Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2009

Geldend van 15-05-2009 t/m 30-09-2012

Intitulé

VERORDENING INDIVIDUELE VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE KERKRADE 2009

Afdeling 1 Algemeen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    a. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;

    b. College: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Kerkrade;

    c. Aanvrager:

    1. een persoon met beperkingen van 18 jaar en ouder oftewel de wettelijk vertegenwoordiger of diens gemachtigde;

    2. de wettelijk vertegenwoordiger oftewel een gemachtigde van een persoon met beperkingen van jonger dan 18 jaar.

    d. Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij de maatschappelijke participatie;

    e. Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die maatschappelijke participatie mogelijk maken;

    f. Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijk verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen: het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;

    g. Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor een persoon met beperkingen;

    h. Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt;

    i. ICF: De International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) wordt gehanteerd als uniform begrippenkader, als afwegingskader en als grondslag om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen ofwel te typeren;

    j. Eigen bijdrage; een door het CAK vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor rekening van de aanvrager komt;

    k. Eigen aandeel in de kosten: een door het college vast te stellen eigen aandeel, dat bij de verstrekking van een financiële tegemoetkoming voor rekening van de aanvrager komt;

    l. Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor de persoon met beperkingen als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten voor een dergelijke voorziening;

    m. Voorzieningen in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;

    n. Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de persoon met beperkingen een of meer aan hem te verlenen compenserende voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het Besluit te stellen regels van toepassing zijn;

    o. Financiële tegemoetkoming: een bijdrage in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager;

    p. Inkomen: het inkomen zoals gedefinieerd in artikel 4.2 lid 1 landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning.

    q. Huisgenoot: Iedere persoon, die hetzelfde hoofdverblijf heeft als de persoon met beperkingen, met uitzondering van de kamerhuurder en de kostganger.

    r. Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruik,- dan wel bestedingspatroon van een persoon behorend;

    s. Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening dan wel de voorafgaande Wmo-verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is;

    t. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon,- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven;

    u. Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de persoon met beperkingen vanaf de toegang tot de woning te bereiken;

    v. Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

    w. Standplaats: een kavel bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

    x. Rolstoelvoorziening: voorziening die de persoon met beperkingen in staat stelt zich in en om de woning te verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie is;

    y. Besluit: het van toepassing zijnde Besluit individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade;

    z. Gebruikelijke zorg: gangbare, niet-professionele zorg op basis van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van huisgenoten;

    aa. Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

    bb. Voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet (Wmo) waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter compensering van de ondervonden beperkingen.

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Awb.

Artikel 1.2. Voorwaarden en algemene weigeringsgronden
  • 1. Recht op een voorziening bestaat slechts voor zover:

    a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich verplaatsen in en om de woning, het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan te compenseren en;

    b. deze in overwegende mate op het individu is gericht;

    c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

  • 2. Op lid 1 onderdeel a geldt als uitzondering hulp bij het huishouden en collectieve vervoersvoorziening, welke voor een korte duur kunnen worden geïndiceerd.

  • 3. Geen recht op een voorziening bestaat:

    a. indien de voorziening voor een persoon als de persoon met beperkingen algemeen gebruikelijk is;

    b. indien de persoon met beperkingen niet zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Kerkrade;

    c. voor zover er aan de zijde van de persoon met beperkingen geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;

    d. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de persoon met beperkingen voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt;

    e. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze verordening, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening of Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de persoon met beperkingen zijn toe te rekenen;

    f. indien niet is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen bij of krachtens de wet.

  • 4. Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de gevraagde voorziening op grond van lid 3 onderdeel d te weigeren, indien het college uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven tot het maken van de kosten.

Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen
Artikel 2.1 Keuzevrijheid
  • 1. Een individuele voorziening kan als volgt verstrekt worden:

    a. als voorziening in natura;

    b. als financiële tegemoetkoming;

    c. als persoonsgebonden budget.

  • 2. De in lid 1 genoemde voorzieningen worden slechts verstrekt indien een algemene voorziening geen adequate en voldoende oplossing biedt.

  • 3. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit neergelegde criteria.

Artikel 2.2 Voorzieningen in natura

Toekenning van de te verstrekken voorziening in natura en de omschrijving ervan worden bij beschikking vastgesteld.

Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming

De toekenning van de te verstrekken financiële tegemoetkoming en de omvang ervan worden bij beschikking vastgesteld.

Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget
  • 1. Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    a. een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt indien hiertegen geen overwegende bezwaren bestaan;

    b. de omvang van het persoonsgebonden budget is door het college vastgelegd in het Besluit.

  • 2. Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen voorziening dient te voldoen.

  • 3. Na aanschaf van de voorziening, waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt, dan wel na afloop van de periode waarop het persoongebonden budget van toepassing is, wordt aan het college door de budgethouder voorzover van toepassing, verstrekt, volgens de voorschriften zoals door het college opgenomen in het Besluit:

    a. de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en;

    b. een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening en;

    c. een overzicht van de salarisadministratie.

Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden
Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden

De door het college te verstrekken hulp bij het huishouden, ter compensatie van beperkingen die een persoon met beperkingen ondervindt bij het voeren van een huishouden, kan bestaan uit;

a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden;

b. hulp bij het huishouden in natura;

c. hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget.

Artikel 3.2 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden en recht op hulp bij het huishouden
  • 1. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 3.1 onderdeel a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien: a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen; of b. problemen bij het uitvoeren van mantelzorg; het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit adequaat kan oplossen.

  • 2. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 3.1 onderdeel b en c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien; a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken; of

    b. de in artikel 3.1 onderdeel a genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is.

Artikel 3.3 Weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert hulp bij het huishouden:

    a. indien de gevraagde voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van voorzieningen in de sociale woningbouw;

    b. indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions, trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen.

  • 2. In afwijking van artikel 3.2 komt de persoon met beperkingen, niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als een of meer huisgenoten in staat zijn de huishoudelijke taken te verrichten, zijnde gebruikelijke zorg.

Artikel 3.5 Omvang van de hulp bij huishouden

De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden toegekend:

Klasse 1: van 0 tot en met 1,9 uur per week;

Klasse 2: van 2 tot en met 3,9 uur per week;

Klasse 3: van 4 tot en met 6,9 uur per week;

Klasse 4: van 7 tot en met 9,9 uur per week;

Klasse 5: van 10 tot en met 12,9 uur per week;

Klasse 6: van 13 tot en met 15,9 uur per week.

Boven klasse 6 kunnen er additionele uren worden toegekend, waarvoor een apart uurtarief geldt zoals nader bepaald door het college in het Besluit.

Artikel 3.6 Omvang van het persoonsgebonden budget

Het college stelt het bedrag vast dat per klasse aan persoonsgebonden budget wordt verleend voor hulp bij het huishouden en legt dit bedrag vast in het Besluit.

Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen
Artikel 4.1 Typen woonvoorzieningen

De door het college, ter compensatie van beperkingen die iemand ondervindt bij het normale gebruik van de woning en het uitvoeren van de algemene dagelijkse levensverrichtingen, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit;

a. algemene woonvoorziening;

b. een voorziening voor de verhuis- en herinrichtingskosten;

c. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;

d. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;

e. een uitraasruimte;

f. huurderving;

g. een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie van een liftinstallatie in een woning;

h. tijdelijke huisvesting.

Artikel 4.2 Vorm woonvoorzieningen
  • 1. De voorziening genoemd in artikel 4.1 onderdeel a wordt in natura verleend.

  • 2. De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel b, f, g en h worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleend.

  • 3. De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel c, d en e worden in natura of in de vorm van een PGB verstrekt.

Artikel 4.3 Het recht op een algemene voorziening

Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.1 onderdeel a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien er bij het normale gebruik van de woning als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen beperkingen worden ondervonden, en de algemene woonvoorziening dit adequaat kan oplossen.

Artikel 4.4 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen
  • 1. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.1 onderdeel b vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:

    a. er bij het normale gebruik van de woning als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen beperkingen worden ondervonden; en

    b. de algemene woonvoorziening de ondervonden beperkingen niet adequaat kan compenseren.

  • 2. Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel c en d in aanmerking worden gebracht wanneer:

    a. er bij het normale gebruik van de woning als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen beperkingen worden ondervonden; en

    b. de algemene woonvoorziening de ondervonden beperkingen niet adequaat kan compenseren; en

    c. de in artikel 4.1 onderdeel b genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.

  • 3. Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel e in aanmerking worden gebracht wanneer:

    a. er sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen, aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen; en b. de algemene woonvoorziening de ondervonden beperkingen niet adequaat kan compenseren; en

    c. de in artikel 4.1 onderdeel b genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.

  • 4. Indien de aanpassingskosten van de huidige woonruimte het bedrag zoals genoemd in het Besluit te boven gaan, wordt het primaat van verhuizen zoals bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b toegepast.

Artikel 4.5 Losse woonunit

In plaats van een voorziening als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b kan het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken, indien de eigenaar van de woning niet bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen aan een persoon met beperkingen die behoefte heeft aan een dergelijke woning.

Artikel 4.6 Uitsluitingen

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan:

· hotels/pensions;

· trekkerswoonwagens;

· AWBZ-instelling;

· kloosters;

· tweede woningen;

· vakantiewoningen;

· kamerverhuur;

· specifiek op de persoon met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.Het college treft hieromtrent nadere regels.

Artikel 4.7 Hoofdverblijf
  • 1. Een woonvoorziening wordt slechts verleend, indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.

  • 2. In afwijking van het gestelde in lid 1 en artikel 1.2 lid 3 onderdeel b kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van woonruimte indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.

  • 3. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.

  • 4. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.

  • 5. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in lid 4 bedoelde woonruimten met een door het college in het Besluit vast te leggen maximumbedrag.

Artikel 4.8 Gemeenschappelijke ruimten

Het college kan een financiële tegemoetkoming verlenen voor het treffen van uitsluitend de volgende voorzieningen aan gemeenschappelijke ruimten: a. het verbreden van de toegangsdeuren;

b. het aanbrengen van elektrische deuropeners;

c. de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegangsdeur van de woning;

d. de aanleg van drempelhulpen, vlonders en/of extra trapleuning; en

e. de aanleg van een opstelplaats voor meerdere elektrische rolstoelen en/of scootmobielen met een adequate stroomvoorziening en gescheiden stroommeters.

Artikel 4.9 Weigeringsgronden

De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:

a. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

b. de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van voorzieningen in de sociale woningbouw;

c. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;

d. de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college, waarbij de persoon met beperkingen de verantwoordelijkheid heeft zich tijdig hierover te informeren;

e. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat de gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;

f. de persoon met beperkingen verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden;

g. er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door persoon met beperkingen bewoonde woning;

h. de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.

Artikel 4.10 Verhuis-en inrichtingskosten
  • 1. In afwijking van artikel 4.4 kan het college een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b verstrekken aan een persoon zonder beperkingen die op verzoek van de gemeente de woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, heeft ontruimd.

  • 2. Het college verleent geen financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b indien: a. de persoon met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. de persoon met beperkingen verhuist van een AWBZ-instelling naar een zelfstandige woning.

Artikel 4.11 Aanpassingen van woonwagens
  • 1. Het college verleent, in afwijking van artikel 4.2 lid 3, een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten aan woonwagens indien: a. de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar is;

    b. de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt;

    c. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; en

    d. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een woonvergunning als bedoeld in de Woningwet.

  • 2. Indien de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, wordt in tegenstelling tot lid 1 een financiële tegemoetkoming verstrekt en zijn de maximale aanpassingskosten hiervoor nader bepaald door het college in het Besluit.

Artikel 4.12 Huurderving

In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor meer dan het door het college in het Besluit bepaalde bedrag is aangepast, kan het college een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel f verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6 maanden.

Artikel 4.13 Onderhoud, keuring en reparatie

Het college verleent slechts een voorziening genoemd in artikel 4.1 onderdeel g indien er voor de liftinstallatie in het kader van de Wmo, de WVG dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten een geldige indicatie is verleend.

Artikel 4.14 Tijdelijke huisvesting
  • 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting, zoals bedoeld in artikel 4.1 onderdeel h, verlenen voor kosten die door een persoon met beperkingen moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van zijn huidige woonruimte of de nog te betrekken woonruimte.

  • 2. Een financiële tegemoetkoming voor de kosten van tijdelijke huisvesting kan slechts worden verleend:

    a. als de kosten gemaakt worden in verband met het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte, een niet-zelfstandige woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte; en

    b. de persoon met beperkingen redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij dubbele woonlasten zou hebben.

Artikel 4.15 Afschrijvingsregeling
  • 1. De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening, een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget in de kosten van het treffen van een voorziening heeft ontvangen en die binnen een periode van vijf jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden om binnen een week na het passeren van de akte het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De als gevolg van de eerder genoemde verordeningen verstrekte financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget kan (deels) door het college worden teruggevraagd.

  • 2. De eigenaar en/of sociale verhuurder, die krachtens deze verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening, een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget in de kosten van het treffen van een voorziening heeft ontvangen en die binnen een periode van vijf jaar na de datum van gereed melding van de werkzaamheden de woning verhuurt c.q. verkoopt aan een nieuwe huurder/eigenaar zijnde een niet-Wmo-gerechtigde, is gehouden om binnen een week na de ingangsdatum van het nieuwe huurcontract of het passeren van de eigendomsakte, het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De als gevolg van de eerder genoemde verordeningen verstrekte financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget kan (deels) door het college worden teruggevraagd.

  • 3. De restitutie als bedoeld in lid 1 en 2 bedraagt:

    - voor het eerste jaar 100% van het verstrekte persoonsgebonden budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming;

    - voor het tweede jaar 80% van het verstrekte persoonsgebonden budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming;

    - voor het derde jaar 60% van het verstrekte persoonsgebonden budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming;

    - voor het vierde jaar 40% van het verstrekte persoonsgebonden budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming;

    - voor het vijfde jaar 20% van het verstrekte persoonsgebonden budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming.

Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
Artikel 5.1 Typen vervoersvoorzieningen

De door het college te verlenen vervoersvoorziening kan bestaan uit:

a. een algemene vervoersvoorziening (waaronder het collectief vervoer);

b. financiële tegemoetkoming voor het vervoer per taxi;

c. financiële tegemoetkoming voor het vervoer per rolstoeltaxi;

d. een scootmobiel;

e. een al dan niet aangepaste (bruikleen)auto;

f. een ander verplaatsingsmiddel;

g. aanpassing aan de in onderdeel d, en en f genoemde vervoersvoorzieningen.

Artikel 5.2 Vorm vervoersvoorzieningen
  • 1. De voorziening genoemd in artikel 5.1 onderdeel a wordt in natura verleend.

  • 2. De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel b en c worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleend.

  • 3. De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel d, e, f en g worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verleend.

Artikel 5.3 Het recht op een algemene voorziening

Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 onderdeel a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem:

a. het gebruik van het openbaar vervoer; of

b. het bereiken van openbaar vervoer onmogelijk maken.

Artikel 5.4 Het primaat van de algemene voorziening en het recht op individuele voorzieningen
  • 1. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 onderdeel b tot en met g vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken en het gebruik van een algemene voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a onmogelijk is.

  • 2. In afwijking van lid 1 kunnen de in artikel 5.1 onderdeel b tot en met g vermelde voorzieningen in aanvulling op de algemene vervoersvoorziening worden verstrekt, indien er sprake is van uiterst beperkte mobiliteit.

Artikel 5.5 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen
  • 1. De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel a, b, c, e en f worden niet verstrekt indien het inkomen, zoals gedefinieerd in artikel 1 onderdeel p, meer bedraagt dan:

    · € 21.703,00 voor de ongehuwde personen jonger dan 65;

    · € 14.812,00 voor de ongehuwde personen van 65 jaar of ouder;

    · € 26.535,00 voor de gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar;

    · € 20.431,00 voor de gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn.

  • 2. De bedragen genoemd in lid 1 worden jaarlijks automatisch conform de aanpassingen in artikel 4.1 lid 1 Besluit maatschappelijke ondersteuning aangepast.

Artikel 5.6 Omvang
  • 1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsing in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl bezoek voor de persoon met beperkingen noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

  • 2. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer tot 2000 kilometer mogelijk maken.

Artikel 5.7 Indicatievrije verstrekkingen

Bij de aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a door personen van 75 jaar en ouder wordt in afwijking van artikel 5.3 een indicatievrije verstrekking toegepast.

Hoofdstuk 6 Rolstoelen
Artikel 6.1 Typen rolstoelvoorzieningen

De door het college ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit:

a. een rolstoel, dan wel een aanpassing daaraan;

b. een sportrolstoel;

c. rolstoelaccessoires.

Artikel 6.2 Vorm rolstoelvoorzieningen
  • 1. De voorzieningen genoemd in artikel 6.1 onderdeel a en c worden in natura of in de vorm van een PGB verstrekt.

  • 2. De voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel b wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming en eens per vier jaar verstrekt.

Artikel 6.3 Recht op een rolstoelvoorziening
  • 1. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen, dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken.

  • 2. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel b vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen, het sporten zonder sportrolstoel onmogelijk maken.

  • 3. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien deze voorziening op grond van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen, medisch noodzakelijk is en niet algemeen gebruikelijk is.

  • 4. Zodra er aanspraak wordt gemaakt op een AWBZ indicatie voor verblijf in combinatie met behandeling in het kader van de AWBZ of een voorliggende voorziening in dit kader, kan er geen aanspraak (meer) worden gemaakt op een rolstoelvoorziening in het kader van de wet.

Hoofdstuk 7 Eigen bijdrage en eigen aandeel individuele voorzieningen
Artikel 7.1 Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel
  • 1. Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 jaar dienen te betalen bedraagt € 17,20 per vier weken, met dien verstande dat, indien het inkomen meer bedraagt dan € 21.703,00, het bedrag van €17,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen het inkomen en € 21.703,00.

  • 2. Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder dienen te betalen bedraagt € 17,20 per vier weken, met dien verstande dat, indien het inkomen meer bedraagt dan € 14.812,00, het bedrag van € 17,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen het inkomen en € 14.812,00.

  • 3. Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar dienen te betalen bedraagt € 24,60 per vier weken, met dien verstande dat, indien het gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 26.535,00, het bedrag van € 24,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen het gezamenlijke inkomen en € 26.535,00.

  • 4. Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn dienen te betalen bedraagt € 24,60 per vier weken, met dien verstande dat, indien het gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 20.431,00, het bedrag van € 24,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen het gezamenlijke inkomen en € 20.431,00.

  • 5. Het fiscaal partnerschap wordt door zowel de gemeente voor de berekening van het eigen aandeel alsmede door het CAK voor de berekening van de eigen bijdragen gelijkwaardig aangemerkt als de burgerlijke staat “gehuwd”, ongeacht seksuele voorkeur of vorm van het gezamenlijke huishouden.

  • 6. De eigen bijdrage of het eigen aandeel mag niet meer bedragen dan de kostprijs. Onder kostprijs wordt verstaan de vastgestelde dagwaarde van de voorziening.

  • 7. De bedragen genoemd in lid 1 t/m 4 worden jaarlijks automatisch conform de aanpassingen in artikel 4.1 lid 1 Besluit maatschappelijke ondersteuning aangepast.

Artikel 7.2 (Geen) eigen bijdrage of eigen aandeel
  • 1. Bij alle individuele voorzieningen wordt een eigen bijdrage of eigen aandeel gevraagd, met uitzondering van de hieronder in lid 2 en 3 genoemde voorzieningen.

  • 2. Bij de volgende voorzieningen wordt geen eigen bijdrage gevraagd:

    a. een voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a;

    b. een voorziening als bedoeld in artikel 6.1 onderdeel a.

  • 3. Bij de volgende voorzieningen wordt geen eigen aandeel gevraagd:

    a. een voorziening als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b en g;

    b. een voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel b;

    c. een voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel c;

    d. een voorziening als bedoeld in artikel 6.1 onderdeel b.

Artikel 7.3 Negenendertig perioden van vier weken

Indien een voorziening bestaat uit een roerende zaak die in eigendom of bruikleen wordt verstrekt of een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die eigendom of in huur is van de aanvrager, wordt gedurende een periode van 39 maal vier weken een eigen bijdrage in rekening gebracht, dan wel bij de vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkoming een met toepassing van het in artikel 7.1 vastgesteld bedrag in mindering gebracht.

Afdeling II Procedure

Hoofdstuk 8 De aanvraag en de besluitvorming
Artikel 8.1 Aanvraag
  • 1. Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier.

  • 2. De aanvraag dient te worden ingediend bij een van de sociale wijkteams of op het stadskantoor.

Artikel 8.2 Inlichtingen, onderzoek en advies
  • 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, de aanvrager en/of persoon met beperkingen:

    a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;

    b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.

  • 2. Het college vraagt een door haar daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien:

    a. de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen;

    b. het college dat overigens gewenst vindt.

  • 3. Een aanvrager en/of persoon met beperkingen is verplicht aan het college of de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

  • 4. Bij de advisering zoals genoemd in het tweede lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in ICF classificatie.

  • 5. De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Artikel 8.3 Samenhangende afstemming

Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de persoon met beperkingen laat het college onderzoek verrichten naar de situatie van de persoon met beperkingen. Bij het onderzoek wordt onder andere gekeken naar:

a. de algemene gezondheidstoestand van de persoon met beperkingen;

b. de beperkingen die de persoon met beperkingen in zijn of haar functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale problemen;

c. de woning en woonomgeving van de persoon met beperkingen;

d. het psychisch en sociaal functioneren van de persoon met beperkingen; e. de sociale omstandigheden van de persoon met beperkingen.

Hoofdstuk 9 Wijzigingen, intrekking en terugvordering
Artikel 9.1 Wijzigingen in de situatie

Degene aan wie krachtens deze verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening, een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.

Artikel 9.2 Intrekking van een voorziening
  • 1. Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien;

    a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

    b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.

  • 2. Een beschikking tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken, indien blijkt dat de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 9.3 Terugvordering
  • 1. Indien een beschikking op grond van artikel 9.2 geheel of gedeeltelijk is ingetrokken, kan de reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget geheel of ten dele als zijnde onverschuldigde betaling worden teruggevorderd.

  • 2. Indien een beschikking, inhoudende een in natura verstrekte voorziening, is ingetrokken op grond van artikel 9.2 kan deze voorziening worden teruggevorderd, dan wel de aanschafwaarde van deze voorziening uitgedrukt in een geldbedrag worden teruggevorderd.

  • 3. Terugvordering kan plaatsvinden voor zover na de dag waarop de beschikking, inhoudend toekenning van een voorziening op grond van deze verordening, is genomen, dan wel waarop de handeling als bedoeld in artikel 9.2 lid 2 heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Afdeling III Slot

Hoofdstuk 10 Overgangsrecht
Artikel 10.1 Overgangsbepaling hulp bij het huishouden
  • 1. De belanghebbenden die op 31 december 2006 huishoudelijke verzorging op grond van de AWBZ ontvingen, en bij wie de indicatie doorloopt tot na 1 januari 2007, blijven minimaal hetzelfde niveau (klasse en product) van hulp bij het huishouden ontvangen als zij vóór 1 januari 2007 daadwerkelijk ontvingen, ongeacht de verstrekkingvorm, zijnde hulp bij het huishouden in natura.

  • 2. Lid 1 is alleen van toepassing indien uit de indicatie blijkt dat bij de belanghebbende sprake is van een minimaal gelijkblijvend, danwel verslechterd niveau van de medische beperkingen en er geen sprake is van een wijziging in of van de leefeenheid.

  • 3. Indien er sprake is van een niet aan de persoon met beperkingen verwijtbare tekortkoming in de voorafgaande indicatiestelling, uitgevoerd onder de AWBZ vóór 1 januari 2007, welke blijkt bij de gemeentelijke indicatie nà 1 januari 2007, dan wordt het niveau van hulp bij huishouden, zoals bedoeld onder lid 1, aan de persoon met beperkingen niet naar beneden aangepast, indien de resultaten van de indicatie zouden leiden tot voor de klant onredelijke en onbillijke gevolgen.

  • 4. Het blijven ontvangen van hetzelfde niveau van hulp bij het huishouden, zoals bedoeld in lid 1, geldt zolang onderhavige verordening van toepassing is met inachtneming van lid 3.

Artikel 10.2 Overgangsbepaling vervoersvoorzieningen

De belanghebbende die op 31 december 2008 een forfaitaire vergoeding als genoemd in artikel 10 lid 6 Besluit individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2007 ontvingen, blijven deze forfaitaire vergoeding ontvangen voor de duur van de indicatie op grond van de Wmo. Voor nieuwe aanvragen wordt de voorziening met de inwerkingtreding van deze verordening beëindigd.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen
Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon met beperkingen of de woningeigenaar afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 11.2 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen, welke de uitvoering van deze verordening betreffen, waarin deze verordening niet voorziet, kan het college beslissen.

Artikel 11.3 Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkeling van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 11.4 Evaluatie

Het door het college gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening aangepast. Het college zendt hiertoe jaarlijks, met ingang van 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de praktijk.

Artikel 11.5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening individuele voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente Kerkrade 2009”.

Artikel 11.6 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 15 mei 2009.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Kerkrade op 22 april 2009.
De voorzitter van de raad, De griffier,
J.J.M. Som mr. drs. H.J.W. van Dongen

Nota-toelichting Toelichting

AFDELING I ALGEMEEN

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard.

a. Wet

Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.

b. College

De begripsomschrijving spreekt voor zich.

c. Aanvrager

Een individuele voorziening kan worden aangevraagd door een persoon met beperkingen van 18 jaar of ouder c.q de wettelijk vertegenwoordiger van deze persoon (ingeval van curatele) of diens gemachtigde. Is de individuele voorziening ten behoeve van een persoon jonger dan 18 jaar, dan wordt de wettelijk vertegenwoordiger aangemerkt als de aanvrager.

d. Persoon met beperkingen

De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is vanuit de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft waarschijnlijk de jurisprudentie op grond van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing.

e. Zelfredzaamheid

Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting van het amendement-Miltenburg c.s. (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65), dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.

f. Maatschappelijke participatie

Ook deze begripsomschrijving is, evenals het onder e genoemde, ontleend aan de toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.

g. Algemene voorziening

Met een algemene voorziening wordt bedoeld: een direct of uit voorraad beschikbare voorziening, die met een minimum aan bureaucratie kan worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen, zoals het collectief vervoer. De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een beperkte toegangsbeoordeling en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen. Kenmerk van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget.

h. Individuele voorziening

Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en personenalarmering.

i. ICF

De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel e van dit artikel genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”

j. Eigen bijdrage

Uit artikel 15 lid 1 van de wet vloeit de bevoegdheid voort voor het vragen van een eigen bijdrage. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat op grond van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels worden gesteld. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die het college heeft voor het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan. Een eigen bijdrage is alleen mogelijk bij een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, en dus niet bij een financiële tegemoetkoming.

k. Eigen aandeel in de kosten

Artikel 19 lid 1 van de wet bepaalt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot. Hierbij wordt in de toelichting op artikel 19 van de wet gesproken over een “eigen aandeel in de kosten van een voorziening”(TK 2004-2005, 30 131, nr. 3). Op grond van artikel 19 lid 2 van de wet zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning nadere regels gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen van een eigen aandeel.

l. Meerkosten

Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1 lid 1,onder g. de achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.

m. Voorziening in natura

Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming of een pgb worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening.

n. Persoonsgebonden budget

Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit.

o. Financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet perse een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.

p. Inkomen

Voor het inkomensbegrip wordt aansluiting gezocht bij artikel 4.2 lid 1 Besluit maatschappelijke ondersteuning. Als inkomen wordt het verzamelinkomen danwel het belastbaar loon genomen.

q. Huisgenoot

Iedereen met hetzelfde hoofdverblijf kan als huisgenoot worden aangemerkt.

r. Algemeen gebruikelijk

Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder de wet niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden.

Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen:

- die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;

- die niet speciaal voor persoon met beperkingen bedoeld zijn;

- die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel;

- de aan te schaffen voorziening kan voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend.

Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt in artikel 3.3 lid 2 terug.

s. Budgethouder

De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking krijgt over het persoonsgebonden budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen.

t. Hoofdverblijf

In de begripsomschrijving van woonvoorziening is tot uitdrukking gebracht dat het gaat om een woonruimte die bedoeld is om permanent bewoond te worden en daar ook geschikt voor is. Woonruimten die niet aan deze criteria voldoen komen niet voor aanpassing in aanmerking, ook al dienen zij voor een persoon met beperkingen tot woonverblijf. Vaak zal hier sprake zijn van niet-toegestane permanente bewoning van recreatieverblijven. In eerste instantie geeft de gemeentelijke bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de persoon met beperkingen daadwerkelijk verblijft heeft een zorgplicht voor het verlenen van voorzieningen. In die gevallen waarin personen met beperkingen een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de betreffende instellingen op grond van artikel 75 van de Wet GBA aanwijzen op bepaalde, door de gemeente vast te stellen tijdstippen een overzicht te verstrekken van personen welke naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten minste tweederde van de tijd in de instelling zullen verblijven. De zinsnede 'dan wel zal staan ingeschreven' is opgenomen voor situaties waarin de persoon met een beperking naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. In die gevallen dat de persoon met beperkingen naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. De Wmo zelf geeft hierover geen uitsluitsel. Artikel 4 van de Wmo stelt dat het college voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de belanghebbende in staat stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. De verordening beoogt met de zinsnede 'en op welk adres de persoon met beperkingen in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, dan wel zal staan ingeschreven' een mogelijkheid te openen aanvragen in te dienen bij gemeenten waar men nog niet woonachtig is. Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de goedkoopste, adequate oplossing is of dat een reeds geschikte woning beschikbaar is. De gemeente waaruit de persoon met beperkingen vertrekt, heeft hier geen zicht op. Van belang is wel dat er in voorkomende gevallen zekerheid bestaat dat de persoon met beperkingen ook daadwerkelijk naar de andere gemeente zal verhuizen en ook recht heeft op een woningaanpassing. Er dient dus een medische indicatie plaats te vinden. In die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor het bezoekbaar maken van een woonruimte is bovenstaande formulering van belang. Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten gemeente.

u. Gemeenschappelijke ruimten

Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt in de verordening omschreven als de ruimten die niet tot de onderscheiden woning behoren, zoals gangen en portalen en trappenhuizen die toegang verschaffen tot de woonruimte.

v. Woonwagen

De begripsomschrijving van woonwagen komt overeen met de begripsomschrijving zoals opgenomen in de Woningwet.

w. Standplaats

De begripsomschrijving van standplaats is in overeenstemming met de begripsomschrijving van standplaats in de Woningwet.

x. Rolstoelvoorziening

De begripsomschrijving spreekt voor zich.

y. Besluit

De begripsomschrijving spreekt voor zich.

z. Gebruikelijke zorg

Deze term wordt nader uitgewerkt in de Beleidsregels.

aa. Mantelzorg

De begripsomschrijving is in overeenstemming met artikel 1 lid 1 onderdeel b van de wet.

bb. Voorliggende voorziening

Indien belanghebbende ter compensatie van de ondervonden beperkingen aanspraak kan maken op een al dan niet wettelijke voorziening, hoeft er geen voorziening op grond van de wet te worden verstrekt.

Artikel 1.2 Voorwaarden en algemene weigeringsgronden

Artikel 1.2 lid 1 geeft de voorwaarden aan, die betrekking hebben op het toekennen van een voorziening.

1.2 lid 1 onderdeel a Langdurig noodzakelijk

Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de vervallen Verordening Wet voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie verschillen.

1.2 lid 1 onderdeel b

Individueel gericht

Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. Bij het verstrekken van voorzieningen wordt met uitzondering van een verzoek tot Hulp bij het Huishouden in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule.

1.2 lid 1 onderdeel c Goedkoopst adequaat

Voorzieningen, die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

1.2 lid 2

Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden, en een collectieve vervoersvoorziening.

1.2 lid 3 onderdeel a Algemeen gebruikelijk

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wet voorziening gehandicapten) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1.1 onderdeel r van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de financiële situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.

1.2 lid 3 onderdeel b Woonachtig in gemeente

In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen. De staatssecretaris heeft wel aangegeven dat het voor de hand ligt ervan uit te gaan dat de zorgplicht [red. compensatieplicht] zich in beginsel uitstrekt tot inwonenden in de gemeente en dat deze "doorloopt" als die persoon tijdelijk niet in de gemeente verblijft. Voor de vraag wanneer iemand in een gemeente woont, is zowel de inschrijving in de GBA als het feitelijk verblijf van belang (TK 2006-2007, 29 538, nr. 39). Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waarbinnen de aanvrager niet zijn hoofdverblijf heeft.

1.2 lid 3 onderdeel c Meerkosten

In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. Daarvoor is dit onderdeel c bedoeld.

1.2 lid 3 onderdeel d Kosten voor moment van beschikken

In onderdeel d wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is. Volgens de CRvB is het doel van een bepaling zoals lid 3 onderdeel d van de Verordening de gemeente niet in de positie te brengen dat de noodzaak, adequaatheid en passendheid van aangevraagde voorziening niet meer kan worden beoordeeld. Dit is niet zondermeer het geval als er in verband met een aanvraag kosten zijn gemaakt al voordat een beslissing is genomen (CRvB 08-10-2003,nr 02/1128 WVG). Indien deze beoordeling ondanks de reeds gemaakte kosten toch plaatsvinden, mag zeker niet op grond van een dergelijke (imperatieve) bepaling worden afgegeven. Uit deze jurisprudentie valt op te maken dat afwijzing op grond dat reeds kosten zijn gemaakt voordat het college een beslissing heeft genomen slechts houdbaar is wanneer de gemeente niet meer kan achterhalen of een voorziening noodzakelijk, adequaat en passend is om een aantoonbare beperking op het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen.

In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Dit is bepaald in artikel 1.2 lid 4 Verordening. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning.

1.2 lid 3 onderdeel e afschrijving

In onderdeel e wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.

1.2 lid 3 onderdeel f niet voldaan aan voorwaarden of verplichtingen

In dit onderdeel is aangegeven dat geen recht op een voorziening bestaat indien niet is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen bij of krachtens de wet.

Hoofdstuk 2. Vormen van te verstrekken individuele voorzieningen

Artikel 2.1 Keuzevrijheid

De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget of een voorziening in natura. Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van overwegende bezwaren, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget of voorziening in natura te verstrekken. Dit wordt geregeld in het Besluit. Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere aanbieders.

Artikel 2.2 Voorziening in natura

In dit artikel is bepaald dat in de beschikking wordt aangegeven welke voorziening wordt verstrekt.

Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming

Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden aan de verstrekking van een financiële tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 8 van deze verordening, biedt daartoe de mogelijkheid.

Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget

Lid 1

Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een toegekende voorziening wordt verstrekt. De in lid 1 onderdeel a van dit artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget of een voorziening in natura moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis. Lid 1 onderdeel b bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen waarbij er een onderscheid bestaat tussen de persoonsgebonden budgetten voor hulp bij de huishouding en de overige individuele voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit.

Lid 2

Hierin is de algemene eis neergelegd dat er een program van eisen wordt vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het programma van eisen is dus een belangrijk document. Als niet aan het programma van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende persoonsgebonden budget.

Lid 3

Lid 3 regelt dat elke budgethouder verantwoording dient af te leggen over de besteding van het persoonsgebonden budget. Daartoe dienen periodiek bewijsstukken te worden overlegd. De in onderdeel a bedoelde factuur is nodig in situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier, bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel. In onderdeel b is een betalingsbewijs genoemd, dat kan van belang zijn in situaties waarin er geen nota is, bijvoorbeeld bij een tweedehands-aankoop bij een particulier of uitbetaling aan een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het huishouden heeft verleend. In onderdeel c is genoemd een salarisadministratie; die kan noodzakelijk zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen voor het verrichten van hulp bij het huishouden.

Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden

Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden.

In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3 van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de voormalige WVG bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht.

Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd. Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden. In onderdeel a wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt. met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte (vb. klussendienst).

In onderdeel b wordt de hulp bij het huishouden in natura genoemd. Ook hier gaat het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de in onderdeel a genoemde vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en langduriger behoefte aan hulp.

In onderdeel c is het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden genoemd. Met dit pgb moet de persoon met beperkingen zelf hulp inkopen/inhuren.

Artikel 3.2 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden en recht op hulp bij het huishouden

Lid 1

In artikel 3.2 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden de persoon met beperkingen gebruik kan maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen personen met een beperking. Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate wijze kan oplossen.

Lid 2

Als de in lid 1 genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het huishouden aan de orde. De individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand niet voor een persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd in het Besluit.

Artikel 3.3 Weigeringsgronden

In dit artikel zijn de weigeringsgronden voor de hulp bij het huishouden opgenomen.

Lid 1

Onderdeel a

Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages.

Onderdeel b

In dit onderdeel is aangegeven dat geen hulp bij het huishouden wordt verstrekt indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions, trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen.

Lid 2

Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het huishouden. In de door het college vastgestelde beleidsregels wordt bepaald hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.

Artikel 3.5 Omvang van de hulp bij het huishouden.

In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien de persoon met beperkingen bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp bij het huishouden, wordt deze persoon ingedeeld in klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp bij het huishouden van de persoon met beperkingen enigszins stijgen of dalen binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een administratief voordeel, voor de persoon met beperkingen ook. Materieel kan het voor aanvragers binnen de speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of positief uitpakken, afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren zorg. Als die zorgbehoefte, uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte bevindt, is men voordelig uit; is de behoefte aan uren gelegen vlak onder het plafond van de klasse, is het voordeel minder. Zolang de objectief vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte blijft, is er sprake van een toereikende voorziening. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die klasse 6 overstijgt is het mogelijk additionele uren aan deze hoogste klasse toe te voegen. Dit houdt in dat voor de uren boven 16 uur per week een extra bedrag per uur wordt toegekend bovenop het bedrag van klasse 6. In het Besluit wordt door het college jaarlijks het daarbij passende uurbedrag vastgelegd.

Artikel 3.6 Omvang van het persoonsgebonden budget

Het pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld in klassen. De tarieven voor hulp bij het huishouden, die wordt ingekocht bij particulieren zijn aanzienlijk lager dan tarieven voor professionele hulp. Dit komt onder meer door het ontbreken van overheadkosten en kapitaallasten bij particulieren. In de AWBZ ging men ervan uit, dat de kosten voor de hulp bij huishouden, die de budgethouder zelf inkoopt, niet meer dan 75% van de kosten voor hulp bij professionele dienstverleners bedraagt ( Dit geldt zowel voor HV1 en HV2 ). Een PGB voor hulp bij het huishouden dient dan ook overeen te komen met 75% van de kosten van de geïndiceerde hulp.

Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen

Artikel 4.1 Typen woonvoorzieningen

In dit artikel zijn de typen woonvoorzieningen die op grond van de verordening verstrekt kunnen worden.

a.

Onder een algemene woonvoorziening wordt verstaan een algemeen, snel toegankelijke oplossing voor minder complexe woonproblemen. Voorbeelden zijn klussendiensten voor kleine woningaanpassingen zoals het aanbrengen van een wandsteun aan de voordeur of reparaties en het verstrekken van zaken zoals roerende woonvoorzieningen uit een depot.

b.

Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en herinrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college maakt de afweging tussen verstrekking van een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten en een woningvoorziening. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wet voorzieningen gehandicaptenjurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast etcetera zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente.

c en d.

Een bouwkundige of woontechnische woningvoorziening is een aanpassing van de woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten aanzien van de persoon met beperkingen. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk met name de woningsanering i.v.m. COPD verstaan worden.

e.

Omdat met de wet niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1 lid 1 onderdeel e van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.

Artikel 4.2 Vorm woonvoorzieningen

In dit artikel is aangegeven in welke vorm de woonvoorzieningen worden verstrekt.

Artikel 4.3 Het recht op een algemene voorziening

In dit artikel is aangegeven wanneer de belanghebbende in aanmerking kan komen voor een algemene woonvoorziening.

Artikel 4.4 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen.

In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat leidde tot artikel 4 van de wet (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65 - amendement Miltenburg c.s.). Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden opgelost. In dit artikel zijn de voorwaarden voor de diverse typen woonvoorzieningen opgenomen.

Primaat van de verhuizing

Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningvoorziening eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld.

Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en herinrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper dan de reeds bewoonde woonruimte aan te passen woning. Het college maakt de afweging of zij een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten willen geven of dat de woning van persoon met beperkingen aangepast moet worden. Indien aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven worden aan verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte van de persoon met beperkingen.

Bij de uiteindelijke keuze van de te verstrekken voorziening wordt een afweging gemaakt tussen de kosten van het verhuizen versus het aanpassen van de huidige woonruimte. Doorgaans wordt het verhuisprimaat niet opgelegd indien de woningaanpassing minder kost dan €10.000,-. Per individuele situatie dient daarbij te worden afgewogen of er nog woningaanpassingen noodzakelijk zijn in de nabije toekomst, om een totaalbeeld te verkrijgen. Een situatie kan tijdelijk opgelost worden door middel van een woningaanpassing, maar op termijn kan een verhuizing de meest adequate oplossing zijn. In dit geval moet de tijdelijkheid van een (kleine) woningaanpassing en het vooruitzicht op verhuizing in de nabije toekomst in gezamenlijkheid met de cliënt worden afgestemd. Daarbij wordt uitgegaan van een totaalbedrag ad €10.000,- aan woningaanpassingen, waaronder het verhuisprimaat in principe niet wordt opgelegd. Een ander aspect dat hierbij in acht moet worden genomen is dat het primaat van de verhuizing praktisch en in relatie tot de sociale omgeving wordt beperkt tot de eigen wijk, conform de wijkindeling van de gemeente Kerkrade. Dat wil zeggen dat in principe het primaat van verhuizing alleen wordt toegepast wanneer iemand ook binnen zijn eigen wijk kan verhuizen, tenzij betrokkene expliciet geen bezwaar heeft om te verhuizen naar een andere wijk.

Daarnaast moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen. Tevens moet bij de afweging verhuizen of aanpassen rekening gehouden worden met de sociale omstandigheden waarin de persoon met beperkingen zich bevindt zoals de aanwezigheid van mantelzorg. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uitgewerkt in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet geval.

Het moge duidelijk zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee maal een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting kan worden verstrekt: allereerst aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de persoon met beperkingen die naar de vrijgemaakte woning verhuist. De totaalkosten hiervan zullen een onderdeel uitmaken van de afweging of er een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt zal worden dan wel een woning aangepast moet worden.

Artikel 4.5 Losse woonunit.

Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de wet is deze mogelijkheid vervallen en komen de kosten voor rekening van de gemeenten. Als de woning beschikbaar blijft voor personen met beperkingen, kan de investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, kan een losse woonunit worden verstrekt.

Artikel 4.6 Uitsluitingen

Een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Onder vakantiewoning wordt verstaan de vakantiewoning, die niet als het hoofdverblijf van de persoon met beperkingen kan worden aangemerkt.

Artikel 4.7 Hoofdverblijf

In tegenstelling tot de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de inwoners van de gemeente. De staatssecretaris heeft wel aangegeven dat het voor de hand ligt ervan uit te gaan dat de zorgplicht zich in beginsel uitstrekt tot inwonenden in de gemeente en dat deze "doorloopt" als die persoon tijdelijk niet in de gemeente verblijft. Voor de vraag wanneer iemand in een gemeente woont, is zowel de inschrijving in de GBA als het feitelijk verblijf van belang (TK 2006-2007, 29 538, nr. 39).

In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel 4.9 onderdeel d.

Artikel 4.8 Gemeenschappelijke ruimten

De genoemde voorzieningen betreffen een limitatieve opsomming. Er worden geen andere woonvoorzieningen verstrekt ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten. Het college kan overigens niet besluiten geen enkele woonvoorziening te treffen, omdat de medisch noodzakelijke voorziening in de gemeenschappelijke ruimte niet op deze limitatieve lijst voorkomt. Er rust namelijk op het college een compensatieplicht. Het college kan echter wel het primaat van verhuizen toepassen bij voorzieningen voor gemeenschappelijke ruimten (CRvB 10-03-2004, nr. 02/4460 WVG).

Artikel 4.9 Weigeringsgronden

a.

Indien de ondervonden beperkingen voorvloeien uit de aard van de gebruikte materialen dan wordt geen woonvoorziening verstrekt. Problemen die betrekking hebben op, of het gevolg zijn van vocht en tocht in de woning zijn voor verantwoording van de eigenaar.

b.

Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal naar verwachting een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor de toegankelijkheid tot bijvoorbeeld privé sauna’s, het aanbrengen van inpandige zwembaden, ook niet voor aanpassingen die betrekking hebben op garages.

c.

In onderdeel c wordt de verhuizing vanuit een adequate woning naar een inadequate woning genoemd als weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.

d.

Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat een persoon met beperkingen zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Het zoeken of werven van een geschikte woning, ook in het kader van een Wmo aanvraag, is primair een verantwoordelijkheid van de persoon in kwestie waarbij hij ook een informatieplicht kent met betrekking tot het beoordelen van de geschiktheid van een woning. Van de persoon met beperkingen wordt verlangd dat hij zijn inspanningen richt op het verkrijgen van een woning, die zoveel mogelijk is aangepast aan de ondervonden beperkingen en dat hij of zij zich in verband hiermee in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente om te bezien wat de goedkoopst adequate oplossing is (CRvB 20-02-2002, nr. 00/5063 WVG). Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 4.7 lid 1, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.

e.

In onderdeel e wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig wonen. Naast en in samenhang met de leeftijd zijn aspecten zoals de soort woning, de aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving, alsook het bestaan van een sociaal netwerk van wezenlijke invloed op de vraag of het gaat om een verhuizing die te voorzien is, te verwachten valt (zie Rechtbank Roermond 22-08-2008, nr. AWB 08/127).

f.

Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer zelfstandig participeren, en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de Wet voorzieningen gehandicapten ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.

g. en h.

Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men heeft.

Artikel 4.10 Verhuis,- en inrichtingskosten

Uitgangspunt is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste en geschikte woningen in de gemeente. Om zo doelmatig mogelijk met de aangepaste en geschikte voorraad woningen om te kunnen gaan, kan het wenselijk zijn dat indien de band tussen persoon met beperkingen en woning is verbroken ( bijvoorbeeld door overlijden van de persoon met beperkingen ) deze woning opnieuw aan een andere persoon met beperkingen wordt toegewezen. In dat geval zullen de achterblijvende huurders naar een andere woonruimte moeten verhuizen. Het verlenen van een verhuiskostenvergoeding kan als stimuleringsmaatregel gezien worden. Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning. Als het college de achterblijvende gezinsleden verzoekt om de woning vrij te maken kunnen zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming.

Er kunnen verschillende redenen zijn op grond waarvan het college besluit om het vrijkomen van een woning te stimuleren door het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding. Hierbij kan gedacht worden aan de hoogte van eerder gemaakte investeringskosten van de vrij te maken woning. Een andere reden voor het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding kan zijn dat daarmee voorkomen wordt dat een woning voor meer dan een soortgelijk bedrag dient te worden aangepast. Afhankelijk van de situatie kan het college in uitzonderlijke gevallen de hoogte van de financiële tegemoetkoming laten afhangen van de concrete situatie. Het instrument wordt immers als stimulans aangewend om de medewerking van huurders te krijgen bij het vrijmaken van de woning voor een persoon met beperkingen. Aan de vaststelling van de hoogte van de bedragen moet een goede motivatie ten grondslag liggen om te voorkomen dat bepaalde bedragen verworden tot ( hoge ) standaardbedragen. Een kanttekening die gemaakt moet worden bij het bieden van een verhuiskostenvergoeding om een woning vrij te maken, is dat dit middel alleen een stimulans is en geen garantie biedt dat de woning daadwerkelijk vrij komt.

Artikel 4.11 Aanpassingen van woonwagens

De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een woonwagen, kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Vanwege de kenmerken van deze woonruimten zijn nadere voorwaarden gesteld. Aanpassingen moeten passen in het karakter van woonwagens. Aanvragen voor een overdekte gang van de woonwagen naar het douche,-/wc-gebouw komen bijvoorbeeld niet voor een vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een woonwagen is dat de wc zich buiten de wagen bevindt.

Indien niet aan de eisen zoals vermeld in artikel 4.11 kan worden voldaan, wordt geen uitgebreide aanpassing meer gerealiseerd. Om de beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk aan te wenden wordt er een bovengrens vastgesteld voor de hoogte van de in deze gevallen te verlenen financiële tegemoetkoming.

Artikel 4.12 Huurderving

Dit instrument kan ingezet worden om te bewerkstelligen dat een vrijgekomen, aangepaste woning wederom voor een persoon met beperkingen wordt ingezet. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving wordt verstrekt aan de eigenaar van een aangepaste woning in afwachting van een kandidaat huurder. Ook kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden omdat een geschikte kandidaat bezwaar heeft gemaakt tegen de toekenning van een verhuiskostenvergoeding, omdat hij of zij bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan het aanpassen van de woning in plaats van verhuizen naar een aangepaste woning.

Artikel 4.13 Onderhoud, keuring en reparatie

In dit artikel is bepaald dat het college slechts een voorziening genoemd in artikel 4.1 onderdeel g verleent indien de liftinstallatie in het kader van de Wmo, de WVG dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapt is verleend.

Artikel 4.14 Tijdelijke huisvesting

In dit artikel is bepaald wanneer de persoon met beperkingen in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting.

Artikel 4.15 Afschrijvingsregeling

Voor het berekenen van het terug te storten bedrag wordt als uitgangspunt genomen de ingevolge de wet verstrekt persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming.

Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoersmiddel

Artikel 5.1 Typen van vervoersvoorzieningen

In dit artikel is aangegeven welke vervoersvoorzieningen in het kader van de Verordening verstrekt kunnen worden. In onderdeel a is de collectieve vervoersvoorziening genoemd. De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld.

Artikel 5.2 Vorm vervoersvoorzieningen

In dit artikel is aangegeven in welke vorm de vervoersvoorzieningen worden verstrekt. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan worden opgemaakt waar de ondergrens ligt van de door de gemeente te treffen voorzieningen. Als iemand 800 meter kan lopen dan wordt hij in staat geacht de dichtstbijzijnde halte van het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Is de loopafstand 200 meter of meer dan is collectief vervoer in beginsel toereikend. Uit andere uitspraken blijkt dat van een zeer beperkte mobiliteit sprake is indien iemand tussen de honderd en tweehonderd meter kan lopen. Dit betekent dat als de gehandicapte zelfstandig tussen de 200 en 800 meter kan lopen, collectief vervoer in principe afdoende is. Veel mensen willen niet van het collectief vervoer gebruik maken omdat het onpraktisch is. Dat mag waar zijn, de gemeente behoeft daar geen rekening mee te houden. Van de gehandicapte kan immers verwacht worden dat hij zich beperkingen getroost. Het enkele feit dat het systeem niet (altijd) op tijd rijdt, maakt het volgens de Raad van Beroep nog niet tot een inadequate voorziening. Indien de gehandicapte minder dan 100 meter kan lopen, stelt de Raad van Beroep dat de voorziening die daarvoor moet worden verstrekt mede afhankelijk is van het geregelde in de verordening en de omstandigheden van het individuele geval. Een scootmobiel biedt dan in veel gevallen een passende oplossing.

Artikel 5.3 Het recht op een algemene voorziening

Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening terzake.

Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een aanvrager ( de bekende 800-metergrens ). Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Bij psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) wordt eerst gekeken of er een andere adequate voorziening, buiten de wet, getroffen kan worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan hoeft er geen vervoersvoorziening te worden verstrekt. Indien het psychische probleem niet therapeutisch opgelost kan worden, zou er een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.

Artikel 5.4 Het primaat van de algemene voorziening en het recht op individuele voorzieningen

Artikel 5.4 geeft het primaat van de algemene vervoersvoorziening aan boven de individuele verstrekkingen zoals genoemd in artikel 5.1 onderdeel b tot en met g.

Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem verstrekt worden. Dit is het geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn ( mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter ). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening (zie CRvB 05-04-2000, nr. 98/1930 WVG, CRvB 31-10-2001, nr. 00/4978 WVG en CRvB 10-12-2003, nr. 01/4097 WVG).

Artikel 5.5 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen

In dit artikel is aangegeven dat bepaalde vervoersvoorzieningen niet worden verstrekt indien belanghebbende een inkomen heeft boven een bepaalde inkomensgrens.

Artikel 5.6 Omvang

Onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten was de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon,- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1 onderdeel c over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt nog beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de wet niet is beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in artikel 5.6, conform de onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon,- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de WVG-jurisprudentie is omschreven.

Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen (CRvB 12-03-2002, 00/3220 WVG). Deze jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten uit te breiden.

Artikel 5.7 Indicatievrije verstrekkingen

In dit artikel wordt vanuit de invalshoek het vereenvoudigen van procedures en werkwijzen een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer voor personen van 75 jaar en ouder indicatievrij verstrekt.

Het buiten werking stellen van de medische indicatie voor collectief vervoer voor personen van 75 jaar en ouder betekent een versnelde afhandeling van verzoeken voor deze categorie. Uit ervaringsgegevens valt af te leiden dat zelden een aanvraag collectieve vervoersverzoening bij deze leeftijdscategorie om medische redenen wordt afgewezen.

Hoofdstuk 6 Rolstoelen

Artikel 6.1 Typen rolstoelvoorzieningen

In dit artikel staan de verschillende typen rolstoelvoorzieningen die worden verstrekt. Een rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip rolstoel.

De financiële tegemoetkoming is afgestemd op de verstrekking van een handbewogen sportrolstoel.

Artikel 6.2 Vorm rolstoelvoorzieningen

In dit artikel is aangegeven in welke vorm de rolstoelvoorzieningen worden verstrekt. De rolstoel dan wel aanpassing daaraan wordt in natura of in de vorm van een PGB verstrekt.

De sportrolstoel wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming waartoe een persoon met beperking eens per vier jaar een aanvraag kan indienen. Onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd verstrekt. Ditzelfde geldt in het kader van de Wmo. Dit houdt in dat de financiële tegemoetkoming niet kostendekkend hoeft te zijn.

Artikel 6.3 Recht op een rolstoelvoorziening

In dit artikel zijn de voorwaarden voor de toekenning van een (sport)rolstoel en rolstoelaccessoires opgenomen. Onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de huidige wet is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande vervallen Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het rijdend verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen.

Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.

De mogelijkheid van een rolstoelpool voor incidenteel te gebruiken rolstoelen is hier weggelaten. De verstrekking betreft dan verstrekking in natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget voor rolstoelen voor dagelijks zittend gebruik. Gevolg hiervan is, dat rolstoelen voor incidenteel gebruik in principe niet worden verstrekt, omdat niet voldaan wordt aan het criterium “voor dagelijks zittend verplaatsen”. Hiermee wordt aangesloten op het verstrekkingencriterium, zoals dat onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten gold.

Lid 4 is een nadere uitwerking van artikel 2 Wmo.

Hoofdstuk 7 Eigen bijdrage en eigen aandeel individuele voorzieningen

Artikel 7.1 Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel

Dit artikel regelt de (maximale) inkomensafhankelijke eigen bijdrage of eigen aandeel dat door een aanvrager mogelijk betaald moet worden bij een verstrekking en de wijze waarop dit berekend wordt. Van een eigen bijdrage is sprake bij een voorziening in natura en/of een pgb en kan gedurende een langere periode in rekening wordt gebracht, met een maximum per vier weken. De eigen bijdrage wordt voor de gemeente geïnd door het Centraal Administratie Kantoor in Den Haag; dit is wettelijk bepaald. Van een eigen aandeel is sprake bij een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming.

Bij de berekening van een eigen bijdrage of eigen aandeel voor de Wmo geldt er een anti cumulatiebeding met de AWBZ. Dat betekent dat een persoon die zowel voorzieningen afneemt van de Wmo alsmede de AWBZ nooit meer kan betalen aan eigen bijdragen of eigen aandeel dan het wettelijk vastgelegde maximum, en waarbij de inning van de eigen bijdragen en het eigen aandeel voor de Wmo voorrang hebben op de inning van de eigen bijdragen voor de AWBZ. Hierop is een uitzondering: Indien belanghebbende of diens partner een eigen bijdrage voor verblijf in AWBZ-instelling verschuldigd is, kan geen eigen bijdrage of eigen aandeel worden opgelegd (artikel 4.1 lid 5 onderdeel a landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning).

Voorbeeld berekening Betreft: persoon jonger dan 65 jaar, ongehuwd Inkomen: € 24.000,00 bruto Aanvraag: Hulp bij het huishouden, maximaal aantal uren p.w.

De hulp bij het huishouden wordt toegekend op basis van een indicatie. Omdat het inkomen van de aanvrager hoger is dan de relevante inkomensgrens, betaalt deze persoon per 4 weken naast een absoluut bedrag additioneel ook 15% over het inkomen dat meer bedraagt dan de inkomensgrens, zoals genoemd in de Verordening, arrtikel 7.1.

Berekening eigen bijdrage:

Nominaal deel eigen bijdrage: € 17,20

Inkomensafhankelijk deel: (24.000 – 21.703) x 1/13 x 15% € 26,50+

Te innen eigen bijdrage per vier weken: € 43,70

In lid 5 worden fiscaal partnerschap gelijkgesteld aan gehuwden. Het begrip “gehuwd” is wettelijk bepaald. Partner registratie wordt op grond van artikel 1 lid 2 onderdeel b van de wet gelijkgesteld aan gehuwd zijn. Kerkrade legt partnerregistratie/fiscaal partnerschap eveneens uit als een gezamenlijke huishouding, ongeacht seksuele voorkeur of samenlevingssituatie. Dit is van belang bij de bepaling van de eigen bijdrage/eigen aandeel. Dat betekent ook dat er nagegaan moet worden of er bij de bepaling van het verzamelinkomen sprake is van een fiscaal partnerschap.

Artikel 7.2 (Geen) eigen bijdrage of eigen aandeel

Bij alle individuele voorzieningen wordt een eigen bijdrage of eigen aandeel gevraagd. Er wordt echter geen eigen bijdrage gevraagd bij het collectief vervoer en een rolstoel. Daarnaast wordt geen eigen aandeel gevraagd bij een verhuiskostenvergoeding, een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een (eigen) auto, taxi of rolstoeltaxi en voor een sportrolstoel en voor het onderhoud, keuring en reparatie van een liftinstallatie in een woning.

Artikel 7.3 Negenendertig perioden van vier weken

Dit artikel regelt dat de eigen bijdrage of het eigen aandeel voor het verschaffen in eigendom of bruikleen van een roerende zaak of een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die in eigendom of huur is van de aanvrager gedurende maximaal 39 perioden van 4 weken in rekening kan worden gebracht. Dit is gebaseerd op artikel 4.1 lid 3 landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning. De periode geldt eveneens voor vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel waarvoor een eigen bijdrage/eigen aandeel wordt gevraagd.

AFDELING II PROCEDURE

Hoofdstuk 8 De aanvraag en de besluitvorming

Artikel 8.1 Aanvraag

Lid 1

In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de gegevens.

Lid 2

Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (TK 2005-2006, 30 131, nr. 54) is in artikel 5 lid 2 onderdeel a van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld.

Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2 onderdeel a ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld ( als vallend onder de AWBZ ) worden genoemd, terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de verantwoordelijkheid van het college. De door de gemeenteraad vast te stellen verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden.

Artikel 8.2 Inlichtingen, onderzoek, advies

Lid 1

Lid 1 van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het college bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag. Dit biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden.

Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen enige algemene bepalingen over ( externe ) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.

Lid 2

Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer de kosten van de voorzieningen het bedrag genoemd in het Besluit overtreffen. Dit om te kunnen beoordelen of de voorziening medisch noodzakelijk is en wat de goedkoopst adequate voorziening is en of het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager. Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld in onderdeel b, kan uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen (moa’s). Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen.

Lid 3

Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een duidelijke praktische samenhang met artikel 8.1 lid 1 van deze verordening, inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd. Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten.

Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Lid 4

Dit lid geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op TK 2005-2006, 30 131, nr. 65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.” Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.

Lid 5

Dit lid is opgenomen om te benadrukken dat er een dubbele motiveringsplicht van toepassing is.

Artikel 8.3 Samenhangende afstemming.

In artikel 5 lid 2 onderdeel b van de wet is vastgelegd dat de raad in de verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de toelichting op artikel 8.2 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om uitvoeringsbeleid. Daarvoor is een specifieke onderzoeksverplichting aan het college opgelegd.

Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit, voorafgaande aan de beschikking, wordt door het college bij de bevindingen van het onderzoek aangesloten.

Hoofdstuk 9 Wijziging, intrekking en terugvordering

Artikel 9.1 Wijzigingen in de situatie

Ingevolge dit artikel is de persoon met beperkingen die een voorziening heeft ontvangen verplicht wijzigingen die relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling van het (voortduren van het) recht op een voorziening, uit eigen beweging het college door te geven. Het gaat hier om alle gegevens en feitelijkheden waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van belang zijn, zoals verandering van de hoogte van het inkomen als het gaat om inkomensafhankelijke bijdragen, de staat van een in huur verstrekt voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat, verhuizing en dergelijke.

Artikel 9.2 Intrekking van een voorziening

Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden. Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich medebrengen. Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening , omdat de belanghebbende zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten.

Artikel 9.3 Terugvordering

De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de vordering hoger is dan € 5.000,00 en dus een procedure met procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte procureurstelling. Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een deurwaarder. De gemeente Kerkrade hanteert in beginsel het uitgangspunt dat er altijd zal worden teruggevorderd, tenzij er sprake is van onbillijkheden van overwegende aard.

Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de bouwkundige of woontechnische aanpassing is uitgevoerd. Artikel 9.2 lid 2 juncto artikel 9.3 lid 1 van de Verordening is dus niet van toepassing op bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen.

AFDELING III SLOT

Hoofdstuk 10 Overgangsrecht

Artikel 10.1 Overgangsbepaling hulp bij het huishouden

In de wet zijn twee overgangsartikelen opgenomen, namelijk artikel 40 (Wvg) en artikel 41 (AWBZ). Deze bepalingen regelen het overgangsrecht voor cliënten die op 31 december 2006 rechten op grond van de Wvg genieten of een indicatiebesluit op grond van de AWBZ hebben voor huishoudelijke verzorging. Het overgangsrecht houdt in dat zij nog gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, maar ten hoogste één jaar na de inwerkingtreding van de Wmo hun oude rechten en plichten behouden, aldus tot 1 januari 2008.

Met overgangscliënten worden personen bedoeld die reeds voor de inwerkingtreding van de Wmo (1 januari 2007) een indicatiebesluit hebben voor de duur van het besluit, doch maximaal 1 jaar (tot 1 januari 2008) na de inwerkingtreding van de Wmo hun rechten en plichten blijven behouden, zij het dat de Wmo de rechten en plichten overneemt. Onder “overgangscliënten” wordt verstaan: cliënten met een AWBZ-indicatie voor huishoudelijke verzorging die bij de inwerkingtreding van de Wmo nog van toepassing is (conform artikel 41, lid 3 van de Wmo). Voor deze overgangscliënten, met een indicatiebesluit hulp bij het huishouden dat doorloopt tot een datum na de invoeringsdatum van de Wmo, is in artikel 41 lid 3 Wmo het volgende aangegeven: “de rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektenkosten een indicatie is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet,..., blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet,...”

Uitgangspunt is aldus dat deze “overgangscliënten” hun rechten en verplichtingen blijven behouden tijdens de looptijd van het indicatiebesluit tot maximaal één jaar na inwerkingtreding van de Wmo. De toelichting op deze omschrijving (TK 2005-2006, 30, 131 p. 107-108) zegt dat de termijn van 1 jaar een redelijk termijn is en dat het niet de bedoeling is langer dan twee regimes naast elkaar te laten bestaan (AWBZ-Wmo). Na dat jaar is relevant wat in de verordening is bepaald.

In de praktijk blijkt uit de verhouding tussen de geleverde zorg van HV1 en HV2 en de geïndiceerde zorg, zoals deze was, dat tot 1 januari 2007 onder de AWBZ de meeste zorg in de vorm van HV plus werd verstrekt, ondanks een indicatie tot HV basis. Onder de Wmo is dit na 1 januari 2007 niet meer mogelijk. De gemeente dient die zorg te verstrekken die door het CIZ of de gemeente zelf is geïndiceerd. Dit heeft als gevolg dat de overgangsklanten mogelijk na een herindicatie onder de Wmo na 1 januari 2007 een “lager niveau” voorziening HbH ontvangen, terwijl in de medische beperkingen van de klant niets is veranderd.

Om de overgangscliënten AWBZ te vrijwaren van bovenstaand negatieve gevolgen heeft de gemeenteraad van de gemeente Kerkrade er voor gekozen een overgangsrechtbepaling in de verordening op te nemen welke afwijkt van het bepaalde in artikel 41 lid 3 van de wet (het overgangsregime huishoudelijke verzorging). In artikel 10.1 is bepaald dat de overgangscliënten AWBZ ook na herindicatie in het kader van de Wmo, minimaal hetzelfde niveau van hulp bij het huishouden ontvangen als zij daadwerkelijk ontvingen, voor de duur van 1 jaar maximaal tot 1 januari 2008, maar zolang er sprake is van een minimaal gelijkblijvend of verslechterde niveau van de medische beperkingen en er geen sprake is van wijziging in of van de leefeenheid.

Artikel 10.2 Overgangsbepaling vervoersvoorzieningen

In dit artikel is een overgangsbepaling neergelegd voor de belanghebbende die naar aanleiding van een heronderzoek geen aanspraak meer hebben op een financiële tegemoetkoming voor vervoer buiten het door de gemeente Kerkrade vastgestelde CVV vervoersgebied en/of buiten de openingstijden van het CVV.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Artikel 11.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.

Artikel 11.3 Indexering

Deze bepaling, maakt het mogelijk de bedragen, genoemd in het op de verordening gebaseerde Besluit, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning bepaalt in artikel 4.5 lid 1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen en eigen aandeel jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de hand wijzigingen in bedragen in deze verordening en Besluit tegelijkertijd hiermee door te voeren.

Artikel 11.4 Evaluatie

Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid en-of beleidsregels periodiek geëvalueerd te worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de verordening of van de beleidsregels.

Artikelen 11.5 en 11.6 Citeertitel; inwerkingtreding

Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.