Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Beemster 2019

Geldend van 01-09-2019 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Beemster 2019

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Beemster,

gelet op de Participatiewet , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),

besluit:

  • -

    in te trekken de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Werk en Inkomen 2013

  • -

    vast te stellen de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal gemeente Beemster 2019

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen
  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beemster;

    • c.

      fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • d.

      inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • e.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • f.

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • g.

      onderhoudsplichtige: de persoon die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of diens kind(eren) dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

    • h.

      PW: Participatiewet;

    • i.

      Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • j.

      uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de PW en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ;

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de PW, IOAW, IOAZ en de Awb.

Artikel 2. Algemene bepaling
  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

    • a.

      herziening of intrekking van het toekenningsbesluit als bedoeld in artikel 54, derde lid, laatste volzin van de PW of artikel 17, derde lid, laatste volzin van de IOAW en IOAZ;

    • b.

      intrekking als bedoeld in artikel 54, vierde lid van de PW of artikel 17, vierde lid IOAW en IOAZ;

    • c.

      terugvordering als bedoeld in artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de PW alsmede artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en IOAZ;

    • d.

      bruteren van de vorderingen, die zijn ontstaan door gebruik te maken van de onder c genoemde bevoegdheden, bij niet tijdige betaling;

    • e.

      verrekenen van inkomsten als bedoeld in artikel 58, vierde lid van de PW of 25, vierde lid van de IOAW en IOAZ;

    • f.

      invordering bij dwangbevel als bedoeld in artikel 60, tweede lid PW of artikel 28, eerste lid IOAW en IOAZ;

    • g.

      verrekening van de vordering als bedoeld in artikel 60, derde lid PW of artikel 28, derde lid, IOAW en IOAZ;

    • h.

      verrekening van een geldlening als bedoeld in artikel 48, vierde lid PW;

    • i.

      het afzien van (verdere) terugvordering als bedoeld in artikel 58, zevende lid sub a, b en c, en achtste lid van de PW of artikel 25 zesde lid sub a, b en c, en zevende lid van de IOAW en IOAZ;

    • j.

      verhaal van de kosten van bijstand als bedoeld in § 6.5 PW.

  • 2.

    Het college ziet af van invordering van de brutering wanneer

    • a.

      de netto vordering niet is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft; en

    • b.

      de netto vordering binnen 6 weken volledig is terugbetaald na afgifte van het terug-/ invorderingsbesluit.

Artikel 3. Kruimelbedrag
  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid onderdeel c, neemt het college alleen een terug-vorderingsbesluit, maar ziet het af van invordering daarvan voor zover het een bedrag van € 50,00 netto per kalenderjaar niet te boven gaat.

  • 2.

    Als degene van wie een bedrag kan worden teruggevorderd bedragen tegoed heeft van de gemeente op grond van de PW, IOAW, IOAZ vindt verrekening plaats voordat het eerste lid wordt toegepast.

  • 3.

    Wordt achteraf geconstateerd dat er onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, waardoor de te vorderen uitkering hoger is dan netto € 50,00, wordt alsnog een invorderingsbesluit genomen.

HOOFDSTUK 2 KWIJTSCHELDING

Artikel 4. Reikwijdte

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op vorderingen vanwege het schenden van de inlichtingenplicht die op of na 1 januari 2013 zijn ontstaan.

Paragraaf 2.1

Kwijtschelding in verband met het gedurende een bepaalde periode voldoen aan de betalingsverplichting(en)

Artikel 5. Afzien van verdere terug-/invordering na voldoen aan de betalingsverplichting
  • 1.

    In afwijking van artikel 2, eerste lid onder c kan het college besluiten af te zien van (verdere) terugvordering van uitkering als belanghebbende:

    • a.

      gedurende vijf jaar volledig aan zijn opgelegde betalingsverplichting(en) heeft voldaan (en ten minste 50% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan); of

    • b.

      gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichting(en) heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald (en ten minste 50% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan); of

    • c.

      een voor het college acceptabel voorstel tot afkoop doet.

  • 2.

    De in het eerste lid onder a, b en c genoemde termijn is drie jaar als:

    • a.

      het een vordering betreft zoals bedoeld in artikel 58 tweede lid onderdeel e PW; of

    • b.

      het een minnelijke aflossingsregeling betreft op een geldlening.

  • 3.

    De in het eerste lid onder a, b genoemde termijn is tien jaar als:

    • a.

      het een verwijtbare vordering betreft als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 eerste lid PW en artikel 13 eerste lid IOAW en IOAZ;

    • b.

      de vordering is vastgesteld voor 1 januari 2013;

    • c.

      er sprake is van recidive.

  • 4.

    Als de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, kan ambtshalve worden afgezien van (verdere) terug- of invordering.

Artikel 6. Geen kwijtschelding
  • 1.

    Er vindt geen kwijtschelding plaats als het gaat om een vordering:

    • a.

      die door pand of hypotheek op een goed of goederen is gedekt, met uitzondering van het geval dat de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

    • b.

      die ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48 tweede lid onder a of b van de PW.

    • c.

      die is gebaseerd op een terugvorderingsbesluit ingevolge artikel 58 tweede lid sub f onder 1 en 2 PW, artikel 25 tweede lid IOAW en IOAZ.

    • d.

      waarbij op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Paragraaf 2.2

Schuldregeling

Artikel 7. Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden
  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 60c PW en artikel 29a IOAW en IOAZ, verleent het college medewerking aan een schuldregeling wanneer:

    • a.

      redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

    • b.

      de vordering van het college ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • 2.

    Het college gaat, zodra de schuldregeling tot stand is gekomen, gedurende het traject van deze schuldregeling, niet over tot enige invordering van de vordering(en) die bij de schuldregeling zijn ingebracht.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing wanneer:

    • a.

      de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW;

    • b.

      de vordering is gebaseerd op een terugvorderingsbesluit ingevolge artikel 58 tweede lid sub f onder 1 en 2 PW, artikel 25 tweede lid IOAW en IOAZ;

    • c.

      de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden;

    • d.

      er een geldlening is verstrekt bij eigen woning als bedoeld in artikel 50 PW.

  • 4.

    Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken wanneer:

    • a.

      de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; dan wel

    • b.

      onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

HOOFDSTUK 3 INVORDERING

Paragraaf 3.1

De betalingsverplichting

Artikel 8. Volgorde van invordering
  • 1.

    Het college vordert de vorderingen op volgorde van ontstaansdatum in, zolang de belanghebbende geen verzoek heeft gedaan op grond van artikel 4:92, tweede lid Awb. In afwijking van de vorige volzin vindt de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaats, tenzij brutering van de vordering kan worden voorkomen door eerst de vordering in te vorderen.

  • 2.

    De invorderingsmaatregelen vinden, wanneer geen sprake is van het in één keer terugbetalen van de vordering, in principe plaats in onderstaande volgorde:

    • 1)

      Verrekening met de uitkering;

    • 2)

      Vereenvoudigd derdenbeslag;

    • 3)

      Executoriaal beslag middels een deurwaarder.

Artikel 9. Algemeen

Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.

Artikel 10. Uitstel van betaling
  • 1.

    Het college verleent uitstel van betaling wanneer haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan.

  • 2.

    Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat deze aflossingscapaciteit wordt aangewend ter aflossing van de openstaande schuld.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het tweede lid verbindt het college, wanneer het een fraudevordering betreft, aan de verlening van (verder) uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende zijn (toekomstig) vermogen aanwendt voor zover dit meer bedraagt dan € 2.000,00 bij een alleenstaande of € 3.000,00 bij een alleenstaande ouder of gehuwden.

  • 4.

    Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het derde lid:

    • a.

      worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten; en

    • b.

      is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de PW van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Het uitstel wordt ingetrokken wanneer de belanghebbende de nader overeengekomen aflossing niet nakomt.

Artikel 11. Maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitkeringsgerechtigden
  • 1.

    Wanneer belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de PW, de IOAW of de IOAZ, is het aflossingsbedrag gelijk aan maximaal 5% van de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt met een betalingsvoorstel van de belanghebbende ingestemd voor zover daarmee de vordering of geldlening binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt.

  • 3.

    In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d Rv.

Artikel 12. Maandelijkse aflossingscapaciteit bij niet-uitkeringsgerechtigden
  • 1.

    De hoogte van de aflossingscapaciteit wordt gedurende zes maanden na verzenddatum van het beëindigings- of intrekkingsbesluit, vastgesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks afloste tijdens de uitkeringsperiode of had kunnen aflossen.

  • 2.

    Na afloop van de termijn zoals bedoeld in het eerste lid, wordt de aflossingscapaciteit vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld.

  • 3.

    Wanneer tijdens het nemen van een terugvorderingbesluit geen uitkering (meer) wordt ontvangen, wordt de maandelijkse aflossingscapaciteit direct vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 12, eerste lid en vermeerderd zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid.

  • 4.

    De aflossingscapaciteit wordt niet hoger vastgesteld dan het bedrag dat volgens het bepaalde in artikel 475d Rv voor beslag in aanmerking zou komen.

Artikel 13. Wettelijke rente bij uitstel

Voor de periode dat uitstel is verleend wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht.

Artikel 14. Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college
  • 1.

    Bij een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van belanghebbende is gewijzigd, kan het college een onderzoek naar de aflossingscapaciteit instellen.

  • 2.

    Voor zover geen gegrond vermoeden, als bedoeld in het eerste lid, aanwezig is, stelt het college telkens binnen 24 maanden een onderzoek naar de aflossingscapaciteit in.

  • 3.

    Wanneer het college als gevolg van een onderzoek naar de aflossingscapaciteit besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij beschikking.

  • 4.

    In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

Artikel 15. Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende
  • 1.

    Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot:

    • a.

      wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of

    • b.

      tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen.

Paragraaf 3.2

Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting

Artikel 16. Niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting
  • 1.

    Wanneer de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet of niet meer nakomt, wordt hij schriftelijk aangemaand tot nakoming van zijn betalingsverplichting.

  • 2.

    Als belanghebbende binnen de termijn van twee weken na bekendmaking van de aanmaning, niet voldoet aan zijn betalingsverplichting, wordt het invorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

    • a.

      invordering bij dwangbevel zoals geregeld in artikel 4:114 en volgende Awb;

    • b.

      een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid RV;

    • c.

      beslag door een deurwaarder in de zin van het Tweede Boek RV.

  • 3.

    De kosten van het dwangbevel zoals bedoeld in het tweede lid onder a worden in rekening gebracht bij de belanghebbende waarbij wordt aangesloten aan tarieven Kostenwet invordering (rijks)belastingen.

  • 4.

    Bij overdracht van de invordering aan een deurwaarder, worden de kosten van de deurwaarder doorberekend aan de belanghebbende.

HOOFDSTUK 4 VERHAAL

Artikel 17. Verplichting van de bijstandsgerechtigde
  • 1.

    Het college legt op grond van artikel 55 PW de verplichting op aan de bijstandsgerechtigde om alimentatie naar draagkracht te vorderen middels een gerechtelijke uitspraak.

  • 2.

    Wanneer de alimentatie welke is vastgesteld middels een gerechtelijke uitspraak niet tot uitbetaling komt legt het college de verplichting op om uitbetaling af te dwingen, zo nodig door inschakeling van derden, zoals het LBIO of deurwaarder.

  • 3.

    Wanneer de bijstandsgerechtigde niet voldoet of kan voldoen aan de verplichting volgens het eerste en tweede lid kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheden zoals vastgelegd in artikel 62 en 62b van de PW.

Artikel 18. Afzien van verhaal
  • 1.

    In afwijking van artikel 2, eerste lid, onder j ziet het college geheel, gedeeltelijk en/of tijdelijk af van verhaal wanneer daarvoor aantoonbare dringende redenen aanwezig zijn, in de zin dat het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de onderhoudsgerechtigde of onderhoudsplichtige(n).

Artikel 19. Vaststelling verhaalsbijdrage bij ontbreken rechterlijke uitspraak
  • 1.

    Het college stelt de verhaalsbijdrage vast aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, waarbij de laagste van deze twee bedragen leidend is.

  • 2.

    De draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt vastgesteld conform de alimentatienormen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht.

  • 3.

    De draagkracht wordt vastgesteld op basis van door de onderhoudsplichtige ingediende bewijsstukken aangaande de financiële situatie.

  • 4.

    Eerdere afspraken die zijn gemaakt tussen de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtigen, zoals een convenant, hoeven door het college niet te worden meegenomen bij het bepalen van de verhaalsbijdrage.

  • 5.

    Wanneer de onderhoudsplichtige geen of onvoldoende bewijsstukken aangaande de financiële situatie verstrekt, dan wordt ambtshalve de bruto maandelijks aan onderhoudsgerechtigde verstrekte bijstand als onderhoudsverplichting opgelegd.

  • 6.

    Een opgelegde onderhoudsverplichting gaat in per de eerste dag van de maand, volgend op de maand van het eerste aanschrijven.

Artikel 20. Verhaal bij rechterlijke uitspraak

Het college verhaalt de kosten van de bijstand overeenkomstig de rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b PW wanneer de onderhoudsplichtige niet aan zijn verplichtingen van de uitvoerbare rechterlijke uitspraak voldoet.

Artikel 21. Verhaal in rechte

Wanneer de onderhoudsplichtige niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan het college te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 22. Overgangsrecht

Deze beleidsregels zijn vanaf datum inwerkingtreding van toepassing op alle besluiten tot intrekking, herziening, terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal, ongeacht de datum waarop deze besluiten zijn genomen, tenzij de belanghebbende hierdoor in een financieel minder gunstige positie wordt gebracht, in welk geval de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Werk en Inkomen 2013 voor de duur van zes maanden van kracht blijven

Artikel 23. Intrekking en inwerkingtreding
  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 september 2019.

  • 2.

    de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Werk en Inkomen 2013 worden op deze datum ingetrokken.

Ondertekening

Burgemeester en wethouders van Beemster, 30 juli 2019

De secretaris,

H.C.P. van Duivenvoorde

De loco-burgemeester,

J.R.P.L. Dings

Toelichting Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Beemster 2019

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 2. Algemene bepaling

Het eerste lid van dit artikel bevat de hoofdregel, oftewel de wijze waarop in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering, verrekening, invordering, verhaal of brutering van de uitkering.

De teveel verstrekte uitkering wordt bruto (inclusief afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen) teruggevorderd. Alleen wanneer in hetzelfde jaar dat teveel uitkering is verstrekt het bedrag wordt terugbetaald, kan netto worden terugbetaald.

Een bruto terugbetaling kan bij de belastingaangifte als ‘negatief inkomen’ opgegeven worden, wat kan leiden tot een belastingteruggaaf.

In de volgende gevallen moet het college afzien van brutering en kan alleen de netto bijstand teruggevorderd worden:

  • De ten onrechte betaalde belastingen en premies kunnen nog worden verrekend met de afdrachten aan de Belastingdienst en het UWV.

    Het afdragen van loonbelasting gebeurt op voorschotbasis per kwartaal. De definitieve afdrachten vinden plaats als het loonbelastingjaar (kalenderjaar) is afgerond. Zolang deze nog niet hebben plaatsgevonden, kan er verrekening plaatsvinden. Uit artikel 58 lid 5 Participatiewet volgt dat het college verplicht is, indien mogelijk, gebruik te maken van de mogelijkheid tot verrekening. Het college heeft dus niet de keuze om in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij fraudeschulden, altijd bruto terug te vorderen. Er is op dit punt geen beleidsruimte.

  • De reden voor terugvordering is in de loop van het jaar ontstaan en het college heeft nagelaten belanghebbende hiervan tijdig in kennis te stellen. Hierdoor is deze niet meer in staat om de vordering binnen het kalenderjaar terug te betalen (zie CRvB 28-11-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3437).

  • Belanghebbende kan terzake van het ontstaan van de schuld geen verwijt worden gemaakt en hem kan ook niet worden verweten dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald (CRvB 15-07-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8638, CRvB 26-09-2017 ECLI:NL:CRVB:2017:3996 en CRvB 11-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4281). Het gaat hier om situaties waarin de terugvordering het gevolg is van een intrekkings- of herzieningsbesluit op grond van artikel 54 lid 3 laatste volzin Participatiewet (artikel 17 lid 3, laatste volzin IOAW en IOAZ) of de terugvordering wordt gebaseerd op artikel 58 lid 2 onderdeel f onder 1 Participatiewet.

Naast de hierboven 3 genoemde situaties waarin het college moet afzien van brutering, ziet het college in bepaalde gevallen af van invordering van de brutering (afgedragen loonheffing). De voorwaarden staan vermeld in het tweede lid van artikel 2.

Deze situaties waarbij wel brutering plaatsvindt, maar waar het bruto bedrag voor rekening van het college komt, vinden vooral plaats aan het eind van een kalenderjaar plaats dan wel bij het begin van het kalenderjaar.

Artikel 3. Kruimelbedrag

Met de invoering van dit artikel heeft het college de mogelijkheid om af te zien van invordering van kleine bedragen tot € 50,- netto per kalenderjaar.

Om te kunnen verrekenen en af te kunnen zien van verdere invordering van het restant, moet in alle gevallen wel eerst een terugvorderingsbesluit genomen worden, zelfstandig of gecombineerd met een herziening-/intrekking.

Het derde lid biedt de mogelijkheid om het besluit tot afzien van invorderen te herroepen wanneer achteraf blijkt dat besluit genomen is op verstrekking door de belanghebbende van onvolledige en onjuiste gegevens.

HOOFDSTUK 2 KWIJTSCHELDING

Artikel 4. Reikwijdte

Het bepaalde in hoofdstuk 2 is niet van toepassing op vorderingen die ontstaan zijn wegens schending van de inlichtingenplicht. Het college is in die situaties namelijk verplicht tot herziening/intrekking en terugvordering van de uitkering op grond van de Pw, IOAW en IOAZ. Ook enkel in de bij wet geregelde situaties (artikel 58, zevende lid van de Pw en artikel 25, zesde lid van de IOAW en IOAZ) komen voor kwijtschelding in aanmerking.

Artikel 5. Afzien van verdere terug-/invordering na voldoen aan de betalingsverplichting

In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen met betrekking tot kwijtschelding in verband met oninbaarheid, afkoop of doelmatigheid. Uitgangspunt is dat pas tot kwijtschelding wordt overgegaan als tenminste 50% van de oorspronkelijke vordering dan wel geldlening is afgelost.

Onder het eerste lid sub c is opgenomen dat het college van verdere terug- en invordering afziet wanneer de debiteur een voor het college acceptabel voorstel tot afkoop doet. Hiermee zal terughoudend moeten worden omgegaan. Van deze situaties wordt alleen gebruik gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere wijze van invordering minder oplevert dan dat datgene dat met afkoop van het restant kan worden geïncasseerd.

Artikel 6. Geen kwijtschelding

De uitzonderingen wanneer geen kwijtschelding plaats kan vinden, staan opgenomen in dit artikel.

Hiermee wordt voorkomen dat de belanghebbende voor kwijtschelding in aanmerking zou kunnen komen wanneer het gaat om:

  • een krediethypotheek of pandrecht;

  • de bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt wegens nog te verkrijgen middelen;

  • de bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt wegens onverantwoord handelen van de belanghebbende waardoor bijstandsverlening noodzakelijk is;

  • een terugvordering wegens achteraf verkregen middelen of een achteraf verkregen vergoeding voor kosten, waarvoor met het oog op die bestemming bijstand is verleend.

Artikel 7. Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden

Uitgangspunt is dat het college meewerkt aan de totstandkoming van een minnelijke schuldregeling natuurlijke personen (MSNP). De voorwaarden waar onder wel of niet medewerking wordt verleend, of wanneer eerder toegezegde medewerking wordt ingetrokken, staan opgenomen in dit artikel.

In het derde lid staan de uitzonderingen benoemd zoals ook vermeld in artikel 6.

Wettelijk is bepaald dat bij fraudevorderingen medewerking aan een schuldregeling beperkt is toegestaan zover het gaat om het tijdelijk opschorten van de invordering of gedeeltelijke terugbetaling gedurende de schuldregeling. Gedeeltelijke of volledige kwijtschelding is niet toegestaan.

Bij een dwangakkoord (WNSP) is medewerking aan de schuldregeling verplicht.

HOOFDSTUK 3 INVORDERING

Artikel 8. Volgorde van invordering

Uitgangspunt is dat de oudste vordering het eerst wordt afgelost. Uitzondering hierop is de bestuurlijke boete, die bij voorrang wordt ingevorderd. Ook kan om brutering te voorkomen eerst overgegaan worden tot invordering van een netto schuld.

Artikel 9. Algemeen

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 10. Uitstel van betaling

Betaling ineens van de vordering binnen zes weken heeft de voorkeur. Wanneer dat niet mogelijk is, wordt een terugbetalingsregeling getroffen.

Bij het ontbreken van een maandelijkse aflossingscapaciteit, maar met aanwezigheid van vermogen verplicht het college bij een fraudevordering om het aanwezige vermogen deels aan te wenden voor aflossing op die vordering.

Artikel 11. Maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitkeringsgerechtigden

Uitgangspunt is dat minimaal 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld wordt gebruikt voor aflossing op een vordering of geldlening, ongeacht de ontstaansgrond. Dit percentage is vastgesteld op basis van de brief van het ministerie van 13 februari 2019 met onderwerp: Voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister

Beslagvrije voet bij verrekening

Veelal onbekend met factoren die de beslagvrije voet kunnen verhogen, vallen gemeenten bij de verrekening van schulden met de bijstandsuitkering van de schuldenaar terug op een beslagvrije voet gelijk aan een bepaald percentage (minimaal 90%) van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een alleenstaande of gehuwde. In het door de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet te introduceren stelsel komt bij bijstandsgerechtigden de beslagvrije voet standaard op 95% van de bijstandsnorm terecht. In dit percentage is de gemiddelde ophoging verdisconteerd waarmee een bijstandsgerechtigde binnen het huidige systeem te maken zou moeten krijgen. De staatssecretaris van SZW zal dan ook gemeenten oproepen om, anticiperend op de wet minimaal uit te gaan van een percentage gelijk aan 95% van de bijstandsnorm voor respectievelijk een alleenstaande of gehuwde.

Met bovenbeschreven tussenmaatregelen willen wij al een aantal gedegen stappen zetten richting het door de wet vereenvoudiging beslagvrije voet beoogde systeem. Het is daarbij ons oogmerk om deze maatregelen met spoed te realiseren.”

Bij vorderingen tot € 600,00 die in 24 maanden kunnen worden afgelost, kan worden volstaan met een maandelijks aflossingsbedrag van € 25,00 zover de belanghebbende hierom verzoekt. Er hoeft dan geen nader onderzoek plaats te vinden naar de afloscapaciteit van de uitkeringsgerechtigde.

Artikel 12. Maandelijkse aflossingscapaciteit bij niet-uitkeringsgerechtigden

Na beëindiging van de uitkering blijft het aflossingsbedrag zoals dat gold ten tijde van de uitkeringsperiode gedurende 6 maanden gehandhaafd. Na deze periode wordt de afloscapaciteit vermeerderd met 35% van het netto meer-inkomen.

Wanneer een terug-/invorderingsbesluit wordt genomen nadat het recht op uitkering al is beëindigd of ingetrokken, geldt direct een aflossingsbedrag gelijk aan 5% van de toepasselijke bijstandsnorm vermeerderd met 35% van het netto meer-inkomen.

Artikel 13. Wettelijke rente bij uitstel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 14. Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichtige door het college

Eenmaal per 24 maanden verricht het college een onderzoek naar de afloscapaciteit van de belanghebbende. Wanneer daartoe aanleiding bestaat kan ook eerder een onderzoek gestart worden. Van de uitkomst wordt de belanghebbende altijd met een beschikking op de hoogte gebracht.

Artikel 15. Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichtige door belanghebbende

Ook de belanghebbende zelf kan het college verzoeken om aanpassing van het aflossingsbedrag of tijdelijk uitstel van een opgelegde betalingsverplichting.

Dat moet schriftelijk of per e-mail met overlegging van de noodzakelijke bewijsstukken.

Artikel 16. Niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting

Het college heeft meerdere mogelijkheden om tot invordering van verschuldigde bedragen over te gaan. Sommige invorderingsmaatregelen zijn zeer belastend voor de belanghebbende. Het college streeft ernaar om te allen tijde de voor de belanghebbende minst bezwarende maatregel toe te passen. Dit betekent dat het college, in de regel, telkens zal trachten om langs minnelijke weg met de belanghebbende tot een aflossingsregeling te komen. Wanneer dit niet (meer) lukt, dan maakt het college gebruik van de mogelijkheid tot verrekening met een toegekend recht op bijstand of uitkering. Wanneer dat niet (meer) mogelijk is, dan past het college het zware middel van beslag in. Dit kan zowel beslag op periodieke inkomsten zijn, beslag op banktegoeden of beslag op (on)roerende zaken.

Het voorgaande laat overigens onverlet de mogelijkheid voor het college om, nog voor een besluit tot terugvordering is genomen, het middel van conservatoir beslag in te zetten.

Wanneer het college echter kan of moet verrekenen op grond van artikel 60, derde en vierde lid PW of artikel 28 derde en vierde lid IOAW en IOAZ, dan geniet deze bevoegdheid of plicht tot verrekening boven een minnelijke regeling.

Het college is bevoegd om rente en kosten in rekening te brengen. Het college ziet af van het in rekening brengen van rente en kosten, zolang de belanghebbende uit eigen beweging volledig aan zijn betalingsverplichting voldoet, dan wel wanneer het college verrekening toepast. Ook worden gene kosten berekend voor het versturen van een aanmaning.

Pas wanneer het college de invordering middels beslag moet laten verlopen, zullen kosten gevorderd worden. De kosten van het dwangbevel worden altijd in rekening gebracht bij de belanghebbende. Er wordt door het college geen rente in rekening gebracht.

Na overdracht van de invordering aan een deurwaarder worden de kosten daarvan doorberekend aan de belanghebbende. Dat is inclusief de eventuele rente die de deurwaarder in rekening brengt.

HOOFDSTUK 4 VERHAAL

Artikel 17. Verplichting van de bijstandsgerechtigde tot het (op)eisen van alimentatie

Binnen de Participatiewet staat de eigen verantwoordelijkheid voorop. De onderhoudsverplichting wordt door ons college beschouwd als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5 sub e PW: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Op grond van artikel 55 PW, kan het college nadere verplichtingen aan de bijstandsgerechtigde opleggen, mits deze verplichtingen strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstandsverlening.

Onder andere het (kunnen) maken van aanspraak op alimentatie wordt hieronder verstaan. Het maakt niet uit of het partner- of kinderalimentatie betreft.

Wanneer de bijstandsgerechtigde (nog) geen alimentatie heeft gevorderd bij de onderhoudsplichtige, dan wordt aan deze de verplichting opgelegd om alsnog alimentatie te vorderen bij de onderhouds- gerechtigde, zo nodig door tussenkomst van de rechter.

Voor zover de bijstandsgerechtigde in het bezit is van een rechterlijke uitspraak inzake de alimentatie, maar desondanks geen betaling van de onderhoudsplichtige is te verkrijgen, dan legt het college de bijstandsgerechtigde de verplichting op om betaling van de alimentatie af te dwingen. Zo nodig doorinschakeling van het LBIO, dan wel een deurwaarder.

Hoewel het college de voorkeur geeft aan het opleggen van een verplichting als bedoeld in artikel 55, zijn er situaties denkbaar waarin het gelet op alle feiten en omstandigheden niet wenselijk of redelijk is om hiertoe over te gaan. Te denken valt aan huiselijk geweld door de onderhoudsplichtige gericht tegen de bijstandsgerechtigde en/of diens ten laste komende kind(eren), ernstige bedreiging van de onderhoudsplichtige jegens de bijstandsgerechtigde en/of diens ten laste komende kind(eren) en misbruik van de bijstandsgerechtigde en/of diens ten laste komende kind(eren) door de onderhoudsplichtige. Het is aan het college om te bepalen of er van een ernstige situatie zoals hiervoor beschreven of daaraan gelijk te stellen sprake is, op grond waarvan kan worden afgezien van het opleggen van een verplichting als bedoeld in artikel 55 PW.

Het niet opleggen van de verplichting zoals bedoeld in artikel 55 PW, laat onverlet dat het college op grond van artikel 62, 62b PW en deze beleidsregels direct of op enig later tijdstip verhaal kan instellen.

Artikel 18. Afzien van verhaal

Het college is bevoegd om af te zien van het nemen van een besluit tot verhaal, in die gevallen waarin het naar het oordeel van het college (nog) niet opportuun is om enige verhaalbijdrage op te leggen. Het college volstaat in deze gevallen met het intern rapporteren omtrent de reden(en) waarom vooralsnog geen verhaal zal worden toegepast. Dit laat overigens onverlet, dat het college op enig later tijdstip alsnog tot verhaal kan overgaan.

Artikel 19. Vaststelling verhaalsbijdrage bij ontbreken rechterlijke uitspraak

In het geval het college geen verplichting als bedoeld in artikel 55 PW oplegt, dan maakt het college ten volle gebruik van zijn bevoegdheid om verhaal in te stellen. Het betreft hier de ten behoeve van de bijstandsgerechtigde en diens ten laste komende kind(eren) verleende algemene bijstand en de ten behoeve van het jongmeerderjarige kind verleende bijzondere bijstand.

De verhaalsbijdrage van de onderhoudsplichtige wordt door het college berekend volgens het Rapport Alimentatienormen, ook wel Trema-normen (Tijdschrift Rechterlijke Macht) genoemd. Dit rapport wordt periodiek geactualiseerd door de werkgroep alimentatienormen van de Nederlandse vereniging van Rechtspraak en ook door de rechtbank gebruikt voor de vaststelling van alimentatie.

Dit betekent ook dat er, conform voornoemd rapport, van uit wordt gegaan dat iedere onderhoudsplichtige wel iets kan betalen. Het minimumbedrag is in principe € 25,00 per maand. Uitgangspunt is wel dat de onderhoudsplichtige over 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm moet kunnen blijven beschikken.

Om de juiste verhaalsbijdrage te kunnen bepalen moet de onderhoudsplichtige dan ook voldoende informatie aan het college verstekken. Bij geen of onvoldoende bewijsstukken zal het college dan ook overgaan tot verhaal van de volledige bruto bijstandsuitkering die maandelijks aan de onderhoudsgerechtigde wordt verleend.

De verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 PW wordt opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van de eerste aanschrijving. Het is dan ook van belang om wanneer er sprake is van een of meerdere onderhoudsplichtigen, de aanschrijving zo spoedig mogelijk te doen nadat aan de onderhoudsgerechtigde bijstand is toegekend.

Artikel 20. Verhaal bij rechterlijke uitspraak

Ondanks de aanwezigheid van een rechterlijke uitspraak inzake de alimentatie en ondanks inschakeling van het LBIO dan wel een deurwaarder, is het mogelijk dat de bijstandsgerechtigde geen betaling van de onderhoudsplichtige ontvangt. In die situaties zal het college over gaan tot verhaal conform de rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in het artikel 62b lid 1 PW.

Artikel 21. Verhaal in rechte

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 22. Overgangsrecht

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 23. Intrekking en inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.