Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Hoeksche Waard, Molenlanden, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht houdende regels omtrent gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid)

Geldend van 21-11-2019 t/m heden

Intitulé

Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Hoeksche Waard, Molenlanden, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht houdende regels omtrent gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid)

[Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijkebekendmaking is op 20 november 2019 beschikbaar via Staatscourant 2019, 64094.]

Gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Hoeksche Waard, Molenlanden, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht, ieder voor zover bevoegd,

Overwegende dat:

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Regio Zuid-Holland Zuid met ingang van 5 maart 2010 de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid hebben getroffen voor de uitvoering van taken op het milieu- en omgevingsdomein;

Gelet op:

De Wet gemeenschappelijke regelingen, de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht;

Besluiten als volgt:

De Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (vierde wijziging) komt als volgt te luiden:

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a.

algemeen bestuur:

het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid;

b.

bestuur:

het bestuur van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid;

c.

colleges:

de colleges als bedoeld in artikel 1, onder e.

d.

dagelijks bestuur:

het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid;

e.

deelnemers:

het college van Gedeputeerde Staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, te weten Alblasserdam, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Hoeksche Waard, Molenlanden, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht;

f.

Gedeputeerde Staten:

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;

g.

Omgevingsdienst:

de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid;

h.

regeling:

de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid;

i.

vertegenwoordigende organen:

Provinciale Staten van Zuid-Holland en de raden van de deelnemende gemeenten;

j.

voorzitter:

de voorzitter van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid;

k.

wet:

de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Hoofdstuk 2: Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

Artikel 2 Instelling
  • 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

  • 2. De Omgevingsdienst is gevestigd te Dordrecht.

Artikel 3 Belang

De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten.

Artikel 4 Taken
  • 1. De Omgevingsdienst kan adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu en de leefomgeving en programma’s en projecten uitvoeren op het gebied van milieu en de leefomgeving.

  • 2. De Omgevingsdienst voert voor de colleges van de gemeenten in elk geval de volgende taken en bevoegdheden uit, met inachtneming van het door de gemeenten vastgestelde beleid:

    • a.

      de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de in artikel 5.1 van die wet genoemde wetten;

    • b.

      de milieutaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd onder a, voor zover een of meer gemeenten besluiten tot mandatering en/of opdrachtverlening van deze taken en bevoegdheden aan de Omgevingsdienst;

    • c.

      de Algemene wet bestuursrecht en andere relevante regelgeving betreffende de procedures in samenhang met de taken genoemd onder a en b, met inbegrip van het adviseren, ondersteunen en vertegenwoordigen van de colleges in bezwaar- en beroepsprocedures;

    • d.

      de Wet op de economische delicten en het coördineren van (opsporings)overlegverbanden met alle handhavingspartners.

  • 3. De Omgevingsdienst voert voor Gedeputeerde Staten in elk geval de volgende taken en bevoegdheden uit, met inachtneming van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleid:

    • a.

      De in het tweede lid, onder a tot en met d genoemde wet- en regelgeving, voor zover Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn;

    • b.

      De provinciale milieuverordening;

    • c.

      Taken en bevoegdheden bij of krachtens de Wet natuurbescherming en de Ontgrondingenwet.

  • 4. Met betrekking tot de reikwijdte, uitvoering en nadere invulling van de in de vorige leden genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur schriftelijk werkafspraken gemaakt met het college.

  • 5. De Omgevingsdienst kan op verzoek van bestuursorganen, niet zijnde deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van milieu en de leefomgeving en programma’s en projecten op het gebied van milieu en de leefomgeving uitvoeren.

  • 6. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen, uitvoerende werkzaamheden als bedoeld in dit artikel gaan strekken ter uitvoering van andere wet- en regelgeving dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze gemeenschappelijke regeling strekten, dan wel indien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die overeenkomstig dit artikel aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen.

Artikel 5 Bevoegdheden
  • 1. Aan het bestuur worden geen bevoegdheden als bedoeld in artikel 4 van deze regeling overgedragen door de colleges.

  • 2. De colleges en bestuursorganen, niet zijnde deelnemers aan deze regeling, kunnen bevoegdheden ten aanzien van de in artikel 4 genoemde taken mandateren aan de directeur.

  • 3. Het dagelijks bestuur houdt een register bij van de aan het bestuur respectievelijk aan de directeur gemandateerde bevoegdheden.

Artikel 6 Privaatrechtelijke rechtshandelingen en de voorbereiding daarvan
  • 1. De Omgevingsdienst heeft de beschikking over alle haar van rechtswege toekomende bevoegdheden om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen als bedoeld in artikel 55 van de Wet.

  • 2. De Omgevingsdienst is bevoegd tot verlening van een uitsluitend recht in de zin van artikel 2.24 van de Aanbestedingswet 2012 met betrekking tot de dienstverlening op het gebied van personeels- en salarisaangelegenheden, juridische zaken, informatisering en automatisering en telefonie.

Hoofdstuk 3: Inrichting en samenstelling van het bestuur

Artikel 7 Het bestuur

Het bestuur bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Artikel 8 Samenstelling algemeen bestuur
  • 1. Het algemeen bestuur bestaat uit dertien leden .

  • 2. De voorzitter is voorzitter van het algemeen bestuur.

  • 3. Gedeputeerde Staten wijzen uit hun midden twee leden van het algemeen bestuur aan.

  • 4. Het college van de gemeente Dordrecht wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan.

  • 5. De overige colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan.

  • 6. De colleges wijzen voor de door hen aangewezen leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aan, die de door hen benoemde leden bij afwezigheid vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het algemeen bestuur is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

  • 7. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur, als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor de colleges worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van de colleges in nieuwe samenstelling.

  • 8. Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college, dat hem heeft aangewezen, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het desbetreffende college voorziet zo spoedig mogelijk in de opvulling van de vacature.

  • 9. Het college kan zijn lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen.

  • 10. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.

  • 11. Behoudens het geval dat een lid van het algemeen bestuur onmiddellijk ontslag neemt, gaat het ontslag in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.

Artikel 9 Incompatibiliteiten

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een der deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met een ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van een der deelnemers dan wel de Omgevingsdienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

Artikel 10 Vergaderingen algemeen bestuur

Op het houden en de orde van vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 52, eerste lid, onder f, van de wet van toepassing.

Artikel 11 Stemverhoudingen algemeen bestuur
  • 1. Het aantal stemmen per deelnemer is als volgt:

    • a.

      Provincie Zuid-Holland: 34 stemmen.

    • b.

      Gemeente Dordrecht: 26 stemmen.

    • c.

      Gemeente Hoeksche Waard: 7 stemmen.

    • d.

      Gemeente Molenlanden: 7 stemmen.

    • e.

      Gemeente Alblasserdam: 6 stemmen.

    • f.

      Gemeente Zwijndrecht: 5 stemmen.

    • g.

      Gemeenten Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht en Sliedrecht: ieder 3 stemmen.

  • 2. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming is een volstrekte meerderheid vereist, met dien verstande dat minimaal drie deelnemers hun stem voor het voorstel moeten hebben uitgebracht wil het aangenomen zijn, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

  • 3. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

  • 4. De artikelen 31 en 32 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De stemverhoudingen worden eens in de vier jaar geëvalueerd, of op een eerder moment indien de financiële bijdrage(n) van een of meerdere deelnemers op basis van de meest recent vastgestelde (wijziging van de) begroting op enig moment substantieel afwijkt (afwijken) van de stemverdeling zoals opgenomen in het eerste lid. Het algemeen bestuur doet in dat geval een voorstel tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 31.

Artikel 12 Ambtelijke bijstand

Het algemeen bestuur regelt op welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend aan de leden van het algemeen bestuur.

Artikel 13 Samenstelling dagelijks bestuur
  • 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter en drie andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen.

  • 2. De voorzitter is voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 3. Het lid van het algemeen bestuur, afkomstig uit het college van burgemeester en wethouders van Hoeksche Waard, wordt door het algemeen bestuur aangewezen als lid van het dagelijks bestuur.

  • 4. Eén lid, afkomstig uit het college van Gorinchem of Molenlanden, wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen als lid van het dagelijks bestuur.

  • 5. Eén lid, afkomstig uit het college van Alblasserdam, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht of Zwijndrecht wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen als lid van het dagelijks bestuur.

  • 6. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft een gewogen stemrecht. Artikel 11, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Het gewogen stemrecht is - voor zover het betreft de leden als bedoeld in het vierde en vijfde lid van dit artikel - gebaseerd op de som van de stemmen van de in die artikelleden genoemde gemeenten.

Artikel 14 Ontslag dagelijks bestuur
  • 1. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.

  • 2. Behoudens het geval dat een lid van het dagelijks bestuur onmiddellijk ontslag neemt, gaat het ontslag in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.

  • 3. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur, de voorzitter inbegrepen, ontslag verlenen, indien dezen het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Het bepaalde in artikel 19a van de wet is van toepassing.

  • 4. Een lid van het dagelijks bestuur wordt terstond ontslagen bij verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

Artikel 15 Aanwijzing voorzitter
  • 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende voordracht van Gedeputeerde Staten.

  • 2. De plaatsvervangend voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende voordracht van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

  • 3. Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur aanwijzen als tweede plaatsvervanger in geval van verhindering of ontstentenis van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 16 Bestuurs- en adviescommissies
  • 1. Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen.

  • 2. Op de instelling van een commissie als bedoeld in het eerste lid alsmede op de instelling van commissies van advies, de regeling van bevoegdheden en samenstelling van de commissies, alsmede de vaststelling van andere regelingen met betrekking tot het functioneren van de commissies, is het bepaalde in artikel 52, eerste lid, onder g, h, i en j, van de wet en artikel 22 van de Provinciewet van toepassing.

Artikel 17 Auditcommissie
  • 1. Het algemeen bestuur stelt een adviescommissie in, genaamd auditcommissie, die het algemeen bestuur gevraagd en ongevraagd adviseert met betrekking tot financiële aangelegenheden.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt een verordening vast waarin de samenstelling, taken en bevoegdheden en de werkwijze van de auditcommissie worden uitgewerkt.

Hoofdstuk 4: Bevoegdheden van het bestuur

Artikel 18 Treffen gemeenschappelijke regeling
  • 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen met inachtneming van de hoofdstukken VIII en IX van de Wet, ieder voor zover zij voor de Omgevingsdienst bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van de Omgevingsdienst.

  • 2. Het dagelijks bestuur gaat niet over tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling dan na verkregen toestemming van het algemeen bestuur.

  • 3. Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een gemeenschappelijke regeling.

Artikel 19 Bevoegdheden algemeen bestuur
  • 1. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de Omgevingsdienst.

  • 2. Overeenkomstig artikel 57 van de wet berusten de bevoegdheden, die bij deze regeling worden overgedragen, bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in deze regeling anders is bepaald.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van de wet is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot:

    • a.

      Het vaststellen van de begroting en jaarrekening;

    • b.

      Het vaststellen van beleidsregels waarmee de andere organen van de Omgevingsdienst rekening houden bij de uitoefening van hun bevoegdheden.

  • 4. Het algemeen bestuur besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, voor zover dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.

  • 5. Het besluit als bedoeld in het vierde lid wordt niet genomen dan nadat aan de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit is toegezonden en deze in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

Artikel 20 Bevoegdheden dagelijks bestuur

Ten aanzien van de bevoegdheden van het dagelijks bestuur is het bepaalde in de artikelen 57b en 57c van de wet van toepassing.

Artikel 21 Bevoegdheden voorzitter
  • 1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de Omgevingsdienst.

  • 2. De voorzitter vertegenwoordigt de Omgevingsdienst in en buiten rechte.

  • 3. De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.

Hoofdstuk 5: Verantwoording en informatie

Artikel 22 Verantwoordings- en informatieplicht
  • 1. Het bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk aan de raden van de deelnemende gemeenten respectievelijk Provinciale Staten schriftelijk alle inlichtingen die door een of meer leden van die bestuursorganen worden gevraagd. De reglementen van orde van het algemeen en dagelijks bestuur regelen de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven.

  • 2. Een lid van het algemeen bestuur legt verantwoording af aan het college dat hem als lid heeft aangewezen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid, en geeft alle door het college gevraagde inlichtingen. Dit geschiedt op de binnen de gemeente of provincie gebruikelijke wijze.

  • 3. Een lid van het algemeen bestuur legt verantwoording af aan de raad van de gemeente waaruit het afkomstig is respectievelijk aan Provinciale Staten voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid, en geeft alle door een of meer leden van die raad respectievelijk Provinciale Staten gevraagde inlichtingen. Dit geschiedt op de binnen de gemeente of provincie gebruikelijke wijze.

  • 4. Het afleggen van verantwoording en het verstrekken van inlichtingen geschiedt met inachtneming van hetgeen daarover in de wet is bepaald.

Hoofdstuk 6: Ambtelijke organisatie

Artikel 23 Directeur
  • 1. Er is een directeur van de Omgevingsdienst.

  • 2. De directeur wordt door het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 3. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter alsmede door hen ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.

  • 4. Het dagelijks bestuur legt in een instructie nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de directeur.

  • 5. De directeur is bij de vergadering van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.

  • 6. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de directeur medeondertekend.

  • 7. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.

Artikel 24 Overig personeel
  • 1. Artikel 57b van de wet is van toepassing op het in dienst nemen van personeel. Het dagelijks bestuur houdt daarbij rekening met de door het algemeen bestuur vastgestelde formatie.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden opdragen aan de directeur van de dienst.

  • 3. De rechtspositie en bezoldiging van de ambtenaren en van het personeel, werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, wordt bepaald door de regels welke zijn of zullen worden vastgesteld voor het personeel in dienst van de gemeente Dordrecht, tenzij het dagelijks bestuur op enig moment zelf voorziet in de rechtspositie en bezoldiging.

  • 4. Waar in de in het derde lid bedoelde regels gesproken wordt van "gemeenteraad", "college" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directeur.

  • 5. Het dagelijks bestuur kan aanvullende regels vaststellen.

Hoofdstuk 7: Financiën en beheer van de Omgevingsdienst

Artikel 25 Financiën
  • 1. Op het voorbereiden en vaststellen van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de jaarrekening is het bepaalde in de artikelen 58, 58b, 59 van de wet van toepassing. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van deze regeling, wordt de begroting vastgesteld wanneer een drie vierde meerderheid in het algemeen bestuur is bereikt.

  • 2. In de begroting wordt vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is aan de Omgevingsdienst.

  • 3. Het totaal van de begroting vormt het autorisatieniveau voor begrotingswijzigingen. Indien noodzakelijk vinden begrotingswijzigingen plaats bij voorjaarsnota en/of najaarsnota. Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen begrotingswijzigingen voor een zienswijze aan aan de deelnemers. Het dagelijks bestuur kan hiervan afzien als:

    • a.

      Het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt, of;

    • b.

      De wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien door:

      • i.

        extra opdracht(en) van een individuele deelnemer en bijbehorende financiële dekking en/of;

      • ii.

        overige taken, zoals wettelijke taken waar extra bijdragen van derden/deelnemers tegenover staan en/of;

      • iii.

        additionele baten en/of;

      • iv.

        een onttrekking aan de daarvoor gevormde reserves.

  • 4. Het algemeen bestuur stelt een verordening vast omtrent de verschuldigde vergoedingen voor de instandhouding van de Omgevingsdienst en de te leveren diensten aan de deelnemers. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van deze regeling, is voor het vaststellen van deze verordening een drie vierde meerderheid vereist.

Artikel 26 Verdeling van het gerealiseerde resultaat
  • 1. Het gerealiseerde resultaat van een vastgestelde jaarrekening in jaar X komt ten bate / laste van de deelnemers en / of de gemeenschappelijke regeling. De verdeling is gebaseerd op de in de jaarrekening opgenomen jaaromzet in jaar X, tenzij het algemeen bestuur een andere verdeelsleutel in jaar X is overeengekomen.

  • 2. Bij het toezenden van de voorlopige jaarrekening als bedoeld in artikel 58b van de wet worden de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op een voorstel tot verdeling van het gerealiseerde resultaat. Het algemeen bestuur betrekt de ingekomen reacties bij de besluitvorming over de verdeling van het gerealiseerde resultaat.

Artikel 27 Financiële administratie

Het algemeen bestuur stelt een verordening vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van de Omgevingsdienst.

Artikel 28 Betaling
  • 1. De deelnemers betalen uiterlijk 15 december, 15 maart, 15 juni en 15 september een voorschot in de kosten van het lopende boekjaar ten bedrage van 25% van het budget.

  • 2. Naar aanleiding van de administratie over de afzonderlijke kwartalen kan het dagelijks bestuur bepalen dat een van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijkend voorschot wordt betaald.

  • 3. Uiterlijk 1 juni vindt per deelnemer een eerste afrekening plaats over het voorafgaande boekjaar overeenkomstig het ontwerp van de voorlopige rekening.

  • 4. De definitieve afrekening vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling van de rekening.

Artikel 29 Garantstelling

De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

Artikel 30 Leges

Het algemeen bestuur kan een regeling vaststellen met betrekking tot de heffing van leges voor het op aanvraag leveren van diensten.

Hoofdstuk 8: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 31 Wijziging van de regeling
  • 1. De colleges, alsmede het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling.

  • 2. De regeling wordt gewijzigd indien ten minste acht deelnemers, waaronder in elk geval de colleges van de provincie Zuid-Holland en van de gemeente Dordrecht, daartoe besluiten.

  • 3. De wijziging bepaalt wanneer deze in werking treedt.

Artikel 32 Toetreding
  • 1. Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van gemeenten, dagelijkse besturen van waterschappen en dagelijkse besturen van andere openbare lichamen, waartoe ook de Minister behoort die het aangaat, toetreden.

  • 2. Toetreding is mogelijk op ieder moment.

  • 3. Het betreffende bestuursorgaan dat wil toetreden dient hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur. Het betreffende bestuursorgaan voegt hierbij het besluit tot toestemming als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de wet.

  • 4. Het dagelijks bestuur brengt het verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een advies over de toetreding.

  • 5. Toetreding kan geschieden indien de deelnemers, vertegenwoordigende tenminste drie vierde van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daarmee instemmen. Een deelnemer kan deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de wet.

Artikel 33 Uittreding
  • 1. Een deelnemer kan uit de regeling treden na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan. Uittreding kan slechts plaatsvinden met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één kalenderjaar.

  • 2. Het algemeen bestuur regelt de financiële en organisatorische gevolgen van de uittreding en stelt de verschuldigde schadeloosstelling vast. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van deze regeling is voor het vaststellen van de verschuldigde schadeloosstelling een drie vierde meerderheid vereist. De verschuldigde schadeloosstelling bedraagt ten minste drie maal de jaaromzet van de betreffende deelnemer in het jaar waarin het besluit tot uittreding door de deelnemer wordt genomen. In bijzondere omstandigheden kan het algemeen bestuur een andere schadeloosstelling vaststellen.

Artikel 34 Opheffing
  • 1. De regeling kan worden opgeheven indien ten minste acht deelnemers, vertegenwoordigende ten minste een drie vierde meerderheid van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daartoe besluit.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan vast om tot opheffing van de Omgevingsdienst te komen. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

  • 3. Bij ontbinding van de Omgevingsdienst in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de Omgevingsdienst voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is.

Artikel 35 Bekendmaking

Gedeputeerde Staten maken een besluit tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing, als bedoeld in artikel 31 tot en met 34 van deze regeling, bekend. Hiertoe is het bepaalde in artikel 53, vierde lid jo. tweede lid, van de wet van toepassing.

Hoofdstuk 9: Archiefbescheiden

Artikel 36 Archief
  • 1. Het algemeen bestuur is verantwoordelijk voor het in goede, geordende en toegankelijke staat brengen en houden van de onder hem berustende archiefbescheiden zoals bedoeld in het tweede en vierde lid, waaronder mede valt het vernietigen van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Het algemeen bestuur stelt ter zake regels vast.

  • 2. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor het beheer van de archiefbescheiden van de Omgevingsdienst en zijn organen, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. De kosten komen ten laste van de Omgevingsdienst.

  • 3. De Omgevingsdienst draagt de in het tweede lid genoemde archiefbescheiden over aan de archiefbewaarplaats van de gemeente Dordrecht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Archiefwet 1995.

  • 4. De deelnemers stellen de archiefbescheiden die betrekking hebben op de aan de Omgevingsdienst opgedragen taken aan de Omgevingsdienst ter beschikking in goede, geordende en toegankelijke staat.

  • 5. Het dagelijks bestuur draagt, na een daartoe door de desbetreffende deelnemer genomen besluit, de in het vierde lid genoemde archiefbescheiden over aan de door de desbetreffende deelnemer aangewezen archiefbewaarplaats:

    • a.

      indien en zodra de archiefbescheiden twintig jaar of ouder zijn en niet voor vernietiging in aanmerking komen, dan wel

    • b.

      indien en zodra de activiteiten waarop de archiefbescheiden betrekking hebben, definitief zijn beëindigd.

  • 6. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor opschorting van de in artikel 12, eerste lid, van de Archiefwet 1995 genoemde termijn indien de in het derde en vijfde lid, onder a, genoemde archiefbescheiden nog veelvuldig worden gebruikt of geraadpleegd.

  • 7. De archivaris van de gemeente Dordrecht oefent toezicht uit op het in het eerste lid genoemde beheer.

  • 8. Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling draagt de Omgevingsdienst de in het tweede lid genoemde archiefbescheiden met inachtneming van artikel 8 van het Archiefbesluit voor zover mogelijk over aan de taakopvolger. De overbrenging van de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat naar de aangewezen archiefbewaarplaats(en) geschiedt als had geen opheffing plaatsgevonden. Als er geen taakopvolger is, worden de archiefbescheiden direct naar de archiefbewaarplaats overgebracht.

  • 9. Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling stelt de Omgevingsdienst de in het vierde lid genoemde archiefbescheiden, voor zover niet overgebracht naar de archiefbewaarplaats, weer ter beschikking aan de deelnemers.

Hoofdstuk 10: Geschillen, klachten en aansprakelijkheid

Artikel 37 Geschillen
  • 1. Voordat over geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van de regeling tussen de deelnemers of tussen een of meer deelnemers en het bestuur van de Omgevingsdienst, de beslissing van de bevoegde rechter wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koning in de provincie Zuid-Holland.

  • 2. De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen.

  • 3. De commissaris brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 4. Indien de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft, dan wel indien een bestuursorgaan van de provincie partij is in het geschil, laat de commissaris zich bij de voorbereiding van het in het derde lid bedoelde advies bijstaan door twee door de commissaris aan te wijzen burgemeesters van deelnemende, niet als partij bij het geschil betrokken gemeenten. Indien dit niet mogelijk is, zoeken de betrokken partijen onderling naar een oplossing.

Artikel 38 Klachtenverordening
  • 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een klachtenverordening vast.

  • 2. De Nationale ombudsman is, onverminderd het bepaalde in de Wet Nationale ombudsman, bevoegd tot behandeling van klachtschriften als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 39 Aansprakelijkheid
  • 1. De Omgevingsdienst verzekert zich tegen:

    • a.

      Burgerrechtelijke aansprakelijkheid (wettelijke en contractuele aansprakelijkheid) voor schade aan personen en goederen;

    • b.

      Wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade.

  • 2. Indien en voor zover de verzekering een voor rekening van de Omgevingsdienst komende schade niet dekt, komt deze voor rekening van de desbetreffende deelnemer of het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, binnen wiens aan de Omgevingsdienst opgedragen takenpakket de schadeveroorzakende gebeurtenis is voorgevallen.

Hoofdstuk 11: Slotbepaling

Artikel 40 Slotbepaling
  • 1. Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2. De regeling is in werking getreden op 5 maart 2010.

  • 3. De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid”.

  • 4. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zenden de Regeling, alsmede de wijzigingen daarvan, toe aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Ondertekening