Beleidsregels uitwegen Westerwolde

Geldend van 04-07-2019 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels uitwegen Westerwolde

1. Inleiding

Als een inwoner een uitweg wil laten aanleggen, aanpassen of verplaatsen dan moet duidelijkheid zijn in welke gevallen dat wel en niet is toegestaan, waar rekening mee moet worden gehouden én natuurlijk wat de kosten zijn. Het doel van deze notitie is om duidelijkheid te geven over het verlenen van omgevingsvergunningen voor het maken van een uitweg en het verbeteren van de kwaliteit van de aangelegde uitwegen met de voorwaarden, aansprakelijkheid, beheer en onderhoud m.b.t. de aanleg, aanpassing of verplaatsing van uitwegen.

De richtlijnen die in deze notitie zijn vastgelegd zijn een uitwerking van de kaders die de raad heeft vastgelegd in de algemene plaatselijke verordening (APV). In hoofdstuk 2 is dit verder uitgewerkt. In hoofdstuk 3 worden de kosten behandeld. De procedure, de handhaving en de inwerkingtreding en evaluatie worden vervolgens beschreven in respectievelijk de hoofdstukken 4, 5 en 6.

2. Uitgangspunten beleid

Het grote grondgebied en de openbare ruimte van Westerwolde gebruiken we elke dag. Het vormt een betekenisvol geheel dat we goed willen onderhouden, zodat we ook in de toekomst optimaal gebruik kunnen blijven maken van de unieke kwaliteiten van ons gebied. We willen ons blijven profileren als groene toeristische verblijfs- en woongemeente. Daarom vinden we het belangrijk om als gemeente een actieve en stimulerende rol te blijven spelen in landschapsontwikkeling. We willen zoveel mogelijk het groene karakter behouden. Dit geldt ook voor het aanleggen, aanpassen of verplaatsen van uitwegen. Om die reden wordt de opdracht voor de aanleg van een uitweg op grondgebied van de gemeente na het afgeven van de omgevingsvergunning in alle gevallen vanuit de gemeente verstrekt. De kosten die verbonden zijn aan de uitweg komen voor rekening van de aanvrager.

2.1. Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

In artikel 2:12 van de APV is geregeld dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. In artikel 2:12 lid 2 is opgenomen dat in afwijking van het tweede lid van de weigeringsgronden (termijn van minder dan 8 weken), de vergunning slechts geweigerd kan worden ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg, indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast of indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

2.2. Nadere duiding APV

In deze paragraaf wordt verduidelijkt wat we verstaan onder de weigeringsgronden zoals opgenomen in de APV. Daarnaast wordt nader ingegaan op de voorwaarden als er wel een omgevingsvergunning voor het aanleggen, aanpassen of verplaatsen van een uitweg wordt afgegeven. Een deel van de uitweg kan een openbare functie hebben. Een doorsteek door een groenstrook of een verlaagde trottoirband worden ten behoeve van een uitweg aangelegd, maar ook voor andere doeleinden gebruikt. Daarmee maken deze onderdelen deel uit van de openbare buitenruimte. Om voldoende invloed te hebben op de kwaliteit van de verharding op openbare grond en omdat de primaire verantwoordelijkheid voor het onderhoud van wegen en trottoirs bij de gemeente ligt, wordt de uitweg uitsluitend door of in opdracht van de gemeente aangelegd en onderhouden. De werkzaamheden die de aanvrager zelf uitvoert beperken zich tot het gedeelte van de uitweg op particuliere grond dat de toegang tot de woning vormt.

2.3. Situatie uitwegen

We willen zoveel mogelijk het groene karakter van de gemeente behouden. Om die reden zal er altijd van uit worden gegaan om de uitweg zo smal mogelijk aan te leggen. Er is een onderscheid tussen de verschillende situaties waarin uitwegen kunnen voorkomen. Deze hebben betrekking op de constructie van de weg: is er een verhoogde kantopsluiting aanwezig, ligt er een verhoogd trottoir langs de weg of is er sprake van een tussenberm? Als illustratie worden enkele (4) situaties toegelicht.

Situatie 1: De wegverharding ligt op dezelfde hoogte als de berm, eventueel ligt er een molgoot langs de weg, die overrijdbaar is. De uitweg kan tegen de bestaande wegverharding worden aangelegd.

Situatie 2: De wegverharding en de berm zijn gescheiden door een verhoogde opsluit- of trottoirband. Om vanaf de weg de uitweg op te rijden moet de opsluitband worden aangepast.

(het grijze vlak geeft aan welk gedeelte door de gemeente wordt aangepast)

Situatie 3: Langs de wegverharding ligt een voet- of fietspad. De verharding daarvan moet zodanig worden aangepast dat deze overrijdbaar is (dikke tegels o.i.d.). Bij een eventueel hoogteverschil tussen rijbaan en voet- of fietspad moet ook dit worden aangepast.

(het grijze vlak geeft aan welk gedeelte door de gemeente wordt aangepast)

Situatie 4: Langs de weg ligt een groenstrook, waarachter een voet- of fietspad ligt. Het deel van de uitweg tussen de rijbaan en het voet- of fietspad heeft een openbaar karakter en wordt daarom door of namens de gemeente aangelegd. Afhankelijk van de situatie moet ook de opsluiting van de wegverharding worden aangepast, evenals de verharding van het fiets- of voetpad. Indien situatie 4 van toepassing is, zal de uitweg voor de basisregistratie grootschalige topografie (BGT) door een landmeter moeten worden opgemeten en in de BGT verwerkt.

(het grijze vlak geeft aan welk gedeelte door de gemeente wordt aangepast)

2.4. Aanvullende bepalingen

Bij de aanleg van een uitweg zijn er een aantal zaken waar rekening mee gehouden moet worden zoals een bermsloot, materiaalkeuze, kolken, riolering, signaleringskasten, lichtmasten, verkeersborden, bomen, breedte en aantal (landbouw)uitwegen, etc.

2.4.1. Bermsloot

Het komt regelmatig voor dat er voor de aanleg van een uitweg een bermsloot gedempt moet worden. Deze sloot kan in beheer zijn en onder schouw staan van het waterschap Hunze en Aa’s. In dat geval dient de aanvrager van de omgevingsvergunning het aanleggen van een dam te melden bij het waterschap. In andere gevallen worden de volgende voorwaarden gehanteerd:

  • -

    Er moet een duiker worden toegepast met een diameter van minimaal Ø 300 mm, of, indien er bestaande duikers aanwezig zijn, minimaal van dezelfde diameter als die duikers;

  • -

    De duiker moet van beton of PVC zijn, verbindingen moeten waterdicht worden uitgevoerd;

  • -

    De zijkanten van de dam dienen opgezet te worden met stapelzoden onder een helling van 1:1.

2.4.2. Materiaalkeuze

Voor het gedeelte van de uitweg die door de gemeente wordt aangelegd geldt dat de gemeente bepaalt welke materialen worden toegepast. Deze keuze zal worden bepaald door de reeds aanwezige materialen en het straatbeeld in de directe omgeving van de aan te leggen uitweg. Indien meerdere uitwegen tegelijk worden aangelegd (bij een nieuwbouwproject of reconstructie van de weg) zullen bij alle uitwegen dezelfde materialen worden toegepast.

2.4.3. Kolken, lichtmasten, verkeersborden

In alle situaties kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen. Zo kan er een kolk liggen op de plek waar iemand een uitweg wil aanleggen, of kan er een verkeersbord of lichtmast in de berm staan. In voorkomende gevallen zal worden bekeken of de uitweg aangepast kan worden. Bij een kolk, verkeersbord of lichtmast kan gekozen worden voor het verplaatsen daarvan. De kosten hiervoor zullen bij de aanvrager van de omgevingsvergunning in rekening worden gebracht.

2.4.4. Bomen

Bij de bepaling van de plaats van de uitweg moet rekening worden gehouden met de plaats van bomen. Over het algemeen zal geen omgevingsvergunning worden verleend als het mogelijk is de uitweg op een andere manier aan te leggen. Hierbij kan worden gedacht aan het verschuiven van de uitweg, het beperken van de toegestane breedte van de uitweg of het aanbrengen van een bocht of knik in de uitweg. Indien een boom toch zou moeten worden gekapt, geldt een herplantplicht.

2.4.5. Breedte en aantal uitwegen

De maximaal toegestane breedte van een uitweg bij een woning is in principe 4 meter. Bij bedrijven is de maximaal toegestane breedte in principe 6 meter. Afhankelijk van de lokale situatie en de aard van de bedrijfsactiviteiten zal in overleg met de aanvrager de breedte worden bepaald: smaller kan altijd, een bredere uitweg kan worden toegestaan indien de situatie dit toelaat en hiervoor een aanleiding is. Er wordt in elk geval één uitweg per perceel toegestaan. Een tweede uitweg kan worden toegestaan indien de situatie dit toelaat en bijvoorbeeld de parkeermogelijkheden op straat door de aanleg van de uitweg niet te veel beperkt worden.

2.4.6. Landbouw uitwegen

Ook landbouwpercelen hebben een aansluiting op de openbare weg nodig. Hiervoor worden de bepalingen voor bedrijven gehanteerd. We willen zoveel mogelijk het groene karakter van de gemeente behouden. Om die reden zal er altijd vanuit worden gegaan om de uitweg zo smal mogelijk aan te leggen, maar voor een bedrijf moet de uitweg wel breed genoeg zijn om de bedrijfsactiviteiten te kunnen verrichten. Omdat de breedte op voorhand niet exact is vast te leggen, is maatwerk nodig met als uitgangspunt zo smal mogelijk en zoveel mogelijk groen overhouden.

3. Kosten aanleg uitweg

Uitgangspunt is dat de aanvrager van de omgevingsvergunning de kosten draagt die met de aanleg, aanpassing of verplaatsing van de uitweg zijn gemoeid inclusief de kosten voor het verplaatsen van eventuele lichtmasten, bomen (herplant), kolken, schakelkosten, etc. De aanleg van een uitweg is vaak maatwerk, zoals in hoofdstuk 2 is uitgelegd. Voor de verschillende situaties zullen verschillende tarieven gelden. Deze worden bepaald aan de hand van een raming c.q. offerte van de kosten voor de aanleg of aanpassing van de uitweg. Per uitweg zal aan de aanvrager een kostenraming worden overlegd. Dat is geen vaste aanneemsom, omdat in het werk nog onverwachte zaken kunnen worden tegengekomen die op voorhand niet konden worden begroot. De aanvrager van de omgevingsvergunning zal de kostenraming eerst aan de gemeente als voorschot moeten voldoen, voordat de gemeente opdracht geeft om de uitweg aan te leggen. Bij de realisatie van de uitweg worden de definitieve kosten bepaald en verrekend met het reeds betaalde voorschot op basis van de kostenraming.

De tarieven zijn opgebouwd uit twee onderdelen: het legesdeel, op basis van door de raad vastgestelde legesverordening (vast bedrag bij elke vergunning), en het deel ten behoeve van de aanleg van het openbare gedeelte van de uitweg (variabel, afhankelijk van de situatie). Indien van toepassing wordt vanwege bijzondere omstandigheden (verplaatsen kolk, lichtmast etc.) een extra bedrag in rekening gebracht.

4. Procedure

De eigenaar van een perceel kan een omgevingsvergunning aanvragen voor het maken of veranderen van een uitweg. Dit kan digitaal via het Omgevingsloket of door gebruik te maken van het aanvraagformulier omgevingsvergunning. Na ontvangst van de aanvraag, wordt de aanvraag binnen 8 weken behandeld. Indien er geen redenen zijn om de aanvraag te weigeren, wordt de omgevingsvergunning verleend. In uitzonderingsgevallen zal de aanvraag omgevingsvergunning aan het college van Burgemeester en Wethouders worden voorgelegd. De aanvrager ontvangt een kostenopgave voor de door of namens de gemeente uit te voeren werkzaamheden. Na ontvangst van de verschuldigde kosten, zullen de werkzaamheden binnen vier weken worden uitgevoerd. De verleende omgevingsvergunning wordt gepubliceerd in de Ter Apeler Courant, Het Streekblad en op Overheid.nl. Tegen deze beschikking kunnen belanghebbenden op grond van de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Het indienen van een bezwaarschrift heeft geen schorsende werking. Dit houdt in dat aanvrager vanaf de dag van ontvangst zijn vergunning kan gebruiken.

5. Handhaving

Het komt voor dat er een uitweg wordt aangelegd zonder dat hiervoor een vergunning is verleend. De gemeente kan hier handhavend tegen op treden. Na constatering van de overtreding wordt de volgende procedure gevolgd:

  • -

    de eigenaar van het perceel wordt schriftelijk ingelicht dat het volgens artikel 2.12 eerste lid APV verboden is om zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg;

  • -

    de eigenaar wordt in de gelegenheid gesteld alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen, waarbij de procedure wordt doorlopen zoals omschreven in hoofdstuk 4 van deze richtlijnen;

  • -

    indien de eigenaar hiertoe niet bereid is, dient de eigenaar de situatie weer in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Ook hiervan wordt de eigenaar van het perceel schriftelijk op de hoogte gebracht;

  • -

    indien hieraan niet binnen zes weken is voldaan, zal de oorspronkelijke situatie door of namens de gemeente worden hersteld op kosten van de eigenaar.