Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid 2020

Geldend van 06-02-2020 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid 2020

Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid gemeente Lochem 2020

Het college van de gemeente Lochem,

gelet op de Participatiewet, in het bijzonder de artikelen in hoofdstuk 4.1;

gelet op de Verzamelverordening werk en inkomen gemeente Lochem 2019;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen:

de Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid gemeente Lochem 2020

1. Begripsbepaling

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • 1.

    college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lochem;

  • 2.

    algemene bijstand: bijstand, die wordt verstrekt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals kosten van levensonderhoud, die uit het inkomen moeten worden voldaan;

  • 3.

    bijzondere bijstand: bijstand die bestemd is voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorziening en/of uit het aanwezige vermogen zoals bedoeld in artikel 35 van de Pw;

  • 4.

    bijstandsnorm: norm zoals bedoeld in artikel 20, 21, 22, 23 van de Pw;

  • 5.

    individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 Pw;

  • 6.

    individuele studietoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Pw;

  • 7.

    voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze beleidsregels waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgave, zoals bedoeld in de artikel 5 sub e en 15 van de Pw;

  • 8.

    draagkracht: het deel van de middelen wat de belanghebbende aan kan wenden om in bijzondere kosten te kunnen voldoen. De draagkracht in relatie tot bijzondere bijstand wordt uitgedrukt in een percentage van het voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen inkomen. Er wordt in dit verband gesproken van een draagkrachtpercentage;

  • 9.

    Pw: de Participatiewet;

  • 10.

    Wlz: de Wet langdurige zorg;

  • 11.

    Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • 12.

    Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;

  • 13.

    Woning: een pand dat naar zijn aard bestemd is voor bewoning.

2. Algemene bepalingen

  • 1.

    Deze beleidsregels hebben betrekking op de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 van de Pw, ten behoeve van ingezetenen van gemeente Lochem.

  • 2.

    Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn woonplaats heeft in de gemeente Lochem.

  • 3.

    Iemand heeft zijn woonplaats in gemeente Lochem indien:

  • a.

    hij staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) op een woonadres in de gemeente Lochem; en

  • b.

    hij daar ook feitelijk woonachtig is.

  • 4.

    Het college kan op grond van bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in het vorige lid onder a.

3. Beleid m.b.t. inkomen, vermogen en draagkracht

3.1 Inkomen

  • 1.

    Tot het inkomen van belanghebbende worden gerekend de middelen, het inkomen en het bijzonder inkomen als bedoeld in de artikelen 31 lid 1, 32 en 33 Pw. De middelen genoemd in artikel 31 lid 2 Pw worden niet als inkomen beschouwd.

  • 2.

    Bij de vaststelling van het inkomen worden een verstrekte individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag buiten beschouwing gelaten.

  • 3.

    Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen, als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub h Pw, worden alleen vrijgelaten, indien het bijzondere bijstand betreft voor een ander in de bijstand begrepen persoon dan het minderjarige kind met inkomsten uit arbeid. Betreft het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf, dan moeten deze inkomsten wel worden meegenomen.

  • 4.

    De definitie van inkomen zoals in dit artikel omschreven, is ook van toepassing op artikel 3.2, 3.3 en 3.6 t/m 3.9 van de Verzamelverordening werk en inkomen gemeente Lochem 2019: de Individuele Inkomenstoeslag, de Individuele Studietoeslag en de Meedoenregeling.

  • 5.

    Bij de vaststelling van het inkomen wordt het deel dat ingehouden wordt voor schuldeisers op grond van een wettelijke verplichting of een minnelijke schuldregeling buiten beschouwing gelaten.

3.2Vermogen

  • 1.

    Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand. Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw. Dit geldt ook voor de Meedoenregeling en de Individuele inkomenstoeslag zoals omschreven in artikel 3.2, 3.3 en 3.6 t/m 3.9 van de Verzamelverordening werk en inkomen gemeente Lochem 2019.

  • 2.

    Het vermogen van belanghebbenden, die actueel een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvangen, wordt vastgesteld in overeenstemming met het laatst vastgestelde vermogen in het kader van de algemene bijstandsverlening.

  • 3.

    Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van uitvaartreservering in natura (niet afkoopbaar) die gereserveerd staat op een aparte rekening of een aparte polis waarvan geen opnames kunnen worden gedaan.

  • 4.

    Voor de vaststelling van de waarde van auto’s, motoren en caravans (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de koerslijst van de ANWB (verkoopprijzen).

  • 5.

    Auto’s en motoren die vanwege de ouderdom niet meer voorkomen in de ANWB koerslijst worden niet meegerekend voor het vermogen.

  • 6.

    In afwijking van het vierde lid kan wel rekening worden gehouden met de waarde van een oudere auto of motor, wanneer het een auto of motor betreft met een historische waarde.

  • 7.

    Er geldt een vermogensvrijlating op de waarde van een auto van € 2.500,-.

  • 8.

    In afwijking van het eerste lid blijft het vermogen buiten beschouwing bij de collectieve ziektekostenverzekering en de tegemoetkoming zorgkosten.

  • 9.

    Vrijlating lopende betaalrekening voor vermogen ter hoogte van eenmaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

3.3Draagkracht

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht.

  • 2.

    Geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto inkomen hebben tot 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw.

  • 3.

    Indien de belanghebbende een inkomen heeft welke hoger ligt dan 110% van de geldende bijstandsnorm dan geldt volledige draagkracht.

  • 4.

    Het eigen vermogen van belanghebbende dient aangewend te worden indien het vermogen van belanghebbende hoger ligt dan de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Pw.

  • 5.

    In afzonderlijke regelingen kunnen afwijkende draagkrachtregels worden toegepast.

  • 6.

    De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Uitzondering hierop vormen de doelgroepen pensioengerechtigden, bijstandsgerechtigden en mensen die in de Wajong zitten. Voor deze doelgroepen kan de draagkracht voor een periode van maximaal drie jaar worden vastgesteld.

  • 7.

    Indien zich in de loop van de vastgestelde draagkrachtperiode ontwikkelingen voordoen die van zodanig belangrijke aard zijn dat hieraan niet kan worden voorbijgegaan (bijvoorbeeld het wegvallen c.q. het ontstaan van inkomstenbronnen) kan in afwijking van het zevende lid herziening plaatsvinden van de draagkracht over het resterende deel van de draagkrachtperiode.

  • 8.

    Bij elke volgende aanvraag binnen de draagkrachtperiode wordt rekening gehouden met de vastgestelde draagkracht; de vastgestelde ruimte blijft dus gelden.

  • 9.

    Bij bepaling van de draagkracht wordt rekening gehouden met de eigen bijdrage WLZ.

4. Aanvraag

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt, ingevolge van artikel 43, in principe op aanvraag verstrekt.

  • 2.

    Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend uiterlijk binnen zes maanden na de datum waarop de kosten zijn gemaakt. Het is dus mogelijk om met terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen. Voorwaarde is in ieder geval dat de noodzakelijkheid van de kosten alsnog kan worden vastgesteld en dat belanghebbende ten tijde van het ontstaan van de kosten niet over voldoende middelen kon beschikken.

5. Wijze van verstrekken

  • 1.

    De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder terugbetaalverplichting) verstrekt. Dit sluit echter niet uit dat in bepaalde gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht wordt verstrekt of teruggevorderd.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:

  • a.

    het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft;

  • b.

    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Onder korte termijn wordt verstaan een periode van maximaal 12 maanden;

  • c.

    de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • d.

    de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;

  • 3.

    De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend, moet in beginsel worden terugbetaald.

  • 4.

    De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt in principe vastgesteld op 3 jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarden voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen volledig heeft afbetaald.

  • 5.

    Van lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat:

  • a.

    belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen; of

  • b.

    indien hij in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de geldlening; of

  • c.

    wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit geval langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet aflossen.

  • 6.

    Bij het bepalen van de hoogte van de aflossing van de renteloze lening wordt, indien dit wettelijk wordt vereist, rekening gehouden met de beslagvrije voet. Het aflossingspercentage bedraagt maximaal 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag, tenzij wettelijk een afwijkend percentage is vastgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a, Pw.

  • 7.

    Bij een inkomen boven de bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd met 50% van deze meerinkomsten.

6. Uitbetaling

  • 1.

    De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor daadwerkelijk gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden overlegd. Als het betalingsbewijs geen factuur betreft, moet de factuur alsnog achteraf worden overgelegd.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen in lid 1 bepaald.

  • 3.

    De uitbetaling kan rechtstreeks aan de leverancier geschieden.

  • 4.

    Bijzondere bijstand kan in natura worden verstrekt

7. Terugvordering

  • 1.

    Het college kan de verstrekte bijzondere bijstand terugvorderen indien deze:

  • a.

    Niet volledig is besteed aan het doel waarvoor deze is toegekend;

  • b.

    Is besteed aan een ander doel dan waarvoor deze is toegekend.

  • 2.

    Wanneer de verplichting tot terugbetaling van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel 5, niet of onvoldoende wordt nagekomen, wordt de bijzondere bijstand teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2 Pw.

  • 3.

    Nadere regelgeving is te vinden in hoofdstuk 8 van de beleidsvoorschriften werk en inkomen 2019: Terugvordering en Verhaal.

8. Kosten van algemene aard

8.1 Bijzondere bijstand voor jongeren 18-21 jaar

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten aan jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend indien en voor zover de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders omdat:

  • a.

    de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

  • b.

    de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken.

  • 2.

    De jongere bedoeld onder lid 1 b wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken indien:

  • a.

    de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;

  • b.

    de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst;

  • er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie.

  • 3.

    De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande jongere, alleenstaande ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar worden gelijkgesteld aan de toepasselijke inkomensvoorziening Pw voor alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of ouder.

  • 4.

    In afwijking van lid 3, wordt voor jongeren van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijven, de noodzakelijke kosten van bestaan gelijk gesteld op het normbedrag voor jongeren van 18 tot 21 jaar.

  • 5.

    De bijzondere bestand wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 Pw verhaald. Daarmee wordt voorkomen dat de beslissing tot bijstandsverlening afbreuk doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht.

8.2 Bijzondere bijstand i.v.m. het niet ontvangen van de alleenstaande ouderkop

  • 1.

    Aan de alleenstaande ouder als bedoeld in de Pw, die vanwege het hebben van een toeslagpartner geen aanspraak kan maken op de alleenstaande ouderkop, kan aanvullend bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van de alleenstaande ouderkop.

  • 2.

    Aan deze verstrekking kunnen nadere verplichtingen worden verbonden die er toe strekken dat de noodzaak voor deze verstrekking op de kortst mogelijke termijn wordt opgeheven.

9. Woonkosten

9.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning onder de maximale huurgrens.

  • 1.

    De Wet op de huurtoeslag geldt als voorliggende voorziening.

  • 2.

    De woonkosten bij een huurwoning bestaan uit: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5, van de Wet op de huurtoeslag.

  • 3.

    In gevallen waar de belanghebbende geen aanspraak kan maken op de huurtoeslag, kan bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van de huurtoeslag.

  • 4.

    Bij de bepaling of belanghebbende in aanmerking komt voor woonkostentoeslag wordt er rekening gehouden met voorzienbaarheid van de situatie en de reservering van vermogen of reserveringsmogelijkheden.

9.2 Woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens bij een huurwoning

  • 1.

    In het geval de woonkosten boven de maximale huurgrens liggen, kan voor de duur van maximaal een jaar een woonkostentoeslag worden toegekend.

  • 2.

    Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte te verkrijgen.

  • 3.

    De woonkostentoeslag kan met maximaal een jaar worden verlengd, als de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe.

  • 4.

    De draagkracht van belanghebbende wordt gesteld op al het meerdere inkomen boven de al van toepassing zijnde bijstandsnorm in afwijking op artikel 3.3, lid 4 van deze beleidsregel.

  • 5.

    Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd.

  • 6.

    Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij

  • a.

    Ingeschreven is als woningzoekende;

  • b.

    Consequent en adequaat reageert op elke beschikbare woning met een huur lager dan de huurgrens, ongeacht de aard of ligging van de woning.

  • 7.

    Voor het berekenen va de woonkostentoeslag wordt gebruik gemaakt van een berekeningsformulier.

  • 8.

    Wanneer er sprake is van aantoonbaar tekortschietend besef en/of voorzienbaarheid dan wordt de woonkostentoeslag niet toegekend of ingetrokken.

9.3 Woonkostentoeslag bij een eigen woning

  • 1.

    Woonkostentoeslag aan woningeigenaren kan worden toegekend aan woonkosten boven of onder de maximale huurgrens.

  • 2.

    Tot de woonkosten worden gerekend:

  • a.

    De hypotheekrente;

  • b.

    Het eigenaarsdeel onroerendzaakbelasting;

  • c.

    De premie voor de opstalverzekering;

  • d.

    De erfpachtcanon;

  • e.

    De omslagheffing voor huiseigenaren (waterschapslasten);

  • f.

    Vaste bedragen voor de kosten van groot onderhoud.

  • 3.

    Wanneer de belanghebbende aan wie woonkostentoeslag is toegekend naderhand over dezelfde periode een teruggave van de Belastingdienst ontvangt, bepaalt het college welk bedrag van belanghebbende moet worden teruggevorderd. Het uitgangspunt hierbij is dat het terugvorderingsbedrag ten hoogste de teruggave van de Belastingdienst.

  • 4.

    De draagkracht van belanghebbende wordt gesteld op al het meerdere inkomen boven de al van toepassing zijnde bijstandsnorm in afwijking op artikel 3.3, lid 4 van deze beleidsregel.

  • 5.

    Indien mogelijk moet er eerst gebruik gemaakt worden van een voorliggende voorziening zoals de nationale hypotheekgarantie en de hypotheekrenteaftrek.

  • 6.

    Het berekeningsformulier conform artikel 9.2, lid 7 is hier van toepassing. Voor het berekenen van de woonkostentoeslag wordt gebruik gemaakt van een berekeningsformulier.

  • 7.

    Verstrekking van de woonkostentoeslag vindt in eerste instantie plaats voor een periode van maximaal één jaar.

  • 8.

    Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte te verkrijgen.

  • 9.

    De woonkostentoeslag kan met maximaal één jaar worden verlengd, als de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe.

  • 10.

    Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd.

  • 11.

    Met de inspanningsverplichting wordt bedoeld: belanghebbende moet de woning te koop zetten voor een passende prijs en op zoek naar een passende woning. Hierbij zijn de voorwaarden van toepassing zoals benoemd in artikel 9.2, lid 12 en lid 13.

  • 12.

    Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij

  • a.

    Een makelaar heeft ingeschakeld;

  • b.

    Zijn woning via een advertentie te koop aanbiedt (in krant, op een specifieke, vrij toegankelijke website voor het aanbieden van koopwoningen, e.d.);

  • c.

    Aantoonbaar actief op zoek is naar nieuwe woonruimte;

  • d.

    Een reële vraagprijs stelt, waarbij de WOZ-waarde als uitgangspunt geldt;

  • e.

    De vraagprijs zo nodig naar beneden bijstelt, waarbij 80% van de WOZ-waarde nog acceptabel wordt geacht.

  • 13.

    De inspanning wordt in ieder geval onvoldoende geacht, wanneer de belanghebbende

  • a.

    Uitsluitend een makelaar heeft ingeschakeld, zonder dat de makelaar verdere marktgerichte activiteiten onderneemt;

  • b.

    Een feitelijk bod weigert, ook al is dit bod onder zijn vraagprijs;

  • c.

    Zijn vraagprijs niet naar beneden bijstelt;

  • d.

    Een goedkopere beschikbare woning weigert.

  • 14.

    In bijzondere gevallen kunnen wij afwijken op persoonlijke gronden.

9.4 Waarborgsom en administratiekosten

Bijzondere bijstand voor de waarborgsom en administratiekosten is mogelijk, indien de noodzaak voor de verhuizing niet voorzienbaar was voor de belanghebbende. De waarborgsom wordt verstrekt in de vorm van een geldlening.

9.5 Eerste huurkosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor de huur voor de eerste volledige maand en eventueel de onvolledige voorafgaande maand is mogelijk indien de noodzaak voor de verhuizing niet voorzienbaar was voor de belanghebbende.

  • 2.

    In het geval van statushouders, die zich in het kader van de taakstelling voor huisvesting in Lochem vestigen, wordt in ieder geval gesteld dat er omstandigheden zijn bijzondere bijstand te verstrekken.

10. Kosten in verband met ziekte en ondersteuning

10.1 Collectieve ziektekostenverzekering

  • 1.

    Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 130% van de geldende bijstandsnorm, exclusief vakantiegeld, kunnen deelnemen aan de collectieve ziektekostenverzekering van de door het college aangewezen zorgverzekeraar. De vermogensgrens is niet van toepassing.

  • 2.

    De peildatum voor deze inkomenstoets is de datum van de aanvraag.

  • 3.

    Het college levert een bijdrage in de premie conform het financieel besluit.

10.2 Medische kosten

  • 1.

    Medische kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. De ziektekostenverzekering (basis en aanvullend) geldt als een voorliggende voorziening. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken.

  • 2.

    Voor eigen bijdragen voor medisch noodzakelijke voorzieningen genoemd in de Zorgverzekeringswet kan wel bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit geldt echter niet voor het eigen risico. Bij volledige benutting van het eigen risico kan er wel een beroep worden gedaan op de tegemoetkoming zorgkosten.

  • 3.

    Het goedkoopste aanvullende budget van de zorgverzekeraar is van toepassing waarbij belanghebbende op het moment van aanvraag verzekerd is als passende voorliggende voorziening.

  • 4.

    Indien redelijkerwijs van belanghebbende niet verwacht kan worden dat hij gebruik maakt van een aanvullende verzekering of omdat hij zich niet aanvullend kan verzekeren als gevolg van opname in het WSNP of het wanbetalersregime zorgpremie, dan is bijzondere bijstand mogelijk.

  • 5.

    Hetgeen bepaald in dit artikel, is overeenkomstig van toepassing op de volgende artikelen betreffende medische kosten.

  • 6.

    Voor een aantal (hieronder genoemde) medische kosten wordt bijzondere bijstand ingezet tot een maximum zoals genoemd in het financieel besluit.

10.3 Medische kosten: tandheelkundige kosten

  • 1.

    De eigen bijdragen en kosten (niet het eigen risico) die rechtstreeks verband houden met een verstrekking op grond van de basisverzekering Zorgverzekeringswet, zoals volledige gebitsprotheses, komen voor vergoeding in aanmerking.

  • 2.

    De tandverzekering is voorliggend op bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten. Indien belanghebbende geen tandverzekering kan afsluiten vanwege een WSNP traject of een wanbetalersregeling dan kan bijzondere bijstand worden verleend. De bijzondere bijstand gaat tot het bedrag wat vergoed zou worden indien de belanghebbende middels het goedkoopst aanvullende verzekeringspakket, inclusief tandartsverzekering, verzekerd zou zijn tot een maximaal bedrag zoals opgenomen in het financieel besluit.

10.4 Tegemoetkoming zorgkosten

  • 1.

    Als tegemoetkoming in de zorgkosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt, indien de belanghebbende heeft aangetoond dat hij het verplicht eigen risico in het jaar van de aanvraag volledig heeft benut.

  • 2.

    Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 130% van de geldende bijstandsnorm, exclusief vakantiegeld, kunnen een tegemoetkoming in de zorgkosten aanvragen. De vermogensgrens is niet van toepassing. Het maximale bedrag is opgenomen in het financieel besluit.

  • 3.

    Een tegemoetkoming in de zorgkosten kan maximaal één maal per verzekeringsjaar per gezinslid worden aangevraagd op de voorwaarde dat het eigen risico volledig is benut. De maximale tegemoetkoming is opgenomen in het financieel besluit. De aanvraag dient te geschieden in het jaar waarop het eigen risico betrekking heeft, tenzij de zorgaanbieder de rekening later heeft ingediend. Dan kan de aanvraag met terugwerkende kracht worden aangevraagd tot maximaal 6 maanden na de factuurdatum.

  • 4.

    Indien de belanghebbende aanvullend verzekerd is via het Salland Plus pakketten daardoor geen eigen risico hoeft te betalen, heeft belanghebbende geen recht op de tegemoetkoming.

  • 5.

    Indien belanghebbende in het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft inkomenscompensatie heeft ontvangen in verband met arbeidsongeschiktheid in het kader de WAO, WIA, Wajong of WAZ, heeft belanghebbende geen recht op de tegemoetkoming.

10.5 Medische kosten: eigen bijdragen Wmo- of Wlz-voorzieningen

Voor zover de aanvrager niet redelijkerwijs gebruik kan maken van de collectieve ziektekostenverzekering kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen, voor zover deze door het CAK zijn vastgesteld.

10.6 Begrafenis- of crematiekosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand ten behoeve van begrafenis of crematie kan verleend worden aan de nabestaande van de overledene, voor zover de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden en de nabestaande niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.

  • 2.

    Het maximale bedrag dat kan worden verstrekt voor de noodzakelijke kosten van de uitvaart is opgenomen in het financieel besluit.

  • 3.

    Nabestaanden kunnen zijn: de echtgenoot/echtgenote, en daaraan gelijkgesteld de partner met wie de overledenen heeft samengewoond, de ouder(s) en de kinderen.

10.7Medische kosten: maaltijdvoorziening

  • 1.

    De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het financieel besluit.

  • 2.

    Bijzondere bijstand voor een maaltijdvoorziening kan worden verstrekt indien:

  • a.

    hiervoor een medische of sociale indicatie aanwezig is, of

  • b.

    de belanghebbende 85 jaar of ouder is;

  • c.

    de noodzaak is vastgesteld door een organisatie op het gebied van thuiszorg of het ouderenwerk of ’t Baken.

  • 3.

    De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het financieel besluit.

10.8 Medische kosten: bewassings- en slijtagekosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor bewassingskosten en slijtagekosten kan worden verstrekt wanneer deze kosten het gevolg zijn van een aandoening, het gebruik van medicatie of het gebruik van hulpmiddelen die tot extra bewassingskosten of kledingslijtage leiden.

  • 2.

    De bijzondere bijstand voor bewassingkosten wordt verstrekt in de vorm van een forfaitair bedrag. De hoogte van de forfaitaire vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de prijzengids van het Nibud.

  • 3.

    Bijzondere bijstand kan worden geweigerd wanneer gebruik kan worden gemaakt van hulpmiddelen, die slijtage of de noodzaak voor extra bewassingskosten voorkomen.

10.9 Medische kosten: extra stookkosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor extra stookkosten kan worden verstrekt wanneer hiervoor een medische noodzaak is. De medische noodzaak wordt vastgesteld op basis van een medisch advies.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de kosten die de normale stookkosten voor het woningtype waar de belanghebbende woont overstijgen.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de Energie en Waterlijst van het Nibud.

  • 4.

    Er kan geen bijzondere bijstand voor stookkosten worden verstrekt als de hogere stookkosten het gevolg zijn van hogere energietarieven.

10.10 Medische kosten: gehoorapparaten

  • 1.

    De maximale vergoeding vanuit de bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor gehoorapparaten is opgenomen in het financieel besluit.

  • 2.

    Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor batterijen voor gehoorapparaten.

10.11 Medische kosten: brillen/contactlenzen

  • 1.

    De kosten van een bril en contactlenzen en lenzenvloeistof komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, tenzij er geen aanvullende verzekering afgesloten kan worden. De maximale vergoeding is in dat geval opgenomen in het financieel besluit.

  • 2.

    Indien de vergoeding vanuit de aanvullende verzekering de kosten van de nieuwe bril of contactlenzen waarvoor een medische noodzaak is vastgesteld niet volledig dekt, kan aanvullend bijzondere bijstand verleend worden tot het bedrag van de maximale vergoeding.

  • 3.

    Aanvullende bijzondere bijstand voor een bril of contactlenzen kan worden verstrekt indien uit de medische indicatie van een erkende oogarts of opticiën blijkt dat extra vergoeding noodzakelijk is en vergoeding vanuit de zorgverzekeraar niet dekkend is.

  • 4.

    Ten behoeve van een kind tot 18 jaar kan zo nodig één keer in de twee jaar, aanvullend op de vergoeding van de zorgverzekeraar, bijzondere bijstand voor een bril met enkelvoudige glazen of contactlenzen en lenzenvloeistof worden verstrekt, met een maximale vergoeding zoals genoemd in het financieel besluit. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan positief worden afgeweken.

10.12 Overige kosten

  • 1.

    Bij overige medische kosten wordt er per situatie gekeken of er bijzondere bijstand noodzakelijk is.

  • 2.

    Het betreft hier vergoedingen die vanuit financiële overweging zijn komen te vervallen uit de Zorgverzekeringswet (ZVW).

11. Juridische kosten

11.1 Bewindvoeringskosten, mentorschap of onder curatele

  • 1.

    Voor de kosten van bewindvoering, mentorschap of onder curatele stelling kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt, naast de draagkracht van de belanghebbende, bepaald volgens de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • 3.

    De kosten voor extra werkzaamheden van de bewindvoerder komen in beginsel voor bijzondere bijstand in aanmerking, voor zover de kantonrechter heeft bepaald dat deze werkzaamheden noodzakelijk zijn en door de aangewezen bewindvoerder moeten worden uitgevoerd.

  • 4.

    Indien het college van mening is dat de beslissing tot bewind voering herzien moet worden, kan het college een verzoek tot herziening indienen bij de kantonrechter op grond van artikel 1:432 en 1:439 van het Burgerlijk Wetboek.

11.2 Eigen bijdrage rechtsbijstand

  • 1.

    Voor een eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en noodzakelijke bijkomende kosten kan bijzondere bijstand worden verleend indien de rechtsbijstand wordt toegekend. Indien de rechtsbijstand is toegekend buiten het Juridisch Loket om, en de korting op de eigen bijdrage niet van toepassing is, wordt deze korting in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.

  • 2.

    Indien wenselijk wordt het peiljaar verlegd naar het jaar waarvoor rechtsbijstand is bedoeld. Dit is in tegenstelling tot wat de Belastingdienst doet.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal de eigen bijdrage zoals benoemd in de Wet op de rechtsbijstand.

12. Reis- en verwervingskosten

12.1 Algemene bepalingen voor reiskosten

  • 1.

    Vergoedingen voor reis- en verwervingskosten in verband met arbeid of participatie in het kader van een re-integratietraject dienen te worden gefinancierd uit het Participatiebudget.

  • 2.

    Vergoedingen voor reiskosten anders dan bedoeld in het eerste lid komen alleen voor bijzondere bijstand in aanmerking indien het bezoek gericht is aan een gedetineerde, een verpleegde of verzorgde, aan een uit huis geplaatst kind, of voor een psychische of medische behandeling zoals omschreven in dit artikel.

  • 3.

    Vergoeding van reiskosten is enkel mogelijk als de bestemming buiten de gemeente Lochem, maar nog binnen Nederland ligt en minimaal 15 kilometer bedraagt.

  • 4.

    Vergoedingen worden vastgesteld op basis van de goedkoopste tarieven van het openbaar vervoer.

  • 5.

    Wanneer er sprake is van regelmatige reiskosten wordt de vergoeding vastgesteld op basis van het openbaar vervoer met kortingstarief.

  • 6.

    In afwijking van het tweede en derde lid wordt, indien de reis vanwege gezondheidsredenen van de aanvrager niet met het openbaar vervoer afgelegd kan worden, de vergoeding vastgesteld op basis van het aantal kilometers volgens de kortste route per eigen vervoer. De vergoeding per kilometer is opgenomen in het financieel besluit.

  • 7.

    Bij de beoordeling van reiskosten wordt onder “gezin” verstaan: de gehuwden of samenwonenden en de inwonende kinderen tot 18 jaar.

12.2Bezoek aan gedetineerde

  • 1.

    Reiskosten voor bezoek aan een gedetineerde kunnen worden vergoed indien

  • a.

    De gedetineerde behoort tot het gezin van de belanghebbende, en

  • b.

    De gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting en geen recht heeft op verlof.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal 1 keer per 4 weken per gezinslid.

12.3 Bezoek aan verpleegden/verzorgden

  • 1.

    Reiskosten voor bezoek aan een verpleegde/verzorgde kunnen worden vergoed indien de verpleegde/verzorgde behoort tot het gezin van de belanghebbende.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal 1 keer per 2 weken per gezinslid.

  • 3.

    In bijzondere situaties zoals een terminale verpleegde/verzorgde kan op individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie zoals genoemd in lid 2.

12.4Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen

  • 1.

    Reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind kunnen worden vergoed indien

  • a.

    Het kind behoort tot het gezin van de belanghebbende, en

  • b.

    Er een bewijs van uithuisplaatsing is.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie die aan de hand van de bezoekregeling is opgesteld.

  • 3.

    Indien er geen bezoekregeling is en er geen reden of omstandigheid is om geen bijzondere bijstand te verlenen, dan wordt de bijzondere bijstand vastgesteld op een bezoekfrequentie van 1 keer per 2 weken per gezinslid. Een reden of omstandigheid om geen bijzondere bijstand te verlenen wordt opgelegd door een gezinsvoogd of door een rechter.

12.5Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen

  • 1.

    Voor reiskosten in verband met regelmatige geneeskundige behandelingen (bijvoorbeeld afspraken ziekenhuis) of bezoeken aan hulpverlenende instanties kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • 2.

    Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien er geen sprake is van een volledige vergoeding vanuit een voorliggende voorziening, zoals Wlz, Wmo of ziektekostenverzekering (zittend ziekenvervoer), daarnaast moet de behandeling:

  • a.

    medisch noodzakelijk zijn op basis van een indicatie; én

  • b.

    buiten de gemeentegrens van de gemeente Lochem plaatsvinden.

12.6 Reiskosten schoolgaande kinderen

  • 1.

    Voor reiskosten van kinderen in het voorgezet onderwijs kan bijzondere bijstand worden verleend voor zover deze niet bekostigd kunnen worden uit het inkomen, het kindgebonden budget, een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten, de tegemoetkoming indirecte schoolkosten, het leerlingenvervoer en/of een regeling van de school.

  • 2.

    Voorwaarden zijn dat:

  • a.

    er een noodzaak is voor het volgen van onderwijs buiten de woonplaats en de afstand van huis naar school tenminste 15 kilometer bedraagt,

  • b.

    gebruik is gemaakt van de regelingen als genoemd in het eerste lid voor zover van toepassing.

  • 3.

    Voor bijzondere bijstand worden in aanmerking genomen de kosten van de goedkoopste wijze van reizen per openbaar vervoer naar de dichtstbijzijnde school van het gewenste onderwijstype waarvoor de reiskosten het geringst zijn.

  • 4.

    Bijzondere bijstand voor reiskosten van scholieren wordt verstrekt in de vorm van een periodieke bijzondere bijstand. Voor een schooljaar worden de reiskosten voor 10 maanden in aanmerking genomen (september t/m juni).

13. Kosten voor duurzame gebruiksgoederen

13.1 Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Onder duurzame gebruiksgoederen wordt verstaan goederen met een langere levensduur, met name witgoed.

  • 2.

    De individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 16 geldt als voorliggende voorziening voor dit artikel.

  • 3.

    De draagkracht voor bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt gesteld op 100% van de voor hen geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld.

  • 4.

    Belanghebbenden kunnen voor bijzondere bijstand voor de aanschaf ter vervanging van duurzame gebruiksgoederen in aanmerking komen wanneer zij langer dan 3 jaar een zelfstandige huishouding hebben gevoerd.

  • 5.

    De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening.

  • 6.

    Een lening bij de Stadsbank Oost Nederland of een commerciële bank geldt als een voorliggende voorziening, tenzij de belanghebbende in de laatste drie jaar voorafgaand aan de aanvraag geen financiële ruimte heeft gehad om te reserveren, omdat

  • a.

    de financiële ruimte is benut voor aantoonbare noodzakelijke uitgaven;

  • b.

    de financiële ruimte is benut voor de aflossing van schulden.

  • 7.

    In gevallen als bedoeld in het zesde lid wordt de bijzondere bijstand verstrekt om niet.

  • 8.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de prijzengids van het Nibud.

  • 9.

    Als voor de beoordeling of het gebruiksgoed kapot is, of gerepareerd kan worden, een externe deskundige noodzakelijk is, dan vallen deze kosten niet binnen de leenbijstand, maar worden altijd om niet vergoed.

  • 10.

    Reparatiekosten kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als dit een adequate oplossing biedt.

  • 11.

    Voor het vaststellen van de noodzaak van vervanging van het duurzame gebruiksgoed kan een huisbezoek worden afgelegd.

  • 12.

    Indien er uit de vermogenstoets een vermogen komt welke hoger ligt dan € 2.500,- dan komt belanghebbende niet in aanmerking voor vergoeding voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen.

14. Kosten voor woninginrichting en verhuizing

14.1 Algemene bepalingen

  • 1.

    Onder inrichtingskosten wordt verstaan de kosten voor een gebruikelijke inboedel.

  • 2.

    Onder stofferingskosten wordt verstaan de kosten voor vloerbedekking, wandbedekking en gordijnen met toebehoren.

  • 3.

    Onder verhuiskosten wordt verstaan de kosten voor het transport van goederen van de oude woning naar de nieuwe woning.

14.2Inrichtingskosten

  • 1.

    In het geval van inrichtingskosten wordt onder bijzondere en noodzakelijke kosten in ieder geval gerekend:

  • a.

    Huisvesting in het kader van de taakstelling aan de gemeente voor de huisvesting van statushouders.

  • b.

    Huisvesting in verband met echtscheiding of beëindiging van een samenwoning.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening.

  • 3.

    Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld op 50% van het inventarispakket naar huishoudtype volgens het Nibud. Uitgangspunt hiervan is dat bij een (volledige) inrichting een deel tweedehands kan worden aangeschaft via overname van derden of kringloopwinkel.

14.3 Stofferingskosten

  • 1.

    Voor stofferingskosten wordt in principe bijzondere bijstand verleend om niet.

  • 2.

    Van lid 1 kan worden afgeweken indien zich ten aanzien van belanghebbende omstandigheden voordoen die een bijstandsverlening om niet, niet rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 48 lid 2 Pw.

  • 3.

    Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de Prijzengids van het Nibud.

14.4 Verhuiskosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor verhuiskosten kan worden verstrekt aan de belanghebbende die uit de gemeente vertrekt, wanneer de aanleiding voor het vertrek is:

  • a.

    Een sociale of medische indicatie.

  • b.

    Verband houdt met het aanvaarden of behouden van werk.

  • 2.

    Als voorliggende voorzieningen worden aangemerkt:

  • a.

    Een geldlening bij de Stadsbank Oost Nederland of een commerciële bank;

  • b.

    Een vergoeding van de werkgever.

  • 3.

    Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt bepaald door de goedkoopst adequate voorziening en is ten hoogste € 500,-.

15. Regelingen voor kinderen

15.1 Indirecte schoolkosten

  • 1.

    Een tegemoetkoming in de indirecte schoolkosten wordt verstrekt aan kinderen uit gezinnen met een draagkracht tot 130% van de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld.

  • 2.

    De tegemoetkoming wordt één maal per schooljaar op aanvraag verstrekt.

  • 3.

    De hoogte van de tegemoetkoming is opgenomen in het financieel besluit.

15.2 Computerregeling

  • 1.

    Een tegemoetkoming ten behoeve van de aanschaf van een computer, laptop of tablet eventueel met randapparatuur kan worden verstrekt aan kinderen uit gezinnen met een maximale draagkracht van 130% van de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld.

  • 2.

    Een kind kan of één keer tijdens de basisschool- en één keer tijdens de voortgezet onderwijsperiode, of twee keer tijdens de voorgezet onderwijsperiode, met een tussenperiode van 4 jaar, van de computerregeling gebruik maken voor zover een kind redelijkerwijs niet over een computer kan beschikken.

  • 3.

    Deze regeling is uitsluitend bedoeld voor de aanschaf van een computer, laptop of tablet, eventueel met randapparatuur en noodzakelijke software. De regeling is niet bedoeld voor de aanschaf van games, randapparatuur voor games, webcams, of andere zaken die niet noodzakelijk zijn voor het zakelijke gebruik van de computer.

  • 4.

    De belanghebbende dient via aankoopnota’s aan te tonen dat de tegemoetkoming voor het beoogde doel is aangewend.

  • 5.

    De hoogte van de tegemoetkoming is opgenomen in het financieel besluit.

15.3 Kinderopvang

Voor bezoek aan kinderopvang is bijzondere bijstand mogelijk voor ten laste komende kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar, indien hiervoor een sociaal- medische indicatie voor is.

16. Individuele Inkomenstoeslag

  • 1.

    De individuele inkomenstoeslag geldt voor inwoners met een langdurig laag inkomen (minimaal 36 maanden) tot een maximum van 105% van de bijstandsnorm.

  • 2.

    De bedragen van de individuele inkomenstoeslag zijn opgenomen in het financieel besluit en worden jaarlijks geïndexeerd.

  • 3.

    De individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt wanneer er geen zicht is op inkomensverbetering. Hierbij is sprake van een beoordeling.

  • 4.

    In geval van opleiding wordt het zicht op inkomensverbetering beoordeeld. Dit gebeurt ten eerste door een beoordeling of de opleiding leidt tot een hoger opleidingsniveau dan dat betrokkene op dat moment heeft. Ten tweede wordt beoordeeld of de kans op succesvolle afronding van een opleiding reëel is, gelet op de omstandigheden van betrokkene.

17. Individuele Studietoeslag

  • 1.

    De individuele studietoeslag is bedoeld om de arbeidsmarktpositie van belanghebbende te verbeteren van mensen met een laag inkomen en geen of zeer beperkte mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

  • 2.

    De bedragen van de individuele studietoeslag zijn opgenomen in het financieel besluit en kunnen jaarlijks geïndexeerd worden.

  • 3.

    De individuele studietoeslag kan maximaal eenmaal per half jaar worden uitgekeerd.

18. Meedoenregeling

  • 1.

    De meedoenregeling is een bijdrage in de kosten van deelname aan sociaal-maatschappelijke activiteiten voor inwoners met een laag inkomen tot een maximum van 120% van de bijstandsnorm.

  • 2.

    De bedragen van de meedoenregeling zijn opgenomen in het financieel besluit en kunnen jaarlijks geïndexeerd worden.

  • 3.

    De meedoenregeling kan worden aangevraagd vanaf 4 jaar. Studenten worden uitgesloten van deelname.

  • 4.

    De meedoenregeling dient aangevraagd te worden in het jaar waarin deze van toepassing is.

  • 5.

    De vermogenstoets is van toepassing bij de meedoenregeling.

  • 6.

    Belanghebbende dient de meedoenregeling in te zetten conform het geformuleerde doel in lid één van dit artikel. Het college kan achteraf via een steekproef controleren of de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Als dit niet kan worden aangetoond dient belanghebbende de meedoenregeling terug te betalen.

19. Slotbepalingen

19.1 Hardheidsclausule

Het college kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van het voorafgaande bijstand verlenen als zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

19.2 Indexering

Het college doet geen jaarlijkse indexering voor de bedragen zoals genoemd in het financieel besluit. Uitzondering hierop vormt de individuele inkomenstoeslag. Deze wordt wel jaarlijks geïndexeerd. Andere regelingen worden alleen geïndexeerd als daar een wettelijke of andere zwaarwegende reden aan ten grondslag ligt.

19.3 Ingangsdatum en intrekking

Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2020 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid 2020.

19.4 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid 2020.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van 4 februari 2020

Burgemeester en wethouders van Lochem,

de burgemeester, de secretaris,

S.W. van 't Erve, R. Starke