Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018)

Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018)

1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    adequaat: noodzakelijk en passend bij de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen van cliënt;

  • b.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruik behorend. Hierbij is ook van belang of de voorziening tot het aanschaffingspatroon van de cliënt behoort;

  • c.

    algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

  • e.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • f.

    eigen bijdrage: een door de gemeenteraad vast te stellen bijdrage voor de verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura of middels een pgb, welke voor rekening van de cliënt of zijn ouder(s)/verzorger(s) komt, waarvan de hoogte inkomensafhankelijk is en wordt bepaald en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (hierna te noemen: CAK);

  • g.

    gebruikelijke hulp: de hulp die mensen elkaar normaal gesproken geven omdat ze een gezin vormen of samenleven.

  • h.

    gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de ondersteuningsvrager vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken; en ruimten die onder het gehuurde vallen en/of waarvan de cliënt gebruik moet kunnen maken;

  • i.

    hoofdverblijf: de plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste nachten per jaar doorbrengt;

  • j.

    huisgenoot: persoon die met anderen hetzelfde huis bewoont;

  • k.

    hulpmiddel: roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen;

  • l.

    ingezetene: degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Woensdrecht;

  • m.

    leefeenheid: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren;

  • n.

    maatschappelijke ondersteuning: het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

  • o.

    maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, welke kan worden verstrekt in natura of middels een persoonsgebonden budget.

  • p.

    natura: een maatwerkvoorziening welke in de vorm van een product of dienst rechtstreeks van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder aan de cliënt wordt aangeboden en waarvoor het college de aanbieder betaalt;

  • q.

    niet-professionele zorgverlener: zorgverlener (persoon) welke niet in het bezit is van branche-specifieke diploma’s voor het verlenen van de betreffende maatschappelijke ondersteuning en/of welke voor het verlenen van de betreffende ondersteuning niet in dienst is bij een professionele zorgaanbieder of detacheringsbureau, of hiervoor niet als ZZP’er geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

  • r.

    onderhoud: alle noodzakelijke werkzaamheden die nodig zijn om een maatwerkvoorziening bruikbaar voor de cliënt te houden, uitgezonderd reparaties als gevolg van bijvoorbeeld aanrijding en onzorgvuldig gebruik;

  • s.

    pgb (persoonsgebonden budget): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken

  • t.

    professionele zorgaanbieder: organisatie die professionele zorg en ondersteuning verleent en hiervoor geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel.

  • u.

    professionele zorgverlener: zorgverlener (persoon) welke in het bezit is van branche-specifieke diploma’s voor het verlenen van de betreffende maatschappelijke ondersteuning en welke voor het verlenen van de betreffende ondersteuning in dienst is bij een professionele zorgaanbieder of detacheringsbureau, of hiervoor als ZZP’er geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

  • v.

    resultaat: hetgeen met de maatwerkvoorziening bereikt dient te worden om de zelfredzaamheid en/of participatie te behouden of te vergroten;

  • w.

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • x.

    standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

  • y.

    uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015: Landelijk besluit maatschappelijke ondersteuning op basis van de Wet;

  • z.

    uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018: gemeentelijk besluit maatschappelijke ondersteuning;

  • aa.

    Verordening maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018: gemeentelijke verordening maatschappelijke ondersteuning;

  • bb.

    verzamelinkomen: het totaal aan inkomen uit Box 1, 2 en 3 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001;

  • cc.

    voorliggende voorziening: voorzieningen niet zijnde een maatwerkvoorziening waarmee aan de hulpvraag tegemoet wordt gekomen;

  • dd.

    voorzienbaarheid: gevolgen van bepaalde handelingen (onder meer gerelateerd aan de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen) waarvan aannemelijk is dat er rekening mee kon worden gehouden bij de keuzen die een persoon maakt ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en/of participatie;

  • ee.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • ff.

    woonwagen: voor woning ingerichte wagen, die is geplaatst op een standplaats en die in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet.

2. Proces melding – besluit

Artikel 2. Melding

Het startpunt van het Wmo-traject is een melding van een belemmering op het gebied van maatschappelijke participatie en/of zelfstandig functioneren. Een melding kan schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch worden gedaan door iedereen namens de cliënt, waaronder ook wordt verstaan een mantelzorger. De melding wordt schriftelijk, mondeling of digitaal bevestigd.

Persoonlijk plan

Als er door of namens een cliënt een melding wordt gedaan, wordt door het college kenbaar gemaakt dat er binnen zeven dagen na melding een persoonlijk plan kan worden ingediend door of namens de cliënt (zie artikel 2.3.2 lid 2 Wmo).

Cliëntondersteuning

De Wmo verplicht gemeenten om er voor te zorgen dat inwoners gebruik kunnen maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. Onder de cliëntondersteuning wordt verstaan het geven van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en/of participatie, en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (het hele sociale domein).

Als er door of namens een cliënt een melding wordt gedaan, wordt door het college kenbaar gemaakt dat de cliënt de mogelijkheid heeft om gebruik te maken van cliëntondersteuning. In de uitnodiging die de cliënt vervolgens ontvangt voor het gesprek (zie artikel 3) wordt nogmaals de informatie over de mogelijkheid van cliëntondersteuning benoemd.

Artikel 3. Onderzoek

Op grond van de Wmo (artikel 2.3.2 lid 1) heeft het college zes weken om het onderzoek uit te voeren.

Vooronderzoek

Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak met de cliënt voor een gesprek. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige benodigde gegevens en/of bescheiden.

Gesprek

Tijdens het gesprek wordt er onderzoek gedaan zoals beschreven in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo. Het gesprek gaat in op de beperkingen die cliënt ondervindt bij zijn zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie. Hierbij staan de mogelijkheden die cliënt heeft ondanks zijn beperkingen centraal. Ook nemen de eigen oplossingen die cliënt, eventueel samen met het sociale netwerk, kan organiseren een sterke positie in tijdens het gesprek. Tevens zal er gekeken worden naar de mogelijkheden van inzet van vrijwilligers en/of algemene voorzieningen.

Het doel van het gesprek is het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte met het oog op één of meer te bereiken resultaten en de oplossingen die daarbij passen. Dit vraagt om aandacht voor de specifieke situatie van de cliënt en een brede blik op mogelijke oplossingen (maatwerk). Binnen het gesprek is een onderscheid te maken tussen de fase van het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte en het vaststellen van het te behalen resultaat met de daarbij gepaste oplossingen. Door middel van vraagverheldering wordt samen met de cliënt onderzocht wat werkelijk de door cliënt ervaren belemmeringen zijn op het gebied van zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie en in welke context cliënt deze belemmeringen ervaart (de vraag achter de vraag). In deze fase gaat het om het in kaart brengen van wat de ondersteuningsbehoefte en de specifieke situatie van de cliënt is, voordat er over oplossingen gesproken wordt

Medische advisering

Voor verduidelijking van de medische situatie van cliënt kan er advies worden gevraagd bij de gecontracteerde (onafhankelijk) medisch adviesorganisatie. Dit kan op diverse manieren:

  • De arts beoordeelt de inhoud van het door de adviseur opgestelde rapportage op medische aspecten en congruentie tussen de aandoeningen, beperkingen en de belemmeringen in de maatschappelijke participatie;

  • cliënt wordt op het spreekuur van de arts uitgenodigd voor aanvullend medisch onderzoek;

  • cliënt wordt door de arts thuis bezocht voor aanvullend medisch onderzoek;

  • arts wint telefonisch/schriftelijk medische informatie in bij de behandelaren van cliënt voor aanvullend medisch onderzoek.

Hierbij wordt gekeken of het oorzakelijk verband tussen de stoornissen en beperkingen in relatie tot de medische grondslag juist is en of er gegronde medische redenen zijn om de cliënt wel of niet te ondersteunen bij de eventueel door hem ervaren belemmeringen in de maatschappelijke participatie. Het college blijft verantwoordelijk voor de inhoud van het besluit na beoordeling door een onafhankelijk arts.

Artikel 4. Ondersteuningsplan

De gemeente zorgt voor verslaglegging van het onderzoek en verwerkt dit in het ondersteuningsplan. cliënt. In het ondersteuningsplan wordt aangegeven welke problemen de cliënt heeft en welke resultaten met de ondersteuning behaald dienen te worden.

Artikel 5 Aanvraag

Na de onderzoeksfase (zes weken), wordt de melding een aanvraag.

Regelarm

Om de afhandeling van en de besluitvorming omtrent een melding regelarm te organiseren, wordt er in principe voor gekozen geen gebruik te maken van een apart, door het college beschikbaar gesteld, aanvraagformulier. Indien uit het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, vloeit er uit het opgestelde verslag/ondersteuningsplan direct een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voort waarop een besluit wordt genomen.

Keuzevrijheid

Op basis van de Wmo moet de cliënt de keuze worden geboden om een maatwerkvoorziening aan te vragen in natura of middels een pgb. Voor maatwerkvoorzieningen in natura geldt dat het college een overeenkomst heeft afgesloten met bepaalde leveranciers. De cliënt kan zelf een keuze maken uit deze leveranciers. Indien de cliënt gebruik wenst te maken van een andere leverancier dan de door de gemeente gecontracteerde leveranciers, kan dit door gebruik te maken van een pgb. Voor het aanvragen van een pgb dient een ingevuld budgetplan (zie bijlage 5a en 5b) aan het college overhandigd te worden. De hoogte van het pgb wordt bepaald op basis van artikel 12, lid 4 en 5, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018.

In de Wmo is aangegeven dat er ten aanzien van het verstrekken van een pgb uitzonderingen mogelijk zijn op de keuzevrijheid; daar waar er sprake is van zogeheten ‘overwegende bezwaren’ kan het college besluiten om geen pgb te verstrekken. Daarnaast staat in artikel 12, lid 3 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018 beschreven wanneer iemand bekwaam wordt geacht om een pgb te beheren.

Wisselen van ondersteuningsverlener

Het is van belang dat er continuïteit is in de ondersteuning, zodat de dienstverlening uiteindelijk efficiënt kan worden uitgevoerd. Dit vergroot de doelmatigheid van de ondersteuning. Om die reden worden er grenzen gesteld aan de frequentie waarmee cliënt mag wisselen tussen ondersteuningsverleners of tussen pgb en levering in natura: Indien de cliënt aangeeft te willen wisselen van zorgaanbieder, kan dat eenmaal per jaar zonder verder onderzoek naar de reden van wisseling. Indien er vaker door een cliënt de wens tot wisseling van ondersteuningsverlener wordt uitgesproken, zal worden onderzocht wat de reden van de wisseling is . Uitgezonderd hiervan is wanneer de wisseling veroorzaakt wordt door een situatie die niet aan de cliënt valt te verwijten, zoals een faillissement van een ondersteuningsverlener. Indien de cliënt wil wisselen tussen zorg in natura en pgb, kan een cliënt maximaal tweemaal per jaar wisselen tussen zorg in natura en ondersteuning in de vorm van een pgb. Dat wil zeggen: hij kan eenmaal per jaar overschakelen van pgb naar zorg in natura en eenmaal weer terug of van zorg in natura naar pgb en eenmaal weer terug.

Artikel 6. Leveringsplan

Activiteiten en frequentie ondersteuning

Voor de maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning en Begeleiding vraagt de gemeente aan de door de cliënt gekozen ondersteuningsverlener om in overleg met de cliënt en zijn betrokken omgeving een leveringsplan op te stellen. In dit leveringsplan (zie bijlage 2a en 2b) staat beschreven hoe de betreffende ondersteuning wordt uitgevoerd: welke benodigde activiteiten worden uitgevoerd om het resultaat te behalen en met welke frequentie deze activiteiten worden uitgevoerd. Uitgangspunt is dat de cliënt zoveel mogelijk op eigen kracht en met inzet van zijn netwerk doet. De ondersteuningsverlener adviseert de gemeente in het leveringsplan over de te bieden ondersteuning, waarna de gemeente het advies van de ondersteuningsverlener weegt en tot een besluit komt.

Artikel 7. Besluit

Als de aanvraag voor een maatwerkvoorziening is gedaan, heeft het college twee weken om een besluit te nemen (artikel 2.3.5 lid 2 Wmo).

Inhoud besluit

Het besluit wordt op een begrijpelijke manier schriftelijk meegedeeld aan de cliënt en is vatbaar voor bezwaar en beroep. In het besluit is voor de cliënt in ieder geval opgenomen wat staat vermeld in artikel 11 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018. Voor de maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning en Begeleiding maakt het leveringsplan tevens onderdeel uit van het besluit.

Uitbetaling kosten maatwerkvoorziening

Bij maatwerkvoorzieningen die in natura worden verstrekt, worden de kosten van de maatwerkvoorziening door het college direct aan de leverancier/ondersteuningsverlener betaald.

Bij de inzet van een pgb ten behoeve van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, kortdurend verblijf of beschermd wonen, worden de kosten van de maatwerkvoorziening op factuur- of declaratiebasis uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan de door de cliënt gecontracteerde ondersteuningsverlener (nadat het college het bedrag betaalbaar heeft gesteld via de SVB). Bij de inzet van een pgb ten behoeve van overige maatwerkvoorzieningen worden de kosten van de maatwerkvoorziening op factuur- of declaratiebasis uitbetaald aan de cliënt zelf. De cliënt is verplicht zich te houden aan de bepalingen uit artikel 12, lid 8, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018. Het niet voldoen aan deze bepalingen kan tot gevolg hebben dat het pgb wordt ingetrokken en/of teruggevorderd.

3. Het maken van een afweging

De Wmo heeft tot doel dat inwoners zelfredzaam zijn en kunnen participeren in de samenleving voor zover hun mogelijkheden (op lichamelijk, psychosociaal, psychiatrisch gebied) dat toestaan. Indien een cliënt een melding doet voor ondersteuning vanuit de Wmo wordt een individuele afweging gemaakt of men van cliënt zelf en/of van zijn sociale netwerk kan verwachten dat zij bijdragen aan (het vergroten van) de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Daarnaast wordt gekeken of er oplossingen te vinden zijn in ondersteuning door vrijwilligers of algemene voorzieningen. Indien dit alles niet tot de mogelijkheden behoort, wordt bekeken of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 8. Eigen kracht

Zelf oplossingen organiseren

Eén van de uitgangspunten van de Wmo is de eigen kracht van mensen. Wij verwachten dat inwoners in eerste instantie zelf, zonder hulp van professionals, een oplossing organiseren voor belemmeringen die zij in hun deelname aan de maatschappij ervaren. Soms hebben zij hierbij toch ondersteuning nodig, maar ook dan doen we een beroep op de aanwezige eigen kracht.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Bij algemeen gebruikelijke voorzieningen gaat het om voorzieningen die door (welhaast) een ieder, tot welke bevolkingslaag hij ook behoort, kan worden aangeschaft en in de meeste situaties niet voor vergoeding vanuit de Wmo in aanmerking komen. Wat "algemeen gebruikelijk" is, wordt afgemeten aan de algemeen maatschappelijke normen.

Een algemeen gebruikelijke voorziening wordt niet vergoed, als:

  • de voorziening niet speciaal voor een persoon met beperkingen bedoeld is;

  • de voorziening niet aanzienlijk duurder is dan een voorziening met hetzelfde doel;

  • de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar is, en;

  • de voorziening voor een persoon zonder beperkingen, in een financieel vergelijkbare positie, tot het normale aanschaffingspatroon zou worden gerekend.

Bij de bepaling van wat algemeen gebruikelijk is, wordt een individuele afweging gemaakt. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij het toepassen van het “algemeen gebruikelijk” criterium, tot onbillijkheden leidt. Als het gaat om de financiële mogelijkheden van cliënt moet wel onderzocht worden wat de mogelijkheden vanuit andere regelingen zijn om voor een dergelijke voorziening in aanmerking te kunnen komen. In bijlage 1 is een niet-limitatieve lijst toegevoegd van algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Voorzieningen op grond van een andere wet

Eigen kracht kan ook betekenen dat, wanneer iemand aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere wet, de gemeente in het kader van de eigen kracht geen voorziening op grond van de Wmo hoeft te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer:

  • er behandeling en/of training vanuit de ZVW of WLZ mogelijk is;

  • algemeen maatschappelijk werk kan worden ingeschakeld voor de door cliënt ervaren problemen;

  • arbeidsre-integratie.

Artikel 9. Sociaal netwerk

Indien de eigen kracht van een inwoner niet voldoende is (bijvoorbeeld als gevolg van een beperking) of als de problematiek van dien aard is dat een inwoner dat niet alleen kan oplossen zal in eerste instantie een beroep gedaan moeten worden op het sociaal netwerk van de inwoner. Het sociale netwerk kan bestaan uit familieleden, bekenden, buren et cetera. Hierbij wordt er onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke hulp en boven gebruikelijke hulp. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning als redelijkerwijs van cliënt zelf of van zijn sociale netwerk kan worden verwacht dat zij bij kunnen dragen aan het bereiken van het resultaat.

Gebruikelijke hulp op het gebied van huishoudelijke ondersteuning

Van gebruikelijke hulp op het gebied van huishoudelijke ondersteuning is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die onderdeel uitmaakt van de leefeenheid van de cliënt en die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt:

  • Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden;

  • huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien);

  • huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen);

  • huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.

Bij een aantal leefsituaties kan er mogelijk geen/beperkt sprake zal zijn van gebruikelijke hulp:

  • Kamer huren bij cliënt:

    Als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. Het gaat hierbij om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huur- of kostgangerovereenkomst liggen. Bij een huurder of kostganger wordt, ondanks dat ze niet tot de leefeenheid behoren, wel gekeken naar het gebruik van de gemeenschappelijke of gezamenlijk te gebruiken ruimtes (bv. toilet, badkamer, keuken). De huurder is zelf verantwoordelijk voor het schoonhouden van de door hem gehuurde kamer. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten.

  • Geclusterd wonen:

    Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in één huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden; de cliënt vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. Het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten dient te worden herverdeeld over de overige huisgenoten.

  • Leef- en woongemeenschappen:

    Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in één gebouw én vormt hiermee wel een leefeenheid. Met andere woorden; cliënt vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hier van zijn kloostergemeenschappen waarbij er sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer. Het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten dient te worden herverdeeld over de overige huisgenoten.

Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een aanspraak op een maatwerkvoorziening. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.

Gebruikelijke hulp op het gebied van begeleiding

Bij gebruikelijke hulp op het gebied van begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties.

  • Kortdurende situaties:

    Hiervan is sprake als er begeleiding plaats vindt van de cliënt door de inwonende partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot waarbij er uitzicht is op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat de cliënt daarna niet langer is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

  • Langdurige situaties

    Hiervan is sprake als er begeleiding plaats vindt van een volwassen cliënt door inwonende partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot waarbij het gaat om een chronische situatie. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt:

    • °

      Het geven van begeleiding aan een cliënt op het terrein van de maatschappelijke participatie;

    • °

      het begeleiden van cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort;

    • °

      het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte cliënt werd uitgevoerd.

Gebruikelijke hulp voor kinderen

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over ondersteuning, verzorging en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Oppas en ondersteuning van gezonde kinderen vallen in principe niet onder de Wmo.

Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de ondersteuning en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat er door mantelzorgers opgevangen kan worden, en wat vrijwilligers, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen. Kinderopvang/crèche en buitenschoolse opvang wordt als voorliggende voorziening gezien indien het gaat om oppas en ondersteuning van gezonde kinderen. Hierbij wordt opvang tot 5 dagen per week redelijk geacht voor kinderen vanaf 3 maanden. In samenspraak met de jeugdprofessionals wordt afgestemd welke (kortdurende) ondersteuning vanuit welke regelgeving ingezet moet worden.

Uitzonderingen gebruikelijke hulp

Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan of studie een huishouden te kunnen runnen. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Uitzonderingen hierop zijn:

  • Fysieke afwezigheid in verband met werk:

    Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn (bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de offshore of mariniers). Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter wel te voldoen aan de volgende kenmerken:

    • -

      Het is inherent aan het werk;

    • -

      heeft een verplichtend karakter.

  • Medisch geobjectiveerde aandoening/beperking:

    Als uit objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, stoornis of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, is gebruikelijke zorg niet van toepassing.

  • (Dreigende) overbelasting 1 :

    (Dreigende) overbelasting kan worden veroorzaakt door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Met andere woorden; in exact dezelfde situatie zal de ene huisgenoot wel overbelast kunnen raken, terwijl een andere huisgenoot hier geen of minder last van heeft. Het is daarom van belang zorgvuldig onderzoek te plegen naar de verhouding tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) en symptomen die kunnen wijzen op overbelasting. In veel gevallen wordt een medisch adviseur daarbij ingeschakeld ter beoordeling. In principe zal overname van huishoudelijke taken voor een korte duur zijn, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.

    • °

      (Dreigende) overbelasting door het verlenen van zorg:

      Als een huisgenoot aangeeft dat er sprake is van (dreigende) overbelasting door de combinatie van (huishoudelijk) werk én de verzorging van een zieke huisgenoot, dienen deze klachten te worden geobjectiveerd. Het oordeel van een arts is hierbij noodzakelijk naast het horen van de huisgenoot.

      Daarbij dienen onderstaande zaken onderzocht te worden:

      • -

        Is er sprake van onplanbare zorg?

      • -

        Worden meer uren zorg geleverd dan geïndiceerd (bieden van mantelzorg)?

      • -

        Heeft huisgenoot mogelijk een (deel van een) betaalde baan opgezegd om Zvw-zorg te verlenen?

      • -

        Draaglast en draagkracht.

    • °

      (Dreigende) overbelasting na overlijden partner in gezinssituatie:

      Indien een cliënt aangeeft overbelast te zijn door de combinatie van werk en de verzorging van de inwonende kinderen, vanwege het plotseling overlijden van de andere (inwonende) ouder, kunnen (enkele) huishoudelijke taken kortdurend worden overgenomen. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de leefeenheid de gelegenheid wordt gegeven de taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.

    • °

      (Dreigende) overbelasting bij korte levensverwachting cliënt:

      In terminale situaties is overleg met de huisgenoten over wat draagbaar is zeer belangrijk. In deze situaties mag er soepeler worden omgegaan met het principe gebruikelijke zorg.

Indien er door (dreigende) overbelasting geen gebruikelijke zorg van iemand wordt verwacht geldt het volgende:

  • Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend.

  • Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke zorg, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke zorg voor op die maatschappelijke activiteiten. Wel dient onderzocht te worden in hoeverre de maatschappelijke activiteiten nodig zijn voor het welbevinden van de zorgverlener en zo juist (dreigende) overbelasting voorkomen.

  • Uitzondering hierop is de gebruikelijke zorg geleverd door inwonende kinderen. Bij gebruikelijk hulp van een inwonend kind is altijd een zorgvuldige afweging vereist, waarbij rekening wordt gehouden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen en de veerkracht van het kind. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties.

Mantelzorg

Mantelzorg is zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving/sociaal netwerk waarbij:

  • de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en;

  • de zorg niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt verleend.

Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en of intensiteit aanmerkelijk overschreden (boven gebruikelijke hulp). Mantelzorg heeft geen verplichtend karakter; als de mantelzorger aangeeft de boven gebruikelijke zorg niet (meer) vrijwillig te willen leveren of de cliënt wil niet ondersteund worden door een mantelzorger, dan kan dit niet worden verplicht.

Om een mantelzorger te ondersteunen kan een beroep worden gedaan op de Wmo. Dit betekent dat bij dreigende overbelasting van de mantelzorger, ondersteuning kan worden geboden. Het goed ondersteunen van mantelzorgers voorkomt vaak dat zwaardere ondersteuning nodig is, omdat mantelzorgers dan langer en beter in staat blijven de mantelzorg vol te houden en zwaardere ondersteuning uitgesteld kan worden. De gemeente waar de cliënt woont aan wie de mantelzorger hulp biedt, is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de mantelzorger.

Om mantelzorgers goed te kunnen ondersteunen, zodat zij hun belangrijke taak kunnen volhouden, is het van belang dat er tijdens het onderzoek (zie artikel 3) integraal gekeken wordt naar de situatie van de cliënt, de mantelzorger en (de rest van) het sociale netwerk. Tijdens het onderzoek wordt ook het verlenen van mantelzorg in beeld gebracht om te beoordelen of hier ook ondersteuning nodig is. Als mantelzorgers tijdelijk of permanent niet meer in staat zijn om mantelzorg te bieden, kan er indien nodig een maatwerkvoorziening worden ingezet, zoals bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, (extra)dagbesteding of kortdurend verblijf (respijtzorg).

Ingeval een mantelzorger hulp verleent aan een persoon die op grond van de Wet langdurige Zorg (Wlz) zorg ontvangt, is het uitgangspunt dat de ondersteuning van deze mantelzorger op basis van de Wlz plaatsvindt, zodat in het aldaar af te spreken arrangement ook de mantelzorger betrokken wordt en aandacht krijgt. Uiteraard kan de mantelzorger als ingezetene van een gemeente ook gebruik maken van daar bestaande algemene voorzieningen.

Artikel 10. Inzet vrijwilligers en/of algemene voorzieningen

Wanneer ook binnen het eigen sociale netwerk geen oplossingen gevonden (kunnen) worden, zal de blik worden gericht op de inzet van vrijwilligers en/of algemene voorzieningen.

Vrijwilligers

Binnen de Wmo vormen vrijwilligers een bijzondere groep. Daar waar mantelzorg wordt geboden door iemand uit de directe omgeving van de cliënt, kan een vrijwilliger iemand zijn die voor de start van het vrijwilligerswerk, geen band had met de cliënt. De gangbare definitie van vrijwilligerswerk is "werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving". Een vrijwilliger ondersteunt de cliënt bij/met dagelijkse zaken, zoals bijvoorbeeld boodschappen doen en meegaan naar een ziekenhuisafspraak.

Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen zijn voor iedereen toegankelijke vormen van zorg en ondersteuning (vaak gesubsidieerd door de gemeenten) die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Voor het gebruik maken van algemene voorzieningen kan door de verstrekker/organisator hiervan een financiële bijdrage worden gevraagd aan de cliënt.

Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn:

  • dagrecreatie voor ouderen;

  • sociale alarmering;

  • plusbus,

  • supermarktservice, (vrijwillige) boodschappenhulp/boodschappendienst;

  • maaltijdenservice;

  • klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals een conciërge van woongebouwen, de klussendienst, of via de woningstichting (bij huurwoningen);

  • (ramen)wasservice/glazenwasser;

  • rolstoel- en scootmobielpools voor incidenteel gebruik;

  • kinderopvang in al zijn verschijningsvormen (peuterspeelzaal, oppascentrale kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school).

Hierbij moet individueel getoetst worden of de oplossing via een algemene voorziening:

  • daadwerkelijk beschikbaar is voor de cliënt;

  • door de cliënt naar verwachting financieel haalbaar is, en;

  • adequate compensatie biedt.

Wanneer een algemene voorziening voldoende ondersteuning biedt en leidt tot het beoogde resultaat, wordt er geen ondersteuning geboden via een maatwerkvoorziening. Dit omdat de algemene voorziening de ondersteuningsvraag van cliënt dan al beantwoord heeft.

Artikel 11. Maatwerkvoorzieningen

Als tijdens het onderzoek blijkt dat de belemmering van cliënt niet of gedeeltelijk wordt opgelost door middel van eigen kracht en/of het sociale netwerk en/of de inzet van vrijwilligers en/of algemene voorzieningen, is er ten slotte nog de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken. Hierbij zijn een aantal dingen van belang.

Individueel gericht

Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Langdurig noodzakelijk

Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de belemmeringen op te heffen of te verminderen, die zich voordoen tijdens deelname aan de maatschappij en/of het zelfstandig wonen.

In uitzondering op "langdurig noodzakelijk" kan een voorziening voor kortdurende noodzaak worden toegekend als het gaat om kortdurende hulp bij het huishouden dan wel spoedeisende hulp en/of begeleiding.

Goedkoopst adequaat

Het criterium goedkoopst adequaat betekent dat een te verstrekken maatwerkvoorziening allereerst adequaat moet zijn en moet leiden tot het resultaat. Een maatwerkvoorziening is adequaat wanneer de effecten van een beperking op de (maatschappelijke) participatie en de zelfredzaamheid weggenomen worden. Zijn meerdere maatwerkvoorzieningen/oplossingen adequaat, leiden meerdere maatwerkvoorzieningen naar het te bereiken resultaat en passen meerdere maatwerkvoorzieningen bij de ondersteuningsvraag van de cliënt, dan wordt uit die maatwerkvoorzieningen/oplossingen voor de goedkoopste maatregel gekozen. Het gaat dan om de maatwerkvoorziening die voor het college het goedkoopst is. Er wordt altijd rekening gehouden met de (sociale) factoren die bij de cliënt spelen en de resultaatgerichtheid van de maatwerkvoorziening blijft centraal staan.

Niveau van de maatwerkvoorziening

De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zover dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. 2

Duurdere voorziening

Het is mogelijk om een maatwerkvoorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Als aanvulling hierop kan gezegd worden dat de cliënt dit zelf dient af te stemmen met de leverancier van de voorziening of de aannemer die de aanpassing gaat uitvoeren. Uitgangspunt is dat de duurdere uitvoering, de extra accessoires of de aanpassingen geen gevolgen mogen hebben voor het herverstrekken of opnieuw in bruikleen verstrekken van de voorziening en de voorziening hiermee voldoende adequaat blijft. Zo zullen aanpassingen aan het frame van een rolstoel in de regel niet worden toegestaan, omdat dit gevolgen heeft voor de herverstrekbaarheid van de voorziening. Bovendien zal met deze voorziening het resultaat moeten worden bereikt en zal de voorziening moeten voldoen aan het tijdens het onderzoek opgestelde programma van eisen.

Resultaatgericht

Tijdens het onderzoek (zie artikel 3) wordt bij iedere inwoner onderzocht welk resultaat moet worden behaald met de ondersteuning. Aan de ondersteuningsverlener wordt aangegeven welk resultaat zij moeten behalen met de ondersteuning die zij bieden. Bij de inzet van maatwerkvoorzieningen streven we er naar dat de cliënt zo snel mogelijk weer in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven. Er zijn echter ook inwoners die altijd ondersteuning nodig blijven houden. Het behouden van een bepaalde mate van zelfredzaamheid zien we daarom ook als een resultaat.

4. Eigen bijdrage

Artikel 12. Wanneer is er een eigen bijdrage verschuldigd

Personen van 18 jaar en ouder

Men is een eigen bijdrage verschuldigd bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening (met uitzondering van rolstoelvoorzieningen, (rolstoel)taxivoorzieningen of alternatieve vervoersvoorzieningen) aan elke persoon van 18 jaar of ouder.

Personen benden de 18 jaar

Aan personen beneden 18 jaar wordt geen eigen bijdrage gevraagd, uitgezonderd voor aard- en nagelvaste woonvoorzieningen (waarbij de eigen bijdrage wordt opgelegd aan de ouders van cliënt). Indien de cliënt ten tijde van de toekenning nog geen 18 jaar is, wordt de voorziening wel aangemeld bij het CAK. Vanaf de dag waarop de cliënt 18 jaar wordt, wordt de eigen bijdrage geïnd. Bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd wordt de eigen bijdrage van een lopende voorziening die voor deze persoon is bedoeld en waarover (nog een deel) eigen bijdrage is verschuldigd, overgezet naar deze persoon.

Artikel 13. Vaststellen en innen eigen bijdrage

Bepaling hoogte eigen bijdrage

In de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018 is vastgelegd hoe de hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald.

Het CAK

De kostprijzen voor maatwerkvoorzieningen worden door de gemeente ingelegd bij het CAK (Centraal Administratiekantoor). Het CAK is bij wet aangewezen als instantie die de eigen bijdrage berekent, oplegt en int. De reden hiervoor is dat bij het eigen bijdrage beleid een anticumulatie-beding geldt (voorkomen van stapeling eigen bijdragen). Anticumulatie strekt zich uit tot de eigen bijdrage die in het kader van de Wmo en Wlz van de cliënt worden gevraagd. De inning van de eigen bijdrage van de Wlz gaat voor op de inning van de eigen bijdrage van de Wmo. Het CAK stelt de maximale eigen bijdrage vast die aan een cliënt kan worden opgelegd in het kader van de Wmo en/of Wlz. De cliënt wordt door middel van een beschikking van het CAK op de hoogte gesteld van de maximaal op te leggen eigen bijdrage.

Beschermd wonen

Bij het opleggen van een eigen bijdrage voor beschermd wonen dient er voor te worden gezorgd dat de cliënt een bedrag overhoudt ten behoeve van zak- en kleedgeld en geld voor de zorgverzekeringspremie (gecorrigeerd voor de zorgtoeslag). De hoogte van dit bedrag wordt bepaald aan de hand van normen die hiervoor zijn gesteld paragraaf 3 (Beschermd wonen) van het landelijk Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Artikel 14. Periode waarover eigen bijdrage wordt gevraagd

Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning en begeleiding

Een eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning of begeleiding mag elke 4 weken (periode) worden opgelegd en geïnd, zolang er van de maatwerkvoorziening gebruik wordt gemaakt.

Maatwerkvoorziening beschermd wonen

Een eigen bijdrage voor beschermd wonen mag elke maand worden opgelegd en geïnd, zolang er van de maatwerkvoorziening gebruik wordt gemaakt.

Aangezien de gemeente Bergen op Zoom de centrumgemeente is voor beschermd wonen, wordt de door het CAK geïnde eigen bijdrage voor beschermd wonen betaald aan de gemeente Bergen op Zoom, tenzij hier met de centrumgemeente en/of het CAK nadere afspraken over gemaakt worden

Maatwerkvoorziening in bruikleen (met uitzondering van een traplift)

Een eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening in bruikleen mag elke 4 weken (periode) worden opgelegd en geïnd, zolang de maatwerkvoorziening wordt gebruikt.

Maatwerkvoorziening in eigendom

Een eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening die in eigendom aan de cliënt is verstrekt, mag elke 4 weken worden opgelegd en geïnd, voor een maximale periode van 7 jaar (5 jaar in het geval van een sportvoorziening).

Maatwerkvoorziening woningaanpassing (aard- en nagelvaste voorziening, inclusief traplift)

Een eigen bijdrage voor een woningaanpassing die in eigendom aan de cliënt is verstrekt, mag elke 4 weken worden opgelegd en geïnd, tot de kostprijs van de maatwerkvoorziening is bereikt.

5. Huishoudelijke ondersteuning

Artikel 15. Doelen/resultaten van de ondersteuning

Ondersteuning bij het huishouden

Het doel van deze maatwerkvoorziening is dat d.m.v. het bieden van ondersteuning in het huishouden de cliënt in staat wordt gesteld om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven wonen.

Schoon en leefbaar

Met de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning dienen de volgende resultaten te worden bereikt:

  • -

    De cliënt kan wonen in een schoon en leefbaar huis;

  • -

    De cliënt kan beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en linnengoed.

Artikel 16. Producten en doelgroepen

Binnen de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt onderscheid gemaakt tussen huishoudelijke ondersteuning start, huishoudelijke ondersteuning regulier, huishoudelijke ondersteuning plus en huishoudelijke ondersteuning extra.

Huishoudelijke ondersteuning start

Huishoudelijke ondersteuning start is bedoeld voor mensen die gedeeltelijk niet in staat zijn om zelf of met behulp van de omgeving activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden te ondernemen. Het behelst het periodiek, maar niet wekelijks, ondersteunen bij en het overnemen van zware activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon, dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort, die die persoon of zijn of haar omgeving niet zelf uit kan voeren.

Huishoudelijke ondersteuning (regulier)

Huishoudelijke ondersteuning is bedoeld voor mensen die door ziekte, ouderdom of beperkingen niet in staat zijn om zelf of met behulp van de omgeving activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden te ondernemen. Het behelst het ondersteunen bij en het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon, dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.

Huishoudelijke ondersteuning plus

Huishoudelijke ondersteuning plus is bedoeld voor mensen die door ziekte, ouderdom of beperkingen niet in staat zijn om zelf of met behulp van de omgeving activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden te ondernemen en/of hier zelf het overzicht over te bewaren. Het behelst het ondersteunen bij en het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon, dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort, met daarbij een stuk instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden. Daarnaast is er sprake van overname van de organisatie van het huishouden (waaronder organisatie Huishoudelijke activiteiten en het opslaan en beheer van de levensmiddelenvoorraad).

Huishoudelijke ondersteuning extra

Als huishoudelijke ondersteuning of huishoudelijke ondersteuning Plus niet toereikend is, omdat blijkt dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, kan Huishoudelijke ondersteuning Extra ingezet worden. Van uitzonderlijke gevallen is sprake wanneer een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is vanwege de beperkingen van de cliënt. De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische oorzaak (lichamelijk of psychisch/psychiatrisch van aard) te hebben, welke aantoonbaar is. De grootte van het huis(houden) of de aanwezigheid van dieren is geen reden voor inzet van extra ondersteuning. De extra ondersteuningsbehoefte of intensievere vorm van schoonhouden moet veroorzaakt worden door een combinatie van twee of meerdere onderstaande situaties:

  • medisch geobjectiveerde ernstige klachten t.g.v. onder andere COPD problematiek, mits er een diagnose is gesteld door een longarts;

  • hogere vervuilingsgraad door bijvoorbeeld gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen (bijvoorbeeld elektrische rolstoel);

  • extra bewassing of schoonmaak i.v.m. incontinentie, overmatige transpiratie, speekselverlies, spugen;

  • extra schoonmaak i.v.m. bedlegerigheid, ernstige lichamelijke- of psychiatrische beperkingen;

  • extra zorgbehoefte i.v.m. terminale situatie van cliënt. Een (huis)arts moet een verklaring afgeven dat cliënt daadwerkelijk terminaal is.

Bij alle vier de vormen van huishoudelijke ondersteuning wordt een signalerende functie verwacht van de zorgaanbieder. Het betreft het signaleren van wijzigingen in de leefsituatie van de cliënt. Bij de huishoudelijke ondersteuning plus en extra gaat het ook om het signaleren van lichamelijke problemen, (psycho)sociale problemen, emotionele problemen, veranderingen in de (zorg)behoeften enz.

Artikel 17. Afbakening van de ondersteuning

Voor het bereiken van de resultaten worden de volgende grenzen gehanteerd:

Leefbaar volgens algemeen gebruikelijke normen

Onder een schoon en leefbaar huis wordt verstaan dat de in gebruik zijnde ruimten van de woning schoon moeten zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Iedereen die in de woning woont, moet gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, een schoon slaapvertrek, schoon beddengoed, schoon linnen- en beddengoed, een schone keuken, een schone douche, toilet en een schone gang. Leefbaar staat ook voor opgeruimd en functioneel.

Normale kleding voor alledag en schoon linnengoed

Onder het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding wordt uitsluitend normale kleding voor alledag verstaan. Voorts dient men te kunnen beschikken over schoon linnen- en beddengoed en schone thee- en handdoeken. Van de cliënt wordt verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een droger of kleding die niet gestreken hoeft te worden.

Artikel 18. (Bepalen) omvang van de ondersteuning

Maatwerk

Voor alle cliënten geldt dat de omvang van de huishoudelijke ondersteuning maatwerk is. Er is geen standaardindicatie in een cliëntsituatie, maar er wordt gekeken naar de totale cliëntsituatie. De gemeente stelt samen met de cliënt een ondersteuningsplan op. Hierin wordt, naast een beschrijving van de te behalen resultaten, benoemd welk product het beste past bij de cliënt: huishoudelijke ondersteuning start, huishoudelijk ondersteuning regulier, huishoudelijke ondersteuning plus of huishoudelijke ondersteuning extra. De voor de zorgaanbieder relevante informatie uit het ondersteuningsplan wordt door de gemeente doorgestuurd naar de door de cliënt gekozen zorgaanbieder.

Persoonsgebonden budget

Bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een PGB, worden de vastgestelde resultaten door het college vertaald naar de categorie die heb beste past bij de cliënt: huishoudelijke ondersteuning start, huishoudelijke ondersteuning regulier, huishoudelijke ondersteuning plus of huishoudelijke ondersteuning extra. De adviseur kan gemotiveerd afwijken door de ondersteuning in uren en minuten te berekenen.

Het leveringsplan

De uiteindelijke omvang van de ondersteuning wordt bepaald door de frequentie x de activiteiten en wordt uitgebreid beschreven in het leveringsplan dat door de zorgverlener en de cliënt samen wordt opgesteld. De gemeente heeft in samenwerking met de zorgaanbieders een format opgesteld voor het leveringsplan (zie bijlage 2a), wat door alle zorgaanbieders gebruikt dient te worden.

Bij het invullen van het leveringsplan dient het resultaat zoals omschreven in het overzicht met expertnormen voor huishoudelijke ondersteuning als bedoeld in bijlage 3 te worden bereikt. Zorgverleners dienen bij het invullen van het leveringsplan rekening te houden met de unieke omstandigheden van de cliënt, zoals bijvoorbeeld de bezettingsgraad, vervuilingsgraad, COPD-problematiek, allergie voor huisstofmijt, bedlegerigheid, incontinentie, overmatige transpiratie, speekselverlies of aanwezigheid van jonge kinderen, waardoor de zorgverlener mogelijk vaker en/of langer aanwezig moet zijn om het resultaat te behalen.

Toetsing leveringsplan aan ondersteuningsplan

Voordat een besluit wordt genomen, wordt het leveringsplan met de daarin beschreven omvang van de ondersteuning door het college getoetst. Hierbij wordt gekeken of de beschreven activiteiten en frequentie recht doen aan de huidige situatie van de cliënt. Indien het college van mening is dat dit niet het geval is, wordt de zorgaanbieder verzocht om het leveringsplan aan te passen. Indien het leveringsplan akkoord is bevonden, wordt het leveringsplan onderdeel gemaakt van het beschikking. De beschikking wordt aan de cliënt verzonden. Zo is het voor cliënten duidelijk wat zij mogen verwachten van de ondersteuning.

6. Begeleiding

Artikel 19. Doelen/resultaten van de ondersteuning

Verbeteren, stabiliseren of begeleiden bij achteruitgang

Het doel van de maatwerkvoorziening begeleiding is de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. Het doel van de maatwerkvoorziening kan zijn:

  • Het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt; of

  • het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt; of

  • het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterde zelfredzaamheid en/of participatie.

In het ondersteuningsplan van de gemeente wordt vastgelegd waar de maatwerkvoorziening begeleiding voor de betreffende cliënt op gericht moet zijn.

Resultaatgebieden begeleiding

Daarnaast wordt in het ondersteuningsplan aangegeven welke resultaten met de inzet van de maatwerkvoorziening begeleiding moeten worden behaald. De resultaten zijn ingedeeld in resultaatgebieden (in bijlage 4 is een uitgebreidere uitwerking van de resultaten opgenomen):

  • Resultaatgebied financiën:

  • De financiën van de cliënt zijn op orde.

  • De administratie van de cliënt is op orde.

  • Resultaatgebied zinvolle daginvulling:

De cliënt heeft een adequate dag- en weekstructuur en routine in activiteiten, passend bij de ontwikkelingsmogelijkheden van de cliënt:

  • De cliënt heeft een passende daginvulling gericht op beleving.

  • De cliënt heeft een passende daginvulling gericht op ontwikkeling.

  • De cliënt heeft een passende daginvulling gericht op arbeidsmatige activiteiten.

  • Resultaatgebied huisvesting/ woongedrag:

  • De cliënt heeft geschikte huisvesting.

  • Cliënt maakt veilig gebruik van zijn of haar woning en vertoont maatschappelijk passend woongedrag.

  • De cliënt is op de hoogte van de betekenis van goed huurderschap en vertoont goed huurderschap in de praktijk.

  • De cliënt kan zo zelfstandig mogelijk zijn of haar huishouding voeren (aanleren van taken en werkzaamheden).

  • Resultaatgebied huiselijke relaties:

  • De cliënt heeft een veilige, stimulerende en gezonde gezinssituatie / huiselijke relatie(s).

  • Er is binnen de thuis- of gezinssituatie geen sprake van verwaarlozing of huiselijk geweld.

  • De thuis- en/of gezinssituatie biedt een veilige omgeving voor kinderen, waarin zij zich leeftijdsadequaat kunnen ontwikkelen en de beschikking hebben over emotioneel en fysiek beschikbare opvoeder(s).

  • Resultaatgebied zelfzorg en gezondheid:

  • De cliënt heeft structuur in zijn of haar persoonlijke leven.

  • De cliënt heeft routine in activiteiten voor persoonlijke verzorging.

  • De cliënt komt afspraken na o.a. met zorgverleners / professionals en andere organisaties.

  • Er zijn afspraken gemaakt met de cliënt over wat te doen in het geval van escalatie (zoals WRAP of crisiskaart). Deze afspraken zijn afgestemd met de zorgaanbieder en betrokkenen uit de sociale omgeving van de cliënt.

  • Resultaatgebied sociaal netwerk:

  • Er is inzicht in het sociaal netwerk van de cliënt (wie biedt welke ondersteuning).

  • Het gezond sociaal netwerk van de cliënt is aanwezig en (indien nodig) vergroot.

  • De cliënt vervult een passende sociale rol.

  • De cliënt is in staat om een beroep te doen op zijn of haar sociaal netwerk.

  • Het sociaal netwerk van de cliënt kan omgaan met de beperking van de cliënt.

  • Resultaatgebied maatschappelijk functioneren:

  • De cliënt kan gebruik maken van de aanwezige infrastructuur: buurtsuper, openbaar en individueel vervoer etc.

Artikel 20. Producten en doelgroepen

Binnen de maatwerkvoorziening begeleiding maken we het onderscheid tussen de producten begeleiding individueel (waakvlam, licht, midden, zwaar en offerte), begeleiding groep (licht, midden en zwaar), en kortdurend verblijf. Of de cliënt is aangewezen op begeleiding individueel of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op begeleiding individueel als hetzelfde doel wordt beoogd.

Begeleiding groep

Begeleiding groep is de aangewezen vorm van begeleiding voor cliënten waarbij de zorgbehoefte gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur.

Bij alle indicaties voor begeleiding groep wordt de afweging gemaakt of er wel of geen vervoer naar en van de groepsopvang noodzakelijk is. Hierbij wordt beoordeeld of de cliënt in staat is zelf naar de groepsopvang te reizen. Toezicht tijdens het vervoer wordt niet afzonderlijk geïndiceerd. Er mag namelijk worden aangenomen dat het niveau van het vervoer (inclusief het toezicht) naar de groepsopvang is aangepast aan de cliënten die worden vervoerd.

Begeleiding individueel

Begeleiding individueel (licht, midden, zwaar en offerte) is de aangewezen vorm van begeleiding voor cliënten waarbij de zorgbehoefte gelegen is in bijvoorbeeld het één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en niet in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur. Begeleiding individueel waakvlam is bedoeld voor cliënten binnen de Wmo doelgroep, die minder ondersteuning nodig hebben dan 4 uur per 4 weken. Het gaat hier in de regel om cliënten die één keer in de drie of vier weken een gesprek hebben met hun zorgaanbieder. Of cliënten waarbij de zorg en ondersteuning minimaal is, en er eens in de zoveel tijd op oproep van de cliënt, een de-escalerend gesprek nodig is, waarna de cliënt zelfstandig vooruit kan.

Ook als er medische contra-indicaties zijn of een contra-indicatie op het gebied van gedragsproblematiek voor begeleiding in groepsverband, kunnen de activiteiten in de vorm van de aanspraak begeleiding individueel worden geïndiceerd. Het gaat dan om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen, of gedragsproblematiek.

Op basis van het zorgdoel en de te behalen resultaten voor de cliënt kunnen begeleiding individueel en begeleiding in groepsverband gecombineerd worden aangewezen.

Kortdurend verblijf (respijtzorg)

Indien nodig kan vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening voor kortdurend verblijf worden ingezet, welke gericht is op de ontlasting van de huisgenoot, partner of ouder die feitelijk de gebruikelijke hulp op zich neemt. Als is vastgesteld dat de ouder(s), partner of andere huisgenoten in de thuissituatie overbelast is/zijn, of dit door het bieden van gebruikelijke hulp dreigt/dreigen te raken en daarom niet meer in staat is/zijn de gebruikelijke hulp te leveren, moet deze gebruikelijke (ver)zorger eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zoeken om de overbelasting op te heffen. Als dit onvoldoende oplossing biedt, zal er in samenspraak met de zorgverzekeraar(s) moeten worden afgestemd welke ondersteuning vanuit welke regelgeving ingezet moet worden.

Artikel 21. Afbakening van de ondersteuning

Behandeling

Activiteiten gericht op het verbeteren van de aandoening worden gezien als behandeling en vallen niet onder de maatwerkvoorziening begeleiding binnen de Wmo, maar onder de Zvw.

Huishoudelijke taken

Samen opwerken bij het uitvoeren van huishoudelijke taken valt niet onder de maatwerkvoorziening begeleiding, maar onder de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning (plus).

Arbeid gerelateerde begeleiding

Arbeid gerelateerde begeleiding valt niet onder de maatwerkvoorziening begeleiding binnen de Wmo indien het beoogde resultaat van de begeleiding is het vinden en/of behouden van passend werk. Dergelijke begeleiding valt onder de Participatiewet (UWV, WVS).

Psychosociale ondersteuning

Psychosociale ondersteuning wordt niet gerekend tot de maatwerkvoorziening begeleiding, binnen de Wmo, maar tot Algemeen Maatschappelijk Werk.

Artikel 22. (Bepalen) omvang van de ondersteuning

Maatwerk

Voor alle cliënten geldt dat de omvang van de begeleiding maatwerk is. Er is geen standaardindicatie in een cliëntsituatie, maar er wordt gekeken naar de totale cliëntsituatie. De gemeente stelt samen met de cliënt een ondersteuningsplan op. Hierin wordt, naast een beschrijving van de te behalen resultaten, benoemd of de cliënt valt in de categorie licht, midden, zwaar of offerte. Bij het bepalen van de categorie wordt rekening houden met de volgende normen wat betreft de zorgintensiteit:

Begeleiding groep

Dagdelen

Licht

1 t/m 4

Midden

5 t/m 7

Zwaar

8 t/m 9

Begeleiding individueel

Per week

Waakvlam

Tot 4 uur per maand

Licht

Tot 4 uur per week

Midden

Vanaf 4 uur tot 7 uur per week

Zwaar

Vanaf 7 uur tot 13 uur per week

Offerte

Vanaf 13 uur per week

Naast de zorgintensiteit (frequentie/uren) wordt er bij de categorie-indeling rekening te houden met de zorgcomplexiteit: ernst van de stoornis, hoeveel partijen zijn betrokken bij de ondersteuning, en het aantal te behalen resultaten.

De voor de zorgaanbieder relevante informatie uit het ondersteuningsplan wordt door de gemeente doorgestuurd naar de door de cliënt gekozen zorgaanbieder.

Leveringsplan

De uiteindelijke omvang van de ondersteuning wordt bepaald door de frequentie x de activiteiten en wordt uitgebreid beschreven in het leveringsplan dat door de zorgverlener en de cliënt samen wordt opgesteld. De gemeente heeft in samenwerking met de zorgaanbieders een format opgesteld voor het leveringsplan), wat door alle zorgaanbieders gebruikt dient te worden. De resultaatgebieden en – afspraken zoals (zie bijlage 4) zijn leidend bij het tot stand komen van het leveringsplan en zowel geldend bij ondersteuning via zorg in natura als middels pgb.

Toetsing leveringsplan

Voordat een besluit wordt genomen, wordt het leveringsplan met de daarin beschreven omvang van de ondersteuning door het college getoetst. Hierbij wordt gekeken of de beschreven activiteiten en frequentie recht doen aan de huidige situatie van de cliënt. Indien het college van mening is dat dit niet het geval is, wordt de zorgaanbieder verzocht om het leveringsplan aan te passen. Indien het leveringsplan akkoord is bevonden, wordt deze onderdeel gemaakt van het besluit en naar de cliënt verzonden. Zo is het voor cliënten duidelijk wat zij mogen verwachten van de ondersteuning.

7. Beschermd wonen

Artikel 23. Doelen/resultaten van de ondersteuning

Ondersteuning bij wonen

Beschermd wonen is een maatwerkvoorziening voor personen bij wie op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving centraal staat. Het betreft een verblijf met 24-uurs bereikbaarheid of toezicht van een ondersteuningsverlener.

Het doel van de maatwerkvoorziening is om de cliënt zo zelfstandig mogelijk aan de maatschappij te laten deelnemen. Deze maatwerkvoorziening wordt gezien als het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning vanuit de Wmo en wordt ingezet als alle andere (combinaties van) maatwerk- en voorliggende voorzieningen niet toereikend zijn.

Resultaten

Er zijn diverse resultaten te definiëren binnen deze maatwerkvoorziening, zoals:

  • Bevorderen van het psychisch en psychosociaal functioneren;

  • Stabilisatie en acceptatie van een psychisch ziektebeeld;

  • Voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast;

  • Gevaar afwenden voor de cliënt en/of anderen.

Artikel 24. Producten en doelgroepen

Bij de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt een combinatie gemaakt van het product huisvestingen het product begeleiding bij wonen.

Huisvesting

Onder het product huisvesting wordt de woonvoorziening van de cliënt verstaan. Hieronder valt ook het eten en drinken en andere hotelmatige kosten zoals was-service.

Begeleiding bij wonen

Onder het product begeleiding valt de begeleiding die wordt geboden bij het wonen. Deze begeleiding is bedoeld voor cliënten die :

  • Niet in staat zijn een adequaat oordeel te vormen in het dagelijks bestaan. Er is sprake van regieproblemen waardoor cliënt wordt belemmerd in het zelfstandig wonen.

  • Vaardigheden of remmingen missen om zich staande te houden in een zelfstandige woonomgeving.

  • Niet in staat zijn om op relevante momenten hulp in te roepen. Het betreft het niet adequaat kunnen alarmeren vanwege cognitieve, communicatieve en/of motorische beperkingen. Het gaat daarbij om inzicht in risico’s, eigen wensen duidelijk kunnen maken en hanteren van alarmeringsapparatuur.

  • Vanwege psychische problematiek er niet in slagen om zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht of ondersteuning.

Aanvullende begeleiding

Het kan zijn dat een cliënt aanvullende individuele begeleiding (overbrugginszorg)- of groepsbegeleiding (eventueel i.c.m. vervoer naar de dagbesteding) nodig heeft (bovenop de begeleiding bij het wonen). Het betreft hier begeleiding zoals beschreven in H6 van deze Beleidsregels.

Artikel 25. Afbakening van de ondersteuning

Ambulante GGZ behandeling

Naast beschermd wonen wordt aan de cliënt in veel gevallen ambulante GGZ behandeling geboden. Waar nodig wordt de ondersteuning vanuit beschermd wonen afgestemd met de GGZ behandelaar. Een ambulante GGZ behandeling valt zelf niet onder de Wmo. Indien een cliënt op grond van de Wlz is opgenomen in een GGZ-instelling, vallen zowel de begeleiding als de behandeling onder de Wlz en heeft de Wmo geen resultaatsverplichting.

Zelfstandig wonen

Wanneer de cliënt zelfstandig kan wonen (niet bij een zorgaanbieder) maar daarbij begeleiding nodig heeft, wordt er tevens geen beschermd wonen ingezet. De cliënt wordt dan in aanmerking gebracht voor begeleiding individueel en/of begeleiding in groepsverband.

Artikel 26. (Bepalen) omvang van de ondersteuning

Maatwerk

Voor alle cliënten geldt dat de omvang van de begeleiding individueel en de begeleiding groep maatwerk is. Er is geen standaardindicatie in een cliëntsituatie, maar er wordt gekeken naar de totale cliëntsituatie. De omvang van de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt bepaald door een combinatie van een categorie voor huisvesting en een categorie voor begeleiding.

Categorieën huisvesting

Voor het huisvestingscomponent zijn er drie categorieën, te weten: compleet, huur en zelfstandig. In principe wordt altijd de categorie “compleet” geïndiceerd. Voor cliënten in deze categorie wordt het hele verblijf (huur, eten/drinken, overige services) door de zorgaanbieder geregeld. Indien een zorgaanbieder en cliënt echter samen andere afspraken maken, dan wordt dit aan de gemeente doorgegeven en wordt de indicatie aangepast naar “huur” of naar “zelfstandig”. Bij de categorie “huur” is de cliënt zelf verantwoordelijk voor het betalen van huur aan de zorgaanbieder, maar maakt hij wel gebruik van de overige faciliteiten zoals het nuttigen van maaltijden en was-service. Bij de categorie “zelfstandig” is de cliënt zelf verantwoordelijk voor alle verblijfskosten.

Categorieën begeleiding bij wonen

Voor het begeleidingscomponent zijn er drie categorieën, te weten: licht, midden en zwaar. Voor het bepalen van de omvang wordt het schema uit bijlage 5 gebruikt. De ondersteuningsbehoefte is echter leidend; een cliënt hoeft niet precies aan alle eisen te voldoen om in een bepaalde categorie te passen. Als een cliënt bijvoorbeeld minimale of geen verzorging nodig heeft, kan hij wel in de categorie zwaar terecht komen (als bijvoorbeeld het probleemgedrag op de voorgrond staat en de begeleidingsbehoefte heel intensief is).

Artikel 27. Samenwerkingsverband

Samenstelling samenwerkingsverband

Beschermd wonen is een taak die in een samenwerkingsverband met zes West-Brabantse gemeenten wordt uitgevoerd. Dit samenwerkingsverband bestaat uit:

  • Gemeente Bergen op Zoom (Centrumgemeente)

  • Gemeente Halderberge

  • Gemeente Roosendaal

  • Gemeente Rucphen

  • Gemeente Steenbergen

  • Gemeente Woensdrecht

Rol centrumgemeente vs. regiogemeenten

De gemeente is verplicht beschermd wonen te bieden aan iedere ingezetene van Nederland die zich tot de gemeente wendt en die daarvoor in aanmerking komt. Voor beschermd wonen geldt niet dat de cliënt ingezetene moet zijn van de gemeente.

Het besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen wordt genomen door de centrumgemeente. Een cliënt kan zich direct melden bij de centrumgemeente van de regio, maar binnen de regio is afgesproken dat cliënten zich in principe bij hun huidige woongemeente (uit het samenwerkingsverband) dienen te melden. Als een cliënt zich meldt bij zijn huidige woongemeente wordt daar het onderzoek uitgevoerd, tenzij er een begeleidend schrijven van een behandelaar met betrekking tot beschermd wonen is bijgevoegd bij de melding (zowel nieuwe melding als vraag voor herindicatie). Als uit het begeleidend schrijven blijkt dat de specialistisch behandelaar beschermd wonen noodzakelijk acht, kan het dossier direct worden overgedragen aan de centrumgemeente.

Wanneer uit het onderzoek naar voren komt dat er een indicatie is voor beschermd wonen, zal de gemeente Bergen op Zoom de verdere administratieve afhandeling op zich nemen. Waar een cliënt opgevangen of geplaatst wordt is afhankelijk van de beschikbaarheid, leeftijd, gezinssituatie, achtergrond en reden waarom iemand deze maatwerkvoorziening nodig heeft. Na het verstrekken van een indicatie voor beschermd wonen wordt een cliënt op de wachtlijst geplaatst tot de indicatie kan worden verzilverd bij een aanbieder. Wanneer een indicatie niet binnen een half jaar wordt verzilverd, kan de indicatie worden beëindigd. Indien een cliënt op een wachtlijst geplaatst wordt, kan het voorkomen dat er overbruggingszorg moet worden geboden. De gemeente waar de cliënt op dat moment staat ingeschreven is verantwoordelijk voor het bieden van de overbruggingszorg.

In het geval van een negatief besluit, wordt van de gemeente waar de cliënt staat ingeschreven verwacht dat zij onderzoeken op welke wijze de cliënt dan dient te worden ondersteund vanuit de Wmo (of mogelijk een andere regeling).

8. Rolstoelvoorzieningen

Artikel 28. Doel /resultaat van de ondersteuning

Ondersteuning bij verplaatsingen

Het doel van een rolstoelvoorziening is het vergroten van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt d.m.v. het ondersteunen in verplaatsen.

Verplaatsen in en om de woning

Een rolstoelvoorziening is een hulpmiddel waarvan de primaire functie het rijden is. Het resultaat van een rolstoelvoorziening is dat de cliënt zich kan verplaatsen in de directe leefomgeving (in en om de woning).

Artikel 29. Producten en doelgroepen

Binnen de rolstoelvoorzieningen wordt er onderscheid gemaakt tussen een handbewogen rolstoel (met of zonder hulpmotor) en een elektrische rolstoel.

Handbewogen (duw)rolstoel

Handbewogen (duw)rolstoelen kunnen op grond van gebruiksfrequentie en gebruiksduur nader onderverdeeld worden in:

  • Rolstoel kortdurend gebruik (1-2 uur aaneengesloten, enkele dagen per week).

  • Rolstoel semipermanent gebruik (4-6 uur aaneengesloten, meerdere tot alle dagen per week).

  • Rolstoel permanent gebruik (volledig rolstoelafhankelijk).

Hulpmotoren geven duw- en remondersteuning voor een handbewogen rolstoel waardoor de inspanning voor de begeleider vermindert. Een hulpmotor kan een oplossing zijn om het gewenste resultaat te bereiken wanneer:

  • De rolstoelgebruiker niet in staat is zich zelfstandig met een manuele of elektronische rolstoel dan wel scootermobiel te verplaatsen en voor zijn verplaatsingen steeds beroep moet doen op een begeleider en/of

  • de begeleider beperkt is in zijn mogelijkheden om deze verplaatsingen te kunnen uitvoeren. Dit kan o.a. door:

    • °

      Lichamelijke beperkingen, welke medisch onderbouwd dienen te zijn;

    • °

      groot verschil tussen grootte en gewicht van rolstoelgebruiker en begeleider.

Elektrische rolstoel

Een elektrische rolstoel is een rolstoelvoorziening voor personen die voor verplaatsingen binnen- en/of buitenshuis grotendeels zijn aangewezen op zittend verplaatsen, belemmeringen ondervinden bij het maken van transfers en daarnaast medisch gezien niet in staat zijn zich adequaat met een handbewogen rolstoel en/of scootmobiel te verplaatsen.

De elektrische rolstoelen zijn onder te verdelen in twee groepen:

  • Rolstoelen voor gebruik binnenshuis.

  • Rolstoelen voor zowel binnen- als buitenshuis gebruik.

Buggy/kinderwandelwagen

Een buggy en/of een kinderwandelwagen zijn in beginsel algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij het aanwezig zijn van een medische indicatie en indien de algemeen gebruikelijke voorzieningen niet afdoende is, kan een buggy of een kinderwandelwagen geïndiceerd worden in het kader van de Wmo.

Artikel 30. Afbakening van de ondersteuning

Aanpassingen

Er zijn diverse aanpassingen mogelijk aan een rolstoel. Deze kunnen worden onderverdeeld in standaard en individuele aanpassingen:

  • Standaard aanpassingen zijn de standaard fabrieksopties op voorzieningen. Hierbij kan gedacht worden aan extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen of een werkblad), maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt.

  • Individuele aanpassingen zijn op maat gemaakte aanpassingen.

Accessoires

Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk maar wenselijk en worden daarom ook niet vanuit de Wmo verstrekt.

Vergoeding oplaadkosten accu

Het college verstrekt geen vergoeding voor oplaadkosten van de accu van een elektrische voorziening.

Training

Training/rijlessen zijn contractueel afgesproken met de leverancier. Dit houdt in:

  • Bij aflevering van de maatwerkvoorziening zal voldoende instructie en demonstratie moeten worden gegeven.

  • Indien dit noodzakelijk is maken 3 aanvullende gewenningslessen deel uit van de instructie.

  • Als de rijvaardigheid na de instructie nog steeds onvoldoende is treedt de leverancier in overleg met de gemeente. Indien iemand meer rijlessen nodig heeft, kan dit via eerstelijns ergotherapie aangevraagd moeten worden. Bij goed resultaat naar aanleiding van deze lessen kan de rijvaardigheid opnieuw worden beoordeeld alvorens de Wmo tot verstrekking van een voorziening overgaat.

Onderhoud, reparatie en verzekering

Rolstoelen die door het college verstrekt worden in natura (bruikleen), worden door de leverancier onderhouden, indien nodig gerepareerd en (bij een elektrisch aangedreven rolstoel) voorzien van een verzekering.

Kosten voor onderhoud, reparatie en (bij een elektrisch aangedreven middel) verzekering van voorzieningen die in de vorm van een pgb worden verstrekt, worden vergoed op declaratiebasis.

Gebruik voorziening in het buitenland

Het college heeft een resultaatsverplichting ten aanzien van het leven van alledag. Bezoek aan het buitenland behoort –behoudens bewoners van grensstreken- niet tot het leven van alledag. Er rust dus in principe geen resultaatsverplichting op het college ten aanzien van het vervoer van en naar het buitenland en verplaatsingen in het buitenland. Voor hulp bij calamiteiten over de grens in het dagelijks gebruik (tot max 30 km) worden met de leverancier afspraken gemaakt over noodhulp. Indien een cliënt zijn voorziening wenst mee te nemen op bijvoorbeeld vakantie naar het buitenland, dan is cliënt zelf verantwoordelijk voor eventuele reparaties en/of onderhoud en verzekering van de voorziening in het buitenland. Hierover zal de cliënt zelf afspraken moeten maken met de leverancier van de voorziening.

Artikel 31. (Bepalen) omvang van de ondersteuning

Categoriebepaling

Om aanspraak te maken op een rolstoelvoorziening hoeft het niet altijd zo te zijn dat de cliënt de gehele dag is aangewezen op zittend verplaatsen. Wanneer na onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is in verband met de verplaatsingsbehoefte van de cliënt, wordt door de adviseur de categorie van de voorziening bepaald (volgens de categorie-indeling zoals afgesproken met de leverancier) en wordt er, indien nodig, een programma van eisen opgesteld.

Selectie

Er wordt een verzoek bij de leverancier ingediend voor passing en selectie van de goedkoopste adequate maatwerkvoorziening gezien de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen in relatie tot de verplaatsingsbehoefte van de cliënt.

9. Sportvoorzieningen

Artikel 32. Doel /resultaat van de ondersteuning

Sporten = participeren

Sporten is voor veel mensen een aangename manier om te participeren in de samenleving. Het doel van een sportvoorziening is het ondersteunen van de cliënt in het uitoefenen van sport, waardoor de cliënt zo lang mogelijk kan participeren.

Resultaat

Sporten kan voor een cliënt met beperkingen moeilijker en/of duurder zijn dan voor een persoon zonder beperkingen. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om voldoende te participeren in de maatschappij, kan het college een sportvoorziening verstrekken. Het resultaat van een sportvoorziening is het opheffen of verminderen van belemmeringen die een cliënt ondervindt bij het uitoefenen van sport.

Artikel 33. Producten en doelgroepen

Onder een sportvoorziening vallen diverse producten.

Sportrolstoelen

Bij diverse sporten, zoals bijvoorbeeld hockey, tennis, of rugby kan een sportrolstoel uitkomst bieden.

Overige hulpmiddelen

Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een zitski of een roadrunner.

Lidmaatschap sportvereniging

Om aanspraak te maken op een sportvoorziening dient de cliënt in principe lid te zijn van een gehandicaptensportvereniging en een bewijs van lidmaatschap te tonen. Het kan echter voorkomen dat er geen actieve vereniging in de regio aanwezig is en dat iemand daardoor besluit om individueel te gaan sporten. Indien uit gedegen onderzoek blijkt dat iemand zijn sportbeoefening niet in verenigingsverband hoeft uit te oefenen (bijvoorbeeld iemand die in het verleden altijd aan individueel hardlopen heeft gedaan en dit nu middels handbiken weer op wil gaan pakken) dan kan er een uitzondering worden gemaakt op de regel dat iemand te allen tijde lid moet zijn van een vereniging.

Artikel 34. Afbakening van de ondersteuning

Reguliere voorziening

Voor sporten die door de cliënt ook beoefend kunnen worden met een reguliere voorziening worden wordt geen sportvoorziening verstrekt.

Mogelijkheden vanuit gehandicaptenplatforms en/of verenigingen

Indien er mogelijkheden zijn om gebruik te maken van voorzieningen vanuit gehandicaptenplatforms, landelijke sportverenigingen, de gehandicaptenvereniging of via andere voorliggende voorzieningen (eventueel te leen), hoeft er door het college geen sportvoorziening vanuit de Wmo te worden verstrekt.

Actieve en regelmatige sportbeoefening

De cliënt moet aantonen dat er sprake is van een actieve en regelmatige sportbeoefening. Een zitski die jaarlijks eenmaal gebruikt wordt om op wintersport te gaan, valt buiten de doelstelling van participatie en zelfredzaamheid.

Topsport

Indien er sprake is van topsportbeoefening (zoals bijvoorbeeld deelname aan een WK of Paralympics) dan ligt het in de lijn dat de cliënt hiervoor sponsoren werft, er is geen verplichting voor het college om dergelijke voorzieningen te faciliteren.

Artikel 35. (Bepalen) de omvang van de ondersteuning

Persoonlijke sportieve behoeften

Wanneer een melding wordt gedaan voor een sportvoorziening wordt er onder meer gekeken naar de sportieve behoeften van de cliënt. Indien een cliënt geen sport beoefende voordat de beperkingen optraden, is er niet per definitie een verplichting de cliënt te compenseren voor deze belemmeringen. Immers, doordat cliënt niet sportte voordat de beperkingen optraden, zijn er ook geen belemmeringen op het gebied van het sporten. Uiteraard dient er wel onderzoek te worden gedaan naar de participatiewensen en –mogelijkheden van de cliënt.

Vervanging sportvoorziening

Een sportvoorziening wordt eens per vijf jaar verstrekt. Bij een verzoek tot vervanging van de sportvoorziening zal te allen tijde worden beoordeeld of de sportvoorziening technisch en ergonomisch gezien aan vervanging toe is. Het is niet per definitie de bedoeling om een sportvoorziening elke vijf jaar te vervangen.

10. Vervoersvoorzieningen

Artikel 36. Doel/resultaat van de ondersteuning

Ondersteuning bij vervoer

Het doel van een vervoersvoorziening is het realiseren van een situatie waarin de cliënt middels ondersteuning in het vervoer in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie.

Verplaatsen in directe woon- of leefomgeving

Het resultaat van een vervoersvoorziening is dat de cliënt zich kan verplaatsen in zijn directe woon- of leefomgeving. Het gaat hierbij om verplaatsingen van alle dag, zoals:

  • Vervoer om boodschappen te doen;

  • Bezoeken van vrienden en familie;

  • Vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen;

  • Recreatieve verplaatsingen;

  • Vervoer van en naar medische behandelaars.

Artikel 37. Producten en doelgroepen

Onder vervoersvoorzieningen vallen diverse producten.

(Rolstoel)taxivervoer (CVV)

Het (rolstoel)taxivervoer wordt in de gemeente Woensdrecht uitgevoerd in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV), ook wel ‘Deeltaxi’ genoemd. Het CVV is in de meeste gevallen een toepasselijke voorziening om aan de ondersteuningsbehoefte van een cliënt te voldoen.

Een cliënt kan bij gebruik van het CVV op twee manieren worden begeleid:

  • door een sociale begeleider;

  • door een verplichte begeleider.

De behoefte aan begeleiding vóór of na de rit is geen reden voor verplichte begeleiding in het kader van de Wmo. Een uitzondering op deze regel is iemand die in een zelfstandig wooncomplex woont en niet in staat is om zich zelfstandig van de voordeur van de woning naar de centrale hal te verplaatsen en ditzelfde probleem op plaats van bestemming ondervindt. Deze persoon kan in aanmerking komen voor een indicatie verplichte begeleiding als hij zelf geen maatregelen kan treffen voor deze belemmeringen. Wanneer de cliënt behoefte heeft aan een begeleider na de rit (bijvoorbeeld bij het winkelen), dan is het meenemen van deze zogenaamde sociale begeleider wel mogelijk, maar dan tegen 2x het Wmo-tarief. Indien de cliënt een indicatie heeft voor verplichte begeleiding, is het de cliënt niet toegestaan om zonder begeleiding te reizen (dit zal worden geweigerd door de vervoerder).

Alternatieve vervoersvoorziening

Indien er een medisch onderbouwde reden is voor een contra-indicatie voor het CVV, kan het college een alternatieve vervoersvoorziening verstrekken. Als richtlijn kunnen onderstaande gevallen als contra-indicatie voor het CVV gezien worden:

  • Sociaal storend gedrag (agressie, onrust, decorumverlies e.d.) dat niet door middel van persoonlijke begeleiding te corrigeren is. Dit betreft met name gevolgen van een handicap die voor medepassagiers storend is. Het betreft hier meer een sociaal-maatschappelijk probleem, met een zeer directe en aanwijsbare medische achtergrond.

  • (Onbeheersbare) incontinentie voor faeces en/of geuroverlast door faeces of urine.

  • Medicijngebruik direct noodzakelijk, toe te dienen door een derde.

  • Aantoonbare fobische klachten die geen behandelingsoptie hebben.

  • Infectiegevoeligheid indien samen reizen met meerdere personen extra infectiegevaar oplevert welke gezondheidsschade kunnen aanrichten. Criteria kunnen zijn:

    • °

      Ernstige COPD klachten met recidiverende longontsteking en/of zuurstofgebruik.

    • °

      Gebruik van cytostatica.

    • °

      Ernstige aangetoonde bronchiale hyperreactiviteit, waarbij de benauwdheidklachten verergeren door luchtjes van andere passagiers (parfumallergie).

    • °

      Relatief frequente insulten (meer dan 1 à 2 maal per week) bij optimaal ingestelde epilepsiemedicatie.

    • °

      Minder dan 1 uur zonder verzorging kunnen reizen (verzorging die niet tijdens de rit geboden kan worden).

Een alternatieve vervoersvoorziening kan worden ingezet als vergoeding voor het rijden in/met een eigen auto.

Aanpassing van de auto

Een cliënt kan in aanmerking komen voor aanpassing van de auto indien CVV of een alternatieve vervoersvoorziening niet voldoende zijn om het gewenste resultaat te bereiken. In dat geval dient de cliënt of iemand in het huishouden over een geldig rijbewijs te beschikken. Het maakt niet uit of de cliënt zelf de auto bestuurt of als passagier wordt vervoerd met de auto.

Een onderscheid wordt gemaakt tussen autofaciliteiten en autoaanpassingen. Autofaciliteiten zijn niet specifiek voor personen met een beperking ontwikkelde voorzieningen, die ook door personen zonder beperkingen worden aangeschaft. Autoaanpassingen zijn specifiek voor personen met een beperking ontwikkeld.

Hulpmiddelen t.b.v. vervoer

Er zijn diverse hulpmiddelen beschikbaar die een cliënt kunnen ondersteunen in het verplaatsen in zijn/haar directe leefomgeving. Voorbeelden zijn een scootermobiel of een fietsvoorziening.

Artikel 38. Afbakening van de ondersteuning

Vervoer in het kader van begeleiding of beschermd wonen

Dit vervoer maakt onderdeel uit van de indicatie voor begeleiding of beschermd wonen en wordt daarom niet als aparte vervoersvoorziening aangemerkt. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dit vervoer ligt bij de professionele ondersteuningsverlener.

Bewoners Wlz -instelling

Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening wordt er geen onderscheid gemaakt tussen bewoners in een Wlz-instelling en overige Wmo-doelgroepen.

Reikwijdte (rolstoel)taxi vervoer (CVV)

Met het CVV mag naar een locatie worden gereisd die zich maximaal 25 kilometer (5 OV-zones) vanaf het woonadres bevindt. Als een cliënt verder van huis wil, dan is er Valys. Naast het Valys taxivervoer biedt Valys ook verschillende mogelijkheden om de taxi te combineren met de trein (met of zonder begeleiding).

Verzekering, onderhoud en reparatie, keuringskosten en kosten aanpassen rijbewijs bij autoaanpassingen

De kosten van verzekering van een auto, verzekering van de autoaanpassingen, motorrijtuigenbelasting, herstel van beschadigingen en reparatie komen niet voor vergoeding op grond van de Wmo in aanmerking. Onderhoud van de in het kader van de Wmo aangebrachte autoaanpassingen worden wel vergoed. Dit zijn immers kosten die de cliënt niet zou hebben op het moment dat deze aanpassingen niet nodig zouden zijn geweest.

Onderhoud met betrekking tot niet Wmo gerelateerde zaken komt niet voor vergoeding vanuit de Wmo in aanmerking. Hier dient de cliënt zelf rekening mee te houden en van de cliënt wordt verwacht dat hij zelf voorziet in de kosten van onderhoud.

Indien de cliënt zelf rijdt, dient hij zelf (bij het CBR of de Afdeling burgerzaken van de gemeente) na te gaan in hoeverre de autoaanpassing leidt tot een aantekening op zijn rijbewijs. De kosten van het aanpassen van het rijbewijs zijn voor rekening van de cliënt.

Onderhoud, reparatie en verzekering hulpmiddel

Hulpmiddelen die door het college verstrekt worden in natura (bruikleen), worden door de leverancier onderhouden, indien nodig gerepareerd en (bij een elektrisch aangedreven middel) voorzien van een verzekering.

Kosten voor onderhoud, reparatie en (bij een elektrisch aangedreven middel) verzekering van voorzieningen die in de vorm van een pgb worden verstrekt, worden vergoed op declaratiebasis.

Vergoeding oplaadkosten accu hulpmiddel

Het college verstrekt geen vergoeding voor oplaadkosten van de accu van een hulpmiddel.

Training hulpmiddel

Training/rijlessen zijn contractueel afgesproken met de leverancier. Dit houdt in:

  • Bij aflevering van de maatwerkvoorziening zal voldoende instructie en demonstratie worden gegeven.

  • Indien dit noodzakelijk is maken 3 aanvullende gewenningslessen deel uit van de instructie.

  • Als de rijvaardigheid na de instructie nog steeds onvoldoende is treedt de leverancier in overleg met de gemeente. Indien iemand meer rijlessen nodig heeft, kan dit via eerstelijns ergotherapie aangevraagd worden. Bij goed resultaat naar aanleiding van deze lessen kan de rijvaardigheid opnieuw worden beoordeeld alvorens de Wmo tot verstrekking van een voorziening overgaat.

Gebruik hulpmiddel in het buitenland

Het college heeft een resultaatsverplichting ten aanzien van het leven van alledag. Bezoek aan het buitenland behoort –behoudens bewoners van grensstreken- niet tot het leven van alledag. Er rust dus in principe geen resultaatsverplichting op het college ten aanzien van het vervoer van en naar het buitenland en verplaatsingen in het buitenland. Voor hulp bij calamiteiten over de grens (max 30 km) in het dagelijks gebruik (klant woont in een grensstreek) worden met de leverancier afspraken gemaakt over noodhulp. Indien een cliënt zijn voorziening wenst mee te nemen op bijvoorbeeld vakantie naar het buitenland, dan is cliënt zelf verantwoordelijk voor eventuele reparaties en/of onderhoud en verzekering van de voorziening in het buitenland. Hierover zal de cliënt zelf afspraken moeten maken met de leverancier van de voorziening.

Artikel 39. Bepalen (omvang) van de ondersteuning

Persoonlijke vervoersbehoefte

Wanneer een melding wordt gedaan in verband met een vervoersprobleem wordt er onder meer gekeken naar de zelfstandige vervoersbehoefte van de cliënt. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Er zijn twee terreinen waarop een belemmering van vervoer mogelijk is:

  • Vervoer op korte en middellange afstand (tussen de 0 en 1500 meter); in de woonomgeving, het loop- en fietsvervoer.

  • Vervoer op langere afstand (1500 meter tot +/- 20 km); de afstand waarvoor personen zonder beperking het openbaar vervoer zouden nemen.

Het is mogelijk dat de cliënt op beide afstanden belemmeringen ondervindt. Dit kan tot gevolg hebben dat de cliënt voor beide terreinen gecompenseerd moet worden.

Omvang (rolstoel)taxivervoer (CVV) en alternatieve vervoersvoorziening

Voor zowel het (rolstoel)taxivervoer als een alternatieve vervoersvoorziening geldt een maximum aan het aantal kilometers dat cliënten per jaar kunnen reizen (extra gereden kilometers worden niet door het college vergoed). Bij het maximum aantal kilometers wordt rekening gehouden met de combinatie van het CVV of de alternatieve vervoersvoorziening met het gebruik van een hulpmiddel t.b.v. vervoer (bijvoorbeeld een scootermobiel of fietsvoorziening):

  • Zonder extra hulpmiddel is het maximaal aantal kilometers 1500 kilometer;

  • Met extra hulpmiddel is het maximaal aantal kilometers 750 kilometer.

Omvang autoaanpassing

In het geval van autoaanpassingen (m.u.v. een speciale autostoel), moet de noodzaak van de aanpassingen ten behoeve van een volwassene blijken uit de zogenaamde restreintbepalingen die het Centraal Bureau Rijvaardigheden (CBR) op het rijbewijs heeft gezet. Restreintbepalingen zijn de beperkende voorwaarden waaraan de auto van een persoon met een beperking moet voldoen. Als de auto door middel van aanpassingen niet voldoet aan die bepalingen mag de persoon waar het over gaat, niet met die auto rijden.

Een auto zal slechts worden aangepast indien aannemelijk is dat de auto nog (minimaal) 7 jaar gebruikt kan worden en deze in het bezit is van de cliënt of iemand binnen de leefeenheid. Hierbij wordt overigens wel afgewogen wat de kosten van de aanpassing zijn in relatie tot de leeftijd van de auto. Indien de verwachting is dat de auto op basis van de leeftijd geen 7 jaar meer mee gaat, kan het aanpassen van de auto mogelijk toch worden uitgevoerd als er sprake is van relatief lage kosten voor de aanpassing.

Bij een verzoek tot vervanging van de autoaanpassing zal te allen tijde worden beoordeeld of de aanpassingen technisch en ergonomisch gezien aan vervanging toe zijn. Het is niet per definitie de bedoeling om autoaanpassingen elke zeven jaar te vervangen.

Bij vervanging van de auto dient, bij autoaanpassingen die uitwisselbaar zijn, bekeken te worden of de aanpassingen overzetbaar zijn. Eenzelfde aanpassing wordt in principe maximaal eens per zeven jaar verstrekt. Bovendien zal worden beoordeeld of cliënt nog steeds is aangewezen op een dergelijke voorziening of dat er gezien de gewijzigde omstandigheden een andere, mogelijk goedkopere, oplossing noodzakelijk is.

Omvang hulpmiddel

Wanneer na onderzoek blijkt dat een hulpmiddel noodzakelijk is in verband met de vervoersbehoefte van de cliënt, wordt door de adviseur de categorie van het hulpmiddel bepaald (volgens de categorie-indeling zoals afgesproken met de leverancier, bijvoorbeeld in het geval van een scootermobiel: in en om de woning, standaard, extra geveerd en bijzondere uitvoering, of in het geval van een fietsvoorziening: volwassene en kind, tweewielers of driewieler, met of zonder hulpmotor, zitunit kind) en wordt er, indien nodig, een programma van eisen opgesteld.

Er wordt een verzoek bij de leverancier ingediend voor passing en selectie van de goedkoopste maatwerkvoorziening gezien de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen in relatie tot de vervoersbehoefte van de cliënt.

11. Woonvoorzieningen

Artikel 40. Doel/resultaat woonvoorzieningen

Zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving

Het doel van een woonvoorziening is het realiseren van een woonsituatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Opheffen/ verminderen belemmeringen in woning

Het resultaat van een woningvoorziening is het opheffen of verminderen van belemmeringen die een cliënt ondervindt bij het normale gebruik van de woning.

Artikel 41. Producten en doelgroepen

Woningaanpassing (aard- en nagelvaste voorzieningen)

Bij een cliënt die belemmeringen ondervindt bij het normale gebruik van de eigen woning of (particuliere) huurwoning kan een aard- en nagelvaste aanpassing aan de woning worden gedaan.

Bezoekbaar maken van de woning

Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (van ouder/verzorger of partner) bezoekbaar gemaakt worden.

Los hulpmiddel t.b.v. wonen

Losse woonvoorzieningen zijn voorzieningen die niet op enigerlei wijze aan de woning vastgezet zijn, zoals verrijdbare tilliften, badplanken. Ook een traplift valt onder de losse woonvoorzieningen (in verband met de her inzetbaarheid van trapliften).

Artikel 42. Afbakening van de ondersteuning

Zelf zorgen voor een woning

Het uitgangspunt is dat iedereen zelf zorg dient te dragen voor een woning. Dit geldt tevens voor een mantelzorgwoning. Indien er geen woning is, is het niet de taak van het college om voor een woning te zorgen.

Zelfstandige woonruimte

Een zelfstandige woonruimte is het uitgangspunt. Hieronder wordt verstaan die zelfstandige woonruimte, die in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig wordt aangemerkt. Dit geldt ook voor particuliere collectieve woonvormen (niet vallende onder de Wet langdurige zorg) die wat betreft woonfunctie vergelijkbaar zijn met zelfstandige woonruimten. Het college kan een maatwerkvoorziening in de aanpassingskosten van een woonwagen verlenen indien:

  • De technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar is.

  • De standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt.

  • De woonwagen ten tijde van de indiening van de melding bij de gemeente op een standplaats stond.

  • De hoofdbewoner van een woonwagen valt onder de doelgroep zoals vermeld in de Huisvestingswet.

Uitgangspunt is dat een maatwerkvoorziening langdurig door de cliënt moet kunnen worden gebruikt. Voor onder meer woningen/ woonruimten zoals hieronder genoemd, geldt dat deze in principe niet voor langdurig gebruik worden aangemerkt en wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt:

  • Hotels/pensions;

  • trekkerswoonwagens;

  • leef- en woongemeenschappen (of daarmee vergelijkbare woonvormen zoals een klooster);

  • tweede woningen;

  • vakantiewoningen en recreatiewoningen.

Er zijn echter een aantal uitzonderingen. Voor woningen met een recreatiebestemming geldt in principe dat deze niet voor langdurig gebruik worden aangemerkt. Echter, indien de cliënt staat ingeschreven op het adres van de recreatiewoning en/of het zijn hoofdverblijf is en uit onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, dient uiteraard de afweging woningaanpassing of verhuizing te worden gemaakt. Verstrekking van losse woonvoorzieningen is wel mogelijk, aangezien deze bij verhuizing meegenomen kunnen worden en hierdoor langdurig te gebruiken zijn.

Aanpassing in ADL-clusterwoningen

In ADL-clusters kunnen vanuit de Wmo maatwerkvoorzieningen worden verstrekt. Verzorging en verpleging in ADL-clusters valt onder de Zvw.

Aanbouw

Wanneer vanwege ondervonden belemmeringen een aanbouw aan een bestaande woning de goedkoopst adequate oplossing is, worden in principe onderstaande maxima aangehouden. Deze zijn gebaseerd op de richtlijnen uit het Handboek van Toegankelijkheid.

Soort vertrekt

Bij aanbouw (aantal m2)

Woonkamer

30

Keuken

10

1-persoonsslaapkamer

10

2-persoonsslaapkamer

18

Toiletruimte

2

Natte cel:

1.      Wastafelruimte

2.      Doucheruimte

2

Entree/hal/gang

5

Berging

6

Nieuwbouw

Wanneer de belanghebbende een woning wil (laten) bouwen en deze als gevolg van de aan te brengen bouwkundige of woontechnische voorzieningen groter moet zijn, kan hiermee rekening worden gehouden bij de bouw. Bouwkundige of woontechnische voorzieningen worden dan in principe niet vergoed.

Normaal gebruik

Onder het normale gebruik van de woning worden in ieder geval de normale (elementaire) woonfuncties verstaan zoals slapen, eten en lichaamsreiniging. Ook aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten die noodzakelijk zijn om de individuele woning van de cliënt te kunnen bereiken (uitgezonderd woongebouwen die specifiek zijn bedoeld voor gehandicapten en senioren) kunnen in het kader van de Wmo worden verstrekt.

Het gebruiken van een hobby-, logeer- of recreatieruimte valt in principe niet onder het normale gebruik van de woning ingevolge de Wmo.

Als de cliënt voor zijn participatie of zelfredzaamheid afhankelijk is van een scootmobiel of elektrische rolstoel, moet de cliënt kunnen beschikken over een adequate stallingruimte. Het vervoermiddel of de rolstoel moet daarbij beschermd zijn tegen diefstal, vernieling en weersinvloeden. Dat betekent dat er sprake moet zijn van stalling in een afgesloten ruimte (hal van wooncomplex, afgesloten tuin, garage) en/of een (af)dak waar de maatwerkvoorziening onder gestald kan worden. In dat geval valt het gebruik van een schuur/berging ten behoeve van het stallen van een maatwerkvoorziening wel onder het normale gebruik van de woning als voortvloeisel vanuit het toekennen van de maatwerkvoorziening (vaak eist de leverancier van de maatwerkvoorziening een geschikte stalling voor de maatwerkvoorziening). De stallingruimte moet voor de cliënt bereikbaar zijn.

Bezoekbaar maken woning

Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang tot de woning, de woonkamer en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. Tevens worden er geen bouwkundige aanpassingen verricht.

Tevens gelden bij het bezoekbaar maken van een woning de volgende voorwaarden:

  • De woning die bezoekbaar gemaakt wordt bevindt zich in de gemeente Woensdrecht.

  • Er is niet al een andere woning voor de cliënt bezoekbaar gemaakt.

Onderhoud, reparatie en verzekering van losse hulpmiddelen

Voorzieningen die door het college verstrekt worden in natura worden door de leverancier onderhouden en indien nodig gerepareerd. Kosten voor onderhoud, reparatie van voorzieningen die in de vorm van een PGB worden verstrekt, worden vergoed op declaratiebasis.

Artikel 43. (Bepalen) omvang van de ondersteuning

Levensduur woning

Als uit het onderzoek aanpassing van een badkamer of een keuken noodzakelijk blijkt, wordt rekening gehouden met de “algemeen gebruikelijk te achten levensduur van de te vervangen voorziening”. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijnen Beleid huurverhoging na Woonverbetering zoals opgenomen in bijlage 7. De afschrijvingstermijnen zijn richtlijnen, een en ander is mede afhankelijk van de kwaliteit van het materiaal en het uitvoeringsniveau. Als die voorziening deze levensduur heeft bereikt, dan is er sprake van een algemeen gebruikelijke renovatie en dient de cliënt de kosten daarvan zelf te betalen. Als de gebruikelijke levensduur echter nog niet geheel is verstreken, wordt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingstermijn. Dat betekent dat naarmate de te vervangen voorziening ouder is, er een korting toegepast wordt:

  • 100% bekostiging indien de te vervangen voorziening ¼ van de afschrijvingstermijn nog niet heeft bereikt met een maximum van 4 jaar;

  • 75% bekostiging indien de te vervangen voorziening ¼ van de afschrijvingstermijn heeft bereikt;

  • 50% bekostiging indien de te vervangen voorziening ½ van de afschrijvingstermijn heeft bereikt;

  • 25% bekostiging indien de te vervangen voorziening ¾ van de afschrijvingstermijn heeft bereikt;

  • 0% bekostiging indien de te vervangen voorziening de afschrijvingstermijn heeft bereikt.

Het gaat in alle gevallen om een vergoeding op het uitvoeringsniveau van sociale woningbouw.

Nieuwbouw/ renovatie vs. bestaande bouw

Bij nieuwbouw of bij vervanging in verband met renovatie, wordt door het college alleen de meerprijs van de aangepaste voorziening ten opzichte van een standaard voorziening vergoed. Hierbij wordt meegewogen wat iemands eigen mogelijkheden zijn om uit oogpunt van kosten zelf in de meerkosten van de voorziening te voorzien.

Bij bestaande bouw zal (indien noodzakelijk) de gehele aan te passen voorziening worden vergoed. Ook het eventueel aanhelen van de vloeraankleding en muurtegels vallen binnen deze vergoeding. Bij het vaststellen van de vergoeding, wordt rekening gehouden met de afschrijving van de te vervangen voorziening.

Voorzieningenniveau

Het uitrustingsniveau in de sociale woningbouw is het uitgangspunt. Dit niveau is vastgesteld in het Bouwbesluit. Woningaanpassingen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit. Duurdere of andere woningaanpassingen hoeven niet te worden verstrekt. Geen maatwerkvoorziening wordt toegekend voor zover deze betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Indien de cliënt een hoger uitrustingsniveau wenst, dient cliënt het verschil zelf te bekostigen. Voorwaarden zijn dan wel dat aan het programma van eisen wordt voldaan, de voorziening adequaat is en van vergelijkbare kwaliteit is als de geïndiceerde voorziening.

Afweging woningaanpassing of verhuizing

Om te kunnen bepalen wat in de situatie van de cliënt de goedkoopst adequate oplossing is met betrekking tot de door hem ervaren belemmeringen in de huidige woning, maakt het college na onderzoek een afweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen naar een geschikte(re) woning anderzijds. Uit het onderzoek van de adviseur zal blijken welke maatwerkvoorziening in de situatie van de cliënt de goedkoopste is om het te bereiken resultaat te behalen.

Het college geeft, indien de noodzaak tot verhuizen aanwezig is, na onderzoek aan de woningcorporatie door naar wat voor een woning de cliënt dient te verhuizen: Wandelstok-icoon, rollator-incoon of rolstoel-icoon. De cliënt kan dan bij de woningcorporatie een verhuisurgentie verkrijgen. Voor het accepteren van de woning, zal de cliënt het college op de hoogte moeten stellen zodat het college kan beoordelen of de woning voldoet aan de gestelde eisen.

Indien een cliënt uit de eigen woningverhuist, dient bij de keuze van de te betrekken woning rekening gehouden te worden met de situatie van de cliënt. Er wordt vanuit gegaan dat de cliënt rekening houdt met zijn beperkingen en te verwachten belemmeringen in de toekomst (voor zover aannemelijk gezien de bestaande aandoeningen). Het college kan, indien gewenst, vooraf ondersteuning bieden om een programma van eisen voor de nieuwe woning op te stellen waar cliënt rekening mee dient te houden bij de keuze voor een medisch gezien geschikte woning.

Losse hulpmiddelen in natura

Losse woonvoorzieningen worden voornamelijk in bruikleen verstrekt. Wanneer na onderzoek blijkt dat een losse woonvoorziening noodzakelijk is, wordt door de adviseur de categorie van de voorziening bepaald (volgens de categorie-indeling zoals afgesproken met de leverancier) en wordt er, indien nodig, een programma van eisen opgesteld. Er wordt een verzoek bij de leverancier ingediend voor passing en selectie van de goedkoopste maatwerkvoorziening gezien de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen van de cliënt. Indien er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura is de leverancier vervolgens verantwoordelijk voor het hele vervolgproces, beginnend bij de passing en selectie (technisch) en eindigend bij de inname van de maatwerkvoorziening.

Losse hulpmiddelen middels pgb

Een losse woonvoorziening in pgb wordt eens per zeven jaar verstrekt. Bij een verzoek tot vervanging van de voorziening zal te allen tijde worden beoordeeld of de voorziening technisch en ergonomisch gezien aan vervanging toe is. Het is niet per definitie de bedoeling om een voorziening elke zeven jaar te vervangen.

Rekening houden met mantelzorgers

Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen, houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers/hulpverleners bediend moeten worden.

12. Slotbepalingen

Artikel 44. Intrekken oud beleid en overgangsrecht

  • 1. De Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018 worden ingetrokken per 1 januari 2018.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2018 worden afgewikkeld conform de Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2015.

  • 4. Van het in het derde lid van dit artikel gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 45. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2018.

  • 2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018.

Ondertekening


Noot
1

Uit jurisprudentie blijkt dat onderzoek naar enkel de medische situatie van de huisgenoot niet toereikend is. Er moet ook een beeld gevormd worden van de overige factoren die kunnen leiden tot (dreigende) overbelasting. Denk daarbij aan de aard en intensiteit van de verleende zorg, tezamen met de medische problematiek van de cliënt. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde maatwerkvoorziening, dient men alles in het werk te stellen die overbelasting op te heffen door deze zorg door andere ondersteuningsverleners uit te laten voeren/in te kopen.

Noot
2

Memorie van Toelichting, Wmo 2015, blz. 23, 1e alinea.