2, lid 4 Wmo 2015. Een keukentafelgesprek is het gesprek dat cliënten samen met de gemeente voeren om in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit de gemeente. Cliënten kunnen zich daarbij laten ondersteunen door anderen. Doel van het gesprek is om voor iedere individuele cliënt tot passende oplossingen te komen.

Hierbij gaat het om oplossingen die bijdragen tot het participeren aan de maatschappij alsmede tot de bevordering van zelfredzaamheid van een cliënt. Tijdens het keukentafelgesprek komt de specifieke situatie van de cliënt uitgebreid aan bod: hoe ziet zijn leven eruit, wat is precies zijn vraag, wat wil hij daarmee bereiken. Eerst wordt de vraag van de cliënt verhelderd, voordat er over maatwerk en oplossingen gesproken wordt. Het gesprek is een wederzijds proces. Het bepalen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is niet een eenzijdige actie van (of namens) de gemeente, vergelijkbaar met het doorlopen van een beslisboom. Het is een dialoog waarbij cliënt en gemeente in gezamenlijkheid de situatie van de cliënt in kaart brengen om zo vast te stellen op welke onderdelen ondersteuning nodig is om te participeren.

Zie de onderdelen van het gesprek uitgewerkt in artikel 2.5. De term “keukentafelgesprek” suggereert dat het uitgangspunt is dat gesprekken lokaal bij de mensen thuis plaatsvinden. Dit behoeft evenwel niet altijd het geval te zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat het gaat om behoefte aan beschermd wonen. Maar denk ook aan de situatie dat de cliënt reeds afdoende bekend en in beeld is bij de gemeente en een gesprek bij de cliënt thuis niet nodig is voor het onderzoek zoals benoemd in artikel 2.5 lid 1.

Artikel 2.6 Verslag

Op grond van artikel 2.3.2, lid 8 is het college gehouden aan de cliënt een verslag te verstrekken van de resultaten van het meldingsonderzoek. In dit artikel wordt dit bevestigd. Hieraan wordt toegevoegd de principiële bevoegdheid van een cliënt op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens tot lees- en correctierecht. Om het meldingsonderzoek slagvaardig te kunnen afronden is in de praktijk de noodzaak gebleken tot het stellen van een termijn voor reactie gerelateerd aan het verslag.

Een termijn van 14 dagen na verzending van het verslag, wordt een redelijke termijn geacht. Het betreft hier wel een termijn van orde en geen fatale termijn. Dat wil zeggen, het college wordt geacht een zekere vorm van redelijkheid in acht te nemen bij een kleine overschrijding van de termijn van 14 dagen waarin een reactie van een cliënt nog kan binnenkomen.

Los van deze termijn gerelateerd aan het verslag c.q. het proces van melding / aanvraag, kan de cliënt altijd verzoeken, ook na een gestelde termijn voor het geven van een reactie, om een correctie van hem betreffende gegevens bij de gemeente.

Artikel 2.7 De aanvraag

Uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat het doen van de aanvraag schriftelijk wordt vastgelegd in het verslag zoals vermeld in artikel 2.6, lid 2. Dit sluit aan bij de rechtsopvatting die de wetgever heeft neergelegd in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015, waarin is aangegeven dat de beoordeling van een maatwerkvoorziening afgestemd moet worden op de resultaten van het meldingsonderzoek.

Artikel 2.8 Nadere regels

In dit artikel is voor het college een regelgevende bevoegdheid opgenomen om nadere regels te kunnen stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening.

De reden hiervan is dat mocht in de uitvoeringspraktijk blijken dat er behoefte is aan nadere proce- durele kaders (denk bijvoorbeeld aan huishoudelijke ondersteuning), dan kan het college in nadere regels hier invulling aan geven.

HOOFDSTUK 3TE BEREIKEN RESULTATEN

In artikel 2.1.1, lid 1 Wmo 2015 is bepaald dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.2 Wmo 2015 is bepaald dat de gemeenteraad periodiek een plan vaststelt met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Onderdeel hiervan is de bevordering en ondersteuning van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van cliënten opdat zij zo lang als mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.

In verband met de wettelijke opdracht heeft de landelijke wetgever aan de gemeente een ruime mate van beleidsvrijheid gegeven om hieraan nadere invulling te geven. Echter tegelijkertijd heeft de wetgever in artikel 2.1.3 lid 2 onder a Wmo 2015 bepaald, dat voor zover hieruit rechten en verplichtingen voortvloeien voor een cliënt, het college dit moet vastleggen in een verordening. Dit sluit ook aan bij de considerans, zoals vermeld in de aanhef van deze verordening.

Dat zo zijnde, is het onmiskenbaar dat de beleidskeuze om een maatwerkvoorziening en eventueel een algemene voorziening ter bevordering van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, nader uit te werken middels het resultaatgericht indiceren hoe dan ook meerdere raakvlakken heeft met de rechten en verplichtingen van een cliënt.

Het is om deze reden dat de keuze is gemaakt om een afzonderlijk hoofdstuk te besteden aan de te bereiken resultaten als uitwerking van de zorgplicht van de gemeente voor de bevordering van maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.1.1 Wmo 2015.

Artikel 3.1 De te bereiken resultaten

In lid 1 van dit artikel worden uitgaande van de taakstelling van de gemeente op grond van artikel 2.1.1 Wmo 2015 de belangrijkste resultaten benoemd bij de vaststelling van maatwerkvoorzieningen.

In het tweede lid is vervolgens een verbijzondering aangebracht waarbij naast de gebruikelijke resultaten zoals die voorheen ook golden op grond van de Wmo 2007 (sub 1 tot en met sub 4), ook de resultaten worden benoemd in relatie tot de nieuwe taken vanaf 1 januari 2015 (sub 5 en 6).

Artikel 3.2 Nadere regels in verband met de uitwerking van de te bereiken resultaten

In het eerste lid wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om nadere regels vast te stellen. Dit omdat de uitvoeringspraktijk kan vragen om een nadere verfijning in deelresultaten van de in artikel 3.1. benoemde resultaten op hoofdlijnen. Ter voorkoming dat alle regels over de vaststelling van maatwerkvoorziening gedetailleerd in nadere regels worden vervat, is in lid 2 bepaald dat het college in nadere regels een nadere verfijning geeft in de vorm van het benoemen van kernactiviteiten en/of taken alsmede, indien de noodzaak daartoe blijkt, het benoemen van de mate van frequentie. Aanvullend is in lid 3 bepaald dat het college in nadere regels de (objectieve) norm kan stellen waaraan kernactiviteiten en / of taken moeten voldoen. Expliciet gaat het dan in ieder geval om een geobjectiveerd normenkader voor huishoudelijke ondersteuning (hoe bepaal je of een huis schoon is) met de NEN 2075:2000 als basis.

Artikel 3.3 Bevoegdheid tot het vaststellen van algemene voorzieningen

In dit artikel is in het eerste lid de bevoegdheid van het college bepaald om indien dat naar zijn oordeel van belang is in verband het bereiken van de beoogde resultaten zoals genoemd in artikel 3.1 en 3.2, algemene voorzieningen vast te stellen.

In lid 2 is nadrukkelijk bepaald dat als het college besluit tot de vaststelling van algemene voorzieningen, in ieder geval waar mogelijk rekening gehouden wordt met de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers waardoor zij in staat zijn, zoveel als mogelijk, hun taken als mantelzorger of vrijwilliger te kunnen uitvoeren.

HOOFDSTUK 4 CRITERIA MAATWERKVOORZIENING

Artikel 4.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening

In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

De tweede volzin van de leden 1 en 2 (rechtstreeks ontleend aan artikel 2.3.5 Wmo 2015) stelt enkele inhoudelijke eisen aan de aard en omvang van de te verstrekken maatwerkvoorziening.

De volzin in het eerste lid formuleert allereerst de eis dat de te verstrekken maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan het bereiken van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. In het tweede lid is de eis dat de te verstrekken maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en het bereiken van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te kunnen handhaven in de samenleving.

De beoordeling of een maatwerkvoorziening een passende bijdrage is, hangt uiteraard af van de individuele feiten en omstandigheden (maatwerk). De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. Een maatwerkvoorziening kan in die zin ook gericht zijn op stabilisatie van een situatie (voorkomen teruguitgang) of ondersteuning van een situatie van teruguitgang.

Bij de beoordeling voor een maatwerkvoorziening wordt, ingevolge het derde lid, eerst bepaald of beperkingen of problemen niet langs een andere weg dan de inzet van een gemeentelijke maatwerkvoorziening, kunnen worden verminderd of weggenomen. Het gaat dan primair om de vraag wat mensen zelf of met behulp van hun omgeving kunnen bewerkstelligen. Hierbij dient altijd de toets van de redelijkheid te worden ingezet: wat mag redelijkerwijs aan ondersteuning van anderen verwacht worden. Hierbij wordt de feitelijke situatie van een cliënt en zijn omgeving gewogen. Ten aanzien van mantelzorg betekent dit, - afgezien van het gegeven dat mantelzorg nooit dwingend kan worden opgelegd -, dat een mogelijk gevaar voor overbelasting van de mantelzorger in ogenschouw wordt genomen.

Middels lid 4 wordt bepaald dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn. Op deze regel bestaat, een expliciete uitzondering: maatwerkvoorziening voor diensten. Wat een maatwerkvoorziening voor diensten is, staat geformuleerd in artikel 1.1. Uit de definitiebepaling volgt dat een maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer ook een dienst betreft.

Langdurig wil zeggen dat degene die beperkingen ondervindt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de aard van de beperking van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Cliënt kan onder andere een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die zijn opgezet in het kader van de Zvw. Voor de uitleen van een hulpmiddel wordt een indicatie gesteld door een thuiszorgorganisatie. Uitleen is in beginsel voor 13 weken met een eventuele verlenging tot maximaal 26 weken. Is het hulpmiddel langer dan 26 weken nodig, dan kan de cliënt een melding indienen ingevolge de Wmo. Wanneer een hulpmiddel vanuit een thuiszorgorganisatie niet voldoende toereikend is, dient onderzocht te worden in hoeverre er vanuit de Wmo ondersteuning geboden moet worden.

Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie. In ieder geval dient een voorziening voor een cliënt die terminaal is, gerekend te worden tot langdurig noodzakelijk. De maatwerkvoorziening zal immers iemand gehele verdere leven noodzakelijk zijn.

Onder lid 5 wordt bepaald dat de voorziening als de goedkoopst adequate voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats om een voorziening die adequaat is voor de ondervonden problemen. Maar wanneer dan meerdere voorzieningen adequaat blijken te zijn, mag volstaan worden met de goedkoopste adequate voorziening.

Artikel 4.2 Criteria specifieke maatwerkvoorzieningen

In dit artikel is middels de leden 1 tot en met 5 op hoofdlijnen aangegeven wat de essentie is van een aantal maatwerkvoorzieningen. De uitwerking op uitvoerend niveau ligt vast in de nadere regels. Zie daartoe lid 6. Onder lid 6 is bepaald dat het college in nadere regels aanvullende criteria vaststelt op uitvoerend niveau in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke maatwerkvoorziening. Zie dat uitgewerkt in:

artikel 2.1 nadere regels voor wat betreft HO;

artikel 2.4. nadere regels v.w.b. Primaire levensbehoeften;

artikel 2.5 nadere regels v.w.b. begeleiding;

artikel 2.6 nadere regels v.w.b. kortdurend verblijf; en

artikel 2.7 nadere regels v.w.b. beschermd wonen en begeleiding plus.

Artikel 4.3 Weigeringsgronden maatwerkvoorziening

In dit artikel worden in het eerste lid de zogenaamde afwijzingsgronden benoemd.

Onder a. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend c.q. een gevraagde voorziening wordt afgewezen indien niet aan het bepaalde van artikel 4.1, leden een tot en met vier is voldaan.

Onder b. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de cliënt niet als ingezetene van een gemeente (in geval van aanvraag maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie) dan wel Nederland (in geval van aanvraag ten behoeve van opvang en beschermd wonen) kan worden aangemerkt. Zie het begrip ingezetene reeds eerder toegelicht bij artikel 1.1.

Onder c. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de gevraagde voorziening, voor de persoon van de cliënt, niet in een directe relatie staat met beperkingen van cliënt. Denk hierbij bijv. aan de situatie dat cliënt al vele jaren een hulp in het huishouden heeft. Op het moment dat cliënt beperkingen gaat ondervinden en op die grond een geldelijke vergoeding wil ontvangen ter dekking van de kosten voor hulp in het huishouden, dan volgt in beginsel een afwijzing. Het gaat immers niet om meerkosten ten opzichte van de situatie vóór het intreden van de beperkingen. Beoordeeld wordt of de situatie van de cliënt als zodanig veranderd is.

Onder d. wordt bepaald dat een voorziening niet wordt toegekend als niet meer is na te gaan of de voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst adequate voorziening, bijvoorbeeld omdat de voorziening door de betrokkene al aangeschaft is.

In artikel 2.1, lid 2 van deze verordening wordt in de lijn met artikel 2.3.3 Wmo 2015 voorzien in een spoed-meldings- en aanvraagprocedure. Omdat deze procedurele mogelijkheid er is, geldt dat onder zeer strikte voorwaarden nog de mogelijkheid geboden wordt voor een toekenning van een aanvraag met terugwerkende kracht. Om de striktheid nader aan te scherpen, is er aan het gestelde in sub d toegevoegd dat de cliënt dan ook moet aantonen dat de zelf gekozen voorziening ook daadwerkelijk de goedkoopst adequate voorziening is. Tegelijkertijd blijft onverkort gelden dat deze zelf gekozen voorziening ook aangemerkt moet kunnen worden als een passende bijdrage aan de gestelde hulp-vraag, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015.

Onder e. wordt de situatie benoemd dat cliënt een aanvraag doet voor een voorziening terwijl de afschrijvingsduur van een eerder verstrekte voorziening nog niet is verstreken. Een afwijzing is het gevolg tenzij het cliënt niet kan worden aangerekend. Zie ook Rb Breda 10-01-2011 (ECLI:NL:RbZWB:2011:BP1517): in redelijkheid kon de gemeente de aanvraag ingevolge de Wmo om de kosten van reparatie van een op vakantie beschadigd geraakte handbike te vergoeden, weigeren. Het was aan cliënt geweest om te zorgen voor een (reis-) verzekering die eventuele schade afdoende zou dekken. Als een dergelijke verzekering niet mogelijk of onbetaalbaar was, had cliënt ervoor kunnen kiezen om de handbike niet mee te nemen naar het buitenland.

Onder f. wordt de situatie bedoeld dat cliënt geen medewerking verleent aan een onderzoek ter beoordeling van het recht op een maatwerkvoorziening. Zie ook de toelichting onder 2.4.

Vaste jurisprudentie is dat een aanvraag voor een maatwerkvoorziening geweigerd kan worden wanneer de cliënt en, indien van toepassing, diens huisgenoten zijn of haar inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet nakomen alsmede de specifieke inlichtingen- en medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 2.4 van deze verordening, waaronder begrepen ook de beoordeling van gebruikelijke hulp van huisgenoten indien dit van toepassing is.

Met de eigen verantwoordelijkheid als uitgangspunt wordt, onder sub g gesteld dat de aanvraag voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie (dus niet in geval van opvang en beschermd wonen) dient te worden afgewezen indien cliënt zich (verwijtbaar) in een situatie heeft gebracht die aanleiding is voor de hulpvraag aan de gemeente, nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de cliënt.

De toevoeging beoogt nadrukkelijk een verband te leggen tussen enerzijds de voorzienbaarheid van de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij en anderzijds de voorzienbaarheid van de maatregelen die een cliënt, gelet op zijn of haar eigen verantwoordelijkheid, redelijkerwijs zelf kan treffen.

Onder h. is als weigeringsgrond opgenomen de situatie dat de cliënt redelijkerwijs een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolgde voorlopige voorziening. Belangrijk vertrekpunt is dat deze weigeringsgrond de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt beoogt te benadrukken om, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Voorts beoogt deze weigeringsgrond aan te geven dat indien de noodzaak van de gevraagde kosten reeds is afgewezen binnen een voorliggende voorziening, dat het dan niet aangaat dat binnen de Wmo 2015 deze beoordeling doorkruist wordt. Voor de volledigheid: formeel kent de wet het begrip voorliggende voorziening niet maar wordt gesproken over een afstemmingsverplichting (artikel 2.3.5 lid 5). In de uitvoeringspraktijk is het evenwel gangbaar gebleven om de term voorliggende voorziening te blijven hanteren.

Onder i. is als weigeringsgrond opgenomen de situatie waarin de maatwerkvoorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. In de definitiebepalingen van deze verordening wordt reeds uitgezet wat het begrip “algemeen gebruikelijke voorziening” inhoudt. Dat zo zijnde, volgt hieruit dat het college een aanvraag kan afwijzen wanneer de gevraagde kosten als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt.

Gelijk aan de opbouw van artikel 4.1 en de verwijzing in lid 6 van dat artikel naar nadere regels in verband met een specifieke maatwerkvoorziening, zo wordt ook voor de weigeringsgronden eenzelfde benadering gevolgd. Vandaar de invoeging van een afzonderlijk lid 2. Hierin wordt het college de bevoegdheid gegeven tot het vaststellen in nadere regels, van aanvullende criteria in verband met de weigeringsgronden voor een specifieke maatwerkvoorziening dan wel een specifieke tegemoetkoming in de meerkosten.

HOOFDSTUK 5 HET PGB EN DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMING

Paragraaf 1: Het persoonsgebonden budget

In deze paragraaf liggen de regels vast voor pgb-verstrekking. Ten opzichte van de oude Wmo-verordening is er aantal evidente wijzigingen. Deze wijzigingen zijn voornamelijk het gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Een uitspraak die, kort gezegd, nadere richting geeft aan gemeenten over medebewind en delegatie. Tariefdifferentiatie pgb behoort tot de zgn. essentialia van het voorzieningenpakket welke in de verordening dienen te worden vastgelegd. Het is vanwege deze uitspraak dat de keuze is gemaakt om het systeem dat ten grondslag ligt aan de hoogte van pgb’s (de artikelen 5.3 tot en met 5.8) in de verordening neer te leggen en niet langer in de Nadere regels.

Artikel 5.1 Regels voor pgb

In plaats van een maatwerkvoorziening in zorg in natura (zin) kan een cliënt, indien hij dat wenst, een voorziening toegekend krijgen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Zie daartoe artikel 2.3.6, eerste lid, Wmo 2015. Aan deze regel ligt het principe ten grondslag dat een pgb voor mensen met een beperking kan bijdragen aan het behouden van de regie over hun eigen leven. Dit betekent niet dat de gemeente zondermeer gevolg geeft aan het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een pgb. De wetgever heeft in artikel 2.3.6, tweede lid, Wmo 2015, een drietal voorwaarden benoemd, verwerkt in het derde lid van artikel 5.1.

a. Bekwaamheid van de cliënt:

De eerste voorwaarde betreft de bekwaamheid van de cliënt. Allereerst wordt van een cliënt verwacht dat deze zelfstandig een redelijke waardering kan maken van zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag. Een persoon kan bijvoorbeeld door de gemeente worden gevraagd duidelijk te maken welke problemen hij heeft, hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning de cliënt gebaat zou zijn. Ten tweede wordt van de cliënt verwacht dat deze de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan het kiezen van een zorgverlener die in de zorgvraag voldoet, het aangaan van een contract, het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie.

De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de cliënt getoetst, maar het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden van een pgb, dan kan de gemeente het pgb weigeren. Dat is een beslissing van de gemeente waarop een cliënt vervolgens bezwaar kan maken.

b. Motivering door de cliënt:

De tweede voorwaarde betreft de motivering door de cliënt. De cliënt dient te motiveren dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen. Met de argumentatie moet duidelijk worden dat de cliënt zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Wanneer een persoon de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de cliënt. In deze gevallen kan de gemeente het pgb omwille van de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Uiteindelijk ligt de keuze om wel of geen beschikking af te geven bij de gemeente. Als de gemeente weigert een pgb te verstrekken, dan is dat een besluit waartegen een cliënt in bezwaar kan gaan.

c. Gewaarborgde kwaliteit van dienstverlening

De derde en laatste voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb betreft de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteit dient naar het oordeel van het college gewaarborgd te zijn.

De budgethouder heeft zelf de regie over de ondersteuning die hij met het pgb contracteert. Daarmee krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij deze zo nodig bijsturen. Het college kan op basis van deze bepaling vooraf toetsen of de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid voldoende is gegarandeerd. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

Lid 4

Ter ondersteuning van de toets aan de voorwaarden in het derde lid, is in het vierde lid bepaald dat de cliënt desgevraagd een pgb-plan dient over te leggen indien het pgb wordt aangevraagd voor een dienst. Dit pgb-plan dient overigens niet verward te worden met het persoonlijk plan zoals genoemd in artikel 2.3, vierde lid, Wmo 2015 alsook artikel 2.5, tweede lid, van de verordening.

Lid 5

Op het moment dat de verwachting reëel is dat een voorziening binnen afzienbare tijd aan vervanging toe is of slechts kortdurend wordt gebruikt, mag de gemeente, mede uit oogpunt van efficiency en het kostenaspect, besluiten dat een voorziening in natura heeft te prevaleren boven een pgb. Denk hierbij bijvoorbeeld aan (kortdurende) huishoudelijke ondersteuning (ho) na een ziekenhuisopname. Indien niet vaststaat dat de ho ook op de lange termijn nodig zal zijn, mag de gemeente een pgb weigeren en volstaan met zin.

Lid 6

Een duidelijk voorbeeld hierbij is het collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv).

Zodra een collectieve voorziening niet meer in stand te houden zou zijn vanwege het feit dat men daarvoor massaal een persoonsgebonden budget aanvraagt, kan dat een overwegend bezwaar zijn en hoeft er geen persoonsgebonden budget voor worden toegekend. Het persoonsgebonden budget mag niet leiden tot het ondergraven van het systeem.

Artikel 5.2 Hoogte van het pgb

Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.

Ook in de rechtspraak is de vraag over de toereikendheid van een pgb actueel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit overweging 4.4 van de uitspraak van de CRvB 09-03-2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:982) waarin gesproken wordt over “kwalitatief goed - met zorg in natura vergelijkbare – in te kopen zorg”. Hiermee is een inhoudelijke vergelijking beoogd tussen in casu huishoudelijke ondersteuning in natura en huishoudelijke ondersteuning in pgb en niet een vergelijking in geld.

De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Uitgangspunt is dus dat het pgb niet hoger is dan de kosten van een voorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.

Hierbij geldt nadrukkelijk ook dat het college in een concrete situatie moet onderzoeken of er aldus een inhoudelijk gelijkwaardig in te kopen dienst overblijft in vergelijking met een voorziening in natura. Dit sluit bij de vaste jurisprudentie van de CRvB dat het college een vergewisplicht heeft om na te gaan in de concrete situatie of het eindresultaat voor de cliënt ook daadwerkelijk compenserend is. Tegelijkertijd geldt dat het college bij deze concrete toetsing van de hoogte van het te verlenen pgb voor de in te kopen dienst, bevoegd is om deze af te stemmen op de goedkoopst adequate voorziening in natura .

Onverkort geldt als ondergrens dat de verleende maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb passend is in de concrete klantsituatie. Hieruit volgt dat het college in een concrete casus van een cliënt gehouden is tot een redelijke belangenafweging om zo te komen tot maatwerk, gelet op het algemene beginsel van behoorlijke bestuur van het gebod tot een redelijke belangenafweging op grond van artikel 3:4, lid 1 Awb.

Artikel 5.3 Hoogte pgb voor woningaanpassing

De hoogte van de maatwerkvoorziening pgb voor een woningaanpassing wordt ingevolge lid 1 gerelateerd aan de door het college geaccepteerde offerte. In lid 2 wordt gespecificeerd uiteengezet welke kosten worden geaccepteerd. Wat betreft de aanneemsom (sub a) en het architectenhonorarium (sub c) wordt gesproken over een vergoeding excl. BTW. Zie evenwel sub h: ook de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting komt voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 5.4 Hoogte pgb voor HO

Het systeem pgb is tot stand gekomen in samenspraak met onderzoeksbureau HHM. Vanwege de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 18 mei 2016 inzake huishoudelijke ondersteuning ontstond de behoefte om – als opvolger van het niet meer door ons gehanteerde CIZ-protocol (“Wmo richtlijn indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden”) – te komen tot een nieuwe werkwijze en normenkader. Een normenkader dat recht doet aan resultaatgericht werken en aan de individuele ondersteuningsbehoefte van een cliënt. Bureau HHM en KPMG ontwikkelden reeds voor verschillende gemeenten een normenkader: een normenkader tot stand gekomen via een uitgebreid empirisch geobjectiveerd onderzoek. Op basis van tijdbestedingsonderzoek, professionele ervaring en cliëntinterviews werden activiteiten HO, frequentie en tijdbesteding bepaald ter realisatie van een schoon en leefbaar huis. Onderzocht en bepaald werd welke factoren van invloed zijn op benodigde tijd en frequentie en hoe groot deze invloed is. Met behulp van deze cijfermatige basis was bureau HHM in staat om voor Helmond en de Peelgemeenten, een geobjectiveerd normenkader te ontwikkelen. Dat normenkader komt tot uitdrukking in een puntensysteem. Met het puntensysteem bepaalt de Wmo-consulent kort gezegd welke ondersteuningsbehoefte een inwoner heeft, welke resultaten moeten worden behaald en welke individuele kenmerken er zijn. Voor elk resultaat en voor elk kenmerk wordt een bepaald aantal punten toegekend. Op basis van bovengenoemd objectief normenkader en het door ons gehanteerde pgb-tarief van 125% WML is vervolgens een rekenfactor berekend. Het totaal aantal punten wordt vermenigvuldigd met deze rekenfactor en dit resulteert in een bedrag dat kan worden toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het pgb wordt toegekend als een bedrag op jaarbasis. Door de pgb-omvang op jaarbasis te indiceren, wordt tot uitdrukking gebracht dat een schoon en leefbaar huis niet wil zeggen dat alle activiteiten standaard wekelijks in dezelfde omvang moeten plaatsvinden. Indiceren op jaarbasis geeft ruimte aan de cliënt om te variëren met de frequentie/omvang van de werkzaamheden binnen het toegekende jaarbudget (een week overslaan, ene week 1 uur en andere week 3 uur …).

Voor wat betreft de hoogte van een pgb voor ho wordt ingevolge het derde lid aansluiting gezocht bij de Wet minimumloon (Wml): het uurtarief bedraagt 125% van het Wml inclusief vakantietijd en vakantiegeld. Het uurtarief bedraagt altijd 125% van het Wml, ongeacht de vraag wie de zorg daadwerkelijk gaat verlenen: een zorgaanbieder, een particulier of iemand uit het sociaal netwerk van de betrokkene. Achterliggende gedachte hierbij is het gegeven dat 125% Wml heeft te gelden als een gangbaar / marktconform loon en het tarief dus toereikend mag worden geacht om ho in te kopen. Ho betreft immers ongeschoolde arbeid. Zie in dat kader ook de landelijke Regeling dienstverlening aan huis.

Dit betekent overigens niet dat de cliënt geen duurdere zorg zou mogen / kunnen inkopen c.q. dat het college een aanvraag pgb weigert indien de kosten van de door de cliënt beoogde inzet meer bedragen dan 125% Wml. Cliënten kunnen in die gevallen zelf bijbetalen aan de SVB.

Ten aanzien van particuliere inzet waaronder mede begrepen de inzet door iemand uit het sociaal netwerk dient te worden toegelicht dat in het proces van melding / aanvraag zoals beschreven in hoofdstuk 2 van de verordening altijd onderzocht wordt of een cliënt met behulp van gebruikelijke zorg, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is om (deels) tot een oplossing te komen anders dan de inzet van een maatwerkvoorziening Wmo.

Indien die mogelijkheden er (deels) niet zijn (naast de toets aan andere criteria) wordt overgegaan tot de inzet van een maatwerkvoorziening waarbij de cliënt zijn voorkeur kan uitspreken voor een pgb. Bij de inzet van het pgb kan vervolgens iemand uit het sociaal netwerk worden betrokken om de diensten te leveren (tegen betaling). Dit lijkt op het eerste gezicht haaks te staan op de kantelingsgedachte c.q. de toets zoals die gemaakt is bij de melding / aanvraag als het gaat om de inzet van het sociaal netwerk. Indien een pgb wordt ingezet met behulp van iemand uit het netwerk is evenwel tijdens het proces van melding / aanvraag de conclusie geweest dat er geen ruimte is voor de betreffende persoon om op basis van vrijwilligheid de inzet te leveren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat de betreffende persoon op basis van vrijwilligheid al dusdanige inzet levert, dat aanvullende vrijwillige inzet niet geleverd kan worden en / of de betreffende persoon niet bereid is om op basis van vrijwilligheid inzet te leveren. Mantelzorg is immers – in tegenstelling tot gebruikelijke hulp – niet afdwingbaar.

Dit speelt niet alleen in geval van huishoudelijke ondersteuning maar eveneens in geval van begeleiding, kortdurend verblijf en beschermd wonen.

Ingevolge lid 4 wordt het pgb-tarief jaarlijks, per 1 januari, geïndexeerd. Daarbij wordt uitgegaan van het Wml-bedrag (125% daarvan) zoals dat gold op 1 juli van het voorafgaande jaar. Voorheen werd uitgegaan van geldende Wml-bedrag op diezelfde 1 januari. Nu de gemeente ruimschoots voor 1 januari, op een moment dat de Wml-tarieven per 1 januari nog niet bekend zijn, aan de Sociale Verzekeringsbank de pgb-tarieven per het nieuwe kalenderjaar dient door te geven is de praktische keuze gemaakt om de hoogte van het pgb-tarief per 1 januari te koppelen aan de Wml per 1 juli van het voorgaande jaar.

Artikel 5.5 Hoogte pgb voor primaire levensbehoeften

Voor wat betreft de hoogte van een pgb inzake het bereiden en neerzetten van maaltijden wordt één op één aansluiting gezocht bij het tarief zoals dat geldt in geval van verstrekking zorg in natura. Het tarief is gebaseerd op een gemiddelde inzet van 15 minuten per maaltijdverzorging. Maaltijdverzorging kenmerkt zich door:

Er is geen sprake van uitstelbaarheid;

De frequentie van inzet is hoog (tot 2x per dag en alle dagen van de week indien eigen systeem geen inzet kan plegen);

de duur van de ondersteuning per keer is zeer kort.

Dit maakt het een lastig te plannen en relatief duur product.

Voor wat betreft het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen, schoonmaakmiddelen en toiletartikelen wordt voor wat betreft de hoogte van het pgb aansluiting gezocht bij de goedkoopst adequate oplossing. Dit laatste houdt verband met het feit dat deze taak, met name gelet op de inzet door de klant en zijn netwerk zelf en / of de aanwezigheid van een boodschappendienst normaliter niet aan de orde is mede gelet op het feit dat nagenoeg alle supermarkten de mogelijkheid van een bestel- en bezorgservice kennen. In die sporadische gevallen dat het wel aan de orde is, dient per casus (maatwerk) gekeken te worden naar de hoogte van het pgb waarbij in ieder geval het uitgangspunt is dat boodschappen geclusterd / 1 x per week worden gedaan.

Artikel 5.6 Hoogte pgb voor begeleiding

Begeleiding bestaat uit 2 soorten voorzieningen, namelijk begeleiding individueel en begeleiding groep (dagbesteding). Voor wat betreft de tariefstelling heeft ingevolge het eerste lid te gelden dat er een differentiatie wordt gemaakt: een tariefstelling voor de professionele dienstverlener en een tariefstelling voor particuliere inzet waaronder mede begrepen het sociaal netwerk.

De definities van een professioneel dienstverlener en particuliere inzet ligt vast in artikel 1.1. Voor wat betreft de professionele dienstverlener is gesteld dat men als zelfstandige staat ingeschreven bij de KvK en ook uit andere feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de dienstverlener een ondernemer is. Denk hierbij aan de zichtbaarheid van de dienstverlener als ondernemer in de maatschappij (bijvoorbeeld via website, promotieactiviteiten …), het hebben van meerdere opdrachtgevers, het lopen van ondernemersrisico, het plegen van investeringen, wijze van gebruik maken van een modelovereenkomst van de belastingdienst (opvolger VAR) …

Zie reeds hetgeen toegelicht bij artikel 1.1:

Wanneer er sprake is van inzet door een persoon uit het sociaal netwerk die tevens aangemerkt kan worden als professioneel dienstverlener, zal het college aan de hand van het zwaartepunt van de concrete activiteiten van deze persoon, afgezet tegen noodzaak van de zorg en de ondersteuning van de zorgvrager, bepalen of er sprake is van particuliere inzet of van een professionele dienstverlener. In concreto betekent dit dat het college de vraag dient te beantwoorden of professionele deskundigheid noodzakelijk is in het belang van de cliënt. Indien die vraag met “ja” beantwoord wordt, is het aan de gemeente om het pgb-tarief te hanteren voor de professionele dienstverlener. Maar dit dus alleen indien de persoon uit het sociale netwerk conform de definitief zoals neergelegd in deze verordening daadwerkelijk als een professioneel dienstverlener is aan te merken.

Voor wat betreft de hoogte van het pgb-tarief is in lid 3 een rekenregel neergelegd. Het tarief is afgeleid van de tarieven zoals we die vastliggen in de overeenkomst zorg in natura. Per type begeleiding worden in het contract zorg in natura bandbreedtes gehanteerd met een bijbehorend tarief. Voor begeleiding individueel als begeleiding groep resulteert dat in 6 verschillende zin-tarieven. Indien we deze tarievenstructuur onverkort doorvertalen naar pgb komen we dus ook voor pgb uit op 12 verschillende tarieven (6 voor individueel en 6 voor groep). Dit is (praktisch) onwenselijk en leidt tot vragen en / of onduidelijkheden. Daarom is er voor gekozen om de 12 verschillende zin-tarieven terug te brengen tot 2 pgb-tarieven: één tarief voor begeleiding individueel en één tarief voor begeleiding groep. Deze twee tarieven zijn gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de gemiddelde van de bandbreedtes.

De volgende berekening is gehanteerd:

Per bandbreedte is de gemiddelde inzet bepaald op:

BG-individueel tot 2 uur per week: gemiddelde factor 1,5

BGI-individueel 2 tot 4 uur per week: gemiddelde factor 3

BGI-individueel 4 tot 8 uur per week: gemiddelde factor 6

Toelichting gemiddelde 0 - 2 = 1,5:

Indicaties worden in de uitvoeringspraktijk afgerond op een half uur. In de praktijk worden slechts in zeer uitzonderlijke situaties indicaties afgegeven lager dan een uur. Derhalve is het reëel om het gemiddelde van de bandbreedte 0-2 te stellen op 1,5 zijnde het feitelijke gemiddelde.

Voor wat betreft het bepalen van het rekenkundig gemiddelde inzake begeleiding groep is uitgegaan van de volgende gemiddelde per bandbreedte zin:

BG-groep t/m 4 dagd per wk: gemiddelde factor 2

BG-groep 5 t/m 6 dagd per wk: gemiddelde factor 5

BG-groep vanaf 7 dagd per wk: gemiddelde factor 8

Toelichting 5 – 6 = 5:

Het rekenkundig gemiddelde van deze bandbreedte zou 5,5 moeten zijn. Indicaties worden echter op hele dagdelen afgegeven. Dan dient het gemiddelde 5 of 6 te zijn. Hierbij hebben we in het (financiële) voordeel van de cliënt de factor 5 genomen.

Per bandbreedte is de volgende berekening gemaakt:

- Jaartarief ZIN gedeeld door de gemiddelde factor

- Uitkomst delen door 365 en vervolgens vermenigvuldigen met 7

Lid 4:

Voor wat betreft particuliere inzet heeft een ander tarief te gelden. Zie daarvoor het derde lid: aansluiting wordt gezocht bij de Wet minimumloon (125% uurloon Wml). Het tarief voor individuele begeleiding (geïndiceerd in uren) en groepsbegeleiding (geïndiceerd in dagdelen) is gelijk. Dat wil zeggen: de hoogte van het pgb voor een uur individuele begeleiding is gelijk aan de hoogte van het pgb voor een dagdeel groepsbegeleiding. Dit is gelijk aan de systematiek van de AWBZ. Voor wat betreft de aansluiting bij het Wml (125% Wml) dient te worden gesteld dat 125% Wml voor particuliere inzet als een redelijk en reëel tarief kan worden gezien.

Ingevolge lid 4 wordt het pgb-tarief jaarlijks, per 1 januari, geïndexeerd. Daarbij wordt uitgegaan van het Wml-bedrag (125% daarvan) zoals dat gold op 1 juli van het voorafgaande jaar. Voorheen werd uitgegaan van geldende Wml-bedrag op diezelfde 1 januari. Nu de gemeente ruimschoots voor 1 januari, op een moment dat de Wml-tarieven per 1 januari nog niet bekend zijn, aan de Sociale Verzekeringsbank de pgb-tarieven per het nieuwe kalenderjaar dient door te geven is de praktische keuze gemaakt om de hoogte van het pgb-tarief per 1 januari te koppelen aan de Wml per 1 juli van het voorgaande jaar.

Tot slot: vervoer dagbesteding in geval van begeleiding

In geval van een pgb voor begeleiding groep (dagbesteding), dient de gemeente zich expliciet te vergewissen van de mogelijkheid van cliënt tot vervoer van en naar de dagbesteding. Anders dan, in geval van zorg in natura, ligt het vervoer van en naar de dagbesteding primair bij de burger. Dit betekent dat de gemeente op de eerste plaats beoordeelt of de cliënt eigenstandig het vervoer kan regelen (zelf dan wel met behulp van inzet sociaal netwerk). Indien die mogelijkheid er niet is, wordt beoordeeld of cliënt reeds beschikt over een vervoersvoorziening ingevolge de Wmo die passend en toereikend kan worden geacht voor vervoer van en naar de dagbesteding (cvv, scootmobiel, financiële tegemoetkoming …). Als beide mogelijkheden er niet zijn (eigen kracht / reeds aanwezige Wmo-vervoersvoorziening), wordt aan de burger, naast het pgb, een vervoersvoorziening verstrekt (waarbij het primaat cvv heeft te gelden). De toets of cliënt beschikt over vervoer wordt, zoals gesteld, gemaakt bij een pgb voor begeleiding groep. Deze toets vindt ook plaats indien een pgb wordt verstrekt voor kortdurend verblijf (artikel 5.7).

Artikel 5.7 Hoogte pgb voor kortdurend verblijf

Voor kortdurend verblijf geldt een andersoortig tarief als het gaat om particuliere inzet. Het gaat niet om een afgeleide van de Wml maar om een bedrag rechtstreeks ontleend aan de AWBZ-praktijk (Regeling 2014 Persoonsgebonden budget AWBZ, artikel 2.6.13, zesde lid) geïndexeerd met een percentage van 1,74 zijnde de personele component van de landelijke indexering in de zorgsector in 2016.

Artikel 5.8 Hoogte pgb voor beschermd wonen en begeleiding plus

Voor wat betreft het tarief beschermd wonen wordt geen aansluiting gezocht bij het tarief zorg in natura maar wordt aangesloten bij de AWBZ-pgb-tarieven 2014. Dit om te voorkomen dat in individuele situaties het pgb-budget onder de Wmo hoger is dan het budget zoals mensen dat hadden dan wel zouden hebben gehad onder de AWBZ. Het tarief geldt voor cliënten op wie het overgangsrecht van toepassing is geweest als voor zogenaamde nieuwe cliënten. Onder de AWBZ 2014 werden de pgb-tarieven (zzp-tarieven) verhoogd met 2 toeslagen: een tijdelijke toeslag Verhoging ZZP en een toeslag voor huishoudelijke ondersteuning. Beide toeslagen zijn vervallen. Indien huishoudelijke ondersteuning noodzakelijk is wordt dat apart toegekend.

In geval van particuliere inzet beschermd wonen bedraagt het tarief, ingevolge lid 3, 80% van het tarief voor de professional. Ook in geval van particuliere inzet worden de toeslagen Verhoging ZZP en huishoudelijke hulp niet verstrekt. Voor wat betreft huishoudelijke ondersteuning in geval van particuliere inzet is de gedachte dat schoonmaken van het huis (in het bijzonder de kamer van de zorgbehoevende) tot gebruikelijke zorg behoort.

Voor wat betreft het professionele pgb tarief voor begeleiding plus individueel wordt aangesloten bij het contract zorg in natura. Ons zorg in natura tarief voor begeleiding plus is gebaseerd op de tarieven van de zorgcomponenten uit de zorgzwaartepakketten zoals die gangbaar waren onder de AWBZ en het overgangsrecht Wmo 2015. De zorgzwaartepakketten pgb en zin hadden ieder een eigen tariefopbouw. Het tarief voor begeleiding plus is gebaseerd op de zorgcomponenten uit deze zorgzwaartepakketten. De verhouding tussen de tarieven van zorgcomponenten PGB ten opzichte van de zorgcomponenten ZIN was 87% (afgerond 90%). Het professionele pgb tarief voor begeleiding plus stellen wij vast op 90% van het ZIN tarief.

Voor wat betreft begeleiding plus in de vorm van dagbesteding / begeleiding groep is in lid 5 bepaald dat het pgb-tarief gelijk is aan het reguliere tarief voor begeleiding groep zoals bepaald in artikel 5.6, tweede lid. Overigens heeft voor wat betreft vervoer van en naar de dagbesteding hetzelfde te gelden als in geval van begeleiding regulier. Zie daartoe de toelichting bij artikel 5.6.

Voor wat betreft particuliere inzet heeft gelijk begeleiding te gelden dat een lager tarief wordt gehanteerd gerelateerd aan Wml 125%. Zie reeds eerder hetgeen gesteld bij artikel 5.6.

Artikel 5.9 Begrenzing van de bestedingsvrijheid van de pgb-houder

Lid 1:

Een belangrijk uitgangspunt is dat het pgb dient te worden besteed aan zorg waarmee wordt bedoeld aan datgene waarvoor het pgb is verstrekt (de te treffen voorziening, het te bereiken resultaat). Vanuit dit uitgangspunt is in het eerste lid, niet limitatief, een aantal kostensoorten benoemd waaraan het pgb in ieder geval niet besteed mag worden.

Het gaat om bemiddelings- en administratiekosten (sub a) en kosten verbonden aan het opstellen pgb-plan (b). Beide ook vanuit het principe dat de cliënt bekwaam dient te zijn. Zie daaromtrent de toelichting bij artikel 5.1. Maar ook vanuit het principe dat de cliënt kosteloze ondersteuning kan inroepen, hetzij via het sociaal netwerk, maar denk ook aan de cliëntondersteuner en de SVB (Servicecentrum).

Het gaat om reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de dienstverlener (sub c), en overheadkosten van de dienstverlener waaronder mede begrepen kosten van de dienstverlener tot opstellen van een zorg- of werkplan (sub d). Deze aspecten vanuit het principe dat deze kosten van de dienstverlener worden geacht te zijn opgenomen in het tarief.

Voor wat betreft het gestelde onder e. (feestdagen- en/of eenmalige uitkering of cadeau aan dienstverlener) heeft te gelden dat eventuele uitingen van tevredenheid/dankbaarheid jegens de dienstverlener voor eigen rekening komen van de budgethouder. Dat is bij zorg in natura niet anders.

Tot slot is (niet limitatief) onder sub f opgenomen dat een pgb niet besteed kan worden aan een zgn. overlijdensuitkering voor een dienstverlener.

Lid 2

Cliënt mag het pgb alleen gebruiken voor direct aan de maatwerkvoorziening begeleiding gerelateerde kosten. Cliënt mag het bedrag dus niet gebruiken ter compensatie van kosten die te beschouwen zijn als algemeen gebruikelijk (zoals voedsel, abonnementskosten, gebruikelijke kosten verbonden aan het uitoefenen van een hobby of sport, et cetera). Algemeen gebruikelijke kosten zijn kosten die een cliënt ook zou kunnen maken indien hij geen gebruik maakt van een maatwerkvoorziening.

Lid 3

De gemeente maakt ingevolgde dit lid de keuze om geen verantwoordingsvrije ruimte of bedrag te hanteren: het volledige bedrag aan pgb dient verantwoord te worden. Dit betekent in praktische zin dat alle kosten gedeclareerd dienen te worden bij de SVB en de SVB tot betaling overgaat na controle van de gedeclareerde kosten. Deze keuze strookt met de reeds voor 1 januari 2015 bestaande uitvoeringspraktijk Wmo: geen bestedingsvrije ruimte / alle uitgaven dienen verantwoord te (kunnen) worden.

Lid 4:

Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat cliënt en dienstverlener in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan dienstverlener vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Het college vindt een dergelijke afspraak niet wenselijk en staat het de cliënt niet toe. Los van het feit dat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daarmee dus niet congrueert, is het college van mening dat betaling van pgb’s geen automatisme kan zijn zonder spoor van verificatie. Belangen, zowel zorginhoudelijk als financieel, verzetten zich daartegen. Frequente betalingen vanuit het pgb zonder specifieke ondertekening door de cliënt in zijn rol als budgethouder druisen ook in tegen de grondbeginselen van het trekkingsrecht en kunnen oneigenlijke uitbetaling van zorggelden tot gevolg hebben. Middels ondertekening van factuur of declaratie verklaart de cliënt dat de gefactureerde / gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend. Bij automatische betaling van maandlonen is deze verantwoording op ingezette zorg niet geborgd.

Lid 5: Uitbetaling eenmalige pgb

Dit artikellid is nodig vanwege de landelijke keuze om het trekkingsrecht niet onverkort van toepassing te laten zijn op alle pgb’s. Gemeenten betalen eenmalige pgb’s zelf uit. Het blijkt namelijk niet mogelijk om ook de eenmalige pgb’s volgens de werkwijze van het trekkingsrecht uit te voeren. Eenmalige pgb’s zijn de pgb’s die slechts eenmalig worden verstrekt voor een (vervoers)hulpmiddel of woningaanpassing. Vooralsnog is het onderbrengen van eenmalige pgb’s in het systeem van het trekkingsrecht niet aan de orde.

Paraaf 2: Financiële tegemoetkoming

Artikel 5.11: Regels voor financiële tegemoetkoming

Via artikel 5.11 is een basis gecreëerd om bestaande financiële tegemoetkomingen in 2014 te kunnen handhaven na 2014. De maatwerkvoorziening kan volgens de Wmo 2015 alleen in de vorm van zorg in natura of een pgb worden verstrekt. De tegemoetkoming (een subsidie waarvoor een beschikking moet worden afgegeven) is een alternatief voor een maatwerkvoorziening. Als de klant instemt met de tegemoetkoming krijgt hij het geld op zijn rekening. Het trekkingsrecht is namelijk alleen van toepassing bij een maatwerkvoorziening. Het betalen van een bijdrage is niet aan de orde in geval van een tegemoetkoming. Zie dat ook expliciet benoemd in artikel 6.2, vierde lid, onder d. In die zin is sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid.

Alle tegemoetkomingen zoals die opgenomen waren in de lokale regels 2014 zijn gehandhaafd vanaf 1 januari 2015 met uitzondering van de woningaanpassing. De woningaanpassing wordt met ingang van 1 januari 2015 verstrekt als een maatwerkvoorziening en dus niet langer als een financiële tegemoetkoming.

De reden om de woningaanpassing (wap) niet te verstrekken als een tegemoetkoming houdt verband met het volgende:

1. een woningaanpassing leent zich moeilijk voor een forfaitaire verstrekking. De hoogte wordt bepaald door de individuele situatie en kan vervolgens zeer uiteenlopend zijn. Het werken met een gemiddeld (vastgesteld bedrag) is nauwelijks mogelijk nu de kosten enorm kunnen variëren.

2. er mag geen bijdrage worden geheven in geval van een financiële tegemoetkoming. Dat kon vóór 2015 wel via heffen eigen aandeel. De wap na 2014 handhaven als tegemoetkoming zou dus betekend hebben dat de gemeente inkomsten uit bijdrage misloopt waarbij het belangrijk is om te vermelden dat de landelijke regels inzake bijdrage per 1 januari 2015 zijn verruimd in relatie tot wap: de maximale termijn tot inning van 39 periodes / 3 jaar is losgelaten. Mensen dienen een bijdrage te betalen tot het moment dat de kosten volledig zijn betaald.

Indien de aanvrager echter geen prijs stelt op de tegemoetkoming, dient de gemeente te beoordelen of de aanvrager in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Een tegemoetkoming voor meerkosten is in die zin geen voorliggende voorziening ten opzichte van de maatwerkvoorziening.

In de artikelen 5.12 tot en met artikel 5.17 worden de tegemoetkomingen zoals benoemd lid 3 nader uitgewerkt, dat wil zeggen: met inachtneming van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Een uitspraak die, zoals ook reeds verwoord in de paragraaf over pgb’s, kort gezegd, nadere richting geeft aan gemeenten over medebewind en delegatie. Tariefdifferentiatie pgb behoort tot de zgn. essentialia van het voorzieningenpakket welke in de verordening dienen te worden vastgelegd. Het is vanwege deze uitspraak dat de keuze is gemaakt om het systeem dat ten grondslag ligt aan de hoogte van pgb’s in de verordening neer te leggen en niet langer in de Nadere regels. Analoog passen we dit ook toe op de financiële tegemoetkomingen. In het verlengde daarvan is in lid 4 bepaald dat het college aanvullend nadere voorwaarden kan bepalen.

Artikel 5.12: Tegemoetkoming voor woningsanering

Bij de vaststelling van de tegemoetkoming voor woningsanering, wordt rekening gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn zoals die geldt voor het betreffende product. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld naar rato van de leeftijd van het product dat vervangen dient te worden (in hele jaren) afgezet tegen de gangbare afschrijvingstermijn.

Artikel 5.13 Tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting

Het college kan, ter voorkoming van dubbele woonlasten, een voorziening voor tijdelijke huisvesting verstrekken aan een cliënt die tijdens het aanbrengen van woonvoorzieningen niet in zijn/haar eigen woonruimte kan blijven.

Artikel 5.14 Tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten

Indien cliënt niet in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening woningaanpassing vanwege het primaat verhuizen, kan het college aan cliënt een tegemoetkoming verstreken voor verhuis- en inrichtingskosten gerelateerd aan de werkelijke kosten tot een maximum van € 3.500,00.

Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding en, indien noodzakelijk, de verstrekking van een maatwerkvoorziening woningaanpassing t.b.v. de nieuwe woning, voorrang heeft op de verstrekking van een voorziening in de vorm van een woningaanpassing van de huidige woning.

De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Voordat het college het verhuisprimaat toepast, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning (en eventuele woningaanpassing van de nieuwe woning).

Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen. Deze staan benoemd in lid 4. Van een lichtvaardig besluit tot toepassing primaat verhuizen is geen sprake. Niet alleen gaat het om een financiële afweging, ook de persoonlijke situatie van de betrokkene (lid 4 sub b) wordt nadrukkelijk in ogenschouw genomen.

Via lid 4 sub c wordt aangegeven dat de gemeente in ieder geval bij een woningaanpassing van meer dan € 9.000,00 expliciet de afweging dient te maken tussen de woningaanpassing van de bewoonde woning of toepassing geven aan het primaat van verhuizen. Daarmee is niet gesteld dat bij woningaanpassingen van € 9.000,00 of minder het primaat van verhuizen niet aan de orde kan zijn.

Ook in die gevallen kan de gemeente voorrang geven aan het primaat van verhuizen (na een daartoe gemaakte zorgvuldige belangenafweging).

De termijn zoals genoemd in lid 4 sub d bedraagt maximaal een jaar. Deze termijn dient korter gesteld te worden indien daarvoor medische redenen zijn.

Artikel 5.15 Tegemoetkoming voor bezoekbaar maken van een woning

Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan het aanpassen van een woonruimte opdat de woonkamer (of eventueel woonkeuken), één toilet en de ingang van het hoofdverblijf bereikt kunnen worden. De tegemoetkoming wordt bepaald op basis van de goedkoopst adequate voorziening waarbij rekening wordt gehouden met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 5.000,00.

De tegemoetkoming kan worden verstrekt ter aanpassing van één woning waarbij beoordeeld wordt of het bezoekbaar maken van de woning noodzakelijk is teneinde de cliënt in staat te stellen te participeren.

Let op: het college van de gemeente waar de cliënt woont verstrekt de tegemoetkoming en dus niet, voor zover het een andere gemeente betreft, het college van de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning staat.

Artikel 5.16 Tegemoetkoming voor vervoerskosten

Het primaat van de vervoersvoorzieningen ligt bij het cvv. Alleen indien mensen niet in staat kunnen worden geacht om met het cvv te reizen (aanwezigheid van een zogenaamde contra-indicatie), kan een andersoortige vervoersvoorziening in aan de orde zijn. Zie daarvoor lid 2 en verder.

Ingevolge lid 2 bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 600,00 op jaarbasis. Daar waar mensen niet de beschikking hebben over een eigen auto, kan taxivervoer uitkomst bieden. Mensen mogen het forfaitaire bedrag voor autokosten evenwel ook aanwenden om een onderhandse vergoeding te verstrekken aan een buur, kennis of familielid die hem/haar vervoert met zijn / haar auto.

Ingevolge lid 3 bedraagt de tegemoetkoming voor rolstoeltaxivervoer maximaal € 2.000,00. Nu een rolstoeltaxi aanzienlijk duurder is dan een reguliere taxi is een verhoogd forfaitair bedrag aan de orde.

De bedragen zoals benoemd worden gehalveerd indien de cliënt tevens in het bezit is van een scootmobiel of beide echtelieden de tegemoetkoming ontvangen. Ook geldt de halvering in beginsel als cliënten in een Wlz-instelling wonen (of een woonvorm daarmee vergelijkbaar).

De achterliggende gedachte bij de genoemde halveringen is dat mensen minder kosten maken voor vervoer. Indien mensen beschikken over een scootmobiel kan voor de korte en middellange afstanden gebruik worden gemaakt van de scootmobiel en behoeft de tegemoetkoming dus niet aangewend te worden. Zo reizen echtelieden vaak samen waardoor de reiskosten voor de helft gemaakt worden. Indien mensen in een Wlz-instelling wonen, wordt aangenomen dat een groot deel van de participatiebehoefte wordt vervuld in / via de Wlz-instelling.

Artikel 5.17 Tegemoetkoming voor sportvoorziening

Met het verstrekken van een tegemoetkoming voor een sportvoorziening kan het college bereiken dat een cliënt in staat wordt gesteld om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit betekent dat een (tegemoetkoming voor) sportvoorziening niet wordt toegekend uit oogpunt van sporten maar uit oogpunt van participatie. Om die reden zal bij een aanvraag voor een sportvoorziening kritisch gekeken worden naar de sociale context van de cliënt. Dit kan dus betekenen dat de cliënt geen sportvoorziening krijgt toegewezen op het moment dat geconstateerd wordt dat hij voor wat betreft zijn participatiebehoefte niet (grotendeels) afhankelijk is van de gevraagde sportvoorziening (en bijvoorbeeld voor wat betreft de invulling van een sportbehoefte een abonnement kan nemen bij een sportschool (voor eigen rekening)).

Voor wat betreft het verstrekken van een sportvoorziening wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening tot een maximum van € 3.000,00. Dat kan dus ook betekenen dat een tweedehands voorziening kan volstaan (via particuliere aanschaf).

Voor wat betreft de duur van de tegemoetkoming wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingsduur die gangbaar is voor de voorziening. Dit kan per sportvoorziening verschillen (ook afhankelijk van aanschaf nieuw of tweedehands). Indien de voorziening na de verstreken afschrijvingsduur nog adequaat is, wordt geen tegemoetkoming verstrekt voor een nieuwe voorziening maar wordt volstaan met een tegemoetkoming voor de kosten van onderhoud (lid 2).

Artikel 5.18 Uitbetaling en verantwoording tegemoetkoming

Uitbetaling van de tegemoetkoming vindt plaats na overlegging van de bewijsstukken waaruit de realisatie van de kosten blijkt (conform de voorwaarden zoals gesteld door de gemeente) dan wel realisatie van de situatie waarvoor de tegemoetkoming is verstrekt.

Op de hoofdregel zoals neergelegd in lid 1 geldt ingevolge lid 2 één uitzondering: in geval van de verstrekking van een tegemoetkoming voor vervoerskosten vindt betaling plaats per kalenderjaar zolang mensen aanspraak maken op de tegemoetkoming. Cliënten behoeven, voor wat betreft de in de artikel 5.16 genoemde forfaitaire bedragen, geen bewijsstukken over te leggen ter verificatie van de gemaakte kosten.

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR VOORZIENINGEN

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Zie voor wat betreft uitleg van de term algemene voorziening de toelichting bij artikel 1.1.

De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en deze mogen kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening, uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Bovendien is een vereiste – om een passende bijdrage te kunnen leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt – dat een algemene voorziening financieel toegankelijk is voor de cliënt. In individuele gevallen is het mogelijk dat dit niet het geval is ondanks de geldende kortingsregeling (bijvoorbeeld vanwege schulden of andere hoge kosten). In dat geval is verwijzing naar de bijzondere bijstand niet mogelijk en komt de cliënt – als de ondersteuning noodzakelijk is – in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.

Met ingang van 1 januari 2020 worden algemene voorzieningen waarbij sprake is van een ‘duurzame hulpverleningsrelatie’ onder het abonnementstarief gebracht. In de verordening moeten deze algemene voorzieningen worden benoemd (artikel 2.1.4, derde lid, van de wet). Op dit moment kent de gemeente echter geen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie.

Artikel 6.1 geeft uitvoering aan artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet.

De gemeente heft momenteel geen bijdrage voor algemene voorzieningen door of namens het college georganiseerd. Mocht dat in de toekomst veranderen, dan zal het gereserveerde artikel 6.1 daartoe dienen.

Voor alle duidelijkheid:

De bijdrage voor een algemene voorziening wordt rechtstreeks door of namens de gemeente bepaald en geïnd. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt opgelegd en geïnd door het CAK (met uitzondering van het gestelde in artikel 6.2, lid 7 van deze verordening).

Artikel 6.2 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen

Artikel 6.2 geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4avan de wet. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wetgeboden mogelijk om de bijdrage voor de in artikel 3.8, eerste lid, van dat besluit genoemde categorieën personen te verlagen of op nihil te stellen.

Lid 3:

In lid 3 staan 4 kostensoorten genoemd die zijn uitgezonderd van het abonnementstarief. Het gaat om de vergoeding enkel voor instandhoudingskosten zoals onderhoud, keuring en reparatie. Met name uit praktisch oogpunt is de keuze gemaakt om daarvoor geen bijdrage te heffen.

De cliënt betaalt geen bijdrage voor de voorziening kortdurend verblijf. Dit ter onderstreping van het belang van respijtzorg: financiën mogen geen belemmering zijn om – ter bescherming van mantelzorger – kortdurend verblijf in te zetten.

Tot slot is expliciet bepaald dat voor de financiële tegemoetkoming geen bijdrage behoeft te worden betaald. In CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 is geoordeeld dat de definitie van artikel 1.1.1 Wmo 2015 ruim genoeg is om ook de financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten. En dat betekent dat de financiële tegemoetkoming ook onder het abonnementstarief kan vallen. Van deze mogelijkheid wordt echter thans nog geen gebruik gemaakt.

Lid 4:

Het CAK hanteerde tot de komst van het abonnementstarief per 1 januari 2019 4 doelgroepen (gebaseerd op leeftijd en huishoudsamenstelling) en hanteerde per doelgroep een bruto- bedrag waartegen het bijdrageplichtig inkomen van cliënt(en) werd afgezet. Deze bedragen werden ook wel de standaardparameters CAK genoemd en deze waren vastgelegd in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 3.7 van het Uitvoeringsbesluit (zoals dit tot 1 januari 2019 luidde) werden de parameters jaarlijks geïndexeerd op basis van de Prijsindex voor de gezinsconsumptie. Hoewel de parameters vanaf 1 januari 2019 niet meer zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, wordt hierbij nog wel aangesloten voor toepassing van het minimabeleid, waarbij de (relevante) parameter(s) jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van genoemde prijsindex. In het kader van het minimabeleid kunnen gemeenten bij het CAK aangepaste parameters doorgeven. Indien het bijdrageplichtig inkomen van de cliënt onder deze gemeentelijke parameter blijft, wordt vervolgens afgezien van inning van de eigen bijdrage. De cliënt ontvangt een zogenaamde nulfactuur. In het kader van het minimabeleid wordt door gemeenten veelal met netto bedragen gewerkt (als afgeleide van de netto bijstandsnormen). Onze gemeente hanteert daarbij voor het minimabeleid een inkomensgrens van 120%. Het CAK hanteert voor de parameters en voor het bijdrageplichtige inkomen echter altijd bruto bedragen. De bedragen waartegen het bijdrageplichtig inkomen wordt afgezet (de zogenaamde standaardparameters) zijn gebaseerd op 120% van het BRUTO sociaal minimum.

Lid 5

Ook het collectief afhankelijk vervoer valt buiten het abonnementstarief. Cliënten betalen wel een ritprijs bestaande uit een opstaptarief en een tarief per zone, voor de eerste vijf zones. Deze tarieven zijn enigszins vergelijkbaar met de tarieven voor het openbaar vervoer. Er is echter geen landelijk OV-tarief dat kan worden overgenomen. Er is een landelijk vastgesteld basistarief (opstaptarief) en de kosten per kilometer kunnen vervolgens per regio verschillen. De tarieven voor het Wmo-cliënten, en de prijsontwikkeling, worden in regionaal verband bepaald in de contracten met de vervoerders.

In 2020 wordt de bijdrage per zone vervangen door een bijdrage per kilometer. Het opstaptarief en de bijdrage per kilometer zijn gelijk aan de tarieven van het OV in Noord-Brabant. De bijdrage wordt ook geïndexeerd overeenkomstig deze OV-tarieven.

Lid 6:

Hierin is opgenomen op welke wijze de kostprijs wordt berekend van maatwerkvoorzieningen, pgb’s en algemene voorzieningen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.4, zesde lid, en artikel 2.1.4a, eerste lid, van de wet.

Lid 7:

Ingevolge artikel 2.1.4b, eerste lid van de wet wordt de bijdrage voor een maatwerkvoorziening vastgesteld en voor de gemeente geïnd via het CAK. Een uitzondering hierop betreft de maatwerkvoorziening voor opvang: vaststelling en inning door CAK is geen verplichting. Zie daartoe ook artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet. Via artikel 6.2, zevende lid, van de verordening maakt de gemeente gebruik van die keuzemogelijkheid. De vaststelling en inning van de bijdrage wordt opgedragen aan de instantie(s) die de opvang realiseert/realiseren.

Het is logisch om de instellingen die de opvang verzorgen ook de vaststelling en inning van de bijdrage te laten uitvoeren. Zij beschikken over alle relevante informatie om de bijdragen te bepalen en zij staan in direct contact met de cliënt. Het betreft een groep mensen die veelal kampt met verslavings- en schuldenproblematiek en niet zelfredzaam kan worden geacht. De systematiek van het CAK, namelijk eigen bijdragenheffing achteraf, draagt het grote risico in zich dat cliënten deze bijdrage niet gaan betalen, omdat zij hun middelen al anderszins hebben besteed. Momenteel is het gangbaar binnen de maatschappelijke opvang dat mensen uitsluitend een zak- en kleedgeldregeling krijgen waarbij de verschuldigde bijdrage wordt ingehouden. Als deze systematiek wordt gewijzigd in een eigen bijdrageheffing achteraf (CAK), loopt de centrumgemeente daarmee een fors financieel risico. Bovendien is een snelle afhandeling van de inning van de bijdrage in het belang van de cliënten (voorkoming (extra) schuldenlast).

Overigens hanteren ook de andere B5-gemeenten deze lijn: vaststelling en inning bijdrage voor opvang via de instanties belast met de opvang en niet via het CAK.

Opgemerkt wordt nog dat opvang, evenals beschermd wonen, buiten het abonnementstarief valt. Hiervoor is een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd.

Lid 8:

In lid zeven is bepaald dat een bijdrage wordt opgelegd aan ouders in geval van een verstrekking van een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige. Op deze wijze geeft de gemeente invulling aan de bevoegdheid daartoe ingevolge artikel 2.1.5 eerste lid van de wet.

HOOFDSTUK 7 INHOUD BESCHIKKING

Artikel 7.1 Verstrekking in natura

Dit artikel bepaalt in het eerste lid welke aspecten bij het verstrekken van een voorziening in natura in ieder geval in de beschikking vastgelegd moeten worden.

Het gaat er daarbij uiteraard allereerst om welke voorziening(en) aan de orde zijn. Dit uiteraard in relatie tot de te bereiken resultaten. Vervolgens wordt aangegeven wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang wordt iets toegekend of hoe lang moet men in principe de bepaalde voorziening kunnen gebruiken om het resultaat te bereiken. Vervolgens is van belang te vermelden op welke wijze de voorziening in natura verstrekt wordt. Als er sprake is van een overeenkomst wordt deze overeenkomst vermeld.

Het tweede lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 6.2 van de verordening en artikel 2.1.4, zesde en zevende lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

Artikel 7.2 Verstrekking als pgb

Het eerste lid bepaalt wat er bij het verstrekken van een pgb in ieder geval vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat daarbij allereerst om de formulering van het te bereiken resultaat zodat helder is waarvoor het pgb gebruikt moet worden. Als er een programma van eisen wordt verstrekt (waar is het geld voor bedoeld, aan welke eisen moet voldaan zijn) wordt dat ook in de beschikking vastgelegd onder bijvoeging van het program van eisen. Een programma van eisen kan aan de orde zijn in geval van verstrekkingen voor hulpmiddelen en woningaanpassingen en wordt toegevoegd aan een beschikking in die situaties dat nadere technische specificaties van belang zijn voor het kunnen aanschaffen / vervaardigen van een adequate voorziening door de budgethouder.

Vervolgens kan in de beschikking worden vastgelegd wat de omvang van het pgb is, welk bedrag men ontvangt, met vermelding hoe dat bedrag tot stand is gekomen. Tot slot moet voor wat betreft de verantwoording ook in de beschikking worden vastgelegd wat van degene tot wie de beschikking is gericht in dit opzicht wordt verwacht.

Het tweede lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 6.2. van de verordening en artikel 2.1.4, zesde en zevende lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

HOOFDSTUK 8 PROCEDURE BEPALINGEN ROND WIJZIGING, INTREKKING, BEEINDIGING EN TERUGVORDERING, INVORDERING

Artikel 8.1 Wijziging situatie

Dit artikel betreft, evenals de artikelen 8.2 en 8.3, een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Bij een gewijzigde situatie bestaat de plicht het college hiervan op de hoogte te stellen als men kan vermoeden dat dit invloed kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo zal bij overlijden de voorziening stopgezet kunnen worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk te melden. Uiteraard kan de gemeente in deze situatie ook via het GBA kennis hebben van deze gewijzigde omstandigheid. Maar andere omstandigheden zijn minder gemakkelijk kenbaar door de gemeente. In die situatie kan men op basis van dit artikel verwachten dat wijzigingen worden doorgegeven.

Artikel 8.2 Intrekking en beëindiging

Het eerste en tweede lid betreft de mogelijkheid een besluit tot toekenning van een voorziening, in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken of te beëindigen. Voor voorbeelden hiervan wordt verwezen naar de weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening, zoals bepaald in artikel 4.3 van deze verordening, alsmede naar de weigeringsgronden voor pgb, zoals bepaald in artikel 5.10 van deze verordening. De verwijzing naar de weigeringsgronden vindt plaats omdat ook als een cliënt eenmaal een toekenning van een aanvraag heeft gehad, hij of zij nog steeds geacht wordt zich te houden aan de bij de aanvraag gestelde voorwaarden en overige verplichtingen die volgen uit de wet en deze verordening.

Van beëindiging is sprake indien de aanspraak op een Wmo-voorziening wordt aangetast met ingang

van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo voorziening over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking, geen terugwerkende kracht.

Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).

Artikel 8.4 Terugvordering en invordering

Gezien de nauwe verwevenheid van een terugvorderingsbesluit met een intrekkingsbesluit, moet een besluit tot intrekking van een aanspraak in alle gevallen genomen worden voorafgaand aan of uiterlijk tegelijk met het besluit tot terugvordering. Het is voor de gemeente wel zaak dat het teruggevorderde

ook daadwerkelijk wordt verkregen. Daartoe zijn verschillende mogelijkheden zoals terugbetaling door cliënt, verrekening en gerechtelijke invordering.

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.

Tot slot ten aanzien van pgb:

Belangrijk te vermelden is dat vanaf 1 april 2017 artikel 2b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is gewijzigd. Dit betekent onder andere dat nieuwe cliënten per 1 april 2017 voortaan gebruik moeten maken van modelovereenkomsten van de SVB. (Voor bestaande situaties geldt een overgangstermijn van 5 jaar). In de betreffende modelovereenkomsten staat een zgn. derdenbeding (artikel 6: 253 Burgerlijk Wetboek). Dit derdenbeding biedt ruimte om frauderende zorgverleners rechtstreeks aan te spreken tot terugbetaling van zorggelden.

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen aanbieders en dienstverleners

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet. In de verordening dient in ieder geval te worden bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Hoewel er wezenlijke verschillen bestaan tussen het verstrekken van een voorziening in de vorm van zorg in natura en een pgb waarbij de rol van de cliënt als budgethouder een wezenlijke andere is dan de rol van de cliënt in geval van zorg in natura, is het van belang voor wat betreft het begrip kwaliteitseisen niet alleen een focus te hebben op zorg in natura maar ook op pgb. Ook voor wat betreft pgb’s geldt namelijk ook dat het college een verantwoordelijkheid heeft voor kwaliteit en dat die verantwoordelijkheid niet alleen neergelegd kan worden bij de cliënt als budgethouder. Vandaar dat dit artikel toeziet op zowel kwaliteitseisen die gesteld worden aan gecontracteerde aanbieders (zorg in natura) als dienstverleners (zorgverleners die ingevolge een pgb de zorg verlenen).

In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om aanvullende eisen te stellen die betrekking hebben op de kwaliteit van voorzieningen waaronder de deskundigheid van het in te schakelen personeel begrepen. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.

De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders / dienstverleners te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. De door mensen ervaren kwaliteit, is zoals vermeld in de memorie van toelichting is van groot belang voor het bepalen van de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning.

Ook controle en toezicht is maatwerk. In dat licht is ook aanvullend opgenomen in lid 3 dat het college beleidsregels kan opmaken ter uitvoering van het toezicht.

Artikel 9.2 Kwaliteit pgb

Dit artikel ziet toe op het belang voor zowel de gemeente als ook de cliënt om onderzoek te doen naar de besteding van de pgb middelen. Dit kan al dan niet steekproefsgewijs. Van belang is dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden ingezet (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).

De budgethouder (cliënt) krijgt zelf regie over de ondersteuning die hij met het persoonsgebonden budget contracteert. Hij krijgt hiermee de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hierin zo nodig bijsturen. Het college zal, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoek doen naar de bestedingen van pgb’s. Aandachtspunten hierbij zijn de invulling door de budgethouder van het persoonlijk budgetplan, de inkoop van de ondersteuning, op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid en hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd. De college kan hieraan invulling geven door periodiek in gesprek te gaan met de budgethouder over de behaalde resultaten met het persoonsgebonden budget of (steekproefsgewijs) toezicht houden op de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.

De Sociale verzekeringsbank biedt verder via het Servicecentrum PGB budgethouders ondersteuning aan bij het regelen van hun zorg. De SVB biedt hulp met persoonlijk advies over alles wat komt kijken bij een PGB en de bijbehorende administratie. Verder biedt de SVB gratis hulp bij salarisadministratie, geeft de SVB een vergoeding als een zorgverlener ziek is door vergoeding van de loonkosten en bieden ze hulp bij schade en conflict.

Artikel 9.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening derden

Algemeen

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.

De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).

Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de wet zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 9.2 zien dan ook niet toe op subsidies. Denk hierbij aan veelal kleine welzijnssubsidies die een gemeente verstrekt aan bewoners of vrijwilligersorganisaties. Vanzelfsprekend kan het college bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik maken van de genoemde kostprijselementen.

Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het tweede en derde lid van dit artikel. Het betreft de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen.

Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (artikel 3, derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtlijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.

Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen.

Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2:129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.

Eerste lid

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.

Vierde lid

Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Vijfde lid

Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

NB Het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is in per 1 juni 2017 in werking getreden. Het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikel 9.3 van de verordening) is van toepassing op opdrachten die na de inwerkingtreding van het besluit zijn aangekondigd (zie hoofdstuk 2.2 van de Aanbestedingswet 2012) of gegund (gunningbeslissing).

Artikel 9.4 Klachtregeling aanbieders

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Daar waar een klacht betrekking heeft op de geleverde voorzieningen door aanbieders is in het eerste lid een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De gemeente heeft hierbij bepaald dat in geval van alle voorzieningen (diensten en hulpmiddelen) een klachtenregeling is vereist. De aanbieder is verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).

Dat de gemeente aanbieders verplicht tot het hebben van een klachtregeling is niet nieuw. Nieuw is dat het thans een grondslag krijgt in de verordening. In de inkoopcontracten zoals de gemeente die sluit met aanbieders is het gewoon om met aanbieders afspraken te maken over het hebben van een klachtenregeling waaronder begrepen het verstrekken van informatie over ingediende klachten en de wijze van afhandeling.

Zie overigens in artikel 1.1. wat onder een klacht wordt verstaan door de gemeente.

Artikel 9.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders van diensten (niet zijnde hulpmiddelen of woningaanpassingen waaronder mede begrepen eventuele diensten gekoppeld aan hulpmiddelen of woningaanpassingen (bijv. plegen van onderhoud aan een traplift)) een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Deze aanbieders zijn verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).

In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

HOOFDSTUK 10 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Dit hoofdstuk bevat bepalingen die grotendeels een uitwerking geven aan de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom zijn artikelen toegevoegd.

Op grond van artikel 10.2 moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.

HOOFDSTUK 11 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 11.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

Artikel 11.2 Betrekken van ingezetenen bij beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

De wetgever heeft het van groot belang geacht dat burgers betrokken worden bij het bepalen van het gemeentelijke beleid. Langs die weg kan worden gewaarborgd dat het beleid voldoende aansluit bij de werkelijke ondersteuningsbehoefte. Artikel 150 van de Gemeentewet draagt de gemeenteraad op een verordening te maken waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en cliënten bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening deelverordening burgerparticipatie wmo 2013. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

In artikel 2.1.3 derde 3 Wmo is in aanvulling daarop een aantal zaken nader benoemd (uitgewerkt in de leden 2 en 3 van artikel 11.2) waarop een op te maken verordening betrekking moet hebben. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

HOOFDSTUK 12 SLOTBEPALINGEN

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet.

Artikel 12.2 Besluitvorming en beleidsregels

Dit artikel gaat over de uitvoering van wet en verordening en geeft aan het college ruimte om via de vaststelling van beleidsregels een nadere uitwerking aan de uitvoering te geven.

Artikel 12.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. De voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening genomen besluiten blijven van toepassing tot het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden beëindigd of ingetrokken. Dit betekent in de praktijk dat, voor wat betreft in het verleden gedane toekenningen die gelden na datum inwerkingtreding bij een eventuele herbeoordeling gelegen op een moment na inwerkingtreding van onderhavige verordening, een nieuw besluit genomen dient te worden met toepassing van onderhavige verordening. Hierbij dient eventueel, gelet op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, overgangsrecht in acht genomen te worden.

In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de oude verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaar- en beroepschriften eveneens bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan.

Artikel 12.4 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. Gelijktijdig vervalt Verordening maatschappelijke ondersteuning Someren 2018.