Verordening Jeugdhulp gemeente Oldambt 2019

Geldend van 01-11-2019 t/m heden

Intitulé

Verordening Jeugdhulp gemeente Oldambt 2019

Verordening Jeugdhulp gemeente Oldambt 2019

De Raad van de gemeente Oldambt;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 augustus 2019;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet en artikel 147, 149 en 156, lid 3, van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de:

Verordening jeugdhulp gemeente Oldambt 2019

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders, zoals bedoeld in artikel 3 van deze verordening;

  • b.

    andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Wet;

  • c.

    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders zoals beschreven in bijlage 2 van deze verordening;

  • d.

    hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • e.

    individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

  • f.

    ondersteuningsplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren;

  • g.

    persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouders, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • h.

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige een sociale relatie onderhoudt;

  • i.

    Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet;

  • j.

    Wet: Jeugdwet.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen

Artikel 2. Toegang algemene voorzieningen

Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en of zijn ouders.

Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen
  • 1.

    De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar. Deze opsomming is niet limitatief:

  • a.

    opvoedondersteuning;

  • b.

    consultatiebureau;

  • c.

    schoolmaatschappelijk werk;

  • d.

    jeugd- en jongerenwerk;

  • e.

    Veilig Thuis.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen

Paragraaf 1.

Toegang jeugdhulp

Artikel 4. Criteria voor toegang tot individuele voorzieningen
  • 1.

    De jeugdige of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij met hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk geen oplossing kunnen vinden voor hun hulpvraag.

  • 2.

    Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:

  • a.

    als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en;

  • b.

    voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

Artikel 5. Beschikbare individuele voorzieningen
  • 1.

    De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

  • a.

    zonder verblijf:

  • i.

    persoonlijke verzorging;

  • ii.

    begeleiding;

  • iii.

    specialistische ambulante jeugdhulp (inclusief eerste- en tweedelijns psychologische zorg / specialistische jeugd-geestelijke gezondheidszorg);

  • iv.

    onderzoek en diagnostiek.

  • b.

    met verblijf;

  • i.

    pleegzorg;

  • ii.

    gezinsgericht;

  • iii.

    residentieel (specialistische jeugd-geestelijke gezondheidszorg);

  • iv.

    gedwongen verblijf;

  • v.

    bovenregionale gespecialiseerde voorzieningen;

  • vi.

    landelijk gespecialiseerde voorzieningen.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Paragraaf 2.

Toegang procedureel

Artikel 6. Aanvraag
  • 1.

    Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend bij het college. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk.

  • 2.

    Het college wijst de jeugdige en zijn ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet.

  • 4.

    Als de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura niet passend achten, kunnen de jeugdige of zijn ouders in de aanvraag vermelden een persoonsgebonden budget te wensen.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening.

Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan
  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag:

  • a.

    de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag;

  • b.

    het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

  • c.

    het vermogen van de jeugdige en zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • d.

    de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening zoals genoemd in artikel 1 lid 1 onder b;

  • e.

    de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening;

  • f.

    de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;

  • g.

    de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze;

  • h.

    de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

  • i.

    hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

  • 2.

    Het college informeert de jeugdige en zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en kan hen toestemming vragen om hun persoonlijke gegevens te verwerken.

  • 3.

    Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp.

  • 4.

    Het college legt samen met de jeugdige en zijn ouders de zaken genoemd in het eerste lid vast in het ondersteuningsplan.

  • 5.

    Met toestemming van de jeugdige en zijn ouders worden in het ondersteuningsplan afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het ondersteuningsplan met de jeugdige en zijn ouders, het gemeentelijke toegangsteam en de jeugdhulpaanbieder besproken worden.

  • 6.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 8. Besluit
  • 1.

    Het college legt de beslissing over het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 2.

    Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag, het eigen onderzoek en het daaruit volgende ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 7 van deze verordening.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  • 4.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college legt indien de ouders dat wensen de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking.

Artikel 9. Inhoud en geldigheidsduur beschikking
  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als voorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt. Het college legt in de beschikking de met de jeugdige en of zijn ouders gemaakte afspraken vast.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    welke de te treffen voorziening is en wat het beoogde doel en resultaat daarvan is;

  • b.

    wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

  • c.

    hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

  • d.

    welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    voor welke individuele voorziening het pgb wordt aangewend;

  • b.

    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

  • c.

    wat de hoogte van het pgb is;

  • d.

    wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en de wijze van verantwoording van de besteding van pgb.

  • 4.

    Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en stelt hierover nadere regels.

  • 5.

    In de beschikking wordt opgenomen dat de jeugdige of zijn ouders zich binnen drie maanden na de besluitdatum moeten melden bij de jeugdhulpaanbieder, dan wel dat het pgb binnen drie maanden voor de gewenste voorziening is ingezet.

Hoofdstuk 4. Individuele voorzieningen

Artikel 10. Voorwaarden voor een individuele voorziening
  • 1.

    Het college kent een individuele voorziening toe voor zover wordt vastgesteld dat de jeugdige en of zijn ouders:

  • a.

    geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan gebruikelijke hulp of hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

  • b.

    geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van de voorzieningen, bedoeld in artikel 3 van deze verordening, of

  • c.

    geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van deze verordening.

  • 2.

    Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voor zover met betrekking tot de jeugdige een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts is afgegeven.

  • 3.

    Het college verstrekt uitsluitend de meest passende voorziening jeugdhulp voor het bereiken van het afgesproken resultaat.

  • 4.

    Onverlet het tweede lid van dit artikel wordt geen voorziening verstrekt voor (kosten van) jeugdhulp die reeds voorafgaand aan het moment van aanvragen zijn gemaakt, tenzij de noodzaak en passendheid nog beoordeeld kan worden.

Artikel 11 Aanvullende regels voor een pgb
  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. e.v. van de wet.

  • 2.

    In het budgetplan is opgenomen:

  • a.

    de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is;

  • b.

    de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

  • c.

    op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd;

  • d.

    de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

  • 3.

    De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

  • a.

    kosten voor bemiddeling;

  • b.

    kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • c.

    kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • d.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

  • e.

    kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

  • 4.

    Als de cliënt de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken uitvoert met hulp van de betrokken ondersteuner, diens personeel of op een andere wijze aan de ondersteuner verbonden persoon, kan een persoonsgebonden budget worden geweigerd op grond van belangenverstrengeling.

  • 5.

    Het college beoordeelt of de jeugdhulp die de jeugdige en zijn ouders willen betrekken van een aanbieder of een persoon die behoort tot het sociale netwerk van goede kwaliteit is. Als het om ggz-behandeling gaat wordt de jeugdhulp niet betrokken van iemand uit het sociale netwerk.

  • 6.

    Een pgb moet binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp
  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, niet zijnde bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:

  • a.

    personen die werkzaam zijn in een instelling of zelfstandigen zonder personeel;

  • b.

    personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 2.

    Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.

  • 3.

    Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a of b, is er sprake van informele hulp.

Artikel 13. Hoogte pgb
  • 1.

    De hoogte van een pgb:

  • a.

    wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden;

  • b.

    wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning van derden te betrekken, en

  • c.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare individuele hulp in natura.

  • 2.

    Het college stelt afzonderlijke formele pgb-tarieven vast voor de volgende vormen van jeugdhulp:

  • a.

    begeleiding individueel;

  • b.

    begeleiding groep;

  • c.

    persoonlijke verzorging;

  • d.

    verblijf / logeren.

  • 3.

    Het tarief voor een pgb voor informele hulp wordt vastgesteld op het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regels verdere invulling geven aan het bepaalde in de voorgaande leden.

Hoofdstuk 5. Herziening, intrekking, terugvordering en controle

Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
  • 1.

    Het college informeert de jeugdige en zijn ouders en hun eventuele vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en de plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet.

  • 2.

    De jeugdige en zijn ouders doen aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.

  • 3.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

  • a.

    de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • b.

    de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

  • c.

    de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

  • d.

    de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening in natura of het pgb;

  • e.

    de kwaliteit van de individuele voorziening niet voldoende is of;

  • f.

    de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 4.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid onderdeel a heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

  • 5.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden niet is aangesproken voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, tenzij dit de jeugdige of zijn ouders niet is aan te rekenen.

  • 6.

    Het college onderzoekt ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en (onterecht) niet-gebruik van de Wet en uit oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.

Artikel 15. Toezicht
  • 1.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en (onterecht) niet-gebruik van deze wet.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder.

Hoofdstuk 6. Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 16. Afstemming met andere voorzieningen

Het college is bij wet gemachtigd en verplicht om afstemming te vinden met de volgende velden: gezondheidszorg, gecertificeerde instellingen, het justitiedomein, voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht, Veilig Thuis (het advies‐ en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling), Wmo‐voorzieningen, voorzieningen voor werk en inkomen.

Hoofdstuk 7. Waarborgen verhouding prijs, kwaliteit en privacy

Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

  • 2.

    Aanbieders moeten voldoen aan de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in artikel 4 van de Jeugdwet en de meest recente versie van het kwaliteitskader Jeugd, ten minste maar niet gelimiteerd tot:

  • a.

    professionalisering;

  • b.

    registratie van professionals;

  • c.

    norm van de verantwoorde werktoedeling;

  • d.

    de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in de aanmeldingsdocumenten `Open house’ uitvoering diensten Jeugdhulp Groningen 2018 en verder.

Artikel 18. Privacy

Het college zorgt voor een werkwijze die afdoende waarborgen biedt voor het beschermen van persoonsgegevens.

Hoofdstuk 8. Klachten en medezeggenschap

Artikel 19. Klachtregeling
  • 1.

    Het college behandelt klachten van de jeugdige en of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen overeenkomstig de bepalingen van de Klachtenregeling gemeente Oldambt.

  • 2.

    Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wet.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van klachtafhandeling.

Artikel 20. Inspraak en cliëntenparticipatie
  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 21. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.

Artikel 22. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
  • 1.

    De Verordening jeugdhulp gemeente Oldambt 2015, vastgesteld 22 oktober 2014, wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een jeugdige of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Oldambt 2015 totdat het College een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Oldambt 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Oldambt 2015 wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.

    Deze verordening treedt – na behoorlijk te zijn bekendgemaakt – in werking op 1 november 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Oldambt 2019.

Doel: deze verordening heeft als doel om regels vast te stellen over de door het College te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

Juridische grondslag: artikel 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1. van de Jeugdwet

en 147, 149 en 156, lid 3 van de Gemeentewet.

Datum ingetrokken Raadsbesluit: 20 oktober 2014

Datum nieuw Raadsbesluit: 23 september 2019

Datum bekendmaking elektronisch gemeenteblad: 23 oktober 2019

Integrale publicatie DROP (wetten.nl): 23 oktober 2019

Datum inwerkingtreding: 1 november 2019

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 23 september 2019.

De griffier, De voorzitter,

J. van der Meer C.Y. Sikkema

Bijlage I: Tabel behorend bij artikel 13 van de Verordening

Onderstaande bedragen voor pgb’s zijn door het college vastgesteld op 15 maart 2016 en zijn ingegaan op 1 mei 2016. Voor de bepaling van deze bedragen is geen kostprijsonderzoek uitgevoerd, maar ze zijn gebaseerd op de oude awbz-systematiek en gecorrigeerd op praktijkervaring van team met de zorgvraag van cliënten en de kosten van passende ondersteuning. Voorts zijn de bedragen afgestemd op de tarieven binnen de Wmo.

PGB tarieven jeugdhulp

eenheid

Begeleiding individueel

Uur

€ 35,00

Persoonlijke verzorging

Uur

€ 25,00

Begeleiding groep

dagdeel

€ 40,00

Verblijf / logeren met begeleiding

etmaal

€ 160,00

Bijlage 2

Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind.

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

  • ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

  • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd opgehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden;

  • hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

  • hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

  • hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

  • zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

  • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Toelichting op de Verordening jeugdhulp gemeente Oldambt 2019

Algemene toelichting

Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente: de jeugdhulpplicht. De voorzieningenplicht houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen indien de jeugdige of zijn ouders deze nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en de omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft ook na de decentralisatie van deze taken onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel om ervoor te zorgen dat de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt.

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

• over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen;

• met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

• over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

• over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

• voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;

• over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;

• ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. In deze verordening wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt met als resultaat een completer beeld van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Bijvoorbeeld in de gevallen waarin de gemeenteraad de vormen van jeugdhulp op hoofdlijnen vaststelt en de uitwerking aan het college wordt gedelegeerd. Daarnaast wordt op grond van deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Toeleiding naar jeugdhulp

De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.

Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen

In deze verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan worden volstaan met een algemene voorziening. Hier kan een jeugdige of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige of zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp rechtstreeks tot een jeugdhulpaanbieder wenden.

Een individuele voorziening daarentegen zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde vormen van zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van zorg zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige en of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In de artikelen 3 en 5 heeft de gemeenteraad bepaald wat de beschikbare algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen en de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen zijn.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouders kan onder meer binnenkomen bij het team jeugd van de gemeente. De beslissing van de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouders precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand na overleg met de betreffende jeugdige en zijn ouders. Daarbij wordt eerst in kaart gebracht wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is, zal eerst gekeken worden of dit een vrij toegankelijke voorziening is of een niet vrij toegankelijke voorziening. In dit laatste geval neemt een deskundige namens het college een besluit en verwijst hij de jeugdige door naar een jeugdhulpaanbieder. In de verordening staat de toegang tot de jeugdhulp nader uitgewerkt. Naast de bovengenoemde mogelijkheid bestaat er ook nog een route om de noodzakelijke jeugdhulp zonder aanvraag van de gemeente tot stand te brengen. Deze route van jeugdhulp komt in verschillende vormen voor:

  • toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist;

  • toegang via een gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting (JJI);

  • toegang via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK).

Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist

De Jeugdwet regelt onder andere dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen zij naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zicht te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, met inachtneming van de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp noodzakelijk is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 tweede lid, onderdeel d van de Jeugdwet). Uitgangspunt is dat rekening gehouden wordt met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt derhalve niet terug in deze verordening.

Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK)

Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening

In deze verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken zonder daarvoor een besluit van de gemeente nodig te hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van ‘overige voorziening’. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter van een ‘algemene’ of vrij toegankelijke voorziening. Omdat ‘algemene voorziening’ de meest gangbare term is die bovendien ook in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in deze verordening.

Lid 1 onderdeel b: andere voorziening

Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg.

Lid 1 onderdeel c: gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp kan gezien worden als een nadere invulling van het begrip ‘eigen kracht’. In artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet staat dat het college geen voorziening voor jeugdhulp hoeft te treffen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van personen uit het sociale netwerk. Dit wordt in de praktijk ‘eigen kracht’ genoemd. De jeugdhulp begint dus waar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het `systeem' ontoereikend zijn.

Als de jeugdige of zijn ouders een jeugdhulpvoorziening vragen voor taken waarvan het ‘gebruikelijk’ is dat de ouders dit zelf oppakken hoeft de gemeente geen jeugdhulp toe te kennen, voor zover voldoende duidelijk is dat zij die taken ook kunnen oppakken. De eigen mogelijkheden van de ouders zijn dan immers toereikend. Het beginsel van ‘gebruikelijke hulp’, is een onderdeel van de wettelijke bepaling dat het college geen jeugdhulp hoeft toe te kennen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen.

Artikel 2.9 sub a Jeugdwet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In dat kader is in artikel 10 lid 1 van de verordening bepaald dat geen jeugdhulp wordt toegekend voor taken waarvan het ‘gebruikelijk’ is dat ouders dit vanuit hun rol als verzorger van het kind zelf aan het kind bieden.

Ter uitwerking hiervan is een objectief afwegingskader vastgesteld om te beoordelen of en zo ja in hoeverre sprake is van 'gebruikelijke hulp'. De gemeente hanteert in casu de `Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind’, opgenomen als bijlage bij de factsheet over gebruikelijke zorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het uitgangspunt van dit beleid is dat de zorg die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten bieden aan kinderen zonder beperkingen, rekening houdend met verschillen die bij kinderen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan, gebruikelijk wordt geacht. In deze beleidsregels wordt benoemd dat “de criteria telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van het kind moeten worden beoordeeld. Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een kind van een bepaalde leeftijdsgroep gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie) waardoor deze zorg niet als gebruikelijk kan worden aangemerkt.” Dit beleid biedt ook de ruimte om in de individuele situatie te beoordelen of ouders gelet op de concrete situatie ook daadwerkelijk kunnen bieden wat van hen, naar algemene maatstaven, als ouder verwacht wordt.

Lid 1 onderdeel d: hulpvraag

De hulpvraag is de behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3 eerste lid van de Jeugdwet.

Lid 1 onderdeel e: individuele voorziening

Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk. Wanneer een individuele voorziening wordt toegekend of geweigerd vergt dat een individuele beoordeling die wordt vervat in op de perso(o)n(en) toegesneden besluit.

Lid 1 onderdeel f: ondersteuningsplan

Het ondersteuningsplan bevat het integraal resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van de jeugdige en zijn ouders. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.

Lid 1 onderdeel g: persoonsgebonden budget (pgb)

Een jeugdige of ouder kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of zijn ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Deze begripsomschrijving benadrukt dat het in deze verordening gaat om het persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.

Lid 1 onderdeel h: sociaal netwerk

Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, leden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet is er voor gekozen om aansluiting te zoeken bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een ondersteuningsvraag.

Lid 1 onderdeel i: Veilig Thuis

In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis ingeburgerd. In deze verordening wordt om die reden de term Veilig Thuis gebruikt.

Lid 1 onderdeel j: Jeugdwet

Lid 2

De definities zoals genoemd in artikel 1:1 van de Jeugdwet zijn niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Het betreft onder andere centrale begrippen als ‘ jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. Voorts worden ook de begrippen ‘jeugdige’ en ‘ouder’ overeenkomstig de Jeugdwet gebruikt. Indien mogelijk in het algemeen aangeduid als ‘de jeugdige en zijn ouders’ of ‘de jeugdige of zijn ouders’.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen

Artikel 2. Toegang algemene voorziening

Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouders. Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af.

Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.

Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen

Paragraaf 1. Toegang jeugdhulp

Toegang individuele voorzieningen

Voor het verkrijgen van een individuele voorziening (dus niet algemene voorziening) via de gemeente, geldt de procedure zoals omschreven in de artikelen 6 tot en met 9 van deze verordening. Deze artikelen zijn opgenomen om een zorgvuldig proces te waarborgen. Dit alles ter uitvoering van artikel 2.9, onderdeel a van de Jeugdwet waarin is bepaald dat de gemeente in ieder geval regels stelt met betrekking tot de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen (in deze verordening: algemene voorzieningen), met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.

Artikel 4.

Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen (artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet). Eventueel met inzet van gebruikelijke hulp of hulp van personen uit het sociaal netwerk. Dit wordt in de praktijk ook wel eigen kracht genoemd.

Een (gedeeltelijke) afwijzing van een aanvraag tot jeugdhulp omdat de eigen kracht toereikend wordt geacht, moet goed worden gemotiveerd, concreet toegespitst op de situatie van de jeugdige en de ouders. Ter invulling van het begrip eigen kracht wordt gebruik gemaakt van de term ‘gebruikelijke hulp’. Dit is gedefinieerd in artikel 1, lid 1, onder e van deze verordening. Hierbij wordt verwezen naar de bijlage.

Artikel 5. Beschikbare individuele voorzieningen

De jeugdige en zijn ouders hebben recht op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. De jeugdige en zijn ouders kunnen hier rechtszekerheid aan ontlenen en willekeur wordt vermeden. Het aanbod kan echter in tijd variëren. Het gaat dus niet om het standaard ‘in huis hebben’ van een bepaald aanbod, maar het kunnen bieden van bepaalde vormen van ondersteuning bij een gelijkluidende behoefte aan ondersteuning.

Lid 2

Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Paragraaf 2. Toegang procedureel

Artikel 6. Aanvraag

Lid 1

De jeugdige of zijn ouders kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Algemene wet bestuursrecht worden regels gegeven met betrekking tot de aanvraag. Deze verordening wijkt daar in principe niet van af. Dat betekent in ieder geval dat op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk. Niet onbelangrijk ook is de definitie van de aanvraag in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht: onder aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Zie over de aanvraag ook de toelichting bij artikel 8 lid 1 en 2 van deze verordening.

Lid 2

Aanvragers kunnen gebruik maken van de door de gemeente geregelde maar onafhankelijke vertrouwenspersoon (zie artikel 2.6 onder f van de Wet en paragraaf 4.1 van het Besluit Jeugdwet).

Lid 3

Van belang is dat er bij spoed, als het niet onmiddellijk duidelijk is welke wet van toepassing is, de Jeugdwet in werking treedt om te voorkomen dat geen ondersteuning geboden wordt waar dit wel nodig is. Als toch een andere uitvoeringsinstantie op basis van een andere wet verantwoordelijk blijkt te zijn, kan de gemeente de kosten verhalen. Zie ook artikel 8 lid 3 van deze verordening.

Lid 4

Als de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura niet passend achten, kunnen de jeugdige of zijn ouders bij de aanvraag vermelden een persoonsgebonden budget te wensen. In artikel 11 van deze verordening wordt ingegaan op de aanvullende criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget.

Lid 5

Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen met betrekking tot de aanvraagprocedure.

Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan

Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken.

Lid 1

De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Over de dwingende volgorde van het onderzoek zie de paragraaf 5.1 van de Beleidsregels.

Lid 2 en 3

Uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en zijn ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of zijn ouders zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen. Dat zal onder andere het geval zijn om een goede afstemming met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen te realiseren.

Lid 4 en 5

De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan, zoals omschreven in artikel 1 onder f van deze verordening. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdrage daarin van alle partijen verwacht wordt.

Lid 6

Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze.

Artikel 8: Besluit

Lid 1 en 2

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Over de toekenning of afwijzing van een individuele voorziening wordt, behalve in de gevallen van verwijzing van artikel 8 lid 4 van de verordening, een schriftelijk besluit (beschikking) genomen. Deze beschikking is gebaseerd op onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders in relatie tot de ingediende aanvraag.

De Jeugdwet zelf kent geen regels met betrekking tot het proces van het indienen van de aanvraag tot het moment van besluiten. Daarvoor valt het college terug op de regels in de Algemene wet bestuursrecht. In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat een aanvraag schriftelijk wordt ingediend. In de gemeente Oldambt kan een aanvraag ook elektronisch worden ingediend.

In de verordening is geen termijn genoemd waarbinnen de aanvraag moet worden afgehandeld. Omdat deze termijn ook niet in de Wet wordt genoemd valt het college ook in dit geval terug op algemene regels van bestuursrecht. In artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat bij het ontbreken van termijn in de wet of verordening een beschikking in ieder geval dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Als dat niet lukt moet het college de aanvrager tijdig, vóór het verlopen van de termijn van acht weken, hiervan op de hoogte stellen. Het college doet dit schriftelijk, noemt de reden van het uitstel en geeft tegelijk een redelijke termijn waarbinnen een beslissing wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht).

Lid 3

Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke inzet van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

Lid 4

In artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Aan het begin van de toelichting op deze verordening is nader ingegaan op de toeleiding naar jeugdhulp.

Artikel 9. Inhoud en geldigheidsduur beschikking

Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, geeft het college een schriftelijke beschikking af. Hiertegen kan de jeugdige of zijn ouders in bezwaar gaan of beroep instellen bij de rechtbank. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer besluiten met betrekking tot gesloten jeugdhulp of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet. In bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht worden de artikelen in de Jeugdwet waartegen geen bezwaar en beroep mogelijk is expliciet genoemd.

De jeugdige of zijn ouders moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat het college in de beschikking de jeugdige of zijn ouders goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.

Lid 2 en 3

In lid 2 en 3 is geregeld wat er in ieder geval in een beschikking staat in geval er zorg in natura wordt verstrekt of een pgb. Er kan ook besloten worden zowel zorg in nantura als een pgb te verstrekken. Uitgangspunt van de Wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in natura krijgen. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb staan opgesomd in paragraaf 4.1 van de Beleidsregels.

Lid 5

Deze bepaling regelt dat van een jeugdige of zijn ouders wordt verwacht dat hij binnen 3 maanden de indicatie ‘verzilvert’ door zich te melden bij de jeugdaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het persoonsgebonden budget binnen drie maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Wordt niet aan deze verplichting voldaan, dan kan dat voor het college reden zijn om het besluit te herzien of in te trekken (artikel 14 lid 2 onderdeel d van deze verordening). Indien de beslissing tot verlening van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget op basis hiervan wordt ingetrokken, herleeft de zorgplicht van de gemeente. Het college dient in dergelijke gevallen opnieuw naar de zaak te kijken.

Hoofdstuk 4. Individuele voorzieningen

Artikel 10. Voorwaarden voor een individuele voorziening

Bij een beoordeling van het recht op jeugdhulp wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag (onderdeel a). In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In dit artikel is deze verplichting nader uitgewerkt.

Lid 1

Bij het beoordelen van de aanvraag wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel van die eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is gebruikelijke hulp, zoals gedefinieerd in artikel 1 onder d van de verordening en uitgewerkt in de Beleidsregels. Voor zover gebruikelijke hulp mag worden verwacht, hoeft geen voorziening worden ingezet. Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel b). Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als de jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld de Wmo 2015 of de Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen.

Lid 2

Het tweede lid heeft betrekking op de situatie dat een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts die door het college moet worden uitgevoerd, aan de orde is. In artikel 8 lid 4 van deze verordening is opgenomen dat alleen indien de ouders dat wensen de te verlenen individuele voorziening wordt vastgelegd in een beschikking.

Lid 3

Het derde lid regelt dat de te verstrekken voorziening ‘passend’ moet zijn. Dat houdt overigens ook in dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van lid 1 van deze bepaling.

Lid 4

Dit artikellid gaat uit van het uitgangspunt dat in principe niet met terugwerkende kracht een voorziening wordt verstrekt. In de praktijk komt het voor dat de ouders of de jeugdige zelf hulp inschakelen en zich daarna pas melden met een hulpvraag bij de gemeente. Als het hulpverleningstraject al is afgerond voordat iemand zich meldt bij de gemeente hoeft het college geen voorziening te bieden. De passendheid van die voorziening kan dan immers niet meer beoordeeld worden. Is het hulpverleningstraject nog aan de gang dan moet het college onderzoek doen.

Artikel 11. Aanvullende criteria voor pgb

Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Voor gemeenten is onder meer van belang dat een pgb slechts wordt verstrekt, indien de jeugdige of zijn ouders motiveren dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1, tweede lid, onderdeel b).

Bij amendement Bisschop en Voortman (Kamerstukken Tweede Kamer 2013/14, 33 684, nr. 100) is het vijfde lid (nu: artikel 8.1.1 vierde lid Jeugdwet) zo aangepast dat duidelijk is geworden dat jeugdigen of hun ouders zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden doorberekend.

Lid 1

Als een jeugdige of zijn ouders in aanmerking willen komen voor een pgb, moeten zij een budgetplan opstellen.

In lid 1 is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in het budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. In artikel 8.1.1 van de Jeugdwet staan een aantal criteria genoemd om in aanmerking te komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan. Het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

Lid 2

In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.

Lid 4

Dit artikel gaat over de situatie waarin de beheerder van het pgb feitelijk ook de zorgverlener is. Het belang van degene die de zorg verleent mag nadrukkelijk niet boven het belang van de cliënt staan. Een factor die kan wijzen op ongewenste belangenverstrengeling is als de cliënt een lage mate van invloed heeft op het besluit om voor een persoonsgebonden budget te kiezen (ECLI:NL:RBGEL:2018:3911).

Een geval van belangenverstrengeling kan zijn de bewindvoerder die tevens zorgverlener is; hij beheert het budget dat hij als zorgverlener (mede) aan zichzelf toebedeelt. Het Burgerlijk Wetboek verbiedt de combinatie van bewindvoerder en direct betrokken hulpverlener en de combinatie van bewindvoerder en personen die behoren tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de cliënt wordt verzorgd of die begeleiding aan de cliënt biedt. Dergelijke combinaties zijn ook niet toegestaan voor curatoren en mentoren (artikel 1:383, lid 5; artikel 1:435 lid 6 en artikel 1:452 lid 6 BW).

Dezelfde combinaties worden ook uitgesloten in het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren. In de toelichting van dat besluit wordt aangegeven waarom deze combinaties niet geoorloofd zijn: `Achterliggende gedachte bij deze eisen is dat de curator [en ook de bewindvoerder en mentor] en de personen door wie hij zijn taken uitvoert, niet in conflict komen tussen het behartigen van het belang van de onder curatele gestelde en andere belangen, zoals het belang van schuldeisers in geval van de Wsnp-bewindvoerder, en het belang van de werkgever/zorginstelling.’ Hier wordt dus expliciet gewezen op het gevaar van belangenverstrengeling.

Lid 5

Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. De reden hiervoor is dat dat een ggz-behandeling, gelet op de aard van de hulp, alleen door professionals kan worden geboden, zoals (kinder)psychiaters, gezondheidszorgpsychologen, psychiatrisch verpleegkundigen, psychotherapeuten en orthopedagogen. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociale netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en daarmee de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.

Lid 6

In de vijfde bepaling is gekozen voor de relatief korte termijn van drie maanden, vanuit de gedachte dat de jeugd en jongeren kwetsbaar zijn en er sneller ingegrepen moet worden. Wordt niet aan deze verplichting voldaan, dan kan dat voor het college reden zijn om het pgb te herzien of in te trekken (artikel 14 lid 5 van deze verordening). Indien de beslissing tot verlening van een pgb op basis hiervan wordt ingetrokken, dan herleeft de zorgplicht van de gemeente. Het college dient de zaak dan opnieuw vanuit deze plicht te bekijken. Voorts is van belang dat de genoemde essentialia van lid 4 en 5 onderdeel van de beschikking uitmaakt.

Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp

Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

Voor formele hulp geldt een hoger pgb-tarief dan voor informele hulp. Voor informele hulp wordt aangesloten bij de systematiek zoals deze bij de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet wordt gehanteerd. In lijn daarvan is sprake van het wettelijk minimum.

Van formele hulp is – kortweg – sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandig hulpverlener (zzp’er).

Zowel personen werkzaam in een instelling als zzp’ers verlenen de ondersteuning in het kader van een hulpverlenend beroep. Dat de ondersteuning wordt gegeven in het kader van een hulpverlenend beroep kan blijken uit de inschrijving in de registers van de Kamer van Koophandel en uit relevante diploma’s. Maar ook zonder registratie kan sprake zijn van formele hulp. Zo geldt bijvoorbeeld voor vak- of kindtherapeuten dat zij zich niet hoeven te registeren in het register van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Toch kunnen ook deze personen beroepsmatig jeugdhulp verlenen. Die hulp zal dan als ‘formele hulp’ worden gezien. Dat hulpverleners met relevante diploma’s en of vereiste registratie onder ‘formele hulp’ vallen, geldt niet in alle situaties. Er is één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad is. Bij een hulpverlener die bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG- of SKJ geregistreerd is. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk. Bloedverwanten in de eerste graad zijn:

• (adoptie)ouders;

• (adoptie)kinderen.

Bloedverwanten in de tweede graad zijn:

• grootouders;

• kleinkinderen;

• broers en zussen.

Artikel 13. Hoogte pgb

Dit artikel berust op artikel 2.9, onderdeel c van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In deze verordening wordt het pgb-tarief voor informele hulp daarom vastgesteld op het wettelijk minimumloon (zie de toelichting bij lid 2).

Lid 1

In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele jeugdhulp, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. In dergelijke gevallen mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.

Lid 2

In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen.

Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, zal nagenoeg altijd aan deze voorwaarde zijn voldaan. Desalniettemin moet het College in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet zal gelden (zie CRvB 19-09-2012, ECLI:NL 2012: BX8897 en Rechtbank Overijssel 20-02-2017 ECLI:NL:RBOVE:2017:802).

Lid 3

Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend.

Lid 4

Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb.

Hoofdstuk 5. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Deze bepaling is een gevolg van de bij Nota van wijziging ingevoerde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onder d van de Wet. Op grond van deze wijziging stelt de gemeente bij verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet.

In dit artikel is zoveel mogelijk aangesloten bij het overeenkomstige artikel (11) van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt 2017.

Lid 1

Lid 2

Het eerste lid berust op artikel 8.1.2 eerste lid van de Wet. Ook de volgende artikelleden zijn afgeleid van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 van de Wet. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is beperkt tot het pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de Wet, in de verordening uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit direct aan het college te melden. Verstrekken zij niet direct uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.

Lid 2

Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de Jeugdwet. Ook hier is de tot het pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van het bepaalde in artikel 2.9 onderdeel d, van de Wet uitgebreid naar de individuele voorziening in natura.

Lid 3

In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige en of zijn ouders (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Artikel 8.1.4 lid 3 van de Wet spreekt van invorderen. Maar alvorens tot invordering kan worden overgegaan, moet het college een besluit tot terugvordering genomen hebben. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag in deze verordening te geven. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Daarnaast regelt het derde lid dat indien de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt, het college een beslissing kan herzien of intrekken.

Lid 4

In artikel 11 lid 5 van deze verordening is gekozen voor de relatief korte termijn van drie maanden waarop de jeugdige of zijn ouders de pgb moeten ‘verzilveren’, vanuit de gedachte dat de jeugdige kwetsbaar is en er snel ingegrepen moet kunnen worden. Wordt niet aan deze verplichting voldaan, dan kan dat voor het college aanleiding zijn om het pgb te herzien of in te trekken. Indien de beslissing tot verlening van een pgb op basis hiervan wordt ingetrokken, dan herleeft de zorgplicht van de gemeente. Het college dient de zaak dan opnieuw vanuit deze plicht te bekijken.

Artikel 15: Toezicht

Lid 1

Anders dan in de Wmo 2015 (artikel 6.1) kent de Jeugdwet geen wettelijke verplichting om een toezichthouder aan te wijzen, maar sluit het deze mogelijkheid ook niet uit. Met deze bepaling in de verordening wordt hiervoor alsnog een grondslag geboden. De aan te wijzen toezichthouder handelt op basis van de bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze zijn vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) (zie hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of de geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD.

De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

Lid 2

In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels vast stelt over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder.

Hoofdstuk 6. Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 16. Afstemming met andere voorzieningen

De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk onder de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht-) verstandelijke gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Langdurige (24-uurs) zorg vanwege (voornamelijk) verstandelijke en/of lichamelijke handicap, valt evenmin onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wet langdurige Zorg (Wlz) en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Gelet op deze afbakening, is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft een aantal onderdelen waarop afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen en op welke wijze een doorverwijzing uiteindelijk wordt vastgelegd in een schriftelijke beschikking voor de jeugdige en/of zijn ouders.

GGZ na het 18e jaar

Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert veelal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz).

Afstemming met Wlz

Uit de Jeugdwet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlz-indicatie zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1.2 lid 1 sub c Jeugdwet). In deze bepaling is geregeld dat indien dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan, het college in ieder geval zorg draagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Pas als jeugdigen/ouders weigeren hieraan medewerking te verlenen, kan het college de inzet van jeugdhulp weigeren. Mits het college kan onderbouwen dat inderdaad aanspraak op Wlz-zorg zal bestaan en altijd het belang van het kind in het oog houdend.

Afstemming met gecertificeerde instellingen

De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo'n samenwerkingsprotocol ook verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet).

Afstemming met het justitiedomein

In de strafrechtelijke beslissing– in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Gaat het om taakstraffen, dan is dat de RvdK. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het Trajectberaad. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties, zeker ook als het gaat om de afhandeling van de proces‐verbalen van leerplicht. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen.

Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht

Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen.

De Jeugdwet draagt de gemeente ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2.7 Jeugdwet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij het gemeentelijke jeugdteam, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten zal hierbij tevens de leerplichtambtenaar worden betrokken (lid 2). Uiteraard worden de jeugdige/ouders betrokken bij dit overleg en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele ondersteuningsplan van de jeugdige (lid 3).

Afstemming met Veilig Thuis

Veilig Thuis (het advies‐ en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eer-gerelateerd geweld, seksueel misbruik, verlating of huwelijksdwang. Veilig Thuis kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen.

Afstemming met Wmovoorzieningen

Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht vóór het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is.

Sommige ouders van jeugdigen zullen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij minder valide en zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouders gewenst.

Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.

Zie ook paragraaf 2.1. van de Beleidsregels voor de afbakening van de Jeugdwet met andere wetten.

Hoofdstuk 8. Waarborgen verhouding prijs, kwaliteit en privacy

Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

Lid 1

Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Lid 2

Dit zijn de kwaliteitseisen waaraan alle aanbieders moeten voldoen, op basis van dit artikel kan toezicht worden gehouden of ingeschakeld. Dit met inachtneming van artikel 14 en 15 van deze verordening.

Artikel 18: Privacy (nieuw toegevoegd)

Het is van belang om te letten op de privacy van betrokkenen en de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht te nemen. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Dat zal onder andere het geval zijn in relatie tot andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.

Hoofdstuk 8. Klachten en medezeggenschap

Artikel 19. Klachtregeling

Lid 1

Iemand die zich onheus behandeld voelt kan een klacht indienen bij de organisatie die verantwoordelijk is voor de betrokken medewerker. Zo heeft de gemeente een algemene klachtenregeling, gebaseerd op hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Hierin is ook het recht neergelegd om na de behandeling van de klacht de ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen. Deze regeling geldt echter alleen voor het handelen van de medewerkers van de gemeente.

Lid 2

Van belang is dat de gemeente er op moet toezien dat aanbieders, die werken onder de verantwoordelijkheid van de gemeente, een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wettelijke eisen. De Jeugdwet schrijft tot in detail voor welke eisen een klachtenregeling moet voldoen, onder meer ten aanzien van onafhankelijkheid, afhandelingstermijnen en rapportage (zie de artikelen 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet). De aanbieders van de Jeugdzorg zullen moeten nagaan of ze hun klachtenregeling moeten aanpassen aan de eisen van de Jeugdwet.

Lid 3

In deze bepaling is opgenomen dat het college nadere regels kan stellen ten aanzien van klachtafhandeling

Artikel 20. Inspraak en cliëntparticipatie

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.

Lid 1

Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig in artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

Lid 2

Het college stelt ingezetenen en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

Lid 3

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Lid 4

Deze bepaling laat aan het college over om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 21. Evaluatie

Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal (rijks)niveau (zie artikel 12.2 van de Jeugdwet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten.

Artikel 22. Hardheidsclausule

Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de Wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen.

Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 Jeugdwet het college reeds maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.

Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuwe verordening in werking treedt. In het derde lid is vastgelegd dat aanvragen ingediend vóór 1 november 2019, die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Dat geldt niet voor bezwaarschriften die ingediend zijn tegen een besluit van vóór 1 november 2019. Die zullen namelijk beoordeeld worden op grond van de verordening die op het moment van het besluit goed. Dat laatste wordt geregeld in het vierde lid.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en hoe deze verordening geciteerd kan worden.