Verordening op de heffing en invordering van logiesheffing

Geldend van 01-04-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening op de heffing en invordering van logiesheffing

De RAAD van de gemeente Dordrecht;

gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 1 oktober 2019, inzake Vaststellen Verordening logiesheffing;

overwegende dat een logiesheffing wordt ingevoerd;

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende

Verordening op de heffing en invordering van logiesheffing

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • accommodaties: Hotels, pensions, Bed & Breakfast's (B&B's), gebouwen, woningen, vakantiehuisjes, stacaravans en andere onderkomens, één en ander in de ruimste zin des woords, waarbij tegen een vergoeding, in welke vorm dan ook, de mogelijkheid wordt geboden te overnachten;

  • staan- of ligplaatsen: Plaatsen op of rondom een terrein of op of aan het water, zoals campings en (jacht)havens, waarbij tegen een vergoeding, in welke vorm dan ook, de mogelijkheid wordt geboden te overnachten;

  • mobiel onderkomen: kampeermiddel zoals een tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan, voer- en/of vaartuig, andere (gewezen) voer- of vaartuig of enig ander onderkomen, één en ander in de ruimste zin des woords.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'logiesheffing' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente Dordrecht in de Basisregistratie Personen (BRP) zijn ingeschreven.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2.

  • 2.

    De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

  • 3.

    Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is degene belastingplichtig die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

Artikel 4 Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven voor het verblijf:

  • 1.

    van degene die verblijft in een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet toelating zorginstellingen;

  • 2.

    van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 1 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers;

  • 3.

    van personen beneden de leeftijd van 18 jaar.

Artikel 5 Maatstaf van de heffing

De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen per persoon in het belastingjaar.

Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing staan- en ligplaatsen

  • 1.

    Het aantal personen dat heeft overnacht op een staan- of ligplaats wordt forfaitair vastgesteld op twee per nacht per staan- of ligplaats;

  • 2.

    Het aantal overnachtingen op een staan- of ligplaats wordt forfaitair vastgesteld op 60% van het aantal beschikbare dagen gedurende het belastingjaar.

Artikel 7 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing accommodaties bij langdurig verblijf

Indien een accommodatie uitsluitend aan één of meer dezelfde personen gedurende een aaneengesloten periode van langer dan 30 dagen beschikbaar wordt gesteld, wordt het aantal overnachtingen gelijkgesteld aan tweederde van het aantal beschikbaar gestelde dagen per persoon.

Artikel 8 Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing

In afwijking van het bepaalde in artikelen 6 en 7 wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte logiesheffing gedane aanvraag de maatstaf van heffing vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen.

Artikel 9 Belastingtarief

Het tarief bedraagt voor:

  • a.

    accommodaties: € 2,00 per persoon per overnachting;

  • b.

    staan- en ligplaatsen: € 0,75 per persoon per overnachting.

Artikel 10 Belastingtijdvak

  • 1.

    Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 geldt dat het belastingjaar 2020 loopt vanaf 1 april 2020 tot en met 31 december 2020.

Artikel 11 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 12 Aanslaggrens

Belastingaanslagen van minder dan € 200,- worden niet opgelegd.

Artikel 13 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die als dagtekening op het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijn.

Artikel 14 Kwijtschelding

Bij de invordering van logiesheffing wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 15 Aanmeldplicht

De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid is gehouden, voordat hij/zij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten biedt, dit schriftelijk te melden aan de heffingsambtenaar als bedoeld artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet.

Artikel 16 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2020.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 april 2020.

  • 3.

    Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening logiesheffing".

De griffier,

De voorzitter,

A.E.T. Wepster

A.W. Kolff

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 oktober 2019.

Toelichting op de verordening

Artikel 1

Voor de berekening van de heffing wordt onderscheid gemaakt in accommodaties die verhuurd worden voor nachtelijk verblijf en het enkel aanbieden van staan- of ligplaatsen, waarbij degene die overnacht zijn eigen accommodatie (mobiel onderkomen) meebrengt.

Indien een staanplaats inclusief een vorm van onderkomen wordt aangeboden, wordt gesproken van accommodaties. Bijvoorbeeld bij drijvende hotelkamers is geen sprake van het beschikbaar stellen van een staan- of ligplaats, maar het beschikbaar stellen van een accommodatie.

Stallingen, parkeerplaatsen en andere accommodaties, staan- of ligplaatsen die niet bedoeld zijn om te kunnen overnachten blijven buiten de heffing.

Artikel 2

Er wordt belast als aan alle van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

• degene die overnacht is niet ingeschreven in Dordrecht in de BRP, én

• er is een vergoeding verschuldigd voor het overnachten, én

• er is daadwerkelijk overnacht.

Er wordt niet geheven indien aan één van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

• degene die overnacht is in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven als inwoner van Dordrecht;

• gasten die logeren bij bijvoorbeeld familie of vrienden en daarvoor geen enkele vergoeding betalen;

• eigenaren van accommodaties, zoals vakantiehuisjes, in eigendom en op eigen grond, waarbij eventuele vergoedingen beperkt blijven tot vergoedingen voor het gebruik van bepaalde voorzieningen (op een vakantiepark);

• er een vergoeding wordt betaald voor het beschikbaar hebben/houden van een accommodatie en/of staan- of ligplaats, maar er niet daadwerkelijk wordt/is overnacht (bijvoorbeeld bij het boeken van een seizoenplaats of stalling).

Bij seizoenplaatsen zijn dus alleen de daadwerkelijk verbleven nachten belastingplichtig.

Artikel 3

De belasting wordt geheven van en afgedragen door degene die het verblijf aanbiedt. Deze mag de belasting verhalen op degene die verblijf houdt.

Artikel 4

Vrijgesteld zijn:

• patiënten van verzorgings-, verpleeg- en ziekenhuizen;

• asielzoekers die rechtmatig in Nederland verblijven en door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers zijn gehuisvest;

• minderjarigen.

Artikel 5

De belasting geldt per persoon en per nacht.

Artikel 6

Voor staan- en ligplaatsen is het mogelijk om de belasting te voldoen op basis van een vaste berekening. Hiermee blijven de administratieve lasten laag en kan belastingplichtige het bedrag van de verschuldigde belasting direct (vooraf) worden ingeschat.

Uitgangspunt is dat een staan- of ligplaats in 60% van de gevallen gebruikt wordt en gemiddeld twee meerderjarige personen aanwezig zijn.

Het is niet verplicht deze regeling te gebruiken, er mag ook aangifte worden gedaan o.b.v. werkelijke aantallen.

Voor accommodaties geldt deze regeling niet. Bij accommodaties wordt doorgaans geboekt per persoon (per bed) en is in de meeste gevallen een goede (geautomatiseerde) administratie beschikbaar.

Artikel 7

Voor langdurige verhuur (minimaal 30 dagen) is het mogelijk om de heffing te voldoen op basis van een vaste berekening. Het is dan niet nodig bij te houden hoeveel nachten de huurder daadwerkelijk heeft verbleven. Bij verhuur langer dan4 30 dagen mag het aantal dagen dat werkelijk is overnacht gesteld worden op 2/3e van het aantal dagen dat de accommodatie beschikbaar is gesteld.

Het is niet verplicht deze regeling te gebruiken, er mag ook aangifte worden gedaan o.b.v. werkelijke aantallen.

Artikel 8

De belastingplichtige kan op het aangifteformulier aangeven dat hij/zij geen gebruik wil maken van het forfait uit artikelen 6 of 7 en aangifte doet op basis van werkelijke aantallen. Dit leidt tot een lagere aanslag indien het werkelijke aantal overnachtingen lager is dan berekend in artikelen 6 en/of artikel 7.

Werkelijk opgegeven aantallen dienen overeen te komen met een bijgehouden nachtregister.

Artikel 9

De gemeente Dordrecht heeft twee tarieven, één van € 2,00 en één van € 0,75.

De tarieven sluiten zoveel mogelijk aan op die bij soortgelijke gemeenten (100.000+ en regiogemeenten) en het landelijk gemiddelde voor hotels (Coelo). Het tarief voor staan- en ligplaatsen is, net als in veel andere gemeenten, lager dan het tarief voor accommodaties (veelal geregeld in een aparte verordening "watertoeristenbelasting", waarbij ook kort verblijf (overdag) kan worden belast).

Door het tarief voor staan- en ligplaatsen op € 0,75 te stellen, geldt een vergelijkbaar tarief met gemeenten die het tarief als percentage van de kamerprijs berekenen.

Artikel 10

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Dit met uitzondering van het startjaar 2020, als gevolg van de invoeringsdatum 1 april 2020.

Artikel 11

De aanslag volgt na afloop van het belastingjaar en er wordt niet gewerkt met voorlopige aanslagen. De belastingplichtige hoeft dus niet voor te financieren, maar betaalt de aanslag na afloop van het belastingjaar aan de gemeente.

Een aanslag wordt opgelegd nadat de belastingplichtige aangifte heeft gedaan. De belastingplichtige is zelf verantwoordelijk voor het tijdig doen van aangifte. De heffingsambtenaar zal bekende belastingplichtigen tijdig een aangiftebiljet toesturen.

Het college stelt naast deze verordening het model van de aangiftebiljetten en de beleidsregel bestuurlijke boete voor het niet (tijdig) doen van aangifte vast.

Artikel 12

Om niet-beroepsmatige en incidentele verhuur van bijvoorbeeld de eigen woning niet onevenredig te belasten, worden kleine aanslagen niet opgelegd. De opbrengsten wegen in dit geval niet op tegen de uitvoeringskosten.

Artikel 13

Een aanslag dient binnen één maand na dagtekening te worden voldaan.

Artikel 14

Er is geen mogelijkheid voor kwijtschelding.

Artikel 15

Om controle mogelijk te maken is het noodzakelijk dat aanbieders van nachtelijk verblijf dit bij de heffingsambtenaar kenbaar maken voordat verblijf plaatsvindt. Een aanbieder hoeft dit niet ieder jaar te doen. Zodra de aanbieder bekend is, loopt de aangifteplicht jaarlijks door. Het college stelt een aanmeldformulier vast.

Artikel 16

Om de heffing te kunnen verwerken in vroegtijdige boekingen voor het jaar 2020 start de heffing per 1 april 2020. Vanaf 2021 is het hele kalenderjaar belast.