GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING PLASSENSCHAP LOOSDRECHT e.o.

Geldend van 01-07-2018 t/m heden

Intitulé

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING PLASSENSCHAP LOOSDRECHT e.o.

De raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Utrecht, Stichtse Vecht en Wijdemeren en provinciale staten en de colleges van gedeputeerde staten van de provincies Noord-Holland en Utrecht;

Gelezen de voorstellen van de colleges van burgemeester en wethouders aan de raden van de gemeenten Utrecht, Stichtse Vecht en Wijdemeren en van de colleges van gedeputeerde staten aan provinciale staten van de provincies Utrecht en Noord-Holland,

Gelezen de toestemming van de raden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Utrecht, Stichtse Vecht en Wijdemeren,

Gelezen de toestemming van provinciale staten aan de colleges van gedeputeerde staten van de provincies Noord-Holland en Utrecht ;

Gelet op de bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen en in het bijzonder artikel 51;

Overwegen het volgende:

de belangen van openluchtrecreatie en natuur- en landschapsbescherming in het gebied waarop de regeling betrekking heeft zijn bovengemeentelijk en provinciegrensoverschrijdend van aard;

het is wenselijk samen te (blijven) werken in een openbaar lichaam dat de belangen behartigt van de openluchtrecreatie en natuur- en landschapsbescherming in het gebied waarop de regeling betrekking heeft;

de gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o. 2007 is in 2011 aangepast en in 2015 zijn wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen in werking getreden zodat aanleiding bestaat om de gemeenschappelijke regeling in zijn geheel te actualiseren;

Besluiten de gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht E.O. 2007 gewijzigd vast te stellen en de naam daarvan aan te passen zodat de tekst daarvan als volgt komt te luiden:

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING PLASSENSCHAP LOOSDRECHT E.O.

HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begrippen
  • 1. Deze regeling verstaat onder:

    • a.

      'Plassenschap': het openbaar lichaam zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze regeling;

    • b.

      'deelnemers': alle aan de regeling deelnemende gemeenten en provincies;

    • c.

      'gebied': het gebied als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van deze regeling;

    • d.

      'Plassenraad': het algemeen bestuur van het Plassenschap;

    • e.

      'Wet': de Wet gemeenschappelijke regelingen.

    • f.

      ‘RMN’: de gemeenschappelijke regeling bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden Nederland

  • 2. Waar in of krachtens deze regeling artikelen van de Gemeentewet, Provinciewet of enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komt in die artikelen in de plaats van:

    • a.

      'de provincie' en 'de gemeente': het Plassenschap;

    • b.

      'provinciale staten' en 'de gemeenteraad': de Plassenraad;

    • c.

      'gedeputeerde staten' en 'burgemeester en wethouders': het dagelijks bestuur;

    • d.

      'de commissaris van de koning' en 'de burgemeester': de voorzitter.

Artikel 2 Openbaar lichaam
  • 1. Ter verwezenlijking van de in artikel 3, tweede lid, genoemde belangen is er een openbaar lichaam, genaamd 'Plassenschap Loosdrecht e.o.'.

  • 2. Het openbaar lichaam is gevestigd te Utrecht.

Artikel 3 Werkgebied en te behartigen belangen
  • 1. Het gebied waarvoor deze regeling geldt, is aangegeven op de bij deze regeling behorende en als zodanig gewaarmerkte twee kaarten.

  • 2. Deze regeling is getroffen ter behartiging van de belangen van de openluchtrecreatie, de bescherming van natuur en landschap voor zover samenhangend met de recreatiekwaliteit en het nautisch beheer van het openbaar water binnen het gebied;

Artikel 4 Taken en bevoegdheden
  • 1. Ter verwezenlijking van de in artikel 3, tweede lid, genoemde te behartigen belangen worden aan het Plassenschap de volgende taken en bevoegdheden overgedragen:

    • a.

      het aanleggen, onderhouden en eventueel exploiteren van recreatieve voorzieningen en het uitvoeren van andere werken verband houdend met het te behartigen belang;

    • b.

      het instandhouden en verbeteren van het natuur- en landschapsschoon voor zover samenhangend met de recreatiekwaliteit;

    • c.

      het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, al dan niet door strafbepalingen of bestuursdwang te handhaven, die de belangen van de recreatie, bescherming van natuur en landschap of het nautisch beheer van het openbaar water betreffen;

    • d.

      de taken en bevoegdheden die ingevolge de Scheepvaartverkeerswet en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten zijn toegekend aan het bevoegd gezag;

    • e.

      het heffen van rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet en de rechten waarvan heffing krachtens bijzondere wetten geschiedt;

    • f.

      de gemeentelijke bevoegdheid ingevolge artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht;

    • g.

      de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang zoals bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet;

    • h.

      het in samenhang met de taken en bevoegdheden genoemd onder a. tot en met h. toepassen van de in de Algemene wet bestuursrecht en in andere relevante regelgeving opgenomen procedures.

  • 2. De besturen van de deelnemende gemeenten zijn niet langer bevoegd gebruik te maken van de door haar ingevolge het eerste lid overgedragen bevoegdheden.

  • 3. Het Plassenschap neemt met andere recreatieschappen deel aan een gemeenschappelijke regeling: de bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden Nederland (RMN). Daaraan wordt de coördinatie van de voorbereiding en uitvoering van grensoverschrijdend gemeenschappelijk beleid opgedragen en daarbij is het personeel dat voor het Plassenschap werkzaam is, in dienst.

HOOFDSTUK II: HET BESTUUR

Paragraaf I.

De Plassenraad

Artikel 5 Samenstelling
  • 1. De Plassenraad bestaat uit 12 leden, te weten:

    • a.

      drie vertegenwoordigers van de gemeente Stichtse Vecht, aan te wijzen door de raad van die gemeente uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders.

    • b.

      drie vertegenwoordigers van de gemeente Wijdemeren, aan te wijzen door de raad van die gemeente uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders.

    • c.

      twee vertegenwoordigers van de gemeente Utrecht, aan te wijzen door de raad van die gemeente uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders.

    • d.

      twee vertegenwoordigers van de provincie Noord-Holland, aan te wijzen door provinciale staten uit hun midden en uit de leden van het college van gedeputeerde staten;

    • e.

      twee vertegenwoordigers van de provincie Utrecht, aan te wijzen door provinciale staten uit hun midden en uit het college van gedeputeerde staten;

  • 2. Er dient bij de aanwijzing ingevolge het eerste lid van iedere deelnemer tenminste één lid te worden aangewezen uit het college van burgemeester en wethouders respectievelijk het college van gedeputeerde staten. De voorzitter van de Plassenraad wordt uit de leden als bedoeld in dit lid verkozen en maakt als lid deel uit van de Plassenraad.

  • 3. De aanwijzing van de leden van de Plassenraad vindt plaats zodra de gemeenteraden respectievelijk provinciale staten de nieuwe colleges van burgemeester en wethouders respectievelijk van gedeputeerde staten hebben samengesteld na de gemeenteraadsverkiezingen respectievelijk statenverkiezingen. Het aanwijzen van leden ter vervulling van plaatsen die door ontslag, overlijden of om een andere reden openvallen, vindt plaats binnen acht weken na dat openvallen.

  • 4. De leden van de Plassenraad worden aangewezen voor een periode van vier jaar. Een tussentijds aangewezen lid wordt aangewezen voor de resterende bestuursperiode van de opengevallen plaats. Een lid dat ophoudt lid te zijn van provinciale staten, de gemeenteraad, het college van gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders houdt tevens op lid te zijn van de Plassenraad.

  • 5. Het lidmaatschap van de Plassenraad is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van het Plassenschap aangesteld of daaraan ondergeschikt, dan wel daarvoor werkzaam.

  • 6. De in het eerste lid van dit artikel genoemde aanwijzende organen wijzen voor elk lid van de Plassenraad tevens een plaatsvervanger aan. Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing op een plaatsvervangend lid van de Plassenraad.

  • 7. De Plassenraad kan zich zowel in als buiten de vergadering laten bijstaan door adviseurs.

Artikel 6 Bevoegdheden
  • 1. Aan de Plassenraad behoren alle bevoegdheden die aan het Plassenschap toekomen ingevolge artikel 4, eerste lid, en die niet bij of krachtens de bepalingen van deze regeling aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter zijn opgedragen.

  • 2. Met betrekking tot de overdracht van bevoegdheden door de Plassenraad aan het dagelijks bestuur is artikel 156 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden van de Plassenraad vinden de in de Gemeentewet gestelde regelen zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Vergaderingen
  • 1. De leden van de Plassenraad hebben de bevoegdheid personen uit te nodigen om als adviseur aan een vergadering deel te nemen. Het reglement van orde voor de vergaderingen van de Plassenraad kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 2. Elk lid van de Plassenraad heeft één stem, met uitzondering van de leden afkomstig van de deelnemers Stichtse Vecht en Wijdemeren. Deze leden beschikken elk over twee stemmen.

  • 3. Ten aanzien van de openbaarheid van vergaderingen is het bepaalde in de artikelen 23, 24 en 25 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De Plassenraad vergadert ten minste twee maal per jaar.

Artikel 8 Inlichtingenplicht
  • 1. Een lid van de Plassenraad is gehouden inlichtingen te verstrekken, die door een of meer leden van de provinciale staten of de gemeenteraad van de deelnemer die deze leden heeft aangewezen zijn gevraagd.

  • 2. Het verstrekken van deze inlichtingen gebeurt mondeling op een door die staten of raad te bepalen wijze dan wel schriftelijk indien de staten of raad daartoe besluiten. De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk door de Plassenraad verstrekt. Dit geldt eveneens voor de door een of meer leden van de provinciale staten of de gemeenteraad van een deelnemer aan de Plassenraad verzochte inlichtingen.

  • 3. De deelnemende gemeenten en provincies zijn verplicht aan de Plassenraad inlichtingen te verschaffen omtrent plannen en maatregelen die voor het Plassenschap van belang zijn.

Artikel 9 Verantwoording
  • 1. Een lid van de Plassenraad kan door de provinciale staten of de gemeenteraad van de deelnemer die dit lid heeft aangewezen ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid op een door deze staten of raad te bepalen wijze.

  • 2. De provinciale staten en de gemeenteraad van een deelnemer kunnen een door hen aangewezen lid van de Plassenraad ontslag verlenen indien dit lid het vertrouwen van de staten of de raad niet meer bezit.

Artikel 10 Verordeningen
  • 1. De vaststelling van door strafbepalingen of bestuursdwang te handhaven verordeningen geschiedt door de Plassenraad.

  • 2. De Plassenraad doet een ontwerp van de vast te stellen verordening zoals bedoeld in het eerste lid toekomen aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan de gedeputeerde staten van de deelnemende provincies.

  • 3. Na verloop van acht weken na de verzending van het ontwerp kan de Plassenraad de verordening vaststellen, tenzij een met redenen omkleed schriftelijk bericht is ontvangen dat een van de deelnemende gemeenten of provincies van mening is dat de verordening in zijn geheel of gedeeltelijk buiten de taak van het Plassenschap valt. Voor een wijziging van de verordening waarin aanpassingen van niet ingrijpende aard zijn verwerkt zijn het tweede en het derde lid niet van toepassing.

Artikel 11 Commissies

De Plassenraad kan met inachtneming van artikel 52 jo de artikelen 24 en 25 van de Wet, commissies instellen met het oog op behartiging van bepaalde belangen.

Paragraaf 2.

Het dagelijks bestuur

Artikel 12 Samenstelling
  • 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit 5 leden, waaronder de voorzitter, aan te wijzen door de Plassenraad uit zijn leden die tevens lid zijn van een college van burgemeester en wethouders of een college van gedeputeerde staten.

  • 2. Iedere deelnemende gemeente en provincie dient met één lid in het dagelijks bestuur te zijn vertegenwoordigd.

  • 3. De leden van het dagelijks bestuur worden door de Plassenraad uiterlijk een maand na het tijdstip van hun aantreden in de Plassenraad aangewezen. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur openvalt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.

  • 4. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen voor een periode van vier jaar. Een tussentijds aangewezen lid wordt aangewezen voor de resterende bestuursperiode van de opengevallen plaats. Een lid dat ophoudt lid te zijn van de Plassenraad houdt tevens op lid te zijn van het dagelijks bestuur.

  • 5. Het dagelijks bestuur kan zich zowel in als buiten de vergadering laten bijstaan door adviseurs.

Artikel 13 Bevoegdheden
  • 1. Tot de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur behoort:

    • a.

      het voeren van het dagelijks bestuur van het Plassenschap, voor zover niet bij of krachtens de wet de Plassenraad of de voorzitter hiermee is belast;

    • b.

      het opstellen van agenda's en verslagen van vergaderingen van de Plassenraad;

    • c.

      het voorbereiden van al hetgeen in de Plassenraad ter overweging en beslissing moet worden gebracht;

    • d.

      de informatievoorziening aan de Plassenraad;

    • e.

      het uitvoeren van de besluiten van de Plassenraad;

    • f.

      de zorg voor het beheer en onderhoud van alle werken, inrichtingen en eigendommen van het Plassenschap alsmede het toezicht daarop;

    • g.

      het vaststellen van plannen en voorwaarden van aanbesteding of uitvoering van werken en leveringen ten behoeve van het Plassenschap, voor zover de Plassenraad dit niet aan zich heeft gehouden;

    • h.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen en het doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit; het beheer van de inkomsten en uitgaven van het Plassenschap;

    • i.

      het toezicht op de uitvoering van werken in het kader van de te behartigen belangen;

    • j.

      het toezicht op de naleving van de bepalingen in de regelgeving van het Plassenschap; het uitoefenen van de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang zoals bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet;

    • k.

      de taken en bevoegdheden die ingevolge de Scheepvaartverkeerswet en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten zijn toegekend aan het bevoegd gezag;

    • l.

      het in samenhang met de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a. tot en met h., toepassen van de in de Algemene wet bestuursrecht en in andere relevante regelgeving opgenomen procedures;

    • m.

      het zorgdragen voor bewaring en beheer van de archiefbescheiden van de organen van het Plassenschap.

  • 2. Bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur vinden de in de Gemeentewet en Provinciewet gestelde regelen zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Vergaderingen
  • 1. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

  • 2. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem.

  • 3. Het dagelijks bestuur kan voor zijn vergaderingen een reglement van orde vaststellen.

  • 4. Ten aanzien van het beraadslagen en besluiten zijn de artikelen 54 tot en met 59 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15 Inlichtingenplicht
  • 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn gehouden aan de Plassenraad de door een of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen te verstrekken.

  • 2. Het verstrekken van inlichtingen gebeurt mondeling in de eerstvolgende vergadering van de Plassenraad en indien de Plassenraad of het dagelijks bestuur daartoe besluit, tevens schriftelijk.

  • 3. De deelnemers geven het dagelijks bestuur op zijn verzoek alle informatie die nodig kan zijn voor de uitoefening van de taak van het Plassenschap.

Artikel 16 Verantwoording
  • 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan de Plassenraad verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Zij leggen op verzoek van de Plassenraad verantwoording af aan de Plassenraad.

  • 2. Het afleggen van verantwoording gebeurt mondeling in de eerstvolgende vergadering van de Plassenraad en indien de Plassenraad of het dagelijks bestuur daartoe besluit, tevens schriftelijk.

  • 3. Een lid van het dagelijks bestuur kan door de Plassenraad worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van de Plassenraad niet meer bezit.

Paragraaf 3:

De voorzitter

Artikel 17
  • 1. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden door en uit de Plassenraad aangewezen voor een periode van vier jaar of bij tussentijds aantreden voor de nog lopende zittingsduur. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens de voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 2. Bij afwezigheid van zowel de voorzitter als de plaatsvervangend voorzitter treedt het oudste lid in jaren van het dagelijks bestuur dat aanwezig is, als voorzitter op, tenzij de Plassenraad een ander met de vervanging belast.

Artikel 18 Taak en bevoegdheden
  • 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van de Plassenraad en van het dagelijks bestuur.

  • 2. De voorzitter draagt zorg voor de uitvoering van de besluiten van het dagelijks bestuur.

  • 3. De voorzitter ondertekent alle stukken die van de Plassenraad of van het dagelijks bestuur uitgaan. Hij kan de ondertekening opdragen aan een door hem aangewezen gemachtigde.

  • 4. De voorzitter vertegenwoordigt het Plassenschap in alle rechtsgedingen en bij alle buitengerechtelijke rechtshandelingen. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aangewezen gemachtigde.

Paragraaf 4:

Vergoedingen

Artikel 19
  • 1. De Plassenraad kan voor de leden van het bestuur een tegemoetkoming in de kosten en, voor zover zij niet de functie van wethouder, burgemeester of gedeputeerde vervullen, een vergoeding voor hun werkzaamheden vaststellen, met inachtneming van artikel 52 jo artikel 21 van de Wet.

  • 2. De leden van commissies als bedoeld in artikel 52 jo de artikelen 24 en 25 van de Wet, voor zover zij niet de functie van wethouder, burgemeester of gedeputeerde vervullen, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissies ontvangen, waarvan de hoogte met inachtneming van artikel 52 jo artikel 24, vierde lid, van de Wet door de Plassenraad wordt vastgesteld.

HOOFDSTUK III: PERSONEEL

Artikel 20 Secretaris
  • 1. De secretaris staat het bestuur van het Plassenschap bij in alles wat de aan het bestuur opgedragen taken betreft en is hiervoor rechtstreeks aan het betrokken bestuursorgaan verantwoording schuldig.

  • 2. De secretaris ondertekent mede alle stukken die van de Plassenraad en van het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 3. De Plassenraad benoemt, schorst en ontslaat de secretaris. De secretaris is in dienst bij RMN.

  • 4. Voor een benoeming tot secretaris stelt het dagelijks bestuur een aanbeveling op van zo mogelijk twee personen.

  • 5. De Plassenraad stelt een instructie voor de secretaris vast.

  • 6. De Plassenraad regelt de vervanging van de secretaris ingeval van diens afwezigheid.

Artikel 21 Personeel
  • 1. Het Plassenschap vergoedt RMN de kosten van de betrokken personeelsleden die werkzaamheden voor het Plassenschap verrichten conform artikel 21, eerste lid van de Gemeenschappelijke Regeling Recreatie Midden Nederland. Onder deze kosten zijn mede de verplichtingen begrepen die na beëindiging van aanstelling uit het ambtenarenrecht of burgerlijk recht voortvloeien.

  • 2. Al hetgeen verder de aanstelling, de ter beschikkingstelling en de kostenvergoeding betreft wordt geregeld in de gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 4, vierde lid.

HOOFDSTUK IV: FINANCIËN

Paragraaf 1:

Algemeen

Artikel 22
  • 1. De Plassenraad stelt, met inachtneming van het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten, voorschriften vast met betrekking tot het financiële beheer. De artikelen 190 tot en met 2019 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing. In de voorschriften met betrekking tot het financieel beheer zijn onder meer regelen opgenomen ten aanzien van:

    • a.

      begroting en verantwoording;

    • b.

      de financiële positie;

    • c.

      de paragrafen;

    • d.

      de financiële organisatie en administratie, waaronder het treasurystatuut.

  • 2. De Plassenraad stelt een controleverordening vast, waarin onder meer regelen zijn opgenomen ten aanzien van:

    • a.

      opdrachtverlening accountantscontrole;

    • b.

      informatieverstrekking door het dagelijks bestuur;

    • c.

      inrichting accountantscontrole;

    • d.

      toegang tot de informatie;

    • e.

      overige controles en opdrachten;

    • f.

      rapportage.

Artikel 23
  • 1. De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen dat het Plassenschap te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2. Indien aan de Plassenraad blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet deze onverwijld aan het college van gedeputeerde staten van de provincie waarin de deelnemende gemeente is gelegen het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet respectievelijk aan de Minister van Binnenlandse Zaken van de deelnemende provincie het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 Provinciewet.

Paragraaf 2:

Begroting en kadernota

Artikel 24
  • 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp-begroting acht weken voordat zij aan de Plassenraad wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en de provinciale staten van de deelnemende provincies.

  • 2. De raden en provinciale staten kunnen hun zienswijze binnen acht weken na de datum van ontvangst van het ontwerp naar voren brengen aan het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan de Plassenraad wordt aangeboden.

  • 3. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient naar onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 4. In spoedeisende gevallen, dit ter beoordeling van de Plassenraad, kan een wijziging van de begroting die geen gevolg is van een wijziging van het beleid van het Plassenschap en geen verhoging tot gevolg heeft van begrote deelnemersbijdragen voor het betreffende begrotingsjaar, worden vastgesteld door de Plassenraad zonder dat de raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten van de deelnemende provincies hun zienswijzen daarover hebben kenbaar gemaakt. Van de vaststelling van een dergelijke begrotingswijziging door de Plassenraad wordt mededeling gedaan aan de deelnemers.

  • 5. Het dagelijks bestuur zend de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor 15 april voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient aan de raden en de staten van de deelnemers. De Plassenraad stelt de algemene financiële en beleidsmatige kaders vast.

Paragraaf 3:

Jaarrekening

Artikel 25
  • 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp jaarrekening voor 15 april van het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en de provinciale staten van de deelnemende provincies.

  • 2. De raden en provinciale staten kunnen hun zienswijze binnen acht weken na toezending van de ontwerp-rekening naar voren brengen aan het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de ontwerp-rekening zoals deze aan de Plassenraad wordt aangeboden.

Artikel 26
  • 1. Van de dekkingsmiddelen (het nadelig saldo van de rekening na resultaatsbestemming) betaalt de gemeente Utrecht met ingang van 1 januari 2004 een bijdrage van € 150.000,--. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast met het in de vastgestelde begroting van enig jaar gehanteerde indexcijfer voor de deelnemersbijdragen.

  • 2. De na aftrek van de deelnemersbijdrage van de gemeente Utrecht resterende dekkingsmiddelen als bedoeld in het eerste lid komen ten laste van de overige deelnemers in de volgende verhouding:

    • a.

      De gemeente Stichtse Vecht: 20,36%

    • b.

      De gemeente Wijdemeren: 31,32%

    • c.

      De provincie Noord-Holland: 33,58%

    • d.

      De provincie Utrecht: 14,74%.

Artikel 27
  • 1. Het Plassenschap werkt met een systeem van budgetfinanciering.

  • 2. Na iedere periode van vier jaar worden door de Plassenraad de uitgangspunten vastgesteld voor de volgende periode waarvoor budgetfinanciering geldt. De Plassenraad hoort alle deelnemers alvorens deze uitgangspunten vast te stellen.

  • 3. De deelnemers betalen jaarlijks de bijdrage die in de uitgangspunten is vastgelegd, uitgaande van de onderlinge verhouding zoals bepaald in artikel 26. De eerste termijn vervalt op 1 februari en de tweede op 1 augustus van elk jaar.

HOOFDSTUK V: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 28 Toetreding
  • 1. Een publiekrechtelijk lichaam kan een verzoek tot toetreding tot deze gemeenschappelijke regeling tot de Plassenraad richten. Dit verzoek wordt aan de deelnemers voorgelegd, wanneer de Plassenraad daartoe besluit met een meerderheid van tenminste tweederde van het aantal stemmen.

  • 2. De Plassenraad stelt, na overleg met de deelnemers, binnen drie maanden nadat het in het eerste lid bedoelde verzoek is ontvangen, een ontwerp vast voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling in verband met de voorgenomen toetreding alsmede een regeling over de financiële gevolgen van de toetreding.

  • 3. Het dagelijks bestuur zendt dit ontwerp en de regeling aan de deelnemers, waaronder begrepen de aspirant-deelnemer, met het verzoek binnen drie maanden na verzending hiervan, inzake de vaststelling ervan een besluit te nemen door de daartoe wettelijk bevoegde organen. Na instemming en toestemming van de wettelijk voorgeschreven organen van de deelnemers en de aspirant deelnemer kan toetreding plaatsvinden.

  • 4. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin het besluit tot toetreding door de provincie Utrecht bekend is gemaakt is in de registers, als bedoeld in artikel 53 van de Wet en de wijziging van de regeling in werking is getreden.

Artikel 29 Uittreding
  • 1. Een deelnemer kan uittreden door een daartoe strekkend besluit van het daartoe wettelijk bevoegd orgaan van de desbetreffende deelnemer binnen een maand nadat het is genomen aan de Plassenraad ter kennisneming toe te zenden.

  • 2. De uittreding gaat in vanaf 1 januari van het derde kalenderjaar volgend op de toezending van het betreffende besluit van de uittredende deelnemer aan de Plassenraad.

  • 3. De Plassenraad stelt, de deelnemers gehoord, een regeling vast voor de financiële gevolgen van de uittreding en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de uittredende deelnemer.

Artikel 30 Wijziging
  • 1. Indien de Plassenraad wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk acht, doet het dagelijks bestuur op aanwijzing van de Plassenraad een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemers.

  • 2. De regeling kan worden gewijzigd bij gelijkluidend besluit van de daartoe wettelijk bevoegde organen van alle deelnemers.

Artikel 31 Opheffing
  • 1. Indien de Plassenraad opheffing van de regeling noodzakelijk acht, doet het een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemers.

  • 2. De regeling kan worden opgeheven bij gelijkluidend besluit van tenminste tweederde van het aantal deelnemers.

  • 3. De Plassenraad stelt, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast ten behoeve van de opheffing.

  • 4. Het liquidatieplan omvat de verplichtingen van de deelnemers tot deelneming in de financiële consequenties van de opheffing en een regeling met betrekking tot de gevolgen, die de opheffing voor het personeel van RMN heeft.

  • 5. Voor zover het liquidatieplan niet anders bepaalt, geschiedt de vereffening van een nadelig saldo dan wel de verdeling van een voordelig saldo conform de in artikel 26 vastgestelde verdeelsleutel.

  • 6. De opheffing gaat in op het moment dat het liquidatieplan is uitgevoerd.

HOOFDSTUK VI: ARCHIEFBEPALING, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 32
  • 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het Plassenschap, overeenkomstig een door de Plassenraad, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling (Archiefverordening), die aan gedeputeerde staten moet worden medegedeeld.

  • 2. Het dagelijks bestuur is tevens belast met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het Plassenschap gedelegeerde taken.

  • 3. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.

  • 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de provincie Utrecht.

Artikel 33
  • 1. De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd en de wijziging daarvan treedt in werking op 1 juli 2018 of met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de regeling is bekendgemaakt als bedoeld in artikel 53 van de Wet, indien deze bekendmaking plaats vindt na 1 juli 2018.

  • 2. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht is ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Wet aangewezen om deze regeling te zenden aan de colleges van gedeputeerde staten van de provincies Noord-Holland en Utrecht.

Artikel 34
  • 1. De "Gemeenschappelijke regeling voor het Plassenschap Loosdrecht e.o. 2007", komt te vervallen en wordt vervangen door de gewijzigde regeling Gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o..

  • 2. Alle verordeningen en andere besluiten die zijn vastgesteld op grond van de “Gemeenschappelijke regeling voor het Plassenschap Loosdrecht e.o. 2007" blijven van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld op grond van de "Gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o." totdat deze zijn ingetrokken en krachtens de gewijzigde regeling nieuwe verordeningen en besluiten zijn vastgesteld.

Artikel 35

Deze regeling kan worden aangehaald als "Gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o."

Toelichting Gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o.

Algemene toelichting

In 2007 is de Gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o. herzien vanwege onder meer een door de gemeente Utrecht doorlopen proces van uittreding, dat uiteindelijk niet is geëffectueerd. Wel zijn per 2011 met terugwerkende kracht (per 1 januari 2004) afspraken gemaakt over een verlaagde structurele deelnemersbijdrage. Het opgaan van de gemeenten Loenen en Breukelen zijn opgegaan in de nieuwe gemeente Stichtse Vecht, is ook dat in het wijzigingsvoorstel meegenomen.

Per 1 januari 2015 is de Wet gemeenschappelijke regelingen gewijzigd. Als gevolg daarvan dienen ook aanpassingen in de Gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o. te worden doorgevoerd. In deze gewijzigde gemeenschappelijke regeling zijn de wettelijk verplichte wijzigingen verwerkt. Van de in 2011 doorgevoerde wijzigingen bestond nog geen integrale tekstversie. Ook die wijzigingen zijn hierin geïntegreerd.

De wijziging heeft geen financiële gevolgen voor de bijdrage van de deelnemers. Voornoemde situatie wordt in de huidige praktijk al toegepast en wordt met de wijziging formeel in de regeling verankerd.

Aanhef

De Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt dat de bestuursorganen die aan het schap bevoegdheden overdragen moeten deelnemen aan het schap en tevens moeten besluiten over toetreding tot of wijziging van de regeling. Aan de gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o. nemen deel de colleges van burgemeester en wethouders en de raden van de gemeenten Stichtse Vecht, Utrecht en Wijdemeren en de colleges van gedeputeerde staten van de provincies Noord-Holland en Utrecht. Hoewel provinciale staten en het college van gedeputeerde staten geen bevoegdheden overdragen, nemen zij wel deel aan de regeling. De provincies dragen financieel bij aan het recreatiegebied en kunnen door deelname in de regeling deelnemen in de besluitvorming over het gebied. Daarom zijn niet alleen gedeputeerde staten, maar ook provinciale staten deelnemer.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1: Begrippen

Dit artikel bevat de definities van een aantal begrippen die de regeling hanteert.

Artikel 2: vermelding rechtspersoon en zetel

De naam, aard van de regeling en de vestgingsplaats worden verplicht vermeld in de regeling.

Artikel 3 en 4: belangen, taken en bevoegdheden

Deze artikelen geven in samenhang aan waarvoor het recreatieschap is opgericht en welk gebied het betreft. Alleen binnen dat gebied kunnen de bevoegdheden zoals die zijn overgedragen aan het recreatieschap worden uitgeoefend. Dat betreft alleen bevoegdheden die betrekking hebben op de belangen die in de regeling staan genoemd. Het nautisch beheer van het openbaar water valt eveneens onder de taken van het recreatieschap.

Samen met het recreatieschap Stichtse Groenlanden neemt het recreatieschap Plassenschap Loosdrecht e.o. deel aan de gemeenschappelijke regeling Recreatie Midden Nederland. Deze organisatie voert het beleid van de recreatieschappen uit en zorgt voor alle feitelijke werkzaamheden.

Artikel 5: samenstelling Plassenraad

Het algemeen bestuur van het recreatieschap, de Plassenraad, wordt gevormd door twaalf vertegenwoordigers van de deelnemers. De regeling stelt verplicht dat per deelnemer ten minste één lid van de Plassenraad een collegelid betreft. De andere leden mogen dat ook zijn, maar zij kunnen ook raads- of statenleden zijn. Dat staat ter eigen keuze aan de deelnemers. Als gevolg van gemeentelijke herindelingen uit het verleden beschikten de gemeenten Wijdemeren en Stichtse Vecht elk over 6 leden in de Plassenraad. Om de bestuurlijke slagkracht te vergroten en de bestuurlijke drukte te verminderen is het aantal leden in de Plassenraad voor deze deelnemers bepaald op drie.

Artikelen 6 en 7: bevoegdheden Plassenraad

De bevoegdheden die aan de regeling zijn overgedragen komen toe aan de Plassenraad, tenzij de regeling zelf anders aangeeft. Ten aanzien van die bevoegdheden zijn steeds de relevante bepalingen uit de Provinciewet en de Gemeentewet van toepassing. De Plassenraad kan bevoegdheden overdragen aan het dagelijks bestuur.

Ieder lid van de Plassenraad beschikt over één stem, met uitzondering van de leden van de gemeenten die in de vorige regeling over zes leden beschikten. De raden van deze gemeenten mogen nu drie leden aanwijzen die elk twee stemmen krijgen. Zo blijven de oorspronkelijke stemverhoudingen behouden.

Artikelen 8 en 9: inlichtingen en verantwoording

De leden van de Plassenraad zijn individueel verantwoording verschuldigd aan (leden van) het orgaan dat hen heeft aangewezen. Zowel de individuele leden als de gehele Plassenraad hebben de plicht om door de organen van de deelnemers gevraagde informatie te verstrekken.

Artikel 10:

De raadsbevoegdheden om een verordening, al dan niet met strafbepalingen, vast te stellen, is overgedragen aan de Plassenraad. Het ontwerp van een verordening van het recreatieschap wordt naar de deelnemers gezonden en kan vervolgens in beginsel worden vastgesteld door de Plassenraad, tenzij een van de deelnemers meent dat de inhoud van de verordening niet binnen het taakgebied van het recreatieschap past. In dat geval kan de verordening niet worden vastgesteld.

De raden en staten kunnen binnen een periode van 8 weken op het ontwerp reageren. Het recreatieschap moet om deze termijn te kunnen halen wel rekening houden met de besluitencyclus van deze organen.

In geval van een wijziging die geen inhoudelijke gevolgen heeft, of slechts zeer beperkt, of volgt uit een wettelijke verplichting, hoeft het ontwerp niet eerst naar de raden en de staten te worden verzonden.

Artikel 11: commissies

De Plassenraad kan gebruik maken van commissies.

Artikelen 12, 13, 14: dagelijks bestuur

Iedere deelnemer wordt in het dagelijks bestuur door één persoon vertegenwoordigd. Deze is afkomstig uit de Plassenraad en dient collegelid te zijn. De voorzitter maakt deel uit van het dagelijks bestuur. Alle leden van het dagelijks bestuur beschikken over één stem.

De bevoegdheden van het dagelijks bestuur worden expliciet in de regeling genoemd. Daarnaast kan de Plassenraad bevoegdheden aan het dagelijks bestuur overdragen.

Artikelen 15 en 16: inlichtingen en verantwoording

De inlichtingen- en verantwoordingsplicht van het dagelijks bestuur geldt jegens de Plassenraad.

Artikelen 17 en 18: de voorzitter

De voorzitter van de Plassenraad is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur en maakt deel uit van beide besturen.

Artikel 19: vergoedingen

Afhankelijk van de positie van de leden van de Plassenraad, dagelijks bestuur of een commissie kan de Plassenraad een tegemoetkoming in de kosten of een vergoeding voor werkzaamheden vaststellen. Een dergelijke vergoeding voor werkzaamheden of het bijwonen van vergaderingen mag niet aan collegeleden worden toegekend.

Artikelen 20 en 21: secretaris en personeel

Het recreatieschap beschikt over een secretaris. Deze staat zowel de Plassenraad als het dagelijks bestuur bij. De secretaris is in dienst bij Recreatie Midden Nederland. Het personeel van Recreatie Midden Nederland verricht (voornamelijk) werkzaamheden voor de verschillende recreatieschappen die deel uitmaken van die gemeenschappelijke regeling. Alle kosten die met hun werkzaamheden gepaard gaan, inclusief overhead, komen ten laste van het recreatieschap waarvoor dat werk wordt verricht.

Artikel 22: algemene financiële bepaling

Op een gemeenschappelijke regeling is het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten van toepassing. Met inachtneming van dat Besluit wordt de financiële huishouding van het recreatieschap ingericht en worden alle relevante besluiten met betrekking tot de financiën genomen.

Artikel 23: voldoende financiële middelen

Alle deelnemers zijn verantwoordelijk voor de financiële verplichtingen jegens derden. Zij dragen elk voor zich de verplichting tot het beschikbaar hebben van voldoende financiële middelen om aan verplichtingen te kunnen voldoen. De deelnemers zijn verplicht hun bijdragen aan de regeling op de eigen begroting te plaatsen. Deze bepaling voldoet aan een circulaire van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de aansprakelijkheid van schulden van gemeenschappelijke regeling.

Artikel 24: begroting, kadernota

De Wgr stelt een aantal regels aan en termijnen bij de totstandkoming van de begroting en de kadernota. De raden en staten kunnen zienswijzen indienen op het ontwerp van de begroting. De Plassenraad stelt de begroting en de kadernota vast. In beginsel moet ook een wijziging op de begroting via de reguliere begrotingsprocedure aan de raden en de staten voor het indienen van zienswijzen worden toegezonden. Dat lijdt uitzondering in spoedeisende gevallen, waarbij de wijziging geen financiële gevolgen voor het geheel van de begroting met zich brengt.

Artikel 25: jaarrekening

Ook voor de totstandkoming van de jaarrekening stelt de Wgr een aantal regels.

Art. 26: financiële dekking.

Dit artikel is in 2011 zodanig gewijzigd dat met ingang van 1 januari 2004 van het nadelig saldo van de rekening eerst een bijdrage van € 150.000,- ten laste van de gemeente Utrecht komt. Deze bijdrage zal jaarlijks worden geïndexeerd volgens het stijgingspercentage dat door de betreffende budgetperiode door de deelnemers wordt afgesproken. Naar de stand van zaken per 1 januari 2016 bedraagt de bijdrage van de gemeente Utrecht op € 165.300,--. Dit bedrag staat daarom in de nieuwste versie van de regeling opgenomen. Het bedrag dat overblijft komt voor rekening van de overige deelnemers volgens de reeds bestaande procentuele verhouding, waarbij de procentuele bijdragen van de gemeenten Breukelen en Loenen zijn samengevoegd voor de gemeente Stichtse Vecht.

Artikel 27: budgetfinanciering

De uitgangspunten voor de financiering worden iedere vier jaar door de Plassenraad vastgesteld. De deelnemers betalen hun bijdrage aan het recreatieschap in twee hafljaarlijkse delen.

Artikel 28: toetreding

De regeling houdt de mogelijkheid open voor toetreding door nieuwe leden. Dat kunnen alleen publiekrechtelijke lichamen zijn. Dat hoeft niet alleen een gemeente of provincie te zijn, maar kan bijvoorbeeld ook een waterschap of een andere gemeenschappelijke regeling zijn. In alle gevallen waarin sprake is van het aangaan of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling, of van het uittreden daaruit of opheffen daarvan, schrijft artikel 1 van de Wgr voor dat daarvoor toestemming van de raden en de staten van de deelnemers (en de eventuele toetreders) is vereist. In aanvulling daarop behelst de regeling nog een aantal specifieke voorschriften. Zo is voorafgaand aan het doorlopen van een wettelijke procedure tot toetreding eerst een besluit van de Plassenraad nodig om de deelnemers een verzoek tot toetreding voor te leggen. Dat besluit van de Plassenraad dient met een meerderheid van twee derde van de stemmen te zijn genomen.

Wanneer alle deelnemers en de aspirant deelnemer daarover vervolgens besluiten hebben genomen, en door al deze deelnemers unaniem is ingestemd met de toetreding, kan de gewijzigde regeling worden getroffen. De toetreding is een feit zodra de gewijzigde regeling in werking is getreden.

Artikel 29: uittreding

Een deelnemer heeft altijd de mogelijkheid om uit te treden. De uittreding gaat in vanaf 1 januari van het derde kalenderjaar volgend op de toezending van het betreffende besluit van de uittredende deelnemer aan de Plassenraad. Een uittreding zal kosten met zich kunnen brengen. Voor de afwikkeling daarvan moet een regeling worden getroffen. Deze regeling stelt de Plassenraad conform de reguliere stemverhoudingen vast. Ook de uittredende deelnemer stemt daarover mee. De deelnemers moeten zich daarbij redelijk naar elkaar opstellen. Het uitgangspunt daarbij is wel dat de overblijvende deelnemers gedurende een bepaalde periode geen financiële schade van de uittreding mogen ondervinden.

Artikel 30: wijziging

Op voorstel van de Plassenraad kan een procedure voor wijziging van de regeling worden doorlopen. De Wgr schrijft in artikel 1 voor dat daarvoor toestemming van de raden en de staten is vereist. De regeling zelf bepaalt, dat de besluitvorming van alle betrokken colleges, raden en staten omtrent het wijzigen of verlenen van toestemming unaniem moet zijn.

Artikel 31: opheffing

Ook een procedure tot opheffing kan op voorstel van de Plassenraad worden ingezet. De Plassenraad beslist daarover met een algemene meerderheid van stemmen. Een besluit tot opheffing dient vervolgens door ten minste twee derde van de deelnemers te worden genomen. Vervolgens moet in een liquidatieplan tot uitdrukking worden gebracht hoe de opheffing van het recreatieschap in financiële en feitelijke zin zijn beslag zal krijgen.

Artikel 32: archief

Ten aanzien van archivering worden de voorschriften van de Archiefwet gevolgd.

Artikel 33: looptijd

De (gewijzigde) regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt naar verwachting per 1 juli 2018 in werking. Wordt die datum niet gehaald, dan is de inwerkingtreding een feit een dag na de publicatie daarvan.

Artikel 34: overgangsbepaling

Met de inwerkingtreding van de gewijzigde regeling komt de regeling zoals deze luidde na de wijziging uit 2011 te vervallen. Alle onderliggende besluiten en regelgeving die op grond van de regeling uit 2011 of daarvoor tot stand zijn gekomen, blijven hun gelding behouden totdat zij worden ingetrokken.

Artikel 35: naam

Dit artikel noemt de naam waarmee de regeling kan worden aangehaald.