Reintegratieverordening Wet werk en bijstand 2009 gemeente Kerkrade

Geldend van 01-01-2009 t/m 01-03-2013

Intitulé

REINTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE KERKRADE 2009

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen
  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    a. de Wet: de Wet werk en bijstand;

    b. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    c. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    d. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ;

    e. WI: Wet Inburgering

    f. Wsw: Wet sociale werkvoorziening;

    g. Anw: Algemene nabestaandenwet;

    h. bijstandsgerechtigde: de persoon die op grond van de Wet bijstand ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

    i. uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, op grond van de Ioaw, Ioaz, Bbz of Anw;

    j. niet-uitkeringsgerechtigde; de persoon zoals bedoeld in artikel 6, onder a, van de Wet;

    k. jongere: de bijstandsgerechtigde, uitkeringsgerechtigde, dan wel niet-uitkeringsgerechtigde, tot de leeftijd van 23 jaar;

    l. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de echtgenoten verstaan;

    m. arbeidsplicht: de plicht van belanghebbenden van 18 tot 65 jaar om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden;

    n. reïntegratieplicht: de plicht van belanghebbenden van 18 tot 65 jaar, gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, alsmede de plicht om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, zolang betaalde arbeid nog niet aan de orde is;

    o. voorziening gericht op arbeidsinschakeling: activiteiten die het College uitvoert of doet uitvoeren om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerde arbeid te helpen. Indien naar het oordeel van het College belanghebbende in staat is om op eigen kracht arbeid te vinden, is er geen sprake van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling;

    p. datum aanbod : De datum waarop de gemeente aan belanghebbende, voor het eerst de meldingsdatum zoals bedoeld in artikel 44, tweede lid WWB, of na definitieve beeindiging van een eerder reintegratietraject, het voorstel doet om een of meerdere specifiek benoemde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten dan wel een reeds buiten toedoen van de gemeente nodig geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling die inmiddels gestart is, voort te zetten;

    q. reïntegratietraject: de periode waarin één of meer voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, dan wel voorzieningen gericht op sociale activering, na de datum aanbod gelijktijdig of opeenvolgend worden ingezet. Begindatum van dat traject is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Een traject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd.

    r. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige participatie;

    s. klantprofiel: omschrijving van de eigenschappen en kenmerken van een belanghebbende of groep belanghebbenden. De omschrijving bevat kenmerken die bepalend geacht worden voor de reïntegratiemogelijkheden en arbeidsmarktkansen van een belanghebbende;

    t. reïntegratiebedrijf: een conform de vigerende aan- en uitbestedingsregels ingeleende instelling die in opdracht van het College een of meerdere delen van een reïntegratietraject uitvoert en begeleidt;

    u. algemeen geaccepteerde arbeid: elke vorm van al dan niet gesubsidieerde maatschappelijk aanvaarde arbeid, behoudens werkzaamheden ingevolge de Wsw en werkzaamheden die ingaan tegen de integriteit van de persoon. Er kunnen door belanghebbende geen nadere eisen worden gesteld aan regulier werk ten aanzien van de aard, de omvang en de beloning;

    v. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van een reguliere werkbetrekking waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet;

    w. het College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade;

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen inzake de gemeentelijke reïntegratieplicht

Artikel 2 Gemeentelijke reïntegratieplicht
  • 1. Het College ondersteunt personen, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, personen met een uitkering ingevolge de Ioaw, Ioaz of Anw alsmede personen als bedoeld in art. 6, onder a, van de Wet, bij de arbeidsinschakeling, indien naar het oordeel van het College een aanbod van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor deze personen noodzakelijk is. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing. Het college werkt bij de uitvoering van dit eerste lid, samen met de Centrale organisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 2. Uitgesloten van deze voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling zijn:

    a. personen met een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, tenzij het College en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen overeen komen dat de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling wel van toepassing zijn;

    b. personen die aanspraak kunnen maken op een voorliggende reïntegratievoorziening;

    c. personen met een inkomen hoger dan 150 procent van het wettelijk minimum loon;

    d. personen wier voor werkzaamheden beschikbare tijd voor tenminste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding die door het College in het kader van een reïntegratietraject dan wel ingevolge de Wet Inburgering als noodzakelijk wordt aangemerkt.

  • 3. Indien het College het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, biedt het College die voorziening aan.

  • 4. Het College gaat uit van een sluitende aanpak, waarmee bedoeld wordt dat iedere klant binnen twaalf maanden na de datum van inschrijving als werkzoekende een op belanghebbende toegesneden reintegratietraject krijgt aangeboden.

Artikel 3 Indeling van klanten
  • 1. Klanten worden ingedeeld naar klantprofiel, met daarbij behorende aard van voorzieningen en einddoelen.

  • 2. Het College stelt nadere regels over de inhoud van de klantprofielen en de bijbehorende soorten van aan te bieden voorzieningen.

Artikel 4 Voorzieningen
  • 1. Onder de voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening worden verstaan de voorzieningen zoals omschreven in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening.

  • 2. De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 14 worden aangeboden in het kader van een reïntegratietraject.

  • 3. Het College kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit wetgeving, aan de toekenning van een voorziening nadere verplichtingen verbinden.

  • 4. Het College kan een voorziening beëindigen, indien:

    a. de persoon die aan de voorziening deelneemt de wettelijke verplichtingen en de aan de in het eerste lid bedoelde voorzieningen verbonden verplichtingen niet nakomt;

    b. de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van deze verordening;

    c. de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling;

    d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan snelle of effectieve arbeidsinschakeling.

  • 5. Het College kan nadere regels stellen met betrekking tot de beoordeling, toekenning, beëindiging, weigering, voorwaarden, betaling en financiering van voorzieningen en flankerende voorzieningen op grond van deze verordening, met inachtneming van hetgeen in de Wet, de Ioaw, en de Ioaz en in deze verordening is bepaald.

  • 6. Een voorziening wordt in elk geval geweigerd door het College in de situatie dat een persoon met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of een niet-uitkeringsgerechtigde een eerder reïntegratietraject verwijtbaar heeft onderbroken.

  • 7. Het College kan buiten de in de artikelen 5 tot en met 14 bedoelde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling nog andere voorzieningen aanbieden.

Hoofdstuk 3 Specifieke voorzieningen

Artikel 5 Voorzieningen uitgevoerd door Reïntegratiebedrijven
  • 1. Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden in opdracht van het College uitgevoerd door de reïntegratiebedrijven of instellingen die naar aard en strekking als reintegratiebedrijf aangemerkt kunnen worden, waaronder begrepen de bedrijven en instellingen die een of meerdere onderzoeken verrichten naar de arbeidsgeschiktheid van belanghebbende.

  • 2. Voor zover de Wet, de Ioaw of de Ioaz daartoe de mogelijkheid bieden, kunnen de voorzieningen op een andere wijze dan in het eerste lid aangegeven worden uitgevoerd.

Artikel 6 Gesubsidieerde arbeid
  • 1. Gesubsidieerde arbeid als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit In- en Doorstroombanen wordt als voorziening niet aangeboden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijven werknemers die op 1 januari 2004 als deelnemer gebruik maakten van de in het eerste lid bedoelde regelingen geplaatst op die vorm van gesubsidieerde arbeid, voor zolang het College dit noodzakelijk acht.

  • 3. Het tweede lid laat onverlet dat het College blijft bevorderen uitstroom uit die vorm van gesubsidieerde arbeid te realiseren, waarbij de deelnemer verplicht is andere arbeid of een ander voorziening te aanvaarden.

  • 4. Voor zover van toepassing, worden dienstbetrekkingen op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden gecontinueerd via een constructie van detachering bij werkgever met inleenvergoeding.

Artikel 7 Werken met behoud van uitkering
  • 1. Het College kan belanghebbende een participatieplaats aanbieden onder volledig behoud van de bijstandsuitkering.

  • 2. Deze participatieplaats duurt ingevolge artikel 10a van de Wet maximaal 24 maanden .

  • 3. Onverkort de bepalingen van artikel 7 WWB en artikel 10a WWB, artikel 38 IOAW en artikel 38 IOAZ, stelt het College nadere regels inzake werken met behoud van uitkering.

Artikel 8 Werkstage
  • 1. Het College kan belanghebbende een werkstage gericht op arbeidsinschakeling laten volgen onder volledig behoud van de bijstandsuitkering.

  • 2. Deze werkstage duurt maximaal 6 maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal 6 maanden.

  • 3. Het College stelt nadere regels inzake het volgen van een werkstage.

Artikel 9 Scholing en opleiding
  • 1. Het College kan belanghebbende als voorziening voor de arbeidsinschakeling noodzakelijke geachte scholing en training aanbieden.

  • 2. Het College stelt nadere regels inzake scholing en opleiding.

Artikel 10 Persoonsgebonden budget
  • 1. Het College kan aan belanghebbende een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aanbieden in de vorm van een persoonsgebonden reïntegratiebudget.

  • 2. Onder een persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt verstaan een individuele financiele bijdrage ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten voor werkzaamheden en activiteiten die zijn gericht op arbeidsinschakeling.

  • 3. Het College stelt nadere regels inzake het verstrekken van een persoonsgebonden budget.

Artikel 11 Kinderopvang
  • 1. Indien de vergoedingen op basis van de Wet kinderopvang ontoereikend zijn kan het college vanuit het werkdeel Wwb een aanvullende tegemoetkoming verstrekken.

  • 2. Het verzoek voor de aanvullende tegemoetkoming kan alleen worden gedaan door een alleenstaande ouder, voor kinderen tot twaalf jaar.

Artikel 12 Premies en vrijlating
  • 1. Het college verstrekt de volgende premies aan de belanghebbende,

    a. Een premie bij werkaanvaarding voor minimaal 6 maanden, waarbij geen sprake is van de inzet van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en waarbij sprake is van volledige uitkerings-onafhankelijkheid.

    b. Een premie bij werkaanvaarding voor minimaal 6 maanden, waarbij sprake is van de inzet van loonkostensubsidie en waarbij sprake is van volledige uitkeringsonafhankelijkheid.

    c. Een premie voor het verrichten van vrijwilligerswerk gericht op sociale activering, waarvoor niet reeds een kostenvergoeding of deelnemersvergoeding verstrekt wordt.

    d. Een premie bij het succesvol afsluiten van een scholing of opleiding waarbij sprake is van een baangarantie.

    e. Een vrijlating van inkomsten kan voor de duur van zes maanden bij of krachtens de wet, de Ioaw en de Ioaz worden toegepast indien de werkzaamheden waarvoor die inkomsten worden verkregen, naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling en belanghebbende reeds algemene bijstand ontvangt. Aansluitend op deze vrijlating kan het college een premie verstrekken aan alleenstaande ouders met deeltijdse arbeid tot het moment waarop het jongste kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt.

  • 2. Het college stelt nadere regels over de voorwaarden en hoogte van de in de onderdelen a tot en met e genoemde premies.

Artikel 13 Specifieke kostenvergoeding

Het College kan nadere regels stellen inzake de vergoeding van bijzondere kosten die gemaakt worden in het kader van de arbeidsinschakeling en die buiten het bereik van de voorzieningen als bedoeld in deze verordening vallen.

Artikel 14 Loonkostensubsidies
  • 1. Een loonkostensubsidie kan door de gemeente aan een werkgever worden verstrekt wanneer die werkgever een persoon in dienst neemt uit de gemeentelijke reintegratiedoelgroep.

  • 2. De loonkostensubsidie wordt verstrekt op aanvraag.

  • 3. Onder loonkosten wordt in deze verordening verstaan de volgende bestanddelen die daadwerkelijk door de onderneming moeten worden betaald met betrekking tot de betrokken arbeidsplaatsen: het brutoloon, vóór belasting, en de verplichte sociale zekerheidsbijdragen;

  • 4. Het college stelt nadere regels inzake de aanvaag, vaststelling, aard, hoogte en duur van de loonkostensubsidie.

Hoofdstuk 5 Rechten en plichten voor de klant

Artikel 15 Aanspraak op reïntegratie
  • 1. De personen bedoeld in artikel 2, hebben aanspraak op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het College noodzakelijk geachte voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening.

  • 2. Op aanvragen voor een voorziening beslist het College binnen dertien weken.

  • 3. Het College kan de termijn bedoeld in het tweede lid verlengen met ten hoogste dertien weken. Van de verlenging doet het College mededeling aan de aanvrager.

Artikel 16 Verplichtingen voor de klant
  • 1. Een belanghebbende die door het College een voorziening zoals bedoeld in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening aangeboden krijgt, is verplicht hiervan gebruik te maken.

  • 2. De belanghebbende die deelneemt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur uitvoering werk en inkomen, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.

  • 3. Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, gelden voor een belanghebbende zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening, de volgende verplichtingen:

    a. het zich als werkzoekende doen inschrijven bij het Centru voor Werk en Inkomen , dan wel de inschrijving tijdig doen verlengen;

    b. het naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

    c. het in voldoende mate meewerken aan een onderzoek, uitgevoerd door de gemeente, voor de vaststelling van de noodzaak voor ondersteuning door middel van een reintegratietraject;

    d. alles na te laten hetgeen inschakeling naar algemeen geaccepteerde arbeid belemmert;

    e. het in voldoende mate meewerken aan een reintegratietraject en / of aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering;

    f. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;

    g. het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • 4. Het College stemt de verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en beperkingen van de belanghebbende.

  • 5. Indien een bijstandgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het College de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2008, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet.

  • 6. Indien een persoon met een uitkering in gevolge de Ioaw of Ioaz niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan een maatregel of boete worden opgelegd, met inachtneming van de artikelen 20 tot en met 20f van de Ioaw en de artikelen 20 tot en met 20f Ioaz.

  • 7. Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een uitkeringsgerechtigde met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het college de kosten van de voorziening of specifieke kostenvergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

Artikel 17 Opleggen reïntegratieverplichting
  • 1. Het College legt in beginsel aan alle personen jonger dan 65 jaar, met een uitkering ingevolge de Wet, de Ioaw of Ioaz, ten behoeve van de arbeidsinschakeling de reïntegratieverplichting op.

  • 2. Het College ziet af van de verplichting in de volgende gevallen: a. in geval van alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar kan het College een belastbaarheidsonderzoek instellen. De reintegratieverplichting wordt daar op afgestemd. b. indien de reisafstand voor deelname aan een traject dan wel het aanvaarden van een aangeboden dienstbetrekking groter is dan 50 kilometer, gerekend van woonplaats tot plaats van bestemming; c. in geval van dringende reden.

  • 3. Van dringende reden als bedoeld in het vorige lid is sprake: a. indien sprake is van zodanige objectieve medische / psychische beperkingen, in opdracht van het college vast te stellen door daartoe bevoegde derden-deskundigen, waardoor beschikbaarstelling niet meer mogelijk is en betrokkene niet in staat is om arbeid te verrichten; b. in de situatie van alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar waar geen passende kinderopvang geboden kan worden, echter slechts voor de duur dat die situatie voortduurt.

  • 4. Het College kan nader regels stellen over de duur van de vrijstelling van de reïntegratieverplichting.

  • 5. Ingeval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, kan het College een belastbaarheidsonderzoek instellen. De reintegratieverplichting wordt daar op afgestemd.

Hoofdstuk 6 Financieel beheer

Artikel 18 Budgetplafond
  • 1. Het College stelt jaarlijks een budgetplafond vast voor de financiering van de in deze verordening geregelde voorzieningen en flankerende voorzieningen.

  • 2. Een verzoek voor of handhaving van een concrete voorziening of flankerende voorziening kan niet enkel worden afgewezen op het bereiken van het budgetplafond.

  • 3. Het College stelt nadere regels over de hoogte en de verdeling van de beschikbare middelen.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 19 Hardheidsclausule

Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze bepalingen tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 20 Restbepaling

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het College.

Artikel 21 Overgangsbepalingen

Het College neemt in het kader van het overgangsrecht de bepalingen van de Invoeringswet Wet werk en bijstand in acht.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009

Artikel 23 Citeerartikel

Deze verordening kan worden aangehaald als “ Reïntegratieverordening Werk en bijstand 2009 ”.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare raadsvergadering van 17 december 2008.
De Voorzitter, De plv. Griffier,
J.J.M. Som drs. J. Schrijnemaekers

Nota-toelichting Algemene toelichting

Werk boven inkomen.

Het uitgangspunt van werk boven inkomen staat centraal in de WWB, althans ten aanzien van personen jonger dan 65 jaar. Alle inspanningen van betrokkene en de gemeente dienen derhalve te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Onder arbeidsinschakeling verstaat de WWB: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden (zie artikel 6, onderdeel b, WWB, artikel 9, lid 1 onderdeel a, WWB en TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 4). Met deze laatste beperking heeft de wetgever aangegeven dat gesubsidieerde arbeid, als voorziening in het kader van de WWB, weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar geen einddoel kan en mag zijn. Door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, verwacht de wetgever te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Het college dient uiteraard wel te letten op de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Dienaangaande is het uitgangspunt van de WWB ook niet meer, zoals in de uitvoering van de Abw te doen gebruikelijk was, de belemmeringen als vertrekpunt te nemen, maar de mogelijkheden van de betrokken persoon. Een diagnostische voorziening is derhalve niet gericht op de belemmeringen maar op de mogelijkheden van belanghebbende. Het geheel van activiteiten dat (uiteindelijk) leidt tot arbeidsinschakeling van een belanghebbende wordt reïntegratie genoemd. De WWB stelt het college daarvoor mede verantwoordelijk door de opdracht om een belanghebbende bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen (artikel 7, lid 1 onderdeel a, WWB). Daarbij worden een of meerdere voorziening aangeboden indien dit naar het oordeel van het college nodig is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat het college de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid als daarmee voor betrokkene de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 5).

Voor een belanghebbende die bijstand ontvangt, is reïntegratie een plicht die aan het recht op bijstand is verbonden. Zowel bij het toekennen van rechten als bij het opleggen van verplichtingen speelt het leveren van maatwerk een primaire rol. De wetgever heeft gemeenten hierin derhalve veel beleidsruimte gegeven met de bedoeling een grotere snelheid van het reïntegratieproces te bewerkstelligen.

Maatwerk bij het opleggen van verplichtingen acht de wetgever vooral van belang bij een aantal specifieke groepen. Zo wordt de integratie van allochtonen niet alleen bevorderd door deelname aan een reïntegratietraject maar ook door het beter leren beheersen van de Nederlandse taal. Dat vergroot ook de kansen van hun kinderen op een goede participatie in de Nederlandse samenleving.

Maatwerk is eveneens van belang voor de groep alleenstaande ouders. Daarmee wordt zo goed mogelijk voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te lange afwezigheid uit het arbeidsproces. Vanuit het oogpunt van een verantwoorde zorg voor de kinderen moeten gemeenten er wel voor zorgen dat er adequate voorzieningen worden aangeboden die een combinatie mogelijk maken van betaalde arbeid en zorg voor de kinderen. Deze voorzieningen hebben betrekking op toereikende kinderopvang en op de eisen die aan regulier werk worden gesteld, zoals reistijd en werktijden (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 5).

De verantwoordelijkheden van belanghebbende en college voor arbeidsinschakeling en reïntegratie vragen om een heldere formulering van rechten en plichten van belanghebbende. De gemeenteraad moet op grond van artikel 8, lid 1 onderdeel a, WWB bij verordening regels stellen met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het reïntegratiebeleid dient evenwichtig te zijn, zodat alle groepen met specifieke kenmerken daarin worden betrokken. In artikel 77 lid 1 WWB wordt de controlerende taak van de gemeenteraad op de uitvoering door het college van zijn reïntegratietaak sterk benadrukt, doordat de gemeenteraad het verslag over de uitvoering eerst vaststelt alvorens dit aan de Minister, die belast is met het oordeel over de uitvoering door het college geeft, te zenden.

De Wwb stelt derhalve het primaat bij de eigen verantwoordelijkheid van de burger om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan door middel van arbeid. Pas als mensen niet in staat blijken te zijn in het eigen bestaan te voorzien hebben zij aanspraak op ondersteuning door de gemeente. De gemeente heeft als tegenhanger van de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende de verplichting ondersteuning aan te bieden. De gemeente heeft daartoe de volledige verantwoordelijkheid, de middelen en ruimte.

Met het oog op de handhaving van rechten en verplichtingen dient deze verordening in onlosmakelijke samenhang met de afstemmingsverordening gelezen te worden.

Ioaw en Ioaz

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers IOAW), en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), worden niet ingetrokken. De artikelen uit de Wwb die zien op reïntegratie zijn geïntegreerd in deze wetten, door wijziging via de Invoeringswet Wet werk en bijstand. Op grond van de artikel 35 Ioaw en art. 35 Ioaz dient in het kader van deze wetten een reïntegratieverordening te worden opgesteld. De inhoudelijke basis voor de verordening is ook met betrekking tot de Ioaw en de Ioaz de hiervoor genoemde nota Reïntegratiebeleid Werk en Bijstand.

Gemeentelijke verantwoordelijkheid.

De gemeente draagt een algemene zorg voor de reïntegratie van Wwb-ers, Niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers De gemeente dient, mede met behulp van een gedegen diagnose, te beoordelen of belanghebbende op eigen kracht in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of daarbij ondersteuning nodig heeft. Wanneer belanghebbende ondersteuning nodig blijkt te hebben, dan is de gemeente verantwoordelijk voor het leveren daarvan. Voorzieningen die de gemeente in deze kan aanbieden zijn scholing, activering, loonkostensubsidies, stages, premies, kinderopvang, sociale activering en gesubsidieerde arbeid. Aan de vormgeving en de mate waarin deze voorzieningen worden ingezet stelt de wet geen eisen. Hierdoor kan de gemeente de ondersteuning optimaal afstemmen op andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg en onderwijs, en op de lokale arbeidsmarkt. Ook krijgt de gemeente ruimere mogelijkheden om personen met medische belemmeringen en/of meervoudige problemen een passend aanbod te doen, zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen. De gemeenten in Parkstad voeren geen specifiek doelgroepenbeleid. Dat is ook niet nodig omdat, uitgaande van een sluitende aanpak voor iedere klant, voor iedere klant een traject wordt gemaakt richting arbeidsmarkt.

Algemeen geaccepteerde arbeid.

Centraal in de Wwb staat het uitgangspunt van werk boven inkomen. De introductie van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid in plaats van passende arbeid beoogt dit uitgangspunt sterker te benadrukken. Alle inspanningen van belanghebbende en de gemeente dienen te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Hieronder wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a Wwb. Gesubsidieerde arbeid is, als voorziening in het kader van de wet, in deze opvatting weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar kan geen einddoel zijn en valt derhalve niet onder het begrip (duurzame) arbeidsinschakeling. Gesubsidieerde arbeid wordt dus beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid; dit geldt niet voor de Wsw-dienstbetrekking. Hierbij dient aangetekend te worden, dat daarbij recht moet worden gedaan aan het vrijwillig karakter van de Wsw. Dit houdt in dat een indicatiestelling wel verplicht kan worden gesteld, maar dat de klant niet verplicht kan worden om het indicatieadvies te volgen.

Het reïntegratietraject is, vanuit de optiek van de gemeente in de rol van procesbewaker, het geheel van één of meer voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, dan wel voorzieningen gericht op sociale activering, die gelijktijdig of opeenvolgend worden ingezet. Begindatum van de reintegratie is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Het reintegratietraject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd. De Wwb stelt het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk door de klant bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen. Daarbij worden een of meerdere voorzieningen aangeboden indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat de gemeente de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid wanneer daarmee voor belanghebbende de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot. Onder duurzaamheid wordt hierbij verstaan ten minste een half jaar een reguliere baan vervullen en hierdoor een (volledige) uitkeringsonafhankelijkheid bereikt.

Ontheffingen.

Voor personen tussen 18 en 65 jaar, wordt het niet wenselijk geacht om groepen uit te sluiten van reïntegratie; iedereen heeft immers mogelijkheden en talenten. Categoriale ontheffingen zijn dan ook niet meer toegestaan. Wel kan het college van burgemeester en wethouders in individuele gevallen om dringende redenen afzien van het opleggen van reïntegratieverplichtingen, voor zover en voor zolang reïntegratie in redelijkheid niet mogelijk is. Zorgtaken kunnen hierbij als dringende reden worden aangemerkt voor zover met deze taken geen rekening kan worden gehouden in het kader van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb. De gemeente houdt hierbij rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie arbeid en zorg en dient ook voorzieningen ter beschikking te stellen die deze combinatie mogelijk maken. Voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan sociale activering een eerste stap zijn. Deelname aan deze activiteiten is derhalve geen grond om tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen. Anderzijds geldt echter ook, dat de verplichtingen afgestemd moeten worden op de mogelijkheden om eventueel pas op termijn uit te stromen naar regulier werk. Eventuele belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen door het aanbieden van voorzieningen. Bij uitzondering kunnen zich tijdelijk echter situaties voordoen waarbij ook dit niet mogelijk is. Het college van burgemeester en wethouders dient dan de op te leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de betrokkene wel nog heeft. Medische belemmeringen zijn als zodanig geen aanleiding voor een ontheffing. Om een juiste, individuele beoordeling te garanderen dient het college gebruik te maken van adviezen van extern deskundigen, zoals het CWI, gespecialiseerde reïntegratiebedrijven, Wsw-indicatiecommissie etcetera.

Aanspraak van belanghebbende.

Naast de verantwoordelijkheid van de gemeente om voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan te bieden, heeft de belanghebbende een aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie. Het gaat daarbij niet om een recht op een specifieke voorziening, maar om het recht om door de gemeente geholpen te worden bij de reïntegratie. Zo´n aanspraak stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende voor zijn reïntegratie en kan ertoe bijdragen dat gemeenten dat niet ten onrechte negeren of over het hoofd zien bij het aanbieden van voorzieningen. Het is aan de gemeente om te beoordelen op welke wijze het verzoek van de belanghebbende wordt gehonoreerd. De gemeente bepaalt op de eerste plaats of ondersteuning richting arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Zij doet dit mede op basis van diagnose-adviezen van het CWI of andere derden-deskundigen. Vervolgens moet de gemeente in samenwerking met de ketenpartners bepalen uit welke elementen deze ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, mede gelet op de beschikbare financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar reïntegratiebeleid. Van belang bij de uiteindelijke keuze voor een traject is een actieve opstelling van de belanghebbende in de contacten met de klantmanager en met het reïntegratiebedrijf. Belanghebbenden die hun eigen traject mee kunnen samenstellen zijn meestal gemotiveerd. Inspelen op persoonlijke voorkeur en persoonlijke aandacht zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde reïntegratie. De ideeën en voorstellen van de belanghebbende worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een (op termijn) duurzame arbeidsinschakeling. De aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie geldt ook voor personen aan wie de gemeente tijdelijk een ontheffing heeft verleend. Het kan immers voorkomen dat de belanghebbende van mening is dat de situatie is veranderd en dat toeleiding naar de arbeidsmarkt weer aan de orde is. Wanneer bijstand aan gehuwden wordt verleend geldt de aanspraak op een voorziening voor beide partners. Ook geldt de aanspraak voor personen die op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb werkzaam zijn in gesubsidieerde arbeid.

Wanneer het college van burgemeester en wethouders een aanspraak op ondersteuning afwijst, zal dit met redenen omkleed moeten gebeuren. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open. Het college van burgemeester en wethouders moet bij het besluit op deze aanvraag maatwerk leveren. Dat geldt voor alle doelgroepen en categorieën die de gemeente op een evenwichtige wijze moet bedienen. Diverse aspecten maken deel uit van die individuele afweging zoals de individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, de noodzaak van een traject, de beoordeling van het diagnose-advies, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van de gemeentelijke verordening. De gemeente moet dus naar aanleiding van een aanspraak altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil of kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen alleen is onvoldoende als afwijzingsgrond. Een alternatief aanbod zou immers mogelijk kunnen zijn. Aan de andere kant is het uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.

Niet-uitkeringsgerechtigden (Nug-ers) en Anw-gerechtigden. Gemeenten hebben sinds 1 januari 2002 de taak om ook niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), indien nodig, een reintegratietraject aan te bieden. Deze taak vloeit voort uit het algemeen belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie als voorwaarde voor een economisch gunstige ontwikkeling. In de Wwb is derhalve uitdrukkelijk de taak voor de gemeente opgenomen om ook te voorzien in voorzieningen voor deze beide doelgroepen. Van de andere kant hebben deze doelgroepen eveneens een aanspraak op reïntegratie. Ook hierbij geldt dat het gaat om een voorziening die via de kortste weg leidt naar duurzame arbeidsparticipatie.

Sluitende aanpak

Ter voorkoming van langdurige werkloosheid zijn binnen de EU richtsnoeren opgesteld. Het betreft de afspraak om te realiseren dat alle nieuwe werklozen binnen één jaar (jongeren binnen zes maanden) een reintegratietraject wordt aangeboden. De sluitende aanpak wordt niet dwingend voorgeschreven in de Wwb; doordat de wet condities en mogelijkheden creëert voor gemeenten meent het Kabinet dat het niet nodig is een sluitende aanpak wettelijk vast te leggen. De gemeente heeft door haar financiële verantwoordelijkheid, in met name het Inkomensdeel, al het belang om iedereen een aanbod te doen. De schadelast van het jarenlang in de uitkering laten zitten van klanten kan aanzienlijk oplopen. Daarbij heeft de gemeente door de verruimde beleidsvrijheid en het vrije reïntegratiebudget de mogelijkheid iedere klant een reintegratietraject op maat aan te bieden. Voor jongeren geldt het nog sterker dat het voor de gemeente loont om op korte termijn een aanbod te doen. Jongeren zonder werkervaring zijn een gevoelige groep die in een vroeg stadium een aanbod moeten krijgen. Hiermee wordt voorkomen dat zij langdurig in een uitkeringssituatie terechtkomen en hieraan wennen. Hierbij kan gekozen worden voor duale trajecten om werken te combineren met het behalen van een startkwalificatie.

De gemeente handhaaft dus de sluitende aanpak van het bestand van werkloze werkzoekende uitkeringsgerechtigden. Dit betekent dat iedere uitkeringsgerechtigde die nieuw instroomt als werkloos werkzoekende binnen één jaar een aanbod in het kader van de inschakeling in de arbeid krijgt. Ook voor het zittende bestand geldt dat deze personen allen een aanbod richting werk krijgen.

Ten aanzien van jongeren is een uitzondering gemaakt voor wat betreft de verplichting die in de Wiw gold, dat zij uiterlijk na een jaar een Wiw-dienstbetrekking aangeboden moesten krijgen. Deze verplichting geldt niet meer. Dit laat echter onverlet dat ook voor de jongeren de sluitende aanpak zoals voren omschreven geldt. Wanneer blijkt dat gesubsidieerde arbeid nodig is kan deze worden aangeboden. Daarin verschilt de aanpak niet van de oude systematiek, het is echter geen verplichting meer om die dienstbetrekking aan te bieden. Ook voor ouderen geldt nog steeds dat gesubsidieerde arbeid indien nodig en mogelijk kan worden aangeboden.

Integrale dienstverlening.

De samenwerking in de keten van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), het Uitvoerings-instituut Werknemersverzekeringen (UWV) en gemeenten stond in 2007/2008 voor een belangrijk deel in het teken van de ontwikkeling van geïntegreerde dienstverlening. Dit sluit aan bij de plannen van het kabinet om de beproefde experimenten uit de toonkamers een structurele plaats te geven in de Locaties Werk en Inkomen (LWI), zoals het Werkplein Kerkrade. Om de samenwerking verder te ontwikkelen – zowel binnen als buiten de keten – moeten belemmeringen worden weggenomen. De op stapel staande aanpassingen (vereenvoudiging) van de Wet SUWI zijn noodzakelijk om de partners ruimte te bieden. Hierdoor zullen zij beter in staat zijn om op de klant toegesneden, geïnte-greerde dienstverlening te bieden. Ruimte krijgen schept ook verantwoordelijkheden. Om de uitdagingen succesvol op te pakken, is een ondernemende houding nodig. Het is dus gewenst dat de uitvoeringsorganisaties de ruimte nemen, juist op regionaal en lokaal niveau.

Aldus heeft het kabinet met de sociale partners en gemeenten afspraken gemaakt. Rode draad in deze afspraken is maatwerk. Maatwerk gericht op de specifieke wensen van de werkgevers en maatwerk gericht op klanten, zodat, rekening houdend met hun individuele omstandigheden, aangesloten kan worden bij de wensen van de werkgever. Hierbij is samenwerking met werkgevers in de regio een vereiste. Het kabinet staat een integrale en samenhangende aanpak voor. Het CWI, het UWV en gemeenten zijn bij het realiseren van deze aanpak de hoofdrolspelers. De verwachting is dat het kabinet door de beoogde vereenvoudiging van de SUWI-wet een aantal reële belemmeringen gaat wegnemen. Een succesvol opereren van de LWI’s is niet alleen afhankelijk van de vereenvoudiging van de wet.

Integrale dienstverlening staat of valt met het gebruik van het integraal digitaal klantdossier. Ultimo maart 2008 leveren nagenoeg alle gemeenten gegevens aan voor het DKD. De betrouwbaarheid van de gegevens is in 2007/2008 vergroot doordat de meerderheid van alle gemeenten hun bestand binnen het DKD-traject hebben geschoond. Het gebruik van DKD bij de ketenpartners bevindt zich echter nog in de beginfase. De raadpleegfunctie, de minimale variant van gebruik, wordt redelijk veel gebruikt, maar voor een optimale benutting van het systeem zullen de ketenpartners het gebruik nog aanzienlijk moeten vergroten.

Ook zullen overigens de ketenpartners vanuit het perspectief van de klant als één organisatie moeten functioneren. Onderzoek geeft aan dat op dit moment de samenwerking tussen UWV, CWI en gemeenten niet altijd soepel verloopt. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat er nog sprake is van drie organisaties met verschillende belangen en culturen. Het succes van geïntegreerde dienstverlening wordt onder meer bepaald door de mate waarin de partijen in staat zijn steeds de klant centraal te stellen bij al hun handelen en zo hun eigen cultuur en belangen te overstijgen.

De uitvoering zou maximaal gestimuleerd en gefaciliteerd moeten worden op het bereiken van het doel: geïntegreerde dienstverlening. Overigens hebben de ketenpartners op centraal niveau ook de intentie uitgesproken om geen blauwdrukken vast te leggen, maar om het decentrale niveau vooral te stimuleren en te faciliteren. Het uitgangspunt is dat de invulling van de integrale dienstverlening vooral op decentraal niveau moet plaatsvinden.

Naar verwachting zullen CWI en UWV reintegratie met ingang van 1 januari 2009 formeel samengevoegd worden tot een WERKbedrijf UWV. Daar waar in deze verordening het CWI vermeld wordt zal na 1 januari 2009 hiervoor in de plaats UWV WERKbedrijf gelezen moeten worden.

ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Het begrippenkader in het kader van deze verordening zoekt aansluiting bij de toepasselijke wet- en regelgeving inclusief de Wwb statistiekregelingen. Een aantal begrippen krijgen in deze toelichting echter nog een expliciete uitleg.

Definitie datum aanbod:

Dit is de datum waarop de gemeente aan belanghebbende, voor het eerst na de mldingsdatum zoals bedoeld in artikel 44. tweede lid WWB of na definitieve beeindiging van een eerder reintegratietraject, het voorstel doet om een of meerdere specifiek benoemde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten en / of een al buiten toedoen van de gemeente nodig geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling die reeds gestart is, voort te zetten. Dit is dus niet de datum trajectvoorstel van het reintegratiebedrijf, aangezien dit trajectvoorstel pas tot stand komt nadat de eerste twee voorzieningen gericht op arbeidsin-schakeling, te weten intake dan wel diagnose/medische keuring reeds ingezet zijn.

In de regel dient de datum waarop de kennisgeving inzake de (eerste) in te zetten voorzieningen aan de klant afgegeven wordt als de datum waarop de gemeente aan de klant het aanbod heeft gedaan een of meerdere voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten. Indien deze kennisgeving een diagnostische voorziening (diagnose of medisch/psychische keuring) betreft, is deze diagnostische voorziening de eerste voorziening die ingezet wordt. Het aanbod hoeft niet noodzakelijkerwijs schriftelijk te geschieden, maar kan echter ook mondeling. Het verdient echter aanbeveling dit schriftelijk te doen.

Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is het geheel aan activiteiten die het College uitvoert of doet uitvoeren om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerde arbeid te helpen. Hiervan uitgesloten zijn onderzoeken en besluiten inzake de aard, hoogte en duur van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen, alsmede besluiten tot het niet inzetten van een voorziening. Indien naar het oordeel van het College belanghebbende in staat is om op eigen kracht arbeid te vinden, is er geen sprake van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Of iets een voorziening is hangt niet af van de inzet van een specifieke financieringsbron.

Onder het begrip voorziening gericht op arbeidsinschakeling valt derhalve:

· Een onderzoek van de medische, sociale en of psychologische eigenschappen, wensen en situatie van betrokkene met als doel het vaststellen van de meest geschikte in te zetten vervolgvoorziening(en) voor deze klant.

· intensieve begeleiding of bemiddeling van een klant met als doel arbeidsinschakeling.

· een zorgtraject als een voorzieningenonderdeel van een reïntegratietraject (bijv. afkickproject).

· schuldhulpverlening als onderdeel van een reïntegratietraject. · kinderopvang als onderdeel van een reïntegratietraject.

· sociale activering.

· scholing, training.

· een stage.

· het inzetten van een loonkostensubsidie.

· het inzetten van kostenvergoedingen.

· het inzetten van een premie ten behoeve van reïntegratie.

· nazorg, jobcoaching, begeleiding op de werkplek, werkplekaanpassing.

Niet onder voorziening gericht op arbeidsinschakeling valt:

· Een onderzoek met uitsluitend als doel, vast te stellen of een klant al dan niet ondersteuning nodig heeft bij de arbeidsinschakeling. Een onderzoek met uitsluitend als doel om de afstand van de klant tot de arbeidsmarkt vast te stellen (A/B-routering) is dus geen voorziening. Zodra het onderzoek zich richt op de vraag welke voorzieningen in het traject moeten worden opgenomen, wordt het onderzoek wel als een voorziening aangemerkt. · Een onderzoek met als doel het al dan niet verlenen van een ontheffing van de arbeidsverplichtingen.

· Het toepassen van een maatregel / afstemming

· Het besluit tot het niet inzetten van een voorziening volgens artikel 7.1.a Wwb (ook wel ‘rusttraject’ genoemd). Denk hierbij aan het klantprofiel Pauzeklanten of het Wachtbestand.

· De dienstverlening van het CWI. · De onderzoeken die deel uitmaken van het reguliere uitkeringsproces.

Indien er ten tijde van het eerste reïntegratiegesprek met de klant al een voorziening loopt (bijvoorbeeld een afkicktraject, of schuldhulpverlening) die door SoZaWe wordt beschouwd als een voor deze klant nodige voorziening gericht op arbeidsinschakeling, kan de gemeente het voorstel doen, deze voorziening in het kader van het reïntegratietraject voort te zetten (eventueel in combinatie met andere voorzieningen). Ook dit voorstel wordt gezien als een aanbod. NB: wanneer een klant naar het oordeel van de gemeente in staat is om op eigen kracht werk te vinden, of de klant reeds op eigen kracht deeltijdarbeid of vrijwilligerswerk heeft gevonden is er per definitie nooit sprake van een aanbod of een voorziening. Een aanbod en een voorziening kunnen alleen aan de orde zijn in geval van klanten voor wie inzet van een voorziening naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is.

Definitie begindatum traject.

Begindatum van dat traject is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Zodra het eerste gesprek met de uitvoerende instelling gevoerd wordt is er dus sprake van de daadwerk-elijke inzet van de eerste activiteit en heeft het reintegratietraject een aanvang genomen. Op de datum start traject gaat de daadwerkelijke inzet van de eerste voorziening van start. In de meeste gevallen zal derhalve enige tijd zitten tussen datum aanbod en de datum start traject. Tussentijdse onderbrekingen van de daadwerkelijke inzet van voorzieningen binnen één traject zijn mogelijk, zonder dat dit onmiddellijk hoeft te leiden tot een beëindiging van het traject. Het traject loopt door tot SoZaWe de beslissing (lees besluit) neemt om de inzet van voorzieningen te staken. In dat geval is er pas sprake van een einddatum traject. Voor een belanghebbende kan derhalve slechts één reintegratietraject gelijktijdig uitgevoerd worden. Een ‘rusttraject’ is volgens deze definitie geen traject, aangezien er welbewust geen voorzieningen worden ingezet. Deze 'rust'-perioden komen meestal voor bij klanten met een ontheffing. Indien voor elke klant het klantprofiel vastgesteld is zullen deze derhalve met name terug te vinden zijn bij het klantprofiel 'Pauzeklant'.

Definitie einddatum traject

Indien de inzet van alle voorzieningen volledig wordt gestaakt, is er sprake van een einde traject. De einddatum van het traject is gelijk aan de laatste dag waarop de laatst ingezette voorziening van toepassing was. Begin- en einddatum van het traject zijn van belang voor de vaststelling van de duur van trajecten, de wachttijd tussen aanbod en start van een traject, de sluitende keten van reïntegratie en als criterium voor het beëindigen van de berichtgeving over een persoon. Van belang is, dat einddatum traject pas wordt gehanteerd als het traject naar beoordeling van de klantmanager. daadwerkelijk afgelopen is en als alle periodes loonkostensubsidie, die evt. onderdeel uitmaken van dit traject, zijn ingevuld. Dit geldt dus ook voor voorzieningen als schuldhulpverlening, zorgtrajecten en het inzetten van premies.

Artikel 2

Dit artikel geeft invulling aan de doelgroepafbakening waarvoor de gemeente reintegratieplichtig is. De gemeente heeft een wettelijke plicht om uitkeringsgerechtigden met een uitkering ingevolge de Wwb, de Ioaw en de Ioaz te reïntegreren naar arbeidsinschakeling. Verder vallen ook uitkeringsgerechtigden met een uitkering in gevolge de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden onder de reïntegratieplicht van de gemeente. De definitie van arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Wwb, artikel 4a, onderdeel b, Ioaw en artikel 4a, onderdeel b, Ioaz luidt: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Met een voorziening wordt bedoeld de voorziening uit de onderscheiden wet en genoemd in artikel 2, tweede lid van deze verordening. Bij de definiëring van de doelgroepen die aanspraak kunnen maken op voorzieningen is enerzijds aansluiting gezocht bij de wet zelf, en anderzijds is in lid 2 van dit artikel met name de laatst genoemde groep (onder d) toegevoegd. Bij deze laatste groep zijn de regels zoals die in de Abw golden overgenomen. Hierbij wordt er van uit gegaan dat iemand die meer dan 19 uur per week bezig is met scholing daar zodanig mee belast is dat van reële arbeidsinschakeling nauwelijks sprake kan zijn. Het college is bevoegd om te bepalen wanneer een voorziening noodzakelijk wordt geacht voor de arbeidsinschakeling en biedt die voorziening vervolgens aan. Hoewel de sluitende aanpak niet dwingend is voorgeschreven in de Wwb wenst de gemeente de sluitende aanpak, zoals die ook vóór 1 januari 2004 gold, te handhaven. Dat betekent derhalve dat iedere klant binnen 12 maanden na inschrijving bij het CWI een passend traject krijgt aangeboden gericht op arbeidsinschakeling.

Artikel 3

De gemeenten in Parkstad hebben vanaf 1 januari 2004 het inkoopbeleid regionaal vormgegeven. Daarin is een gezamenlijke indeling van klanten in doelgroepen en daaraan gekoppelde profielen gehanteerd en in het bestek opgenomen. De contracten met de reïntegratiebedrijven zijn daar vanaf 1 januari 2004 eveneens op gebaseerd. Tevens zal steeds meer aansluiting gezocht worden met het inkoopbeleid van het UWV.

Deze praktijk wordt in deze verordening voortgezet. Het college zal nadere regels stellen over de inhoud van de profielen en het onderhoud daarvan.

Artikel 4

Artikel 10 van de Wwb vermeldt dat personen die vallen onder de doelgroep van de verordening, aanspraak kunnen maken op voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Gemeenten zullen die aanspraak mede beoordelen op basis van het beschikbare budget. De Wwb vermeldt echter uitdrukkelijk dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. Om die reden zijn in de nota Reïntegratiebeleid Werk en Bijstand de criteria vermeld die gelden bij de beoordeling van een aanvraag voor een voorziening op grond van deze verordening. Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is datgene dat dient om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerd werk te helpen. Of iets een voorziening is hangt niet af van de inzet van een specifieke financieringsbron.

Voorzieningen worden in beginsel beschikbaar gesteld in het kader van een reïntegratietraject. Om die manier wordt gestreefd naar een integrale benadering inzake de noodzakelijkheid van voorzieningen en daarmee gemoeide kosten. Zeker vanuit het oogpunt van adequaat financieel beheer is dat van belang. Voorzieningen kosten gemeenschapsgeld en in die zin is het ook van belang dat de voorzieningen worden ingezet als de belanghebbende daar gebaat bij is. Daaruit vloeit voort dat het College de bevoegdheid moet hebben om verplichtingen te verbinden aan de voorziening, waarmee kan worden bewerkstelligd dat voorzieningen tot het gewenste effect komen. Het betekent ook dat een voorziening moet kunnen worden beëindigd indien de belanghebbende niet meewerkt of indien de belanghebbende niet meer tot de doelgroep behoort. In het vierde lid zijn gronden geformuleerd die het College de bevoegdheid geven om een voorziening te beëindigen.

Het college regelt in nader beleid de zaken rond beoordeling, toekenning, beëindiging, weigering, voorwaarden, betaling en financiering van voorzieningen en flankerende voorzieningen.

Ten aanzien van de groep niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Anw wenst de gemeente beperkende regels te hanteren voor meerdere verzoeken (of herhaald verzoek) voor een voorziening als er sprake is van een verwijtbare onderbreking van het eerste traject. De gemeente heeft immers in het eerste traject kosten gemaakt. Deze kosten zullen bij verwijtbare onderbreking zoveel mogelijk van betrokkene teruggevorderd worden. In het zesde lid is dan ook bepaald dat zij slechts één keer in aanmerking kunnen komen voor een traject als de eerdere onderbreking van een traject aan henzelf te wijten is.

Het zevende lid biedt de mogelijkheid voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten die niet genoemd zijn in de artikelen 5 tot en met 14. Te denken valt hierbij aan schuldhulpverlening, verslavingszorg maar ook de medische onderzoeken als diagnostisch instrument.

Artikel 5

In het inkoopbeleid zijn afspraken gemaakt over de inzet van middelen voor de betreffende doelgroepen en de beschikbare budgetten voor de reïntegratiebedrijven waarmee een contract is gesloten. Conform wetgeving vindt de aanbesteding plaats via openbare aanbestedingsprocedures.

In het tweede lid is de mogelijkheid geopend om in het kader van een project of experiment op een andere wijze dan via de reïntegratiebedrijven reïntegratietrajecten uit te voeren. Het wettelijk kader is daarbij van toepassing.

Artikel 6

In dit artikel wordt geregeld dat een gesubsidieerde arbeidsplaats zoals bedoeld in de met de inwerkingtreding van de Wwb bedoelde wetten of besluiten niet meer wordt aangeboden. Het kostenaspect speelt in die overweging een grote rol. Verder is gebleken dat die soorten van gesubsidieerde arbeid tot weinig doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt hebben geleid. Het tweede lid regelt de voorziening voor bestaande gevallen, met in het derde lid de opdracht aan het college om doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt voor deze bestaande gevallen te blijven bevorderen.

Bij de invoering van de Wwb zijn de gesubsidieerde regelingen ID en Wiw vervallen. Gemeenten krijgen daardoor de beleidsvrijheid om de wijze van subsidieverlening aan werkgevers zelf in te vullen. Daarbij geldt voor de regio Parkstad Limburg dat het “nieuwe” beleid zoveel mogelijk regionaal wordt afgestemd, vanwege het feit dat ook de beleidsafstemming en uitvoering van de regelingen op regionale schaal plaatsvonden.

In de situatie dat bestaande gevallen met dienstbetrekkingen in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) niet kunnen doorstromen omdat werkgevers terughoudend zijn om een werknemer in dienst te nemen, wordt gekozen voor een “Wiw-achtige” constructie. Concreet betekent dit dat dan zoveel mogelijk gewerkt wordt met detacheringconstructies met inleenvergoedingen.

Artikel 7

Met werken met behoud van uitkering wordt bedoeld: het verrichten van al dan niet productieve werkzaamheden in het kader van een opgesteld reïntegratietraject gedurende een door het college vooraf vastgestelde termijn, met als doel werkervaring op te doen, dan wel als eindresultaat van een reïntegratietraject.

Verschil met de werkstage is dat het in deze gevallen gaat om een laatste steuntje in de rug naar een reguliere baan. De fase van oriënteren is voorbij, het gaat nu om het opdoen van concrete werkervaring. De intentie is dat aansluitend een arbeidscontract wordt geboden van tenminste één jaar. De werkgever kan immers een langere periode bezien of de potentiële werknemer in te passen is en kan in die tijd ook beoordelen of een arbeidscontract reëel is.

De maximale duur is 6 maanden, met de mogelijkheid tot verlenging van maximaal een zelfde periode. Het moet immers een steuntje in de rug blijven en zeker geen al te lang voortdurende situatie.

Artikel 8

Met een werkstage wordt bedoeld: het verrichten van werkzaamheden met behoud van uitkering in het kader van een opgesteld trajectplan gedurende een korte periode waarbij een stageovereenkomst inclusief verzekering door de stagewerkgever van toepassing is.

Het gaat om werkervaring zonder prestatiedruk, waarbij de cliënt kan wennen aan een arbeidsritme en ervaring kan opdoen in een aantal werksituaties.

Doelstelling van de werkervaring is dat de cliënt zich een duidelijk beeld kan vormen van zijn toekomstige baan. Na beëindiging van de stage moet de cliënt gereed zijn voor bemiddeling naar regulier werk. Om daadwerkelijk een stimulans te hebben voor bemiddeling naar regulier werk zal de termijn van de stage maximaal 6 maanden zijn. Als de omstandigheden van het individuele geval daarom vragen kan worden verlengd met nog eens maximaal 6 maanden. Onder dit instrument kan ook een leerwerkplek worden begrepen, waarbij de werkervaring dus wordt gebruikt om een bepaalde startkwalificatie te halen.

Artikel 9

Scholing en opleiding zijn voorzieningen die in het kader van een reïntegratietraject kunnen worden aangeboden. Dit instrument staat open voor de hele doelgroep.

Artikel 10

Het persoonsgebonden budget is een instrument waarbij de klant een budget krijgt om zelf invulling te geven aan de reïntegratie. Dit fenomeen is bekend vanuit de gezondheidszorg. In het kader van de reïntegratie wordt van dit instrument nog weinig gebruik gemaakt. Waar dat wel wordt gedaan, zijn de ervaringen wisselend.

Dit artikel geeft in elk geval de mogelijkheid voor de colleges om beleid te ontwikkelen ten aanzien van het persoonsgebonden budget en om dit instrument op termijn eventueel in te zetten.

Artikelen 11, 12 en 13

Als tegenhanger van de arbeidsverplichting die de gemeente de klant oplegt, dient de gemeente ervoor te zorgen dat voldoende ondersteunende voorzieningen voorhanden zijn, die het voor de klant ook mogelijk maken om aan een traject deel te nemen. Hiermee worden de z.g. flankerende voorzieningen bedoeld.

Een belangrijke flankerende voorziening is de kinderopvang. Artikel 9, vierde lid, Wwb bepaalt in dat kader dat voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden slechts geldt “nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene”.

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet kinderopvang op 1 januari 2005 is de alleenstaande ouder primair verantwoordelijk voor het sluiten van een contract met een professionele instelling voor kinderopvang welke in het gemeentelijk register opgenomen is.

De nieuwe wet heeft een belangrijk uitgangspunt: de financiering van de kinderopvang is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders, werkgevers en overheid.

In de nieuwe wet sluit de ouder zelf een overeenkomst met het kindercentrum of gastouderbureau. Werkgevers mogen belastingvrij maximaal een derde van de kosten van kinderopvang vergoeden. De wet verplicht werkgevers overigens nergens toe.

Een van de nieuwe taken is het uitbetalen van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang aan wettelijk gedefinieerde doelgroepen. Daarnaast veranderen de gemeentelijke taken omtrent de kwaliteit in de kinderopvang. Gemeenten worden verantwoordelijk voor het toezicht, uitgevoerd door de GGD’en, en de handhaving. De specifieke gemeentelijke kwaliteitseisen komen te vervallen. Hiervoor in de plaats komen een aantal in de wet opgenomen normen. Zo dient de ondernemer zelf veiligheids- en gezondheidsrisico’s te inventariseren. Tevens dient de kinderopvanginstelling te voldoen aan de globale wettelijke eis om verantwoorde kinderopvang aan te bieden en dient hij ook aantoonbaar aandacht te besteden aan onder andere het aantal kinderen per leidster, de groepsgrootte en de opleiding van de beroepskrachten. De sector Samenleving zelf gaat het kwaliteitsbeleid verder invullen.

Gemeenten krijgen naast het toezicht op de kwaliteit de verantwoordelijkheid voor het uitkeren van een vervangend wergeversdeel voor de wettelijk bepaalde doelgroepen. Deze groepen, die zorg combineren met (toeleiding naar) arbeid, staan in artikel 19 van de Wet kinderopvang beschreven. Het betreft:

· bijstandsgerechtigden in een reïntegratietraject;

· herintreders in een reïntegratietraject;

· nieuwkomers en in de toekomst oudkomers (wellicht per 01-08-2005) die een verplicht inburgeringstraject volgen;

· studenten en tienermoeders;

· huishoudens met een sociaal-medische indicatie.

Gemeenten hebben nauwelijks vrijheid in het doelgroepenbeleid. Er bestaat weliswaar een formele beleidsvrijheid voor gemeenten om aan de wettelijk bepaalde doelgroepen eigen gemeentelijke groepen toe te voegen, zoals vrijwilligers en mantelzorgers, maar die maken in dat geval géén aanspraak op de rijksvergoedingen. Het gevolg daarvan is dat de gemeente die zelf doelgroepen voor kinderopvang definieert de volledige kosten daarvoor zal moeten dragen.

Het bepalen van onder meer de regels, de budgetten en de doelgroepen voor kinderopvang is een rijksaangelegenheid. De mantelzorgers en de vrijwilligers zijn door het rijk bewust buiten de doelgroep in de Wet kinderopvang gehouden. Gemeenten gaan er dan ook vanuit dat het een primaire verantwoordelijkheid is van de klant om te zorgen voor passende kinderopvang. Ingeval er sprake is van een gezinssituatie en er gezinsbijstand wordt verstrekt, is het aan beide partners te bepalen hoe ze die verantwoordelijkheid delen.

Een andere belangrijke voorziening om klanten te ondersteunen in hun traject is het verstrekken van een premie ter stimulering om aan een traject te blijven deelnemen of te belonen als delen in dat traject succesvol worden afgesloten. Het premiebeleid was tot 1 januari 2004 regionaal vorm gegeven en per gemeente geregeld in een Verordening persoonlijke subsidies, gebaseerd op de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw). Met de inwerkingtreding van de Wwb vervalt de Wiw en daarmee vervalt van rechtswege de Verordening persoonlijke subsidies. Het tot 1 januari 2004 gehanteerde premiebeleid komt is daardoor ook komen te vervallen.

De voorziening zal alleen openstaan voor klanten met een Wwb-, een Ioaw- of een Ioaz-uitkering. Op grond van de Wwb, de Ioaw of Ioaz is het mogelijk om gedurende 6 maanden 25% van de inkomsten uit werkzaamheden vrij te laten. Voorwaarde die de wet daarbij stelt is dat het college beoordeelt of die werkzaamheden bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de klant. Andere flankerende voorzieningen zijn vergoedingen voor specifieke kosten, zoals verhuiskosten en reiskosten. Deze kostensoorten worden niet vooraf gelimiteerd omdat ze zich in individuele gevallen in verschillende mate van noodzakelijkheid kunnen voordoen. Of een vergoeding wordt verstrekt wordt per individueel geval bezien in het licht van het reïntegratietraject.

artikel 14

Een nieuwe vorm van gesubsidieerde arbeid, als onderdeel van het pakket van voorzieningen, wordt door het college vastgesteld. Door gebruik van de term ‘Werken met subsidies’ wordt expliciet gemaakt dat het om een andere vorm van gesubsidieerde arbeid gaat dan de voormalige vorm.

Deze voorziening wordt ingezet bij een opstap naar regulier werk, waarbij het wel moet gaan om een reguliere baan. Het zou in het geval van ‘werken met subsidies’ mogelijk ook kunnen gaan om een ‘permanente’ voorziening of om loonkostensubsidies.

De doelgroep zal overwegend bestaan uit reïntegratieklanten van fase 3 en de activeringsklanten van fase 4.

Het College wordt op basis van dit artikel de ruimte gegeven om vanuit een integrale benadering een nieuwe vorm van gesubsidieerde arbeid in te richten.

De voorziening zal alleen openstaan voor klanten met een Wwb-, een Ioaw- of een Ioaz-uitkering. Overigens zal in 2009 ook voor UWV klanten deze mogelijkheid open staan.

Eén van de voorzieningen die de gemeente kan inzetten als (onderdeel van een) re-integratietraject is een loonkostensubsidie. Een loonkostensubsidie kan door de gemeente aan een werkgever worden verstrekt wanneer die werkgever een persoon in dienst neemt uit de gemeentelijke re-integratiedoelgroep. Het gaat hierbij om een regulier dienstverband. De werkgever krijgt hiervoor een tijdelijke subsidie van de gemeente. Voor personen waarvan de werkgever een loonkostensubsidie ontvangt kunnen gemeenten nog steeds aanvullende re-integratievoorzieningen inzetten.

Een reintegratietraject met loonkostensubsidie als voorziening bestaat pas sinds 2004. Voor die tijd konden werklozen gebruik maken van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) en het Besluit in- en doorstroombanen (ID-banen). Deze zogenaamde gesubsidieerde banen hadden tot doel de re-integratie van langdurig werklozen, jongeren en uitkeringsgerechtigden te bevorderen. Dit gebeurde hoofdzakelijk door deze personen in te zetten op werkervaringsplaatsen en in dienstbetrekkingen in de non-profit sector. In 2004 is deze vorm van gesubsidieerde banen gestopt.

Het verstrekken van een loonkostensubsidie is één van de waardevolle instrumenten die nodig is om de werkgever te compenseren voor het tijdelijke productieverlies en de werknemer een kans te geven zich in de praktijk verder te bekwamen. In tegenstelling tot wat de achter ons liggende praktijk zou doen vermoeden is het verstrekken van loonkostensubsidie een bestuursrechtelijke handeling. Het toekennen, verlenen en verstrekken van loonkostensubsidie is nimmer onderwerp van een privaatrechtelijke overeenkomst. Wel kunnen aansluitend op de subsidiebeschikking werkafspraken vastgelegd worden in een loonkostensubsidie -uitvoeringsovereenkomst. Deze kaders scheppen meteen de voorwaarden waaraan het handelen van de sector SoZaWe en het College dienen te voldoen.

Daarnaast zijn de Europese staatssteunregels van toepassing op het verstrekken van loonkosten-subsidies. De staatssteunregels zijn onderdeel van het EG-Verdrag ('primair recht’), en gelden daarmee rechtstreeks, ook voor (onder meer) gemeenten en provincies. Die hebben daardoor een eigen verantwoordelijkheid om na te gaan of er mogelijk sprake is van staatssteun en, als dat het geval is, om die staatssteun aan te melden bij de Europese Commissie. Een en ander betekent dat, nu in de nationale wetgeving geen specifieke bepalingen opgenomen zijn, op decentraal niveau, in de gemeentelijke (reintegratie)verordening dan wel beleidsregels, het bepaalde van de Europese Verordeningen Werkgelegenheidssteun en De-minimis opgenomen en verwerkt dient te worden. Overigens zonder de mogelijkheid van het stellen van discretionaire bevoegdheden, aangezien waar in dit kader geen ruimte voor is. Elke afwijking van de bepalingen levert een verhoogd risico op.

De staatssteunregels vloeien voort uit de artikelen 87, 88 en 89 van het EG-Verdrag. Deze artikelen geven een opsomming van de definities, de mogelijke vrijstellingen, de procedures en de bevoegdheden van de Europese instellingen weer. Voor alle duidelijkheid: waar in deze notitie 'staat' wordt vermeld, kan ook 'decentrale overheid' gelezen worden. In artikel 87 lid 1 van het EG-Verdrag wordt bepaald dat er sprake van staatssteun als aan de volgende cumulatieve criteria is voldaan:

- de steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd;

- de steun verschaft een economisch voordeel aan onderneming(en) die zij niet langs de normale commerciële weg zouden hebben verkregen;

- dit voordeel is selectief, wat inhoudt dat het ten goede komt aan bepaalde onderneming(en);

- het voordeel moet de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en een (potentiële) invloed op de tussenstaatse handel hebben.

De vervalsing van de mededinging en de beïnvloeding van het handelsverkeer zijn moeilijk vast te stellen. De Europese Commissie oordeelt vaak al snel dat aan dit criterium is voldaan. Bij het voldoen aan de eerste drie criteria moet er daarom in principe al overgegaan worden tot melding, tenzij er evident sprake is van een activiteit met slechts lokaal bereik

artikel 15

De klanten hebben een aanspraak op ondersteuning bij de reïntegratie. Dat staat niet gelijk aan het recht op een concrete voorziening. Dat is in de Wwb uitdrukkelijk bepaald in de Memorie van Toelichting en naar aanleiding van de behandeling in de Tweede Kamer.

Los daarvan kan het in de praktijk uiteraard wel voorkomen dat een klant een verzoek indient om een concrete voorziening. In lid 2 van dit artikel is daartoe een beslistermijn van 13 weken opgenomen. In lid 3 is aangegeven dat deze termijn nog kan worden verlengd.

De reden om dit op te nemen heeft te maken van de werking van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als er geen termijn is opgenomen is de termijn van acht weken van art. 4:13 Awb van toepassing. In de praktijk kan de termijn van acht weken mogelijk te krap zijn, omdat in gevallen extern advies nodig kan zijn. Daarom is aangesloten bij de termijn van dertien weken uit het Besluit bijstandverlening zelfstandigen, waarin ook sprake is van een adviestraject.

Artikel 16

Als een klant een voorziening krijgt aangeboden, dient daaraan te worden meegewerkt. Verder zijn ook de verplichtingen uit wetgeving en de verplichtingen die het college aan heeft opgelegd van toepassing. Tegenover de aanspraak op ondersteuning bij de reïntegratie staat dus de verplichting om mee te doen.

Indien de klant met een uitkering ingevolge de Wwb niet in voldoende mate aan de verplichtingen voldoet, kan de uitkering worden verlaagd conform de afstemmingsverordening Wwb. De afstemmingsverordening stelt de gemeente vast op grond van art. 8, eerste lid, onderdeel b, Wwb. In dit artikel 16 wordt dus expliciet de verbinding gemaakt tussen de reïntegratieverordening en de afstemmingsverordening.

Deze relatie kan niet worden gelegd bij klanten met een uitkering ingevolge de Ioaw en de Ioaz, bij klanten met een uitkering ingevolge de Anw en bij klanten zonder uitkering.

In het kader van Ioaw en Ioaz bestaat geen afstemmingsverordening, maar is het regime van die wetten van toepassing. Derhalve wordt de verbinding gemaakt tussen deze reïntegratieverordening en de relevante artikelen uit de Ioaw en Ioaz.

Bij Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden bestaat geen mogelijkheid om als gemeente in de sfeer van de uitkering een verlaging toe te passen. Derhalve worden de kosten van het trajectplan op grond van artikel 16 in combinatie met art. 8, eerste lid, onderdeel a, Wwb teruggevorderd.

Artikel 17

De Wwb gaat ervan uit dat alle klanten een arbeidsverplichting hebben. Burgemeester en wethouders bepalen het kader en uitgangspunten die bij het opleggen van de arbeidsverplichting gelden, zoals het maximaal aantal werkuren voor bepaalde groepen (bijv. alleenstaande ouders), de wijzen waarop met reistijden en reiskosten wordt omgegaan. In de nota Reïntegratiebeleid Werk en Bijstand worden de uitgangspunten nader uitgewerkt.

De gemeente kan in individuele gevallen afzien van het opleggen van reïntegratieverplichtingen, maar dan moet er sprake zijn van z.g. dringende redenen. Daartoe wordt in artikel 17 een kader geboden. Het is verder aan het college om de beoordeling te doen en om nadere regels te stellen over de duur van de ontheffing.

Artikel 18

De gemeente dient de financiële risico’s te beheersen. Voorzieningen kunnen niet uitputtend worden beschikbaar gesteld. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan zonder nadere regeling nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken wordt in deze verordening een budgetplafond ingesteld.

Bij dit artikel wordt de bevoegdheid om het budgetplafond in te stellen bij het college gelegd. Het ligt voor de hand dat het W-deel van de rijksuitkering Wwb als algemeen plafond zal gelden. Een algemeen plafond is in die zin niet toegestaan dat de gemeente bij een aanvraag altijd moet nagaan of er een ander, goedkoper alternatief is. Wat daarom wel kan is een plafond instellen per voorziening. Dit laat de mogelijkheid open op naar een ander instrument uit te wijken als het budget voor de gevraagde voorziening niet meer toereikend is. Het college krijgt daarom in lid 3 de opdracht om hiertoe regels te stellen.

Artikel 19

Artikel 19 bevat een hardheidsclausule. Bijzondere omstandigheden in individuele gevallen zouden aanleiding kunnen zijn om af te wijken van deze verordening, zeker als toepassing leidt tot aanwijsbare onbillijkheden. Derhalve wordt in dit artikel de mogelijkheid geboden om de hardheidsclausule toe te passen.

Artikel 20

De verordening dient zoveel mogelijk de voorzieningen waar de klant aanspraak op kan maken te regelen. In de praktijk kan het echter voor komen dat zich een specifieke situatie voordoet waar de verordening niet in voorzien heeft. In dat geval hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een besluit te nemen.

Artikelen 21, 22 en 23: Deze artikelen spreken voor zich en behoeven geen afzonderlijke toelichting.