Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp houdende regels omtrent de heffing en invordering van hondenbelasting (Verordening hondenbelasting 2020)

Geldend van 10-12-2019 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp houdende regels omtrent de heffing en invordering van hondenbelasting (Verordening hondenbelasting 2020)

De raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp;

gezien het voorstel van het college van 08 oktober 2019;

gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;

besluit:

vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2020

Artikel 1 - Belastbaar feit

Onder de naam ‘hondenbelasting’ wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente.

Artikel 2 - Belastingplicht

  • 1. Belastingplichtig is de houder van een hond.

  • 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.

  • 3. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.

Artikel 3 - Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven voor honden:

  • a.

    die worden of zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind persoon worden gehouden;

  • b.

    die worden of zijn opgeleid tot het dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door en gehandicapt persoon worden gehouden;

  • c.

    die worden of zijn opgeleid tot het dienen als hulphond of therapiehulphond en in hoofdzaak als zodanig worden gehouden;

  • d.

    die verblijven in een hondenasiel;

  • e.

    die uitsluitend voor verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren;

  • f.

    die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden.

Artikel 4 - Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.

Artikel 5 – Belastingtarief

De belasting wordt geheven naar de tarieven, opgenomen in Hoofdstuk 4 van de bij deze verordening behorende en nader vastgestelde ‘Tarieventabel gemeentelijke belastingen en heffingen’, zoals die geldt voor het betreffende belastingjaar.

Artikel 6 - Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 - Wijze van heffing

  • 1. De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2. Bij de heffing wordt gebruik gemaakt van aangiften

  • 3. Aangifte moet worden gedaan binnen 14 dagen na het ontstaan of de beëindiging van de belastingplicht

Artikel 8 - Ontstaan van de belastingplicht en heffing naar tijdsgelang

  • 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2. Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4. De belastingplicht eindigt op het tijdstip waarop de schriftelijke mededeling wordt ontvangen dat de belastingplichtige geen houder van een hond meer is, tenzij wordt aangetoond dat hij reeds eerder binnen het belastingjaar geen houder meer was.

Artikel 9 - Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 80,-, doch minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 10 - Kwijtschelding

Bij de invordering van hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 11 - Overgangsrecht

De 'Verordening hondenbelasting 2017’ van 24 november 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 - Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

Artikel 13 - Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening hondenbelasting 2020.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 21 november 2019.

drs. B.S.M. Sepers

griffier

mw. F. Ravestein

voorzitter