Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland houdende regels omtrent kinderopvang (Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Gemeente Westland 2019)

Geldend van 21-12-2018 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland houdende regels omtrent kinderopvang (Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Gemeente Westland 2019)

[Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijke bekendmaking is op 20 december 2018 beschikbaar via Gemeenteblad Westland 2018, 27.]

Burgemeester en wethouders van Gemeente Westland

Gelet op artikel 4:81 Awb;

Gelet op de artikelen 1.61, eerste lid, 1.65, eerste lid, 1.66 en 1.72, eerste lid Wet kinderopvang;

besluiten:

De Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Gemeente Westland 2018 in te trekken.

De Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang 2019 vast te stellen.

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • aanvraag: een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste en tweede lid Wko;

  • afwegingsmodel (bijlage 1): schematisch overzicht waarin overtredingen van de wet- en regelgeving zijn opgenomen, prioriteiten aan de kwaliteitseisen zijn toegekend (hoog- gemiddeld, laag) en de boetenormbedragen zijn vastgesteld;

  • Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • Besluit kwaliteit: Besluit kwaliteit kinderopvang;

  • Besluit registers: Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang;

  • Besluit ve: Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

  • Besluit GOB: Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;

  • College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland;

  • feitelijk leidinggevende: een feitelijk leidinggevende is een persoon in functie die werkzaam is voor de houder en feitelijk leiding geeft.

  • houder:

    • a.

      degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert;

    • b.

      de gastouder die een voorziening voor gastouderopvang exploiteert;

  • kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;

  • kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang De voorziening is geregistreerd met een uniek nummer in het LRK;

  • kinderopvangvoorziening: een kindercentrum voor dagopvang(KDV), buitenschoolse opvang(BSO), een gastouderbureau(GOB) of een voorziening voor gastouderopvang(VGO);

  • kwaliteitseisen: als bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3 van de Wko en de daaruit voortvloeiende regelgeving;

  • LRK: Landelijk Register Kinderopvang

  • personeel: personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een kinderopvangvoorziening exploiteert;

  • Regeling: Regeling Wet kinderopvang;

  • Regeling kwaliteit GOB: Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;

  • startend kindercentrum: een houder met één kinderopvangvoorziening met niet meer dan twee groepen. Tot en met het moment van de eerste reguliere inspectie als bedoeld in artikel 1.62, tweede lid Wko;

  • VOG: verklaring omtrent het gedrag;

  • Wko: wet kinderopvang.

Artikel 2 Toepassing van beleidsregels

Deze beleidsregels zijn van toepassing op de handhaving naar aanleiding van een overtreding van de wet- en regelgeving bij of krachtens de Wko.

Artikel 3 Vormen van sanctioneren
  • 1. Bij het uitvoeren van het handhavingsbeleid heeft het college de mogelijkheid om een hersteltraject en bestraffend traject op te starten;

  • 2. Burgemeester en wethouders bepalen aan de hand van het afwegingsmodel:

    • a.

      welk handhavingstraject wordt ingezet (herstel, bestraffend of beide).

    • b.

      welke stap (handhavingsmiddel) van het handhavingstraject wordt ingezet;

    • c.

      de lengte van de hersteltermijn (hersteltraject) en/ of de hoogte van de boete (bestraffend traject).

  • 3. Indien een overtreding niet is opgenomen in het afwegingsmodel bepalen burgemeester en wethouders per individueel geval de wijze van handhaving zoals is opgenomen in lid 2 van dit artikel.

Artikel 4 Subjecten van handhaving
  • 1. Het college handhaaft op de kwaliteitseisen per kinderopvangvoorziening;

  • 2. Indien de houder of de gastouder dezelfde overtreding bij meerdere kinderopvangvoorzieningen begaat, kan het college handhaven richting de houder of de gastouder.

  • 3. Het college kan een aanwijzing geven en een sanctie opleggen aan een feitelijk leidinggevende.

Hoofdstuk 2: Herstel traject

Artikel 5 Herstelsancties

Indien gebleken is dat een houder van een kinderopvangvoorziening niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en alle daaruit voortvloeiende regelgeving, start het college in beginsel een hersteltraject. Dit traject is gericht op beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling daarvan

  • 1.

    Bij het uitvoeren van het hersteltraject hanteert het college de volgende stappen:

    stap 1: aanwijzing

    stap 2: last onder dwangsom/last onder bestuursdwang,

    stap 3: exploitatieverbod

    stap 4: intrekken van de toestemming tot exploitatie en verwijdering van de registratie uit het LRK

  • 2.

    Het college kan besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen van het hersteltraject over te slaan:

    • a)

      als de overtreding hiertoe aanleiding geeft of

    • b)

      als de overtreding is hersteld volgens het herstelaanbod van de GGD.

  • 3.

    Het college kan besluiten om bepaalde stappen van het hersteltraject meerdere keren toe te passen:

    • a)

      als de overtreding hiertoe aanleiding geeft of

    • b)

      als het resultaat van het herstelaanbod hiertoe aanleiding geeft.

  • 4.

    In afwijking van het genoemde in lid 2 worden bij overtredingen met een hoge prioriteit in beginsel geen stappen overgeslagen.

  • 5.

    De duur van de hersteltermijn is afhankelijk van de prioriteit van de kwaliteitseis zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht.

  • 6.

    Bij het opleggen van een aanwijzing gelden de volgende hersteltermijnen:

    prioriteit hoog: maximaal 2 weken,

    prioriteit gemiddeld: maximaal 2 maanden,

    prioriteit laag: maximaal 6 maanden.

  • 7.

    In geval van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten af te wijken van de duur van de in het zesde lid opgenomen hersteltermijnen.

Hoofdstuk 3: Bestraffend traject

Artikel 6 Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete
  • 1. Het college start het bestraffend traject op indien er sprake is van overtredingen met de prioriteit “hoog”. Dit geldt ook als de overtreding is beëindigd na herstelaanbod door de GGD.

  • 2. Bij overtredingen met een prioriteit ‘gemiddeld’ of ‘laag’ kan het college het bestraffend traject starten en een boete opleggen.

Artikel 7 Waarschuwing
  • 1.

    Bij een eerste overtreding van een kwaliteitseis met de prioriteit ‘hoog’ wordt geen boete opgelegd maar wordt volstaan met het geven van een waarschuwing;

  • 2.

    Bij elke volgende overtreding van een kwaliteitseis met de prioriteit hoog, wordt een boete opgelegd conform artikel 6, indien

    • a.

      deze overtreding plaatsvindt binnen 2 jaar na de in het vorige lid bedoelde waarschuwing of

    • b.

      deze overtreding plaatsvindt bij dezelfde in het LRK geregistreerde kinderopvangvoorziening.

Artikel 8 Hoogte bestuurlijke boete
  • 1. Bij de berekening van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1.72, eerste lid van de Wet kinderopvang, wordt het boetebedrag dat is neergelegd in het afwegingsoverzicht als uitgangspunt gehanteerd.

  • 2. De bestuurlijke boete die wordt opgelegd aan een gastouder of feitelijk leidinggevende is niet meer dan 10% van het boetenormbedrag. Bij de bestuurlijke boete voor een overtreding die alleen kan worden begaan door een gastouder, wordt het boetenormbedrag opgenomen in het afwegingsoverzicht voor die overtreding aangehouden.

Artikel 9 Recidive

Er is sprake van recidive indien een overtreding plaatsvindt:

  • 1.

    binnen een periode van twee jaar nadat een eerdere overtreding van dezelfde kwaliteitseis heeft plaatsgevonden

  • 2.

    de overtreding plaatsvindt op dezelfde in het LRK geregistreerde kinderopvangvoorziening.

Artikel 10 Hoogte van de boete bij recidive

Bij de vaststelling van de hoogte van de boete bij recidive wordt

  • 1.

    bij de eerste recidive de hoogte van de boete 1,5 maal het onder artikel 8 bepaalde boetebedrag;

  • 2.

    bij alle volgende recidives wordt de hoogte van de boete 2 maal het onder artikel 8 bepaalde boetebedrag.

Artikel 11 Matiging
  • 1. Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, in het geval dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat de boeteoplegging onevenredig is op grond van:

    • a.

      de ernst van de overtreding,

    • b.

      de mate van verwijtbaarheid,

    • c.

      de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of

    • d.

      de omstandigheden waarin de overtreder verkeert

  • 2. Van een situatie als bedoeld in het vorige lid kan in beginsel slechts sprake zijn in het geval van bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van deze beleidsregels niet is voorzien.

  • 3. Indien de boete wordt opgelegd aan een startend kindercentrum, matigt het college de boete ambtshalve met 50 %.

Artikel 12 Samenloop

De totale bij boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meer overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.

Indien door één feitelijke gedraging twee of meer kwaliteitseisen worden overtreden, wordt voor elke afzonderlijke overtreding van een kwaliteitseis een boete opgelegd. De overtreding waarvoor het hoogste boetenormbedrag is vastgesteld wordt volledig opgelegd. Voor de overige overtredingen wordt de boete gematigd tot een derde van het boetenormbedrag.

Artikel 13 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels handhaving Wet Kinderopvang Gemeente Westland 2019”.

Artikel 14 Intrekking oude beleidsregels

De beleidsregels handhaving Wet kinderopvang gemeente Westland 2018 en het daarbij behorende afwegingskader worden ingetrokken.

Ondertekening

Toelichting

Hoofdstuk 1: Algemeen

Sinds 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang van kracht. Met de totstandkoming van deze wet is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk is voor de controle op en handhaving van de basiseisen aan de kwaliteit kinderopvang.

GGD Haaglanden voert namens het college het toezicht op alle kinderopvangvoorzieningen in het Westland uit. In beginsel is het definitieve rapport van de GGD het uitgangspunt van het college om over te gaan tot handhaving. Dit ontslaat het college niet van de verantwoordelijkheid om na te gaan of er omstandigheden zijn die aanleiding geven om het handhavingsadvies van de GGD niet te volgen.

In de wet en de daaronder hangende regelgeving staat opgenomen aan welke minimale eisen een kindercentrum moet voldoen.

Het college heeft op grond van de gemeentewet, de Awb en de Wko verschillende instrumenten ter beschikking om handhavend op te treden. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen het herstel- en het bestraffend traject. Indien er sprake is van overtredingen van de basis kwaliteitseisen kinderopvang kunnen beide trajecten los en naast elkaar worden opgestart.

Hoofdstuk 2 Hersteltraject

Artikel 5 Herstelsancties

In een herstel traject zijn verschillende stappen te onderscheiden.

Stap 1: aanwijzing (artikel 1.65, eerste lid van de Wko)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3 (Wko) of gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen”) niet of in onvoldoende mate naleeft, geeft de houder een schriftelijke aanwijzing.

In een aanwijzing wordt gemotiveerd aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder binnen de gestelde termijn genomen dienen te worden. De duur van de hersteltermijn is afhankelijk van de prioriteit die is toegekend aan de kwaliteitseis.

In geval van een overtreding met de prioriteit hoog, zal de hersteltermijn maximaal 14 dagen bedragen. Is er sprake van een overtreding met een gemiddelde of lage prioriteit, dan bedraagt de hersteltermijn maximaal respectievelijk 2 of 6 maanden.

Na het verstrijken van de hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel opdracht geven voor een nader onderzoek aan de GGD. Is de overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap worden ingezet.

Stap 2: last onder dwangsom of last onder bestuursdwang (artikel 125, tweede lid Gemeentewet en artikel 5:32 Awb)

De algemene bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd in artikel 125 van de Gemeentewet. In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf

de overtreding te beëindigen (op kosten van de overtreder) kan een last onder bestuursdwang opgelegd worden.

De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid; neergelegd in artikel 5:32 Awb.

Een last onder dwangsom wordt opgelegd met als doel herstel en/of voorkoming van herhaling van de overtreding.

De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit. Ook kan besloten worden een volgende stap in het herstel traject te zetten.

De last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd. Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar van de overtreding klaarblijkelijk dreigt, dat wil zeggen dat de overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen.

Stap 3: exploitatieverbod (artikel 1.66 Wko)

Het college kan de houder verbieden een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in exploitatie te nemen dan wel de exploitatie voort te zetten in de volgende gevallen:

  • zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt;

  • het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is;

  • een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang niet of niet langer aan de kwaliteitseisen voldoet;

Stap 4: Intrekken toestemming exploitatie (artikel 1.47a, tweede lid van de Wko en artikel 8, eerste lid en artikel 14, eerste lid van het Besluit registers kinderopvang)

Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van handhaving, de toestemming exploitatie kan intrekken:

  • indien is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert;

  • indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften;

  • indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de kinderopvangvoorziening niet daadwerkelijk is aangevangen.

Vanaf het moment dat de toestemming exploitatie is ingetrokken, is er geen sprake meer van kinderopvang in de zin van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale kinderopvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.

Stap 5: Verwijdering van de registratie uit het LRK

Het intrekken van de toestemming tot exploitatie betekent dat de registratie moet worden verwijderd uit het LRK ( artikel 8 Besluit registers).

Indien de situatie hierom vraagt, behoudt het college zich het recht voor om stappen in het hersteltraject over te slaan. Dit kan inhouden dat geen aanwijzing wordt gegeven maar direct een last onder dwangsom of het intrekken van de toestemming voor exploitatie. Deze bevoegdheid wordt met terughoudendheid gebruikt.

Illegale kinderopvang

Degene die voornemens is een kinderopvangvoorziening in exploitatie te nemen, is op grond van artikel 1.45, eerste lid Wko verplicht daarvoor een aanvraag te doen bij burgemeester en wethouders. Indien dit is nagelaten, is sprake van illegale kinderopvang.

Hoofdstuk 3: Bestraffend traject

Artikel 6 Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete

Een bestraffende sanctie bestraft een overtreding die ‘in het verleden’ begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. De vorm van een bestraffende sanctie onder de Wet kinderopvang is de bestuurlijke boete (artikel 1.72, eerste lid van de Wko).

In de Beleidsregels is neergelegd op welke wijze het college invulling geeft aan zijn bevoegdheid tot het opleggen van een boete.

Het beleid houdt in dat het college in geval van een overtreding met prioriteit hoog altijd gebruik maakt van zijn bevoegdheid en een boete oplegt.

Uitzondering hierop is de voorziening voor gastouderopvang. Hiervoor geldt dat de hoogte van de boete zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht wordt gematigd naar 10%. De achterliggende gedachte hierbij is het bijzondere karakter van deze voorziening. Voor boetes die enkel aan de gastouder kunnen worden opgelegd geldt het normbedrag in het afwegingsoverzicht. De matiging is in deze bedragen reeds verwerkt. Ook bij een startende kinderopvang ondernemer wordt de boete ambtshalve gematigd tot 50%.

Bij overtredingen met een prioriteit gemiddeld of laag, kan het college besluiten een boete op te leggen. Of het college hiertoe over gaat is afhankelijk van de omstandigheden en het soort overtreding. Daarbij kan worden gedacht aan een situatie waarin veel overtredingen van de kwaliteitseisen op een locatie worden geconstateerd met een lage of gemiddelde prioriteit. De hoogte van de boete zal met inachtneming van de algemene bepalingen (Awb) worden bepaald.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsomschrijving

Indien bepaalde begrippen hetzelfde zijn als begrippen uit de wet- en regelgeving, zijn deze niet opgenomen.

Artikel 2 Toepassing van beleidsregels

In dit artikel wordt benoemd wat de reikwijdte is van de beleidsregels handhaving kwaliteitseisen kinderopvang.

Artikel 3 Vormen van sanctioneren

In dit artikel worden de vormen van handhaving benoemd.

Een herstelsanctie is gericht op herstel van een overtreding en/of voorkoming van herhaling.

Een bestraffende sanctie is gericht op bestraffen van een begane overtreding. In de Awb wordt ook wel gesproken over leedtoevoeging.

Het betreft twee afzonderlijke handhavingstrajecten. Deze kunnen los van elkaar worden opgestart. Indien er sprake is van het opleggen van een boete is het streven om de start van het boetetraject gelijktijdig met het hersteltraject te laten plaatsvinden. Het kan echter ook later worden gestart. In figuur 1 staan deze trajecten schematisch weergegeven.

foto

Figuur 1

Artikel 4 Subjecten van handhaving

De toezichthouder stelt per kinderopvangvoorziening een inspectierapport vast. In beginsel handhaaft het college per kindercentrum. Echter, het kan voorkomen dat de houder of de gastouder een overtreding begaat die in meerdere van zijn kinderopvangvoorzieningen of peuterspeelzalen plaatsvindt. Bijvoorbeeld een organisatiebreed pedagogisch beleidsplan dat niet voldoet aan de eisen. Een ander voorbeeld is het binnen de organisatie structureel plannen met te kleine bezetting van beroepskrachten. Het college kan in een dergelijke situatie er voor kiezen te volstaan met één aanwijzing of sanctie die betrekking heeft op alle betreffende kinderopvangvoorzieningen van de houder of de gastouder.

Het derde lid biedt de mogelijkheid om een aanwijzing te geven of een sanctie op te leggen aan een persoon werkzaam voor een houder, de feitelijk leidinggevende. Deze mogelijkheid bestaat pas wanneer die persoon kennis heeft of had moeten hebben van de overtreding én hij het in zijn macht heeft om de overtreding te voorkomen of te beperken.

De reden van het gebruik maken van deze mogelijkheid is dat doeltreffender kan worden gehandhaafd. Hierdoor wordt de kwaliteit van de kinderopvang vergroot. Ook kunnen leidinggevenden zich niet meer verschuilen achter rechtspersonen. In deze beleidsregels is gekozen voor een ‘kan-bepaling’ ten aanzien van het geven van een aanwijzing aan of het sanctioneren van feitelijk leidinggevenden. Het college zal terughoudend met deze bevoegdheid omgaan.

Artikel 5 Herstelsancties

De kwaliteitseisen waaraan bij of krachtens de Wet kinderopvang voldaan moet worden staan in de wet- en regelgeving.

Omdat deze beleidsregels gericht zijn op handhaving, zijn niet de volledige kwaliteitseisen maar verkort de overtredingen weergegeven in het afwegingsmodel. Hierdoor is meteen duidelijk wat de gevolgen zijn van een bepaalde overtreding. Een volledige opsomming is ook terug te vinden in de door de toezichthouder gebruikte modelrapporten.

De GGD kan herstelaanbod toepassen. Wanneer volgens de methode herstelaanbod gewerkt wordt, biedt de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek aan de houder van een voorziening voor kinderopvang herstel aan. Dit houdt het volgende in:

  • Een toezichthouder constateert tijdens een onderzoek dat de houder een wettelijk voorschrift niet naleeft.

  • Elk kwaliteitseis komt in principe in aanmerking voor herstelaanbod. De toezichthouder beoordeelt op basis van zijn/haar deskundigheid of de aard en/of omstandigheid van de overtreding zich leent voor herstelaanbod.

  • De toezichthouder biedt de houder de mogelijkheid tot herstel aan. De houder kan vervolgens besluiten om hier wel of geen gebruik van te maken.

  • Wanneer de houder gebruik maakt van het herstelaanbod, stelt de toezichthouder een periode vast waarin de houder het herstel kan realiseren. De maximale termijn voor herstelaanbod bedraagt vier weken.

  • Na deze periode vindt een herbeoordeling door de toezichthouder plaats. De herbeoordeling kan een praktijkbeoordeling en/of een documentbeoordeling zijn.

  • In het inspectierapport wordt vastgelegd dat bij een eerste inspectie het voorschrift werd overtreden. Daarnaast wordt vastgelegd of er een herstelaanbod is gedaan en zo ja, of de overtreding daarna nog bestaat of niet meer.

Bij overtredingen met een lage of gemiddelde prioriteit die zijn hersteld binnen het herstelaanbod wordt in beginsel geen aanwijzing opgelegd. Bij deze overtredingen ligt de nadruk vooral op het herstel van de overtreding en is de meerwaarde van het opleggen van een aanwijzing derhalve gering.

Bij overtredingen met een hoge prioriteit ligt, vanwege de zwaarte van de overtreding, de nadruk van handhaving niet alleen op herstel maar ook op het voorkomen van overtredingen met hoge prioriteit in de toekomst. Daarom wordt in beginsel geen stap overgeslagen in het handhavingstraject.

De gemeente weegt de oorspronkelijke overtreding en de resultaten van herstelaanbod mee bij haar beslissing om wel of niet te handhaven.

Artikel 6 Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete

Het opleggen van een bestuurlijke boete is een bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college een bestuurlijke boete op kan leggen, maar daartoe niet verplicht is.

De overtredingen van de kwaliteitseisen zijn geprioriteerd. In geval van overtredingen met een hoge prioriteit maakt het college altijd gebruik van zijn bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen. Deze overtredingen zijn overtredingen waarvan de ernst vaststaat.

Dit laat onverlet dat het college bevoegd blijft voor de overige overtredingen een boete op te leggen. Indien het college daartoe overgaat, is hetgeen in deze beleidsregels is bepaald onverkort van toepassing.

Artikel 7 Waarschuwing

Een bestuurlijke boete is een ingrijpende sanctie. Om deze reden is dit artikel -vanaf januari 2016- toegevoegd. Ieder kindercentrum zal bij een eerste overtreding van een basiskwaliteitseis met de prioriteit hoog geen boete worden opgelegd. Bij elke volgende overtreding van een basiskwaliteitseis met de prioriteit hoog wordt conform het voorgaande artikel-6- beoordeeld of een boete moet worden opgelegd.

De in het tweede lid genoemde periode van 2 jaar wordt berekend vanaf de datum waarop eerder aan de houder een waarschuwing is gegeven als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8 Hoogte bestuurlijke boete

In het afwegingsoverzicht worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van een prioritering en bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete in geval van een overtreding. Het afwegingsoverzicht is als bijlage aan deze beleidsregels toegevoegd.

Eerste lid

In de Wet kinderopvang is het maximaal op te leggen boetebedrag aangegeven. Het college heeft derhalve beleidsvrijheid ten aanzien van de hoogte van het op te leggen boetebedrag mits het onder het maximaal gestelde bedrag blijft.

Voor overtreding van de kwaliteitseisen geldt dat het college de hoogte van de boetebedragen heeft afgestemd op de prioritering van de overtreding. Een hoge prioritering betekent dat er ook in algemene zin sprake is van een ernstige overtreding, terwijl aan minder ernstige overtredingen een lag(ere) prioritering (gemiddeld of laag) is toegekend.

Mede gelet op het in artikel 1.72 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen neergelegde boetemaximum heeft dit geleid tot de volgende verdeling:

Prioritering

Boetebedrag

Hoog

€ 100,- tot € 20.500,-

Gemiddeld

€ 500,- tot € 3.000,-

Laag

€ 500,- tot € 1.500,-

Uitzonderingen hierop zijn:

In geval van overtreding van de artikelen 1.66, en 1.45 van de Wko is sprake van economische delicten, gesanctioneerd in de Wet op de Economische Delicten. In artikel 1 en 6 van deze wet is bepaald dat deze overtredingen beboet worden met een boete van de vierde categorie. De boetebedragen in onderhavig beleid komen hiermee overeen.

Overtreding van artikel 5:20 Awb is een strafbaar feit, artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht: “Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Het boetebedrag voor deze overtreding, komt overeen met het in het Wetboek van Strafrecht genoemde bedrag voor overtredingen van de tweede categorie.

Tweede lid

Gezien het bijzondere karakter van de voorziening voor gastouderopvang is ervoor gekozen de hoogte van de op te leggen boete te matigen tot 10% van het opgenomen boetebedrag. Dit geldt niet wanneer het een kwaliteitseis is die specifiek alleen aan de gastouder wordt gesteld. In dat geval is de boete al op deze situatie afgestemd.

Het voorgaande laat onverlet dat het college op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb gehouden is de hoogte van de bestuurlijke boete af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij het college zo nodig rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het college heeft door middel van de prioritering en de aansluiting op de betreffende strafrechtelijke overtredingen de ernst van de overtredingen geobjectiveerd.

Artikel 9 Recidive

Bij recidive treedt strafverzwaring op. In dit artikel is uitgelegd wanneer er sprake is van recidive.

Artikel 10 Hoogte van de boete bij recidive

In dit artikel is bepaald wat de hoogte van de bestuurlijke boete is bij recidive.

Artikel 11 Matiging of verzwaring

Dit artikel beschrijft op grond waarvan mogelijk een matiging op de hoogte van boete kan worden toegepast.

Artikel 12 Samenloop

Dit artikel legt uit wat de hoogte van de bestuurlijke boete is bij meerdere overtredingen.

Artikel 13 Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 14 Intrekking oude beleidsregels

Dit artikel spreekt voor zich.