Gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland

Geldend van 19-09-2019 t/m heden

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Haarlem, Bloemendaal, Heemstede en Zandvoort.

gelezen het voorstel van 4 november 2015 van het Algemeen Bestuur tot wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling betreffende het werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland;

overwegende:

dat er sinds 1986 een gemeenschappelijke regeling betreffende het Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland bestaat;

dat de ‘Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en een aantal andere wetten in verband met de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur en de invoering van een bedrijfsvoeringsorganisatie met rechtspersoonlijkheid, alsmede regeling van diverse andere onderwerpen’ (Staatsblad 2014, 306) aanleiding vormt voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling;

dat de wijziging inhoudt dat het bestuur van de gemeenschappelijke regeling wordt ingericht als een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

dat de colleges van burgemeester en wethouders van hun gemeenteraden daartoe de vereiste toestemmingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben verkregen;

gelet op:

artikel 40 van de Gemeenschappelijke Regeling betreffende het werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland;

de Wet Sociale Werkvoorziening;

de Wet gemeenschappelijke regelingen;

besluiten:

de Gemeenschappelijke Regeling betreffende het werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland als volgt te vast te stellen:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    regeling: de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland;

  • b.

    bedrijfsvoeringsorganisatie: de rechtspersoonlijkheid bezittende bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 2 van de regeling;

  • c.

    deelnemende gemeente(n): een (de) aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeente(n);

  • d.

    raad/raden: de raad/raden van een of van de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten;

  • e.

    college(s): het (de) colleges van burgemeester en wethouders van een (de) deelnemende gemeenten;

  • f.

    vertegenwoordigende organen van de deelnemers: de colleges;

  • g.

    gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Noord-Holland;

  • h.

    personeel: personen, die een publiekrechtelijke dan wel een privaatrechtelijke arbeidsrelatie hebben met het openbaar lichaam;

  • i.

    werknemer: de krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening in dienst genomen persoon;

  • j.

    samenwerkingsgebied: het grondgebied van de deelnemende gemeenten;

  • k.

    werkvoorzieningsschap: het rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam, als bedoeld in artikel 2 van deze regeling.

HOOFDSTUK 2 DE BEDRIJFSVOERINGSORGANISATIE

Artikel 2 De bedrijfsvoeringsorganisatie
  • 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie genaamd “Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland”.

  • 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen en is gevestigd te Cruquius (gemeente Haarlemmermeer).

  • 3. Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemers.

Artikel 3 Belang van de regeling
  • 1. De gemeenschappelijke regeling is getroffen ter uitvoering en behartiging van de gemeenschappelijke en afzonderlijke belangen van de deelnemende gemeenten op het gebied van de sociale werkvoorziening.

  • 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie draagt gelet op de behartiging van de belangen zoals bedoeld in het eerste lid zorg voor een zo efficiënt en effectief mogelijke uitvoering van de bij of krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening opgedragen taken.

Artikel 4 Bevoegdheden
  • 1. Ter verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde belangen en in artikel 3 genoemde taken dragen de colleges hun bevoegdheden op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening en de daarmee samenhangende wetten en regelingen over aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, behoudens de beleidsmatige bevoegdheden die met de uitoefening van deze bevoegdheden verbonden zijn.

  • 2. De werkzaamheden worden nader geduid in dienstverleningsovereenkomsten.

  • 3. Aan het werkvoorzieningsschap worden geen verordenende bevoegdheden ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de uit deze wet voortvloeiende wettelijke voorschriften toegekend.

HOOFDSTUK 3 HET BESTUUR

Artikel 5 Samenstelling van het bestuur
  • 1. Aan het hoofd van het werkvoorzieningsschap staat een bestuur, te vormen uit de colleges.

  • 2. Het bestuur bestaat uit 5 leden, de voorzitter daarin begrepen.

  • 3. De colleges wijzen uit hun midden, de voorzitter daarin begrepen, ieder één lid aan. Het aangewezen collegelid kan zich laten vervangen door een ander lid van het college.

  • 4. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt van rechtswege, indien een lid ophoudt lid te zijn van het college dat hem heeft aangewezen.

  • 5. Indien tussentijds een plaats van een lid van het bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat, in zijn eerstvolgende vergadering, of zo dit niet mogelijk is, uiterlijk binnen drie maanden een nieuw lid aan.

  • 6. Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 7. Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het bestuur. Het lid houdt zitting in het bestuur totdat in de opvolging is voorzien conform het bepaalde in het vijfde lid.

Artikel 6 De voorzitter
  • 1. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris worden door en uit het bestuur benoemd.

  • 2. De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en leidt de vergaderingen van het bestuur.

  • 3. De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 4. De voorzitter vertegenwoordigt het werkvoorzieningsschap in en buiten rechte.

  • 5. Indien het college waarvan de voorzitter deel uitmaakt, partij is in een geding waarbij het werkvoorzieningsschap is betrokken, oefent de plaatsvervangend voorzitter met betrekking tot dat geding deze bevoegdheid uit. Indien ook de deelnemer van welks bestuur de plaatsvervangend voorzitter deel uitmaakt bij dat geding betrokken is, wordt een ander lid van het bestuur gemandateerd om het werkvoorzieningsschap met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen.

Artikel 7 Werkwijze van het bestuur
  • 1. Het bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het bestuur dit nodig oordeelt dan wel, wanneer tenminste drie leden zulks onder opgave van redenen schriftelijk verzoeken.

  • 2. Op de vergaderingen van het bestuur is het bepaalde in de artikelen 22 en 23 van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing.

  • 3. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd noch een besluit worden genomen over:

    • a.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen en reglementen;

    • b.

      de bezoldiging en de rechtspositie van het personeel;

    • c.

      de begroting en rekening van het werkvoorzieningsschap.

  • 4. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen over:

    • a.

      het doen van uitgaven, op de begroting niet voorkomende, of de daarop uitgetrokken posten te boven gaande en het aanwijzen van middelen ter dekking van zodanige uitgaven;

    • b.

      het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekening-courant-overeenkomsten;

    • c.

      het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van eigendommen van het werkvoorzieningsschap;

    • d.

      het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van eigendommen van het werkvoorzieningsschap;

    • e.

      het onderhands aanbesteden van werken en leveranties, voor zover die niet betrekking hebben op het aanvaarden van opdrachten of het verlenen van diensten, welke rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van het werkvoorzieningsschap.

  • 5. Het bestuur stelt met inachtneming van de bepalingen van deze regeling een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de deelnemers.

Artikel 8 Bijstand door directie en externe adviseurs
  • 1. In zijn vergaderingen laat het bestuur, behoudens bijzondere gevallen, zich bijstaan door de directie.

  • 2. Het bestuur kan zich laten bijstaan door drie externe onbezoldigde adviseurs, welke op voordracht van het bestuur worden benoemd.

Artikel 9 Stemverhouding
  • 1. In de vergadering van het bestuur heeft het lid vanuit Haarlem 4 stemmen, de leden uit Heemstede en Bloemendaal ieder 2 stemmen en het lid uit Zandvoort 1 stem.

  • 2. Het bestuur besluit met meerderheid van stemmen, behoudens het bepaalde in lid 4.

  • 3. Bij het staken van de stemmen wordt het nemen van het besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. In deze, en evenzo in een voltallige vergadering, wordt bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

  • 4. Voor het inhoudelijk wijzigen van het belang van de regeling ingevolge artikel 3 en/of de uitgangspunten voor de kostentoerekening ingevolge artikel 35 is geen meerderheid van stemmen, maar unanimiteit vereist.

Artikel 10

(Vervallen)

Artikel 11

(Vervallen)

Artikel 12

(Vervallen)

Artikel 13

(Vervallen)

Artikel 14

(Vervallen)

Artikel 15

(Vervallen)

Artikel 16

(Vervallen)

Artikel 17 Taken en bevoegdheden van het bestuur

Aan het bestuur behoren ondermeer volgende taken en bevoegdheden:

  • a.

    het vaststellen, wijzigen of intrekken van reglementen;

  • b.

    het vaststellen van de begroting en de begrotingswijzigingen en het vaststellen van de jaarrekening van het werkvoorzieningsschap, zulks met inachtneming van het bepaalde elders in deze regeling met betrekking tot de begroting en de rekening en verantwoording;

  • c.

    het vaststellen van de jaarlijks door de gemeenten te betalen bijdragen;

  • d.

    het op verzoek, hetzij uit eigen beweging, advies uitbrengen aan de deelnemende gemeenten over zaken betreffende het werkvoorzieningsschap;

  • e.

    het nemen van conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

  • f.

    het voeren van rechtsgedingen en het instellen van beroep;

  • g.

    het aanstellen of in dienst nemen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht dan wel het schorsen en ontslaan van personeel;

  • h.

    het vaststellen van instructies en uitvoeringsregels voor het personeel voor de uitoefening van aan hun opgedragen werkzaamheden;

  • i.

    het voorstaan van de belangen van de bedrijfsvoeringsorganisatie bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de bedrijfsvoeringsorganisatie van belang is;

  • j.

    het beheer van inkomsten/uitgaven en activa/passiva;

  • k.

    de zorg voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

  • l.

    het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten;

  • m.

    het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het werkvoorzieningsschap;

  • n.

    het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen;

  • o.

    het houden van toezicht op al wat de bedrijfsvoeringsorganisatie aangaat.

Artikel 17A

(Vervallen)

Artikel 18

(Vervallen)

Artikel 19

(Vervallen)

Artikel 20

(Vervallen)

Artikel 21 Verantwoording en informatieplicht bestuur
  • 1. De leden van het bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan de colleges, de gemeenteraden of aan de leden van de gemeenteraad verantwoording schuldig voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden, evenals gezamenlijk wat betreft het door hen gevoerde beleid.

  • 2. Het bestuur verstrekt aan de colleges, de gemeenteraden of aan leden van de gemeenteraad van de gemeenten, gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur uit te voeren en uitgevoerde werkzaamheden nodig is, alsmede alle overige inlichtingen waarom door één of meer leden van de colleges en gemeenteraden wordt verzocht.

  • 3. Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in strijd is met de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

  • 4. Een lid van het bestuur dat niet langer het vertrouwen geniet van het college dat hem heeft aangewezen, kan door dat college worden ontslagen. In dat geval draagt dat college er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een nieuw lid wordt aangewezen.

  • 5. Het bepaalde in de voorgaande leden is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22

(Vervallen)

Artikel 23

(Vervallen)

Artikel 24

(Vervallen)

HOOFDSTUK 4 PERSONELE ORGANISATIE WERKVOORZIENINGSSCHAP

Artikel 25 Directie
  • 1. Er is een directie, die leiding geeft aan de uitvoeringsorganisatie van het werkvoorzieningsschap.

  • 2. De directie is voor zijn leiding verantwoording verschuldigd aan het bestuur.

  • 3. Het bestuur stelt een directiestatuut vast.

Artikel 26 Personeel
  • 1. De directie wordt aangesteld door het bestuur.

  • 2. De controller wordt aangesteld door de directie.

  • 3. Het bij het werkvoorzieningsschap werkzame personeel wordt op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangesteld bij Personeel WZK BV en vervolgens bij het werkvoorzieningsschap gedetacheerd.

  • 4. Op het door het werkvoorzieningsschap aangestelde personeel dat op 25 augustus 2005 reeds in dienst was, is de ambtelijke rechtspositie van toepassing.

Artikel 27 Werknemers
  • 1. Op de werknemers is van toepassing de cao-wsw.

  • 2. De indienstneming en plaatsing van werknemers ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening geschiedt door het bestuur.

  • 3. Het bestuur kan zo nodig onder het stellen van voorwaarden, mits de uitvoering van het bij of krachtens de wet bepaalde hiervan geen bezwaren ondervindt, toestaan, dat naast werknemers ook werkzaam zijn:

    • a.

      personen, voor wie naar het oordeel van het bestuur zulks wenselijk is voor het behoud, het herstel of de bevordering van hun arbeidsgeschiktheid;

    • b.

      personen, ter observatie gedurende een bepaalde praktijkperiode.

Artikel 28 Werknemers vanuit niet deelnemende gemeenten

Ook niet aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten kunnen een verzoek doen om personen bij het werkvoorzieningsschap te plaatsen. De kosten van de plaatsing van deze personen komen naar de regelen, vervat in artikel 36, geheel voor rekening van de betreffende gemeenten.

HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 29 Financiële beheersverordening
  • 1. Het bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast.

  • 2. Het bestuur neemt daarbij de geldende wet- en regelgeving in acht, in het bijzonder op de terreinen rechtmatigheid, verantwoording en controle, zoals vastgelegd in de Gemeentewet en het Besluit Begroting en Verantwoording.

Artikel 30

(Vervallen)

Artikel 31 Garantstelling

De deelnemende gemeenten waarborgen de voldoening van rente, aflossing en kosten van de door het werkvoorzieningsschap te sluiten vaste geldleningen, alsmede van gelden die het werkvoorzieningsschap in rekening-courant opneemt, naar evenredigheid van de aantallen inwoners per 1 januari van dat jaar, voorafgaande aan het jaar waarin de overeenkomst voor de desbetreffende transactie wordt afgesloten.

Artikel 31A Algemene financiële en beleidsmatige kaders

Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 32 Begroting
  • 1. Het bestuur zendt jaarlijks vóór 15 april een ontwerpbegroting, voorzien van een toelichting, aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden kunnen bij het bestuur vóór 1 juli hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 2. Het bestuur stelt de begroting vóór 15 juli vast en zendt terstond afschriften aan de deelnemers.

  • 3. Het bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken vóór 1 augustus aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 33 Rekening en jaarverslag
  • 1. Het bestuur brengt jaarlijks aan de raden vóór 15 april een voorlopige jaarrekening uit met de daarbij behorende bescheiden en een berekening van de door de gemeenten te betalen bijdragen overeenkomstig artikel 35, en vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid van de baten en lasten ingesteld voor een daartoe overeenkomstig het bepaalde in de controleverordening aangewezen accountant.

  • 2. Het bestuur stelt de rekening en het jaarverslag vóór 15 juli vast. Het bestuur doet van de vaststelling mededeling aan de deelnemers.

  • 3. Het bestuur zendt de vastgestelde rekening en het jaarverslag vóór 15 juli aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 34

(Vervallen)

Artikel 35 Kostenverdeling
  • 1. De deelnemende gemeenten verbinden zich jaarlijks bij te dragen in:

    • a.

      de kosten ingevolge deze regeling aan het werkvoorzieningsschap overgedragen bestuurlijke bevoegdheden en verplichtingen;

    • b.

      het exploitatiesaldo van het werkvoorzieningsschap.

  • 2. De bestuurskosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, worden na aftrek van de onder het derde lid bedoelde bijdragen over de gemeenten verdeeld naar rato van de inwonertallen van de gemeenten per 1 januari van het betreffende jaar.

  • 3. De niet van het werkvoorzieningsschap deel uitmakende gemeenten, alsmede de instanties ten laste waarvan kosten van plaatsing zullen worden gebracht, worden naar regelen door het bestuur te bepalen eveneens voor een aandeel in de bestuurskosten, bedoeld in het eerste lid aanhef en onder a, belast.

  • 4. Het nadelig exploitatiesaldo van het werkvoorzieningsschap over een jaar, na aftrek van de door de gemeenten toegezegde bijdrage voor dat exploitatiejaar en de kosten van tewerkstelling van niet voor rijksbijdrage aan gemeenten in aanmerking komende plaatsen bedoeld in artikel 27, derde lid, wordt over de deelnemende en niet-deelnemende gemeenten verdeeld naar rato van de loonkosten of aantallen mandagen, naar keuze door het bestuur te bepalen, van de uit die gemeenten oorspronkelijk afkomstige werknemers.

    Extreme kosten samenhangend met het plaatsen van personen uit niet-deelnemende gemeenten zullen in rekening worden gebracht bij die gemeenten.

  • 5. Ten aanzien van de kosten, voortvloeiend uit de plaatsing van de in artikel 27, derde lid bedoelde personen, zal bij elke plaatsing worden bepaald welke instantie of gemeente en tot welke bedragen wordt bijgedragen.

  • 6. Aan een eventueel batig exploitatiesaldo wordt door het bestuur een bestemming gegeven in het belang van het werkvoorzieningsschap.

Artikel 36 Voorschotten
  • 1. Wanneer het bestuur zulks nodig oordeelt, verstrekken de deelnemende gemeenten voorschotten op de in artikel 37 geduide kosten.

  • 2. De niet aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten kunnen voor hun aandeel in bedoelde kosten bij voorschot worden belast.

Artikel 37 Berekening verschuldigde bijdragen
  • 1. Aan de hand van de ontwerprekeningen van het werkvoorzieningsschap zendt het bestuur aan de instanties en deelnemende gemeenten voor rekening waarvan de kosten van plaatsing dienen te komen, een berekening van de verschuldigde bijdragen.

  • 2. Naast de onder het eerste lid bedoelde bijdragen in de kosten van het werkvoorzieningsschap kunnen de daarin geduide instanties en gemeenten worden belast voor een aandeel in de bestuurskosten, naar de regelen bedoeld in artikel 35, derde lid.

  • 3. Uiterlijk 30 juni van het jaar volgende op het jaar waarop de ontwerprekening betrekking heeft vindt, onder aftrek van de eventueel ontvangen voorschotten, verrekening plaats.

Artikel 38 Duur van de regeling

Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

HOOFDSTUK 6 WIJZIGING, TOETREDING, UITTREDING EN OPHEFFING

Artikel 39 Toetreding en uittreding
  • 1. Toetreding door andere gemeenten vindt plaats, indien de colleges van twee derde der deelnemende gemeenten daarin bewilligen.

  • 2. Aan de toetreding kunnen door de deelnemende gemeenten voorwaarden worden verbonden.

  • 3. De toetreding gaat in op 1 januari van het jaar, volgende op dat waarin de voor de toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden.

  • 4. Een deelnemende gemeente kan uittreden, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

  • 5. De uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van de dag waarop de nieuwe zittingsperiode van het bestuur aanvangt.

  • 6. Het bestuur regelt de financiële gevolgen alsmede de overige gevolgen van de toetreding en uittreding.

Artikel 40 Wijziging of aanvulling
  • 1. De regeling kan worden gewijzigd indien tenminste twee derde van de colleges daartoe besluiten. Een voorstel hiertoe kan uitgaan van het bestuur en/of van één of meer van de colleges.

  • 2. Indien het voorstel uitgaat van het bestuur, zendt het dit aan de colleges, die binnen twee maanden na ontvangst daarvan een besluit nemen en dit terstond aan het bestuur mededelen.

  • 3. Indien het voorstel uitgaat van één of meer deelnemende gemeente(n) zendt respectievelijk zenden, deze gemeente(n) het voorstel aan het bestuur.

  • 4. Het bestuur doet het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen drie maanden aan de colleges toekomen, die binnen twee maanden na ontvangst daarvan een besluit nemen en dit terstond aan het bestuur mededelen.

  • 5. Het bestuur geeft de colleges kennis van de door hem genomen besluiten tot aanvaarden, verwerpen, goedkeuren respectievelijk niet goedkeuren van de in dit artikel bedoelde voorstellen respectievelijk besluiten.

  • 6. Een wijziging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de goedkeuring van die wijziging is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 26 derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 41 Opheffing en liquidatie
  • 1. Indien tenminste tweederde van de gemeenten tot opheffing van deze regeling besluit, gaat het bestuur terstond tot liquidatie van het werkvoorzieningsschap over.

  • 2. Het bestuur bepaalt het aandeel van elke gemeente in het saldo van de liquidatierekening en houdt daarbij rekening met het bedrag, dat door iedere deelnemende gemeente gedurende de laatste drie jaren in de kosten van het werkvoorzieningsschap is bijgedragen. Ten aanzien van de liquidatierekening is het bepaalde in artikel 35 en 37 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Binnen vier weken wordt aan de raden van de vaststelling van de liquidatierekening mededeling gedaan. Tegelijk wordt een verslag van liquidatie c.q. een opgave van het bedrag, dat elke deelnemende gemeente uit het eindsaldo zal ontvangen c.q. in het eindsaldo zal bijdragen, toegezonden. De afrekening hiervan vindt plaats binnen 3 maanden na ontvangst van deze stukken door de deelnemende gemeente.

HOOFDSTUK 7 OVERIGE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 42 Toezendplichtige gemeente

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem draagt zorg voor de toezending van deze regeling en van de besluiten tot toe- en uittreding, wijziging of opheffing aan gedeputeerde staten.

Artikel 42a Bekendmaking regeling

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem draagt zorg voor de bekendmaking van de regeling en van de besluiten tot toe- en uittreding, wijziging of opheffing door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant.

Artikel 43 Beheer van de archiefbescheiden

Ten aanzien van de zorg van de archiefbescheiden van de organen van de regeling alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer zijn de voorschriften van de gemeente Haarlem van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44 Geschillen
  • 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen de beslissing van gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, kunnen partijen het geschil voorleggen aan een daartoe door hen in te stellen en nader te regelen geschillencommissie.

  • 2. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen en brengt advies uit over de mogelijkheid partijen tot overeenstemming te brengen.

Artikel 45

(Vervallen)

Artikel 46 Inwerkingtreding van de regeling

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.