Verordening jeugdhulp gemeente Bronckhorst 2020

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Bronckhorst 2020

De raad van de gemeente Bronckhorst;

gelezen het voorstel van het college van b en w van 22 oktober 2019;

besproken in de commissievergadering van 14 november 2019;

gezien het advies van de Participatieraad van 7 oktober 2019;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet en de Gemeentewet.

Besluit:

  • 1.

    In te trekken de verordening: jeugdhulp gemeente Bronckhorst

  • 2.

    Vast te stellen de verordening: jeugdhulp gemeente Bronckhorst 2020

Hoofdstuk 1: Begrippen

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • 1.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • 2.

    hulpvraag: behoefte van een jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

  • 3.

    aanvraag: het als hulpvraag ingediende verzoek om een individuele voorziening;

  • 4.

    individuele voorziening: op de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de verordening;

  • 5.

    overige voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 11, eerste lid van de verordening;

  • 6.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • 7.

    wet: Jeugdwet;

  • 8.

    college: college van burgemeester en wethouders of een door het college gemandateerd orgaan of persoon;

  • 9.

    jeugdhulp: jeugdhulp, zoals bedoeld in art 1.1. van de wet.

Hoofdstuk 2: Toegang jeugdhulp buiten de gemeente

Artikel 2. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
  • 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. Alleen als de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger na verwijzing hierom verzoeken legt het college de te verlenen individuele voorziening, respectievelijk het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

  • 3. Het college kan nadere afspraken maken ten behoeve van hulp met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over de verwijzing, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 van de wet.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp:

  • die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel;

  • die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of

  • die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp in spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening, of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan bij de rechter als bedoeld in artikel 6.1.4 van de wet.

Hoofdstuk 3: Toegang jeugdhulp via de gemeente

Artikel 5. Melding hulpvraag
  • 1. Een hulpvraag kan door een jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger bij het college vormvrij worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt binnen maximaal 2 weken een afspraak voor een gesprek, als bedoeld in artikel 7 van de verordening. Hierbij wijst het college op de mogelijkheid tot het maken van een familiegroepsplan en dat hierbij ondersteuning geboden kan worden.

Artikel 6. Cliëntondersteuning
  • 1. Het college zorgt er voor dat jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger kosteloos een beroep kunnen doen op cliëntondersteuning, waarbij het belang van de jeugdige en of zijn ouders het enige uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst schriftelijk de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger op de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van cliëntondersteuning.

Artikel 7. Onderzoek
  • 1. Het college onderzoekt de melding in een gesprek met de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger. In dit gesprek wordt onderzocht:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en -voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • b.

      of er op basis van beschikbare informatie / gestelde diagnose sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja:

      • 1.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • 2.

        welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • 3.

        of en hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en

      • 4.

        voor zover de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;

    • c.

      op welke wijze bij de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en

    • d.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 2. Als de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

  • 3. Het college informeert de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

  • 5. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger meegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige en of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 6. De jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger verschaffen het college die informatie die voor het onderzoek nodig is en waarover zij redelijkerwijs de beschikking hebben.

Artikel 8. Identificatie

Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouders vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 9. Verslag
  • 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2. De jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger tekent het verslag voor gezien of voor akkoord.

  • 3. Bij afhandeling van de melding en/of aanvraag verstrekt het college aan de jeugdige en of ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger het ondertekende gespreksverslag.

  • 4. Als de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.

Artikel 10. Aanvraag
  • 1. Een aanvraag voor een individuele voorziening indienen is niet eerder mogelijk dan nadat het onderzoek naar de hulpvraag is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na ontvangst van de melding voor een voorziening.

  • 2. De jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, kunnen in reactie op het verslag van het gesprek (artikel 9 van deze verordening) aangeven dat conform of afwijkend daarvan een aanvraag doet voor een individuele voorziening. Het ondertekende verslag met eventuele aanvullende opmerkingen, wordt dan als aanvraag beschouwd.

  • 3. De jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, kunnen in reactie op het verslag (artikel 9 van deze verordening) schriftelijk aangeven een aanvraag te doen conform, of afwijkend van, het verslag van het onderzoek.

  • 4. De jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger geeft bij de aanvraag aan of hij dit als zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt wil hebben.

  • 5. Het college stelt in nadere regels het afwegingskader vast voor het beoordelen van een aanvraag.

  • 6. Het college stelt in nadere regels de uitgangspunten vast voor gebruikelijke zorg ouder(s) voor kinderen.

HOOFDSTUK 4: Voorzieningen

Artikel 11. Vormen van jeugdhulp
  • 1. De volgende vormen van overige (vrij-toegankelijke) voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      informatie & advies;

    • b.

      opvoed- en opgroeiondersteuning;

    • c.

      lichte ambulante hulpverlening.

  • 2. De volgende vormen van individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Ondersteuning individueel gericht op ontwikkeling en stabilisatie;

    • b.

      Ondersteuning groep gericht op ontwikkeling en stabilisatie;

    • c.

      Wonen en logeren;

    • d.

      Jeugdhulp met verblijf en crisisopvang;

    • e.

      Generalistische basis GGZ;

    • f.

      Specialistische GGZ en GGZ crisishulp;

    • g.

      Dyslexiezorg;

    • h.

      Curatieve GGZ zorg door kinderartsen;

    • i.

      Jeugdbescherming en jeugdreclassering.

  • 3. Het college kan bij nadere regeling vaststellen welke overige en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.

Artikel 12. Toekenning individuele voorzieningen
  • 1. Onverminderd de toegang tot de jeugdhulp ook toegankelijk na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of jeugdarts komt een jeugdige en of zijn ouders in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college tot het oordeel komt dat de jeugdige en of zijn ouders jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van alleen een overige voorziening de noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de meest adequate goedkoopste en tijdig beschikbare voorziening.

Artikel 13. Deskundig oordeel en advies

Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

Artikel 14. Inhoud beschikking
  • 1. De beschikking vermeld of de individuele voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 2. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura vermeldt de beschikking:

    • a.

      de individuele voorziening(en) die wordt verstrekt, wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en

    • d.

      indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 15. Toekenning individuele voorziening via pgb
  • 1. Het college verstrekt alleen een individuele voorziening in de vorm van een pgb als voldaan wordt aan de randvoorwaarden zoals genoemd in artikel 8.1.1. van de wet.

  • 2. Een pgb kan worden verstrekt voor begeleiding individueel, behandeling individueel, begeleiding groep, behandeling groep, persoonlijke verzorging, vervoer en logeren.

  • 3. De hoogte van een pgb:

    • 1.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige en of ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger opgesteld plan of door hen aangegeven plan dat wordt genoteerd in het gespreksverslag. In dat plan staat uiteengezet:

      • a.

        welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, en

      • b.

        indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger willen betrekken bij een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • 2.

      wordt berekend op basis een prijs of tarief:

      • a.

        waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken;

      • b.

        waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijke vertegenwoordiger de jeugdhulp willen betrekken, en

      • c.

        waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het vijfde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de jeugdige of zijn ouders, dan wel wettelijke vertegenwoordiger de mogelijkheid heeft om de betreffende jeugdhulp te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

      • d.

        wordt gebaseerd op het vaste tarief dat voor deze voorzieningen wordt gehanteerd door de aanbieders die hiervoor door de gemeenten in de Achterhoek gezamenlijk zijn gecontracteerd.

  • 4. Het college bepaalt bij nadere regels onder welke voorwaarden een pgb wordt verstrekt.

  • 5. Een jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger kan de toegekende begeleiding betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als deze hiervoor maximaal het hiervoor van toepassing zijnde tarief hanteert.

Artikel 16. Controle
  • 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte individuele voorzieningen en pgb’s worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet
  • 1. Het college informeert de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijk gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of uit eigen beweging aan het college mededeling van alle gewijzigde feiten en omstandigheden bij de hulpvragende, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk is dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb.

  • 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend of adequaat is te achten;

    • d.

      de jeugdige langer dan 13 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet Langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet of;

    • e.

      de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb;

    • f.

      de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 4. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college van degene bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb terugvorderen.

  • 5. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 18. Opschorting betaling uit het pgb
  • 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8,1,4 eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 17, derde lid, onder d.

  • 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van het verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
  • 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

    • a.

      de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • b.

      de voor de sector toepasselijke Cao in relatie tot de zwaarte van de functie;

    • c.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • e.

      kosten voor bijscholing van het personeel.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen aan de jeugdhulpverlening door periodiek te overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

HOOFDSTUK 6: Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 20. Klachtenregeling
  • 1. Het college behandelt klachten van de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

Artikel 21. Medezeggenschap
  • 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 22. Inspraak en medezeggenschap
  • 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding en evaluatie van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3. Het college stimuleert vormen van cliëntenparticipatie die passen bij de doelgroep jeugd.

HOOFDSTUK 7: Slotbepalingen

Artikel 23. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens 4 jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 24. Nadere regels en hardheidsclausule
  • 1. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  • 2. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 25. Overgangsrecht
  • 1. Een jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Bronckhorst, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Bronckhorst en waarop nog niet is beslist, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3. Van het in lid 2 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

  • 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Bronckhorst, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

  • 5. Van het in lid 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 26. Inwerkingtreding
  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

Artikel 27. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Bronckhorst 2020.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad van de gemeente Bronckhorst in zijn openbare vergadering van 28 november 2019,

de griffier,

M.J. van IJsseldijk

de voorzitter,

M. Besselink

Bijlage: begripsbepalingen Jeugdwet

Artikel 1.1 van de wet:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    accommodatie: bouwkundige voorziening of deel vaneen bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een jeugdhulpaanbieder;

  • -

    advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 12a van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • -

    begeleiding: activiteiten waarmee een jeugdige wordt ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven;

  • -

    burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

  • -

    calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • -

    dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

  • -

    familiegroepsplan: ondersteuningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • -

    gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;

  • -

    gekwalificeerde gedragswetenschapper: gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie;

  • -

    gesloten accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt verleend;

  • -

    gesloten jeugdhulp: opname, verblijf en jeugdhulp in een gesloten accommodatie op basis van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2;

  • -

    geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de aanbieder verblijft;

  • -

    huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • -

    ondersteuningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6;

  • -

    inspectie: inspectie jeugdzorg, bedoeld in artikel 9.1;

  • -

    jeugdarts: arts die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde profielregister jeugdgezondheidszorg;

  • -

    jeugdgezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid;

  • -

    jeugdhulp:

    • 1°.

      ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen;

    • 2°.

      het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

    • 3°.

      het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen vaneen tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;

  • -

    jeugdhulpaanbieder:

    • 1°.

      natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college;

    • 2°.

      solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college;

  • -

    jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent;

  • -

    jeugdige: persoon die:

    • 1°.

      de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

    • 2°.

      de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

    • 3°.

      de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

  • -

    jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiding van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen;

  • -

    kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 254, eerste lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  • -

    kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;

  • -

    maatschappelijke ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • -

    machtiging gesloten jeugdhulp: de machtiging, bedoeld in artikel 6.1.2;

  • -

    medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist is ingeschreven in een door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde register als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

  • -

    Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Veiligheid en Justitie tezamen;

  • -

    opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen:

    • 1°.

      psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen;

    • 2°.

      beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en

    • 3°.

      een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

  • -

    ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;

  • -

    persoonsgegevens, verwerking, bestand, onderscheidenlijk verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;

  • -

    plan van aanpak: plan betreffende de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in artikel 4.1.3;

  • -

    pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder;

  • -

    pleegoudervoogd: pleegouder die tevens belast is met voogdij als bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek;

  • -

    pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt;

  • -

    preventie: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of jeugdigen met een risico op psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met een risico op opvoedingsproblemen;

  • -

    strafrechtelijke beslissing: beslissing van de officier van justitie of de strafrechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering;

  • -

    vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • -

    verwijsindex: verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel 7.1.2.1;

  • -

    woonplaats:

    • 1°.

      woonplaats als bedoeld in artikel 12 van Boek 1van het Burgerlijk Wetboek;

    • 2°.

      ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een instelling als bedoeld in artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige;

    • 3°.

      ingeval de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is dan wel buiten Nederland is: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag.

TOELICHTING:

Algemeen

Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet (hierna: wet). Deze wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Een van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk).

Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2 van de wet eveneens dient vast te stellen.

Toeleiding naar de jeugdhulp

De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.

Vrij toegankelijk

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 11, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist

De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 11). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de wet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Ook kan een hulpvraag van een jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door Veilig Thuis). De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerder gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken.

Artikelsgewijs:

Hier worden enkel die bepalingen die een nadere toelichting behoeven nader toegelicht.

Artikel 1. Definities

Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 11 (individuele voorzieningen en overige voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 2 e.v..

De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet.

Met de aanduiding ‘de jeugdige en of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).

In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:

  • 1°.

    ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen;

  • 2°.

    het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

  • 3°.

    het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Artikel 2. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook nog steeds de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Uiteraard is de aanbieder hierbij gehouden aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente en uit de verordening (bijvoorbeeld ten aanzien van welke voorzieningen vrij toegankelijk zijn en welke alleen met een besluit van de gemeente). Zie ook de algemene toelichting en de toelichting bij artikel 11.

Het college maakt verder afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, de jeugdartsen en zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt (artikel 2.7, vierde lid, van de wet). Deze afspraken dienen ertoe dat de gemeente haar regierol kan waarmaken en de omvang van het voorzieningenpakket beheersbaar kan houden. De afspraken zullen ook ingaan op hoe de verwijzende artsen en degenen die namens de gemeente betrokken zijn bij de gemeentelijke toegang (zie artikel 5 en verder) op passende wijze van elkaar op de hoogte blijven met betrekking tot verwijzingen en behandelingen, zodat het streven van een integrale benadering en het uitgangspunt van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, in het bijzonder bij multiproblematiek, zo goed mogelijk verwezenlijkt kan worden.

Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen of in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Dit artikel is opgenomen in de verordening om een compleet beeld te schetsen van de toegang tot jeugdhulpvoorzieningen. Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Deze bevoegdheid staat in artikel 3.5. van de Jeugdwet. Voor deze gerechtelijke maatregelen geeft het college geen beschikking af als bedoeld in artikel 12.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp in spoedeisende gevallen

Dit artikel is opgenomen in de verordening om een compleet beeld te schetsen van de toegang tot jeugdhulpvoorzieningen. In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kunnen treffen.

Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in spoedeisende gevallen in artikel 6.1.3. en 6.1.8.

Artikel 5. t/m 10. Toegang jeugdhulp via de gemeente

Door deze en volgende bepalingen ( en in aanvulling daarop de nadere regeling van het college ) regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Deze bepalingen zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in dit hoofdstuk en in de wet waar “het college” staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren.

Voor het verkrijgen van een individuele voorziening geldt de in de artikelen 5 tot en met 10 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag (artikel 7) zal in samenspraak met de jeugdige en of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. De jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger die een beroep willen doen op een overige voorziening kunnen hier ook direct naartoe, zonder de meldingsprocedure te doorlopen.

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld te krijgen van de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger en de gezinssituatie. Het ligt daarom ook voor de hand dat één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger.

Artikel 11. Vormen van jeugdhulp

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen, Los van deze verplichting vindt de gemeente het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijk aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van de toegang tot jeugdhulp via de gemeente welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de “individuele voorzieningen”) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn ( de “overige voorzieningen”). Daarom zijn in dit artikel de vormen van jeugdhulp die door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en of zijn ouders.

Artikel 12. Toekenning individuele voorzieningen

In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen, inclusief het pgb. Hierbij is het voor het college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het al of niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van een overige of andere voorziening, goed te beoordelen.

Artikel 14. Inhoud beschikking

Indien de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger een aanvraag bij het college indienen of er overeenkomstig artikel 2, tweede lid, een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger een voorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.

De bepaling in lid 1 is opgenomen om een zo compleet mogelijk beeld te geven van rechten en plichten van burgers. De mogelijkheid voor bezwaar en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt voor alle besluiten. Indien een jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger in bezwaar en beroep wil, heeft hij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.

Artikel 15. Toekenning individuele voorzieningen via pgb

In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb artikel (8.1.1) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van de rechten en plichten van de jeugdige en zijn ouders te geven. In het eerste lid is verankert dat het college op grond van art. 8.1.1 van de wet een pgb kan verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Voor gemeenten is het onder meer van belang de een pgb slechts wordt verstrekt indien de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8,1,1, derde lid onder b, van de wet).

Artikel 16. Controle

Het college is verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van gelden op grond van de wet. In het tweede lid is de mogelijkheid van nadere regels opgenomen.

Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

Deze bepaling is een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, onder d. van de wet, waarin is bepaald dat de in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Aan het “bestrijden” van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s gaat het als het goed is echter een poging dit te “voorkomen” vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van jeugdigen en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een “informatieplicht” voor het college opgenomen.

Het tweede, derde en vijfde lid zijn waar het betreft pgb’s in hoofdzaak een herhaling van de regeling zoals deze is neergelegd in de artikelen 8.1.2 en 8.1.4 van de wet. Deze is hier echter uitgebreid naar individuele voorzieningen (in natura).

Ook het derde lid, onderdeel d, betreft een uitbreiding ten opzicht van de wet (artikel 8.1.4, eerste lid), zowel wat betreft individuele voorzieningen (in natura) als pgb. Op grond hiervan kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan 13 weken verblijft in een instelling als is bedoeld in de Wlz of de Zvw. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, als de verzekerde langer dan – in dat geval – twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld inde wet of de Zvw.

Het vierde lid is een “kan”-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling van het derde lid, onder f (dat tevens op individuele voorzieningen (in natura) ziet.

De bepaling beoogt het standaardiseren van de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In de toelichting op de NvW is voorts vermeld dat het immers tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van individuele voorzieningen of pgb’s. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan.

Lid 1 van deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. De bepaling in lid 2 is geënt op artikel 8.1.4 van de wet en is in de verordening opgenomen op grond van de verplichting van artikel 2.9, onder d, van de wet .Ook hier is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Lid 3 en lid 4 hebben betrekking op respectievelijk de terugvordering van de geldswaarde van een ten onrechte genoten individuele voorziening en de mogelijkheid van intrekking van een besluit tot verlening van een pgb.

Artikel 18. Opschorting betaling uit het pgb

Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.9, aanhef en onderdeel d, van de wet, in combinatie met artikel 8b, vierde lid, aanhef en onder f, van de Regeling jeugdwet, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 8b, vierde lid, van de Regeling jeugdwet) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 8.1.4 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor de herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan bij herziening van de toekenningsbeschikking.

Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:

  • 1.

    de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zouden hebben geleid,

  • 2.

    de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of

  • 3.

    de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, die aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4.56 van de Awb en onder de Wlz.

Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, derde lid, onder d. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik maakt van de individuele voorziening of het pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6.3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit aanbiedersjeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige en of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet) Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moet bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (art. 2.12 van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Artikel 20. Klachtregeling

Dit artikel is optioneel omdat de gemeente op grond van hoofdstuk 9 van de Awb in het algemeen al verplicht is tot een verordening met betrekking tot klachtbehandeling vast te stellen. Een dergelijke algemene verordening voor klachtbehandeling heeft de gemeente Bronckhorst. Ook hier is het voor de volledigheid van het proces van deze verordening wenselijk het artikel hier ook op te nemen.

Artikel 21. Medezeggenschap

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 22. Inspraak en medezeggenschap

Met dit artikel wordt voldaan aan de wettelijke verplichting in de Jeugdwet (art. 2.10). Daarbij wordt ook in overwegende mate aangesloten op de betreffende regelgeving in de Verordening maatschappelijke ondersteuning op basis van de nieuwe Wmo. Met deze formulering wordt de nadruk meer gelegd op de gelegenheid tot inspraak en medezeggenschap en minder op de wijze waarop dit kan worden vorm gegeven.

Artikel 23. Evaluatie

Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau (zie artikel 7.10 van de wet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten.

Artikel 24. Nadere regels

Het kan noodzakelijk zijn om nadere regels te stellen op het gebied van onderwerpen die niet expliciet als onderwerp van nadere regelgeving zijn aangemerkt. In nadere regels kunnen onderwerpen uit de verordening nader worden uitgewerkt. Dit artikel biedt de grond hiertoe.

Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.

Artikel 25. Overgangsrecht

Dit artikel voorziet in het overgangsrecht voor de jeugdige en/of zijn ouders als zij te maken zouden krijgen met nieuwe regelingen ten gevolgde van de vaststelling van deze nieuwe Verordening jeugdhulp gemeente Bronckhorst 2020.

Artikel 26. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

Artikel 27. Citeertitel

De citeertitel geeft aan onder welke benaming deze verordening kan worden aangehaald. Het vermelde jaartal geeft het jaar van vaststelling aan, niet de geldingsduur. Deze is in beginsel onbeperkt vanaf de datum van inwerkingtreding.