Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR622798
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR622798/9
Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland
Geldend van 04-04-2025 t/m heden
Intitulé
Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren FlevolandGedeputeerde Staten maken, gelet op het bepaalde in artikel 136 eerste lid van de Provinciewet, bekend dat zij bij besluit van 19 maart 2019, nummer 2385562 hebben vastgesteld de:
Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland
Gedeputeerde Staten van Flevoland,
Overwegende dat:
de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 december 2014 een Samenwerkingsagenda hebben ondertekend met de minister van Economische Zaken en vertegenwoordigers van de nationale topsectoren en MKB-Nederland, waarin onder andere is afgesproken om te komen tot stroomlijning van het financiële instrumentarium om innovatie bij het MKB te stimuleren en deze afspraken opnieuw zijn vastgelegd in de MKB-samenwerkingsagenda 2018-2019 op 29 juni 2018;
het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;
de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 een procedureel kader geeft voor subsidiering van activiteiten die passen in het provinciaal beleid;
in deze Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid is toegekend om nadere regels vast te stellen die onder meer betrekking hebben op subsidiecriteria;
ter rechtvaardiging van deze subsidie daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing worden geacht: de artikelen 25 en 28 van verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 (Algemene Groepsvrijstellingsverordening, hierna: AGVV).
Gelet op het bepaalde in artikel 4, eerste lid van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023,
Besluiten:
Vast te stellen de volgende nadere regels:
Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland
1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze nadere regels wordt verstaan onder:
- a.
algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;
- b.
arm's length-voorwaarden: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen die niet afwijken van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en die geen enkele vorm van heimelijke instandhouding behelzen. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;
- c.
ASF 2023: de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023;
- d.
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- e.
cross-over: samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld;
- f.
experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten; dit kan activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele ontwikkeling, de planning en documenteren van alternatieve producten, procedés of diensten.
Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatie doeleinden.
Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.
- g.
haalbaarheidsproject: onderzoek naar en de analyse van het potentieel van nieuwe of het aanmerkelijk vernieuwen van producten, procedés of diensten, inclusief trial and error onderzoek, (het onderzoek doen naar en uitvoeren van testen om antwoord te krijgen op technische haalbaarheidsvragen), met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn
- h.
industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren; het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;
- i.
innovatie: technologisch nieuw product, productieproces of dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product, productieproces of dienst;
- j.
Nieuwe en innovatieve technologie: een ten opzichte van de huidige stand van de techniek nieuwe en nog niet bewezen technologie, die een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt en geen optimalisatie of opschaling is van een bestaande technologie;
- k.
KIA: Kennis- en Innovatieagenda, als bedoelt in Bijlage 3.4.1. behorende bij artikelen 3.3.2, eerste lid, en 3.4.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
- l.
MIT-haalbaarheidsproject: een project ten behoeve van een innovatie dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie of een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;
- m.
MIT-R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerkingen voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband;
- n.
MIT-R&D-samenwerkingsverband (samenwerkingsverband): verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemingen, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject;
- o.
kennisinstelling:
- 1.
onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;
- 2.
andere dan onder 1. bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
- 3.
een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:
- a.
openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1.;
- b.
onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
- a.
- 4.
een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder 1., 2. of 3. direct of indirect:
- a.
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;
- b.
volledig aansprakelijk vennoot is; of,
- c.
overwegende zeggenschap heeft;
- a.
- 5.
een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder 1. tot en met 4.;
- 1.
- p.
MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);
- q.
project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;
- r.
projectsubsidie: subsidie voor een project in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen;
- s.
topsectoren: sectoren uit het landelijke Topsectorenbeleid waar Flevoland op wil excelleren;
- t.
vestiging: vestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j van de Handelsregisterwet 2007.
- u.
directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen, van de werknemers die deelnemen aan het project.
Artikel 1.2 Doelgroep
Subsidie op grond van deze nadere regels kan worden verstrekt aan MKB-ondernemingen die op het moment van aanvragen en gedurende de gehele looptijd van het project een vestiging hebben in de provincie Flevoland en daar ondernemingsactiviteiten uitvoert.
Artikel 1.3 Openstelling
-
1. Op grond van deze nadere regels kan alleen een subsidieaanvraag worden ingediend wanneer Gedeputeerde Staten van Flevoland een openstellingsbesluit vaststellen.
-
2. Gedeputeerde Staten van Flevoland stellen per openstellingsbesluit vast:
- a.
één of meer subsidieplafonds;
- b.
Één of meer KIA’s en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan;
- c.
één of meer onderwerpen waaraan prioriteit wordt toegekend bij aanvragen die worden ingediend in de aanvraagperiode die bij dezelfde publicatie bekend wordt gemaakt;
- d.
per plafond een periode waarbinnen een subsidieaanvraag moet zijn ontvangen.
- a.
Artikel 1.4 Subsidievorm
-
1. Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze nadere regels projectsubsidies.
-
2. Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.
Artikel 1.5 Weigeringsgronden algemeen
Subsidie op grond van deze nadere regels wordt geweigerd indien:
- 1.
het aangevraagde subsidiebedrag lager is dan € 2.500;
- 2.
gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of openbare orde;
- 3.
ter zake van de subsidiabele kosten verplichtingen zijn aangegaan voor ontvangst van de aanvraag;
- 4.
ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, uitstaat;
- 5.
de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is;
- 6.
aan aanvrager voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt op grond van deze nadere regels of soortgelijke regels bij andere provincies of het Rijk rondom de MIT;
- 7.
het project niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling;
- 8.
het project niet in overeenstemming is met het doel van deze regeling;
- 9.
de onderneming de subsidie wil aanwenden voor een project waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een dergelijk project.
- 10.
De aanvrager mag per indieningstermijn zoals genoemd in artikel 1.3 tweede lid sub d maximaal 1 keer subsidie aanvragen op basis van deze subsidieregeling. Als de aanvragende Mkb-onderneming onderdeel van een partneronderneming of verbonden onderneming is, dan geldt dat per partneronderneming of verbonden onderneming maximaal 1 keer een subsidie aangevraagd mag worden per indieningstermijn zoals genoemd in artikel 1.3 tweede lid sub d. Voor de uitleg van partnerondernemingen en verbonden ondernemingen geldt Bijlage I, artikel 3 lid 2 en 3 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
- 11.
Als een Mkb-onderneming, een partneronderneming of een verbonden onderneming meer dan 1 aanvraag indient, dan wordt de aanvraag die als eerst is ontvangen in behandeling genomen. De andere aanvragen worden afgewezen.
Artikel 1.6 Vereisten algemeen
-
1. Om voor subsidie op grond van deze nadere regels in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:
- a.
de aanvrager is een MKB-onderneming die is gevestigd in Flevoland en de te subsidiëren activiteiten dienen ten goede te komen aan de vestiging in de provincie Flevoland;
- b.
het project dan wel het te ontwikkelen innovatief product, productieproces of dienst maakt onderdeel uit van dan wel is gericht op:
- 1.
de KIA’s als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b.; of
- 2.
crossovers van een of meerdere KIA’s als bedoeld onder 1.
- 1.
- c.
het project past binnen een of meerdere thema’s uit de missies en sleuteltechnologieën als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b;
- d.
de aanvraag betreft een eenmalig project;
- e.
de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager.
- a.
-
2. Een aanvraag moet worden ingediend via de website van provincie Flevoland. De aanvrager maakt voor het indienen van de aanvraag gebruik van het format projectplan voor MIT- haalbaarheidsprojecten of MIT R&D samenwerkingsprojecten, dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en te vinden is op de website van de provincie Flevoland. De aanvrager verschaft alle informatie, die in dit formulier wordt gevraagd.
Artikel 1.7 Berekeningswijze subsidiabele kosten
-
1. Wanneer de subsidieontvanger bij het bepalen van de subsidiabele kosten werkt met vaste uurtarieven kan hij – gelet op het bepaalde in artikel 31 van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 dat hij inzichtelijk dient te maken hoe de uurtarieven tot stand komen - gebruik maken van een van de volgende systematieken:
- a.
de loonkosten plus opslag, waarbij voor de berekening van de loonkosten de volgende formule wordt gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten;
- b.
het hanteren van een forfaitair vastgesteld uurtarief.
- a.
-
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 31, eerste lid sub a van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 bedraagt het forfaitair vastgesteld uurtarief € 60 per uur.
-
3. Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.
Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten
Onverminderd artikel 9 van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
- a.
kosten gemaakt voor de startdatum van het project;
- b.
kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.
Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag
-
1. Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:
- a.
subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier;
- b.
een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.
- a.
-
2. Onverminderd het eerste lid worden aanvragen voor MIT-Haalbaarheidsprojecten in ieder geval voorzien van de volgende bijlagen:
- a.
Een projectplan volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;
- b.
Een mkb-verklaring volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;
- c.
Meest recente jaarrekening;
- d.
Een kopie bankafschrift of bankpas;
- e.
Verklaring geen financiële moeilijkheden volgens het model dat op de website van de provincie beschikbaar is gesteld;
- f.
Indien de aanvraag wordt ingediend door een intermediair, een machtigingsformulier volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld
- g.
Indien er kosten begroot zijn voor het inhuren van derden, offerte(s) van deskundigen(n) en/of leverancier(s)
- h.
Indien verbonden- of partnerondernemingen ook kosten maken binnen het project, een instemmingsverklaring volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld.
- a.
-
3. Onverminderd het eerste lid worden aanvragen voor R&D-Samenwerkingsprojecten in ieder geval voorzien van de volgende bijlagen:
- a.
Een projectplan volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;
- b.
Een mkb-verklaring volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;
- c.
Meest recente jaarrekening;
- d.
Een begroting volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;
- e.
Een kopie bankafschrift of bankpas;
- f.
Verklaring geen financiële moeilijkheden volgens het model dat op de website van de provincie beschikbaar is gesteld;
- g.
Indien de aanvraag wordt ingediend door een intermediair, een machtigingsformulier volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld
- h.
Indien er kosten begroot zijn voor het inhuren van derden, offerte(s) van deskundigen(n) en/of leverancier(s)
- i.
Indien verbonden- of partnerondernemingen ook kosten maken binnen het project, een instemmingsverklaring volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;
- j.
Een formulier penvoerder volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;
- k.
Een formulier projectpartner(s) volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld.
- a.
-
4. Een aanvraag is tijdig ingediend indien die voor het einde van de periode als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub d is ontvangen.
-
5. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluiting van de openstellingsperiode alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.
Artikel 1.10 Verantwoording
[vervallen]
2. MIT- HAALBAARHEIDSPROJECT
Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten
Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een MIT-haalbaarheidsproject passend bij ten minste één KIA’s en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan, als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b., al dan niet in combinatie met een andere KIA.
Artikel 2.2 Vereisten MIT-haalbaarheidsproject
-
1. Onverminderd artikel 1.6, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:
- a.
het project bestaat voor:
- 1.
tenminste 60 % uit haalbaarheidsstudie;
- 2.
ten hoogste 40 % uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.
Deze verdeling wordt vastgesteld aan de hand van de uitsplitsing van de subsidiabele kosten;
- 1.
- b.
het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst;
- c.
het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen;
- d.
het project geeft voldoende inzicht in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst.
- a.
-
2. Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit hoofdstuk I en artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.3 Weigeringsgronden MIT-haalbaarheidsproject
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 van deze regeling wordt subsidie geweigerd indien:
- 1.
de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om het haalbaarheidsproject te rechtvaardigen;
- 2.
het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft;
- 3.
het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in of onvoldoende impact realiseert met betrekking tot de verwachte bijdrage aan de programma’s of plannen behorende bij de opengestelde KIA’s als bedoelt in artikel 1.3 tweede lid sub b, die te vinden zijn in bijlage 1, behorende bij artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies;
- 4.
de aanvrager per indieningstermijn zoals genoemd in artikel 1.3 tweede lid sub d meer dan één aanvraag op grond van deze paragraaf heeft ingediend;
- 5.
onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de voorgenomen activiteiten;
- 6.
onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de voorgenomen activiteiten;
- 7.
onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de voorgenomen activiteiten naar behoren uit te voeren;
- 8.
de verplichte bijlagen bij de subsidieaanvraag niet of niet volledig zijn ingevuld;
- 9.
de subsidiabele activiteiten hoofdzakelijk ten goede komen aan een vestiging buiten de provincie Flevoland;
- 10.
de subsidie wordt aangewend voor activiteiten waarvoor reeds op grond van deze paragraaf subsidie is verstrekt, of die daarmee samenhangen of daaruit voortvloeien.
Artikel 2.4 Subsidiabele kosten
-
1. Indien de subsidie betrekking heeft op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek, zijn de volgende kosten subsidiabel:
- a.
personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;
- b.
kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkend boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;
- c.
kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede . kosten voor onafhankelijke consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;
- d.
bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.
- e.
Met betrekking tot de haalbaarheidsstudie zijn enkel de kosten van de studie subsidiabel.
- a.
Artikel 2.5 Subsidiehoogte
-
1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1 bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 20.000 per aanvraag.
-
2. Het percentage bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.
Artikel 2.6 Verdeelcriteria
-
1. Het subsidieplafond, als bedoeld in artikel 1.3 tweede lid sub a, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.
-
2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.
-
3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.
Artikel 2.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger
Onverminderd hoofdstuk 4 van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1 in ieder geval de volgende verplichtingen:
- a.
het project wordt uiterlijk vier maanden na de beschikking tot subsidieverlening gestart;
- b.
het project wordt uiterlijk 12 maanden na de start van het project gerealiseerd.
- c.
In afwijking van sub b kan op basis van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager de in het sub b genoemde termijn met maximaal 6 maanden worden verlengd.
Artikel 2.8 Vaststelling
-
1. De subsidie wordt direct vastgesteld waarbij uitgegaan wordt van een inschatting van de werkelijke kosten zoals die uit de bij de aanvraag ingediende begroting blijkt. De subsidie wordt in een keer uitbetaald.
-
2. De beschikking tot directe subsidievaststelling vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en de wijze waarop de aanvrager via een schriftelijke melding aan Gedeputeerde Staten, moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn verricht, de werkelijke kosten worden vermeld en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen en resultaten.
-
3. Wanneer uit de melding van de aanvrager blijkt dat de werkelijke kosten lager zijn dan ingeschat, wordt de beschikking tot subsidievaststelling naar rato van de werkelijke kosten bepaald en het teveel ontvangen bedrag aan subsidie van de aanvrager teruggevorderd.
3. MIT-R&D SAMENWERKINGSPROJECT
Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten
Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een MIT-R&D-samenwerkingsproject passend bij ten minste één KIA en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan, als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b., al dan niet in combinatie met een andere KIA.
Artikel 3.2 Vereisten
-
1. Onverminderd artikel 1.6, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:
- a.
aanvrager neemt deel aan een samenwerkingsverband van ten minste twee MKB-ondernemingen;
- b.
het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project;
- c.
het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, heeft geen rechtspersoonlijkheid;
- d.
het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband;
- e.
deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn niet anderszins met elkaar verbonden dan in het samenwerkingsverband;
- f.
geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening;
- g.
ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemers die zijn gevestigd in Provincie Flevoland;
- h.
het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
- i.
het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor:
- 1.
de deelnemers in het samenwerkingsverband; of,
- 2.
de topclusters en topsectoren; of,
- 3.
de Flevolandse economie.
- 1.
- j.
het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkens:
- 1.
complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
- 2.
capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
- 3.
de kwaliteit van de projectorganisatie.
- 1.
- k.
het project draagt bij aan:
- 1.
vernieuwing van producten, processen of diensten; of,
- 2.
wezenlijke nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten;
- 1.
- l.
het project scoort tenminste 50 punten op de criteria als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
- a.
-
2. Onverminderd het eerste lid, wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1, in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit hoofdstuk I en artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.3 Subsidiabele kosten
Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 de kosten in aanmerking genoemd in artikel 25, derde lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.4 Subsidiehoogte
-
1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per R&D-samenwerkingsproject.
-
2. Het percentage, bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.
-
3. De totale subsidie wordt niet verstrekt, indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat:
- a.
het subsidiebedrag lager zou zijn dan € 50.000; of,
- b.
het deel van de subsidie dat aan een deelnemer van het samenwerkingsverband toekomt:
- 1.
meer bedraagt dan € 100.000 bij kleine R&D-samenwerkingsprojecten met subsidiabele kosten tot en met maximaal €200.000; of
- 2.
meer bedraagt dan € 175.000 bij grote R&D-samenwerkingsprojecten met subsidiabele kosten van € 200.000 tot en met maximaal €350.000.
- 1.
- c.
indien een MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband ten behoeve van hetzelfde MIT-R&D-samenwerkingsproject reeds subsidie heeft aangevraagd of ontvangen. Subsidie wordt voorts geweigerd indien een MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband binnen het ten tijde van de aanvraag geldende subsidieplafond reeds subsidie heeft ontvangen;
- d.
voor zover door verstrekking van subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden, wordt de subsidie geheel geweigerd;
- a.
Artikel 3.5 Verdeelcriteria
-
1. Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de beoordeling van de aanvraag.
-
2. De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria:
- I.
De mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht
- II.
De mate waarin economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers van het samenwerkingsverband, de topclusters / topsectoren en/of de Flevolandse economie
- III.
De mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid sub a, tenminste blijkend uit de kwaliteit van het projectplan, de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie
- IV.
De mate waarin het project in de markt tot maatschappelijke impact gaat leiden
- I.
-
3. Voor ieder criterium, genoemd in het tweede lid, sub I, II, II, en IV wordt ten hoogste 25 punten toegekend volgens de bij deze nadere regels behorende scoretabel in bijlage 1.
-
4. Subsidieaanvragen die voor enig criterium, genoemd in het tweede lid, sub I, II, III en IV minder dan 10 punten scoren en die op basis van de criteria genoemd in het tweede lid in totaal minder dan 50 punten scoren worden niet in de prioriteitsvolgorde meegenomen en worden afgewezen.
-
5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid wordt voor het bepalen van het totaal aantal punten van een aanvraag waaraan prioriteit wordt toegekend op grond van artikel 1.3 tweede lid sub c, het aantal punten voor het criterium genoemd in het tweede lid sub IV verdubbeld.
-
6. Indien na toepassing van het eerste lid, en artikel 3.2, onder j, blijkt dat de binnen de periode als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub d ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, zoals bedoeld in artikel 1.3 tweede lid sub a, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.
-
7. Maximaal 50% van het subsidieplafond voor R&D-Samenwerkingsprojecten zoals bedoelt in artikel 1.3, tweede lid sub a, mag worden besteed aan grote R&D-samenwerkingsprojecten met subsidiabele kosten van € 200.000 tot en met maximaal € 350.000. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen voor grote R&D-samenwerkingsprojecten wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden. In het geval van onderuitputting van kleine R&D-samenwerkingsprojecten met subsidiable kosten tot en met maximaal €200.000, kan dit alsnog ingezet worden voor grote R&D-samenwerkingsprojecten.
-
8. Indien toepassing van het tweede lid, ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.
Artikel 3.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger
Onverminderd hoofdstuk 4 van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 in ieder geval de volgende verplichtingen:
- 1.
Het project wordt uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag gestart.
- 2.
Het project wordt uiterlijk 24 maanden na de start van het project gerealiseerd.
- 3.
In afwijking van lid 2 kan op basis van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager, de in het tweede lid genoemde termijn met maximaal 12 maanden worden verlengd.
- 4.
De subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt.
- 5.
De subsidieontvanger houdt een administratie bij van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 3.7 Bevoorschotting
-
1. Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag.
-
2. Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.
-
3. Gedeputeerde staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.
-
4. De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 3.8 Vaststelling
Uiterlijk 13 weken na realisatie van het project wordt een verzoek tot subsidievaststelling ingediend conform hoofdstuk 5 van de ASF 2023.
4. Slotbepalingen
Artikel 4.1 Inwerkingtreding
Deze nadere regels treden in werking met ingang van 1 april 2019 en vervallen met ingang van een door Gedeputeerde Staten vast te stellen datum.
Artikel 4.2 Citeertitel
Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Flevoland van 19 maart 2019.
de secretaris, de voorzitter,
De secretaris van Gedeputeerde Staten van Flevoland
Bijlage 1: Scoretabel MIT-R&D Samenwerkingsprojecten
Criterium |
Punten |
Score |
i. De mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat |
||
|
Matig (1), voldoende (5), goed (10) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (5), goed (10) |
|
ii. de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers van het samenwerkingsverband, de topclusters / topsectoren en/of de Flevolandse economie, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat: |
||
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
iii. de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, ondera, te bepalen op basisvan de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat sprake is van: |
||
|
Matig (1), voldoende (5), goed (10) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
iv. de mate waarin het project in de markt tot maatschappelijk impact gaat leiden, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat: |
||
|
Matig (1), voldoende (5), goed (10) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
|
|
Matig (1), voldoende (3), goed (5) |
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1.1 sub g
Trial and error
Met trial and error wordt bedoeld het experimenteel onderzoek doen naar en uitvoeren van testen om antwoord te krijgen op technische haalbaarheidsvragen zoals die in het projectplan beschreven zijn. Denk bij trial en error onderzoek bijvoorbeeld aan het uitvoeren van testen welk materiaal het beste gebruikt kan worden, welke technologie kan worden toegepast, hoe bepaalde elementen interactie hebben met elkaar of welke combinaties in potentie geschikt kunnen zijn. Trial en error onderzoek heeft als doel inzichtelijk te maken of het beoogde nieuwe product, proces of dienst technisch gezien haalbaar is, zodat dit in een later stadium in een ontwikkelingsproject een grotere kans van slagen heeft omdat u beter inzicht heeft in wat wel en wat niet zou kunnen werken. Binnen trial en error kan niet een prototype van het uiteindelijk beoogde product, proces of dienst worden gemaakt, net zo min als het testen van prototypes onder reële omstandigheden. In dat geval bent u namelijk aan het ontwikkelen. Het is wel mogelijk om prototypes van onderdelen of elementen te maken die u in een laboratoriumomgeving of digitale onderzoeksomgeving gaat testen, zolang deze maar gericht zijn op het beantwoorden van een technische haalbaarheidsvraag.
Artikel 1.5 lid 3
Weigeringsgrond stimulerend effect (artikel 6 algemene groepsvrijstellingsverordening)
Er is geen sprake van een stimulerend effect indien ter zake van de subsidiabele kosten verplichtingen zijn aangegaan vóór ontvangst van de aanvraag.
Onder het aangaan van verplichtingen wordt bijvoorbeeld verstaan het (mondeling) bevestigen van een opdracht aan een deskundige of een ondertekening voor akkoord van een offerte. Indien een verplichting is aangegaan vóór ontvangst van de aanvraag wordt géén subsidie verleend. In het geval er voor een deel van de opgevoerde projectkosten de verplichting vóór ontvangst van de aanvraag is aangegaan, dan zal de gehele aanvraag worden afgewezen.
Artikel 1.7
Forfaitair uurtarief en indirecte kosten
Het forfaitaire uurtarief van € 60,- bestaat uit een basis uurtarief met een opslag voor de indirecte kosten. Dit betekent dat de indirecte kosten die verdisconteerd zijn in het forfaitaire tarief niet afzonderlijk gedeclareerd kunnen worden, omdat deze kosten dan tweemaal gesubsidieerd zouden worden.
Het forfaitaire uurtarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering en ook bij eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband. In laatstgenoemd geval dient er een verklaring ‘niet-verloning’ aangeleverd te worden bij de aanvraag.
De kosten van administratief personeel dat wordt ingezet voor het project mogen niet worden opgevoerd als personeelskosten met een forfaitair uurtarief voor € 60,-. Omdat deze kosten niet rechtstreeks uit het project voortvloeien zijn dergelijke kosten verdisconteerd in de toeslag op het forfaitair uurtarief.
Inhoudelijk projectmanagement door eigen personeel valt onder de personeelskosten. Kosten van een directeur die incidenteel projectmanagement doet dat niet inhoudelijk van aard is valt hier niet onder.
Dergelijke kosten vallen onder de opslag voor de overheadkosten die zijn verdisconteerd in de toeslag op het forfaitair uurtarief.
Artikel 1.8
Niet subsidiabele kosten
In artikel 9 van de ASF 2023 is opgenomen welke kosten niet subsidiabel zijn.
Hieronder een aantal voorbeelden van kosten die in geen enkel geval subsidiabel zijn:
- a.
administratieve en financiële sancties en boetes;
- b.
winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;
- c.
fooien en geschenken;
- d.
representatiekosten- en vergoedingen;
- e.
kosten van personeelsactiviteiten;
- f.
gratificaties en bonussen;
- g.
kosten van een outplacementtraject;
- h.
kosten voor vrijwilligers;
- i.
consumpties;
- j.
stagevergoeding;
- k.
kosten voor marketing, promotie en publiciteit voor marktintroductie;
- l.
buitenlandse reis- en verblijfkosten en overheadkosten.
Deze opsomming is niet limitatief.
Artikel 2.4 lid 2
Afschrijvingskosten
Kosten voor het gebruik van materiële vaste activa, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Dit geldt voor zowel materiële vaste activa die in bezit zijn als voor materiële vaste activa die nog worden aangeschaft ten behoeve van de te subsidiëren activiteit.
Artikel 2.4 lid 4
Consultancykosten
Onder kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gemaakt vallen niet accountantskosten. Ook kosten voor het inschakelen van derden die advies geven om te voldoen aan wet- en regelgeving om producten en diensten op de markt te brengen vallen hier niet onder.
Indien er sprake is van het inschakelen van een derde, dient deze onafhankelijk te zijn van de aanvragende onderneming. In dat kader wordt onder andere in de volgende situaties geoordeeld dat er geen sprake is van onafhankelijkheid:
- •
als er reeds sprake is van een duurzame zakelijke relatie tussen aanvragende onderneming en derde;
- •
als de derde een (financieel) belang in de aanvragende onderneming heeft;
- •
als de aanvragende onderneming een (financieel) belang heeft in de onderneming van derde;
- •
als de directeur van de aanvragende onderneming ook de directeur van de onderneming van derde is;
- •
als de externe deskundige ten tijde van de aanvraag vergelijkbare werkzaamheden uitvoert voor de aanvragende onderneming;
Deze opsomming is niet limitatief.
Artikel 2.4 lid 5
Haalbaarheidsstudie
Definitie conform de Algemene groepsvrijstellingsverordening artikel 2 lid 87, luidend: Het onderzoek en de analyse van het potentieel van het project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn.
Bij een haalbaarheidsstudie kunt u bijvoorbeeld denken aan:
- -
literatuuronderzoek;
- -
octrooionderzoek;
- -
inventarisatie van beschikbare technologie en potentiële partners;
- -
het opstellen van modellen en berekeningen om te onderzoeken of een idee technisch haalbaar is;
- -
marktverkenning;
- -
concurrentieanalyse
Artikel 3.3
Huurkosten voor gebouwen en apparatuur die voor de reguliere activiteiten wordt gebruikt is niet subsidiabel. Deze kosten vloeien niet rechtstreeks voort uit het project.
Huurkosten van bedrijfsruimte en apparatuur die specifiek voor de uitvoering van het project worden gehuurd, worden aangemerkt als kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het project.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl