Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 9 april 2019, nr. 1142905/1198554, houdende regels omtrent vaststelling van de Uitvoeringsregeling opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied Noord-Holland 2019

Geldend van 18-04-2019 t/m 16-11-2020

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 9 april 2019, nr. 1142905/1198554, houdende regels omtrent vaststelling van de Uitvoeringsregeling opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied Noord-Holland 2019

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland;

Gelet op artikel 32a, zesde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening;

Besluiten vast te stellen:

Uitvoeringsregeling opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied Noord-Holland 2019

Artikel 1 Begripsbepalingen en toepassingsbereik

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      bestaand stedelijk gebied: bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening;

    • b.

      dorpslint: langgerekte lijn van aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing ten behoeve van overwegend stedelijke functies;

    • c.

      verordening: Provinciale Ruimtelijke Verordening.

  • 2. Deze regeling is van toepassing op een opstelling voor zonne-energie in de provincie Noord-Holland die wordt mogelijk gemaakt op grond van artikel 32a, eerste lid, van de verordening.

Artikel 2 De locatie en omvang van de opstelling voor zonne-energie

  • 1. De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is aan minimaal één zijde aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint.

  • 2. De omvang van de opstelling voor zonne-energie is:

    • a.

      op een locatie die aan één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint: maximaal 5 hectare;

    • b.

      op een locatie die aan minimaal één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint en daarnaast aan nog een andere zijde aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint, een rijksweg, provinciale weg of spoorweg: maximaal 10 hectare, of;

    • c.

      op een locatie die aan minimaal één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint en daarnaast aan nog twee andere zijden aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint, een rijksweg, provinciale weg of spoorweg: maximaal 25 hectare;

  • met dien verstande dat van de maximale oppervlakten genoemd onder a tot en met c, kan worden afgeweken tot niet meer dan 10% van die oppervlakten indien dat noodzakelijk is uit overwegingen van ruimtelijke kwaliteit.

  • 3. Onverminderd het tweede lid kan de oppervlakte van een opstelling voor zonne-energie niet groter zijn dan dat passend is binnen de uitgangspunten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de verordening.

  • 4. De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is niet aansluitend op een reeds bestaande opstelling voor zonne-energie, tenzij sprake is van het aanvullen van een bestaande opstelling voor zonne-energie tot de maximale oppervlakte als bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 3 Eisen aan de inpassing van de opstelling voor zonne-energie

  • 1. De hoogte van een opstelling voor zonne-energie bedraagt niet meer dan 1,50 meter gemeten vanaf het gemiddelde straatpeil van de omliggende openbare wegen.

  • 2. Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken indien deze afwijking aantoonbaar:

    • a.

      bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit, of;

    • b.

      anderszins substantiële meerwaarde oplevert voor de fysieke leefomgeving.

  • 3. De bodem onder de opstelling wordt niet verhard of verdicht en wordt zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

  • 4. De terreinafscherming en rand van de opstelling voor zonne-energie zijn passend in de omgeving en worden zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

  • 5. De afstand tussen de opstelling voor zonne-energie en woonbebouwing bedraagt minimaal 50 meter.

Artikel 4 Stimuleringsgebieden zonne-energie

  • 1. Stimuleringsgebieden zonne-energie zijn gebieden waar van de locatie- en omvangcriteria uit artikel 2 kan worden afgeweken, omdat meer grootschalige of afwijkend gelegen opstellingen voor zonne-energie hier passend zijn binnen de regionale ruimtelijke- en energetische beleidsuitgangspunten of een substantiële meerwaarde opleveren voor de fysieke leefomgeving.

  • 2. Stimuleringsgebieden zonne-energie zijn geometrisch begrensde gebieden zoals aangeduid in bijlage 1.

  • 3. In stimuleringsgebieden zonne-energie is voor een opstelling voor zonne-energie artikel 2 niet van toepassing.

Artikel 5 Slotbepaling en citeertitel

  • 1. Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied Noord-Holland 2019.

  • 2. De Uitvoeringsregeling opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied wordt ingetrokken.

  • 3. Deze uitvoeringsregeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst.

Ondertekening

Haarlem, 9 april 2019,

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,

A.Th.H. van Dijk, voorzitter.

R.M. Bergkamp, provinciesecretaris.

BIJLAGE 1 Stimuleringsgebieden zonne-energie

  • A.

    Stimuleringsgebied zonne-energie Groene Hoek

Toelichting

ALGEMEEN

De Provincie Noord-Holland heeft opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied onder voorwaarden ruimtelijk mogelijk gemaakt middels artikel 32a van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Dit artikel bevat in het zesde lid een delegatiebepaling aan Gedeputeerde Staten (GS) om nadere regels te stellen over in ieder geval de locatie, omvang en inpassing van opstellingen voor zonne-energie. GS hebben hieraan uitvoering gegeven met de onderhavige Uitvoeringsregeling `opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied Noord-Holland 2019’. Beide regelingen tezamen vormen de ruimtelijke spelregels voor zonne-opstellingen in Noord-Holland.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

In dit artikel wordt een aantal begrippen gedefinieerd. In lid 1 onder b is de verstedelijkingsstructuur “dorpslinten” opgenomen. Onder dorpslint wordt verstaan een langgerekte lijn van aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing ten behoeve van overwegend stedelijke functies. In de praktijk is een dergelijk dorpslint gelegen aan een weg, dijk of watergang. Het gaat om een lange reeks van meerdere hoofdgebouwen die tezamen een herkenbare lijn vormen in het landschap. De gebouwen zijn daarbij aaneengesloten of zodanig dicht bij elkaar gelegen, dat de lijn vanuit stedenbouwkundige en landschappelijke optiek niet wordt onderbroken. In dat geval is immers sprake van verspreid langs een weg gelegen gebouwen. De concrete maximale afstand die hierbij in acht moet worden genomen hangt af van de locatie, de schaal van het landschap en de schaal van de bebouwing. Een dorpslint bevat hoofdzakelijk stedelijke functies. Dit zijn functies die verband houden met wonen, bedrijven en voorzieningen (zie ook artikel 2 onder oo PRV). Met het woord hoofdzakelijk willen GS niet uitsluiten dat binnen een dergelijk dorpslint een enkele agrarische bedrijfswoning is opgenomen (mits deze ook aaneengesloten of op korte afstand van andere bebouwing is gelegen).

In lid 2 wordt het toepassingsbereik van deze Uitvoeringsregeling geregeld. De onderhavige uitvoeringsregeling is alleen van toepassing op opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied als bedoeld in het eerste lid van artikel 32a van de verordening. De regeling is niet van toepassing op opstellingen voor zonne-energie in het kader van meervoudig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 32a, vierde lid, van de verordening, te weten opstellingen voor zonne-energie op gronden met een bestemming voor nutsvoorzieningen, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit, of voor infrastructuur voor weg, spoor, water en vliegverkeer.

Artikel 2

In dit artikel worden regels gesteld over de locatie en omvang van een opstelling voor zonne-energie. Doel is de karakteristieke openheid van het landschap te behouden, zoveel mogelijk aan te sluiten op de bestaande netinfrastructuur en de economische (agrarische) structuur van het landelijk gebied zo min mogelijk aan te tasten.

Een opstelling voor zonne-energie in het landelijk gebied is alleen toegestaan indien deze aan minimaal één zijde aansluit op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint (lid 1). Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening. Onder dorpslint wordt blijkens artikel 1, eerste lid, onder a van deze uitvoeringsregeling verstaan een langgerekte lijn van aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing ten behoeve van overwegend stedelijke functies.

Het tweede en derde lid bepalen de maximaal toegestane omvang van de opstelling.

Enerzijds wordt die bepaald door het aantal zijden van de opstelling dat aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of bovenlokale infrastructuur (een rijksweg, provinciale weg of spoorweg). Daarbij geldt dat hoe meer een locatie aansluit op bestaand stedelijk gebied of de hiervoor genoemde infrastructuur, hoe groter de omvang van de opstelling mag zijn (lid 2).

Van de in het tweede lid genoemde maximaal toegestane omvang kan met maximaal 10% worden afgeweken. Hierbij gaat het om afwijkingen die nodig zijn uit overwegingen van ruimtelijke kwaliteit, zoals bijvoorbeeld veroorzaakt door afwijkende verkavelingspatronen of om te komen tot een betere aansluiting op de omgeving. De afwijkingsmogelijkheid dient dan om een betere landschappelijke inpassing te realiseren.

Anderzijds wordt de maximale omvang bepaald door de eisen van ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 15 van de verordening (lid 3). Deze eisen kunnen de op grond van het tweede lid maximaal toegestane omvang beperken. Met andere woorden, het is mogelijk dat de opstelling vanwege de ruimtelijke kwaliteit minder hectare mag omvatten dan op grond van de aansluiting op bestaand stedelijk gebied en infrastructuur geldt. Ruimtelijke kwaliteitseisen kunnen er dus toe leiden dat de omvang van een opstelling voor zonne-energie met maximaal 10 % wordt verruimd dan wel dat de omvang wordt beperkt voor zover dat nodig is op grond van het bepaalde in artikel 15 van de verordening.

Het vierde lid voorkomt dat na realisatie van een opstelling voor zonne-energie met de maximale oppervlakte als bedoeld in het tweede en derde lid, een nieuwe opstelling met de daarbij behorende maximale oppervlakte mogelijk kan worden gemaakt en op die manier de wenselijke maximale oppervlakte op een locatie wordt overschreden. Aansluiting op een reeds bestaande opstelling is wel toegestaan als met de bestaande opstelling de maximale oppervlakte nog niet is bereikt en deze wordt aangevuld tot de maximale oppervlakte als bedoeld in het tweede en derde lid. Een gefaseerde realisatie van een opstelling voor zonne-energie tot de maximaal toegestane oppervlakte is dus mogelijk.

Artikel 3

In dit artikel worden eisen gesteld aan de inrichting van een opstelling voor zonne-energie. Het artikel heeft als doel de bestaande ruimtelijke en ecologische kwaliteiten van het landelijk gebied op de locatie te behouden en zo mogelijk te versterken. De eisen vormen een aanvulling op het gestelde in artikel 15 van de verordening en de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie 2018, specifiek voor opstellingen voor zonne-energie.

De hoogte-eis in het eerste lid is gesteld om te borgen dat een opstelling voor zonne-energie de openheid van het landschap ter plaatse niet onevenredig aantast. De technische inrichting van de locatie dient er in te voorzien dat de maximale hoogte van de opstellingen beperkt blijft tot maximaal 1 meter 50 gemeten vanaf het straatpeil van de omliggende openbare wegen. Het tweede lid regelt voor twee bijzondere situaties een afwijkmogelijkheid van deze hoogte-eis. Er kan worden afgeweken van de maximale hoogte als geregeld in het eerste lid, indien (a) een hogere hoogte ten goede komt aan de ruimtelijke kwaliteit of (b) een hogere hoogte een substantiële meerwaarde voor de fysieke leefomgeving oplevert. Bij de eerste afwijkmogelijkheid moet bijvoorbeeld worden gedacht aan ontwerpen waarbij hoogteverschillen bewust worden ingezet ten behoeve van de beleving. Bij de tweede afwijkmogelijkheid kan worden gedacht aan het koppelen van een opstelling voor zonne-energie aan andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals op het gebied van landbouw (bijvoorbeeld het combineren van zonnepanelen met akkerbouw), biodiversiteit (bijvoorbeeld het combineren van zonnepanelen met natuurontwikkeling) of klimaatadaptatie (bijvoorbeeld het combineren van zonnepanelen met waterberging). Er dient in een omgevingsvergunning nadrukkelijk onderbouwd te worden waarom de hoogte-afwijking noodzakelijk is voor de beoogde functie en waarom deze een substantiële meerwaarde oplevert voor de fysieke leefomgeving. De inzet van grazers ten behoeve van het beheer van de opstelling bijvoorbeeld, vormt op zichzelf genomen onvoldoende `substantiële meerwaarde voor de fysieke leefomgeving’.

In het derde lid zijn eisen opgenomen ten aanzien van het behoud van de bestaande bodemstructuur. Het is uit oogpunt van de bodemkwaliteit en waterhuishouding onwenselijk dat de ondergrond waarop de opstellingen worden gerealiseerd op enigerlei wijze wordt verhard of verdicht ten behoeve van bouw, ontsluiting, onderhoud of fundering daarvan. Voorts wordt de bodem zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd teneinde de bodemkwaliteit en biodiversiteit te bevorderen. Dat wil zeggen het waar mogelijk bedekken van de bodem met extensieve vegetatie zoals kruidenrijk grasland of braakvegetatie (afhankelijk van de lokale bodemomstandigheden en doelsoorten) in combinatie met een extensief beheer.

In het vierde lid zijn eisen opgenomen ten aanzien van de inrichting en het beheer van de terreinafscherming en rand van de opstelling van zonne-energie. Om de schade voor landschap en natuur tot een minimum te beperken en zo mogelijk positieve effecten te sorteren wordt als eis gesteld dat de terreinafscherming en rand van de zonne-energieopstelling zoveel mogelijk ecologisch worden ingericht en beheerd. Daarbij gaat het om het realiseren van een ecologische rand, aangepast op de lokale doelsoorten en ruimtelijke situatie (bijvoorbeeld met kruidenrijk grasland, braakvegetatie, struweel, hagen of sloten) en een passeerbaarheid van het hekwerk voor kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën, maar ondoordringbaarheid voor grote predatoren.

Het vijfde lid ten slotte bepaalt dat er een afstand van minimaal 50 meter moet zijn tussen woonbebouwing en de rand van de opstelling voor zonne-energie, in het geval een locatie aan één of meer zijden aansluitend is op woonbebouwing. Deze eis dient om een acceptabele zichtafstand te garanderen ten behoeve van het woongenot.

Artikel 4

Zoals in de beleidsnota `Perspectief voor Zon in Noord-Holland’ is aangekondigd, kunnen er op bepaalde locaties redenen zijn om van de locatie- en omvangregels uit artikel 2 af te wijken. Deze locaties worden stimuleringsgebieden zonne-energie genoemd. Het gaat om gebieden waar zonne-opstellingen met een grotere omvang of afwijkende ligging passend zijn gelet op de regionale ruimtelijke- en energetische beleidsuitgangspunten.

Het definiëren van stimuleringsgebieden is een vorm van maatwerk en gebeurt in overleg met de betrokken gemeente. In de maatwerk-afweging worden alle relevante gebiedspecifieke ruimtelijke- en energiebelangen meegewogen. In ieder geval speelt het aspect ruimtelijke kwaliteit een bepalende rol. Het gaat dan om de vraag of afwijkende opstellingen voor zonne-energie passend zijn bij het karakter van de betreffende locatie, gelet op de ambities en ontwikkelprincipes uit de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie 2018. Maar ook andere ruimtelijke belangen, als ecologie en landbouw, wegen mee. Verder wegen de aspecten lokaal draagvlak en bijdrage aan de energietransitie (zoals: netaansluiting, energetisch rendement, innovativiteit) mee in de beoordeling. Als een afweging leidt tot de conclusie dat de criteria uit artikel 2 voor een bepaalde locatie onevenredig belemmerend werken, kan deze locatie als stimuleringsgebied worden opgenomen. In het bijzonder moet worden gedacht aan locaties waar middels opstellingen voor zonne-energie een substantiële bijdrage kan worden geleverd aan opgaven in de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld op het gebied van landbouw, biodiversiteit of klimaatadaptatie.

GS leggen de locatie en de omvang van stimuleringsgebieden zonne-energie vast door de geometrische begrenzing van de locatie op te nemen in bijlage 1 bij deze Uitvoeringsregeling. Dit gebeurt niet eerder dan nadat Provinciale Staten met dit voornemen hebben ingestemd.

De regels ten aanzien van de inpassing van de opstelling voor zonne-energie (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling) zijn wel van toepassing. Ook artikel 32a PRV is onverkort van toepassing. Dit betekent dat ook in een stimuleringsgebied zonne-opstellingen alleen via een omgevingsvergunning voor een periode van maximaal 25 jaar kunnen worden vergund en dat stimuleringsgebieden niet liggen binnen Natuurnetwerk Nederland, werelderfgoed Stelling van Amsterdam, bufferzones of weidevogelleefgebieden.

Stimuleringsgebied zonne-energie Groene Hoek

Op 5 april 2017 heeft het college van de gemeente Haarlemmermeer per brief een verzoek tot stimuleringsgebied aangedragen voor de locatie “Groene Hoek”. Het plan voor een zonnepark op de locatie Groene Hoek, Hoofddorp stamt al uit 2015. In maart 2016 heeft de gemeente omgevingsvergunning verleend voor een ontwikkeling van een zonnepark van 26,5 hectare in dit gebied. Op dat moment was er nog geen formeel provinciaal afwegingskader. Later is de wens ontstaan voor een uitbreiding tot 50 hectare. Groene Hoek ligt in het dynamische deel van de Haarlemmermeer, tussen Schiphol, Rijksweg A4 en Hoofddorp. Vanuit de gemeente Haarlemmermeer is er brede steun voor deze locatie. Onder andere vanwege haar geïsoleerde ligging ten opzichte van ander landelijk gebied; in dezen het gemeentelijk aangewezen agrarisch kerngebied van de Haarlemmermeer. Bovendien past dit initiatief binnen de lokale en regionale ambities voor duurzame energie. De wijze waarop het plan zal worden gerealiseerd voldoet verder - op de hoogte van de opstelling na - aan de randvoorwaarden die de provincie aan zonneparken stelt. Bovendien is het plan onderbouwd met een uitgebreid landschapsplan waarin een goede ruimtelijke inpassing in de omgeving is voorzien. De hoogte van 2 meter is strikt genomen strijdig met het beleid voor zon, maar de initiatiefnemer geeft in het landschapsplan overtuigend aan dat door de specifieke verlaagde ligging van het perceel ten opzichte van de omliggende wegen en bebouwing het met de hoogtebeperking bedoelde effect wél wordt gerealiseerd. Doordat het veld zo’n 40 cm onder straatniveau van de Rijnlanderweg ligt, blijft vanuit de woningen het zicht over het veld op ooghoogte behouden.