Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Geldend van 27-04-2022 t/m heden

Intitulé

Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Gedeputeerde Staten maken, gelet op het bepaalde in artikel 136 eerste lid van de Provinciewet, bekend dat zij bij besluit van 19 maart 2019, nummer 2385562 hebben vastgesteld de:

Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

Overwegende dat:

de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 december 2014 een Samenwerkingsagenda hebben ondertekend met de minister van Economische Zaken en vertegenwoordigers van de nationale topsectoren en MKB-Nederland, waarin onder andere is afgesproken om te komen tot stroomlijning van het financiële instrumentarium om innovatie bij het MKB te stimuleren en deze afspraken opnieuw zijn vastgelegd in de MKB-samenwerkingsagenda 2018-2019 op 29 juni 2018;

het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;

de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012 een procedureel kader geeft voor subsidiering van activiteiten die passen in het provinciaal beleid;

in deze Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012 aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid is toegekend om nadere regels vast te stellen die onder meer betrekking hebben op subsidiecriteria;

ter rechtvaardiging van deze subsidie daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing worden geacht: a. de artikelen 25 en 28 van verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 (algemene groepsvrijstellingsverordening); b. Verordening (EG) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013 (de-minimisverordening);

Gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012,

Besluiten:

Vast te stellen de volgende nadere regels:

Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    arm's length-voorwaarden: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen die niet afwijken van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en die geen enkele vorm van heimelijke instandhouding behelzen. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    cross-over: samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld;

  • e.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimisverordening;

  • f.

    de-minimisverordening: Verordening (EU) N1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013;

  • g.

    experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten; dit kan activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele ontwikkeling, de planning en documenteren van alternatieve producten, procedés of diensten.

    Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatie doeleinden.

    Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.

  • h.

    Haalbaarheidsproject: onderzoek naar en de analyse van het potentieel van nieuwe of het aanmerkelijk vernieuwen van producten, procedés of diensten, inclusief trial and error onderzoek, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn.

  • i.

    industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren; het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

  • j.

    innovatie: technologisch nieuw product, productieproces of dienst;

  • k.

    innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;

  • l.

    innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;

  • m.

    innovatieprogramma’s Topsectoren: thema’s zoals omschreven in de programma’s, agenda’s of plannen als bedoeld in artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV- subsidies voor de topsectoren;

  • n.

    innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;

  • o.

    KIA: Kennis- en Innovatieagenda, waarbij voor deze regeling de volgende KIA’s van toepassing zijn:

    1. KIA Energie en Duurzaamheid

    2. KIA Gezondheid en Zorg

    3. KIA Landbouw, Water en Voedsel

    4. KIA Veiligheid

    5. KIA Sleuteltechnologieën

    6. KIA Maatschappelijk Verdienvermogen

    Voor meer informatie, zie bijlage 1.

  • p.

    MIT-haalbaarheidsproject: een project ten behoeve van een innovatie dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie of een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;

  • q.

    MIT-R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerkingen voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband;

  • r.

    MIT-R&D-samenwerkingsverband (samenwerkingsverband): verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemingen, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject;

  • s.

    kennisinstelling:

    • 1.

      onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;

    • 2.

      andere dan onder 1. bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • 3.

      een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • a.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1.;

      • b.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • 4.

      een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder 1., 2. of 3. direct of indirect:

      • a.

        meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;

      • b.

        volledig aansprakelijk vennoot is; of,

      • c.

        overwegende zeggenschap heeft;

    • 5.

      een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder 1. tot en met 4.;

  • t.

    MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • u.

    project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

  • v.

    projectsubsidie: subsidie voor een project in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen;

  • w.

    topsectoren: sectoren uit het landelijke Topsectorenbeleid waar Flevoland op wil excelleren;

  • x.

    vestiging: vestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j van de Handelsregisterwet 2007.

  • y.

    directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen, van de werknemers die deelnemen aan het project.

  • z.

    [vervallen]

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze nadere regels kan worden verstrekt aan MKB-ondernemingen die op het moment van aanvragen en gedurende de gehele looptijd van het project een vestiging hebben in de provincie Flevoland en daar ondernemingsactiviteiten uitvoert.

Artikel 1.3 Openstelling

  • 1. Op grond van deze nadere regels kan alleen een subsidieaanvraag worden ingediend wanneer Gedeputeerde Staten van Flevoland een openstellingsbesluit vaststellen.

  • 2. Gedeputeerde Staten van Flevoland stellen per openstellingsbesluit vast:

    • a.

      één of meer subsidieplafonds;

    • b.

      Één of meer KIA’s en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan;

    • c.

      per plafond een periode waarbinnen een subsidieaanvraag moet zijn ontvangen.

Artikel 1.4 Subsidievorm

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze nadere regels projectsubsidies.

  • 2. Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden algemeen

Subsidie op grond van deze nadere regels wordt geweigerd indien:

  • 1.

    het aangevraagde bedrag minder bedraagt dan € 2.500;

  • 2.

    gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of openbare orde;

  • 3.

    de subsidie geen stimulerend effect, als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, heeft;

  • 4.

    ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, uitstaat;

  • 5.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is;

  • 6.

    aan aanvrager voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt op grond van deze nadere regels of soortgelijke regels bij andere provincies of het Rijk rondom de MIT.

  • 7.

    het project niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling;

  • 8.

    het project niet in overeenstemming is met het doel van deze regeling;

  • 9.

    de onderneming de subsidie wil aanwenden voor een project waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een dergelijk project.

Artikel 1.6 Vereisten algemeen

  • 1. Om voor subsidie op grond van deze nadere regels in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aanvrager is een MKB-onderneming die is gevestigd in Flevoland;

    • b.

      het project dan wel het te ontwikkelen innovatief product, productieproces of dienst maakt onderdeel uit van dan wel is gericht op:

      • 1.

        de KIA’s als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b.; of

      • 2.

        crossovers van een of meerdere KIA’s als bedoeld onder 1.

    • c.

      het project past binnen een of meerdere thema’s uit de missies en sleuteltechnologieën als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b.

    • d.

      de aanvraag betreft een eenmalig project;

    • e.

      de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager.

  • 2. Een aanvraag moet worden ingediend via de website van provincie Flevoland. De aanvrager maakt voor het indienen van de aanvraag gebruik van het format projectplan voor MIT- haalbaarheidsprojecten of MIT R&D samenwerkingsprojecten, dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en te vinden is op de website van de provincie Flevoland. De aanvrager verschaft alle informatie, die in dit formulier wordt gevraagd.

Artikel 1.7 Berekeningswijze subsidiabele kosten

  • 1. Wanneer de subsidieontvanger bij het bepalen van de subsidiabele kosten werkt met vaste uurtarieven kan hij – gelet op het bepaalde in artikel 27 van het Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012 dat hij inzichtelijk dient te maken hoe de uurtarieven tot stand komen - gebruik maken van een van de volgende systematieken:

    • a.

      de loonkosten plus opslag, waarbij voor de berekening van de loonkosten de volgende formule wordt gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten;

    • b.

      het hanteren van een forfaitair vastgesteld uurtarief.

  • 2. Het forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt € 35 per uur.

  • 3. Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 6 van de Algemene subsidieverordening Flevoland 2012 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor de startdatum van het project;

  • b.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:

    • a.

      subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier;

    • b.

      een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

  • 2. Een aanvraag is tijdig ingediend indien die voor het einde van de periode als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub c is ontvangen.

  • 3. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluiting van de openstellingsperiode alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

Artikel 1.10 Verantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2. MIT-haalbaarheidsproject

Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een MIT-haalbaarheidsproject passend bij ten minste één KIA’s en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan, als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b., al dan niet in combinatie met een andere KIA.

Artikel 2.2 Vereisten MIT-haalbaarheidsproject

  • 1. Onverminderd artikel 1.6, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project bestaat voor:

      • 1.

        tenminste 60 % uit haalbaarheidsstudie;

      • 2.

        ten hoogste 40 % uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

        Deze verdeling wordt vastgesteld aan de hand van de uitsplitsing van de subsidiabele kosten;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst;

    • c.

      het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen;

    • d.

      het project geeft voldoende inzicht in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst.

  • 2. Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een MKB-onderneming die is gevestigd in Flevoland

  • b.

    de aanvraag wordt als volgt beoordeeld:

    Scoretabel 1

    Criterium

    Punten

    Score

    i. De subsidiabele activiteit is innovatief, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat

    • a.

      de innovatie uniek is voor Nederland.

    Matig (1), voldoende (6), goed (10)

     
    • b.

      de innovatie zich onderscheidt ten opzichte van internationale ontwikkelingen of alternatieven.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • c.

      de innovatie een technologisch of organisatorisch risico met zich meebrengt om het project als innovatie te rechtvaardigen.

    Matig (1), voldoende (6), goed (10)

     

    ii. De subsidiabele activiteit heeft economisch perspectief, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

    • d.

      de innovatie marktperspectief heeft.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • e.

      het beoogde verdienmodel haalbaar is.

    Matig (1), voldoende (6), goed (10)

     
    • f.

      het intellectueel eigendom beschermd kan worden.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • g.

      De aanvrager kan aantonen dat hij een marktbenadering kan uitvoeren

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     

    iii. De subsidiabele activiteit is technisch-financieel uitvoerbaar, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

    • h.

      de subsidiabele activiteit binnen de in artikel 2.7 gestelde termijn gerealiseerd kan worden.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • i.

      de uitvoerders vakbekwaam zijn om de subsidiabele activiteit uit te voeren.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • j.

      de risico's voor de uitvoering en bijbehorende beheersmaatregelen zijn uitgewerkt.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • k.

      de subsidiabele activiteit binnen het budget kan worden uitgevoerd.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • l.

      de aanvrager in aanvulling op de subsidie de beschikking heeft over de financiële middelen voor de subsidiabele activiteit.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
  • c.

    de subsidiabele activiteit moet een score van ten minste 35 punten behalen;

  • d.

    voor elk criterium, genoemd onder sub b onder i, ii, of iii moet een score van minimaal 15 punten worden behaald;

  • e.

    de subsidie voldoet aan hoofdstuk I en artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.4 Subsidiabele kosten

  • 1. Indien de subsidie betrekking heeft op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek, zijn de volgende kosten subsidiabel:

    • a.

      personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkend boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • d.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

    • e.

      Met betrekking tot de haalbaarheidsstudie zijn enkel de kosten van de studie subsidiabel.

Artikel 2.5 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1 bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 20.000 per aanvraag.

  • 2. Het percentage bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

Artikel 2.6 Verdeelcriteria

  • 1. Het subsidieplafond, als bedoeld in artikel 1.3 tweede lid, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Onverminderd hoofdstuk 4 van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1 in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project wordt uiterlijk vier maanden na de beschikking tot subsidieverlening gestart;

  • b.

    het project wordt uiterlijk 12 maanden na de start van het project gerealiseerd.

Artikel 2.8 Betaling

De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats.

3. R&D samenwerkingsproject

Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een MIT-R&D-samenwerkingsproject passend bij ten minste één KIA’s en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan, als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub b., al dan niet in combinatie met een andere KIA.

Artikel 3.2 Vereisten

  • 1. Onverminderd artikel 1.6, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager neemt deel aan een samenwerkingsverband van ten minste twee MKB-ondernemingen;

    • b.

      het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project;

    • c.

      het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, heeft geen rechtspersoonlijkheid;

    • d.

      het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband;

    • e.

      deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn niet anderszins met elkaar verbonden dan in het samenwerkingsverband;

    • f.

      geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening;

    • g.

      ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemers die zijn gevestigd in Provincie Flevoland;

    • h.

      het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

    • i.

      het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor:

      • 1.

        de deelnemers in het samenwerkingsverband; of,

      • 2.

        de topclusters en topsectoren; of,

      • 3.

        de Flevolandse economie.

    • j.

      het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkens:

      • 1.

        complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

      • 2.

        capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

      • 3.

        de kwaliteit van de projectorganisatie.

    • k.

      het project draagt bij aan:

      • 1.

        vernieuwing van producten, processen of diensten; of,

      • 2.

        wezenlijke nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten;

    • l.

      het project scoort tenminste 60 punten op de verdeelcriteria als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1, in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.3 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 de kosten in aanmerking genoemd in artikel 25, derde lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.4 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per R&D-samenwerkingsproject.

  • 2. Het percentage, bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

  • 3. De totale subsidie wordt niet verstrekt, indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat:

    • a.

      het subsidiebedrag lager zou zijn dan € 50.000; of,

    • b.

      het deel van de subsidie dat aan een deelnemer van het samenwerkingsverband toekomt meer bedraagt dan:

      • 1.

        € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is; of

      • 2.

        meer bedraagt dan € 175.000 indien het subsidiebedrag hoger dan € 200.000 is.

    • c.

      indien een MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband ten behoeve van hetzelfde MIT-R&D-samenwerkingsproject reeds subsidie heeft aangevraagd of ontvangen. Subsidie wordt voorts geweigerd indien een MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband binnen het ten tijde van de aanvraag geldende subsidieplafond reeds subsidie heeft ontvangen;

    • d.

      voor zover door verstrekking van subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden, wordt de subsidie geheel geweigerd;

    • e.

      indien:

      • 1.

        er voor het criterium, genoemd in artikel 3.2, tweede lid, aanhef en onder a een score van minder dan 10 punten wordt toegekend;

      • 2.

        er voor het criterium, genoemd in artikel 3.2, tweede lid, aanhef en onder b een score van minder dan 10 punten wordt toegekend;

      • 3.

        er voor het criterium, genoemd in artikel 3.2, tweede lid, aanhef en onder c een score van minder dan 10 punten wordt toegekend, en

      • 4.

        aan de subsidiabele activiteit niet ten minste een score van 60 punten wordt toegekend.

Artikel 3.5 Verdeelcriteria

  • 1. Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de beoordeling van de aanvraag.

  • 2. De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria:

    Scoretabel 2

    Criterium

    Punten

    Score

    i. De mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat

    • a.

      de innovatie uniek is voor Nederland.

    Matig (1), voldoende (5), goed (10)

     
    • b.

      de innovatie zich onderscheidt ten opzichte van internationale ontwikkelingen of alternatieven.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • c.

      de innovatie een technologisch of organisatorisch risico met zich meebrengt om het project als innovatie te rechtvaardigen.

    Matig (1), voldoende (5), goed (10)

     

    ii. de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers van het samenwerkingsverband, de topclusters / topsectoren en/of de Flevolandse economie, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

    • d.

      de innovatie marktperspectief heeft.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • e.

      het beoogde verdienmodel haalbaar is.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • f.

      het intellectueel eigendom beschermd kan worden.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • g.

      de aanvrager kan aantonen dat hij een marktbenadering kan uitvoeren.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • h.

      wat de effecten zijn voor de belanghebbenden, als bedoeld onder artikel 3.2 sub i.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     

    iii. de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat sprake is van:

    • i.

      kennis en ervaring van de samenwerkingspartners en de mate waarin de samenwerkingspartners elkaar aanvullen

    Matig (1), voldoende (5), goed (10)

     
    • j.

      de resources en capaciteiten van de samenwerkingspartners

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • k.

      de kwaliteit van de projectorganisatie.

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • l.

      of en hoe er afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de resultaten van het project over de samenwerkingspartners en; of en hoe er afspraken zijn gemaakt over het intellectueel eigendom die uit het project voortkomt

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     

    iv. de mate waarin het project in de markt tot maatschappelijk impact gaat leiden, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

    • m.

      wat de omschrijving van de impact is: wat is de uitkomst/impact van het project? Zitten er ook (negatieve) neveneffecten bij? Hoe belangrijk is deze maatschappelijk impact en waarom?

    Matig (1), voldoende (5), goed (10)

     
    • n.

      wat de omschrijving van wie de maatschappelijke impact gaat merken is:

      Wie voelen de impact van dit project (zowel positief als eventuele (negatieve) neveneffecten)?

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • o.

      wat de meetbare omschrijving van de impact is: wat levert het van maatschappelijke impact op? Per wanneer is dit inzichtelijk (direct, na een poos)? Hoe lang werk dit door (tijdelijk, lange tijd, blijvend)?

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
    • p.

      wat de omschrijving is van de noodzakelijke contributie en risico: wat deze impact sowieso al gerealiseerd als dit project er niet was geweest? Wat is de essentiële bijdrage van dit project? Wat is het risico voor de maatschappij als dit project deze bijdrage niet levert?

    Matig (1), voldoende (3), goed (5)

     
  • 3. Subsidieaanvragen die voor enig criterium, genoemd in het tweede lid, sub I, II, III en IV minder dan 15 punten scoren en die op basis van de criteria genoemd in het eerste lid in totaal minder dan 60 punten scoren worden niet in de prioriteitsvolgorde meegenomen en worden afgewezen.

  • 4. Indien na toepassing van het eerste lid, en artikel 3.2, onder j, blijkt dat de binnen de periode als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub c ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, zoals bedoeld in artikel 1.3 tweede lid, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.

  • 5. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen met een subsidiehoogte van € 200.000 tot en met € 350.000, wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden.

  • 6. Indien toepassing van het tweede lid, ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 3.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Onverminderd hoofdstuk 4 van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • 1.

    Het project wordt uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag gestart.

  • 2.

    Het project wordt uiterlijk 24 maanden na de start van het project gerealiseerd.

  • 3.

    De subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt.

  • 4.

    De subsidieontvanger houdt een administratie bij van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 3.7 Bevoorschotting

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3. Gedeputeerde staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

  • 4. De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.

4. Slotbepalingen

Artikel 4.1 Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden in werking met ingang van 1 april 2019 en vervallen met ingang van een door Gedeputeerde Staten vast te stellen datum.

Artikel 4.2 Citeertitel

Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Flevoland van 19 maart 2019.

de secretaris, de voorzitter,

De secretaris van Gedeputeerde Staten van Flevoland

Bijlage 1: Toelichting missies en sleuteltechnologieën

Bijlage 3.4.1. behorende bij artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

1. Energie en Duurzaamheid

Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energie- en grondstoffensysteem in 2050 of aan een circulaire economie in hetzelfde jaar. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030 zoals nationaal en Europees zijn vastgesteld. Combinaties zijn logischerwijze mogelijk, daar waar deze missies elkaar overlappen. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1.

    Verlaging van het gebruik van fossiele energie c.q. van de uitstoot van CO2 of andere broeikasgassen.

  • 2.

    Verhoging van de productie of benutting van duurzame energie en de integratie in het energiesysteem.

  • 3.

    Verlaging van het gebruik van primaire grondstoffen (rekening houdend met de ecologische voetafdruk).

  • 4.

    Vergroting van het hoogwaardig gebruik van circulaire materialen, onder meer door gebruik van gerecycleerde grondstoffen of duurzaam geproduceerde en verkregen bio-based componenten.

  • 5.

    Beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen naar het milieu dan wel vervanging van deze schadelijke stoffen door stoffen die veel minder schadelijk of onschadelijk worden geacht.

  • 6.

    Vergroten van de efficiency van het mobiliteitssysteem, verkeersveiligheid, ladingveiligheid, cybersecurity, veilig datagebruik en databeheer en het beperken en mitigeren van geluidhinder, fijnstof en andere emissies, trillingen als gevolg van transportbewegingen of -systemen.

De energie-, klimaat- en grondstoffen- gerelateerde aspecten van mobiliteit zijn onderdeel van de punten 1 t/m 5. Punt 6 verwijst naar de deel-KIA 'Toekomstbestendige Mobiliteitssystemen', voor het brede thema mobiliteit, waaronder alle milieu- en hinderaspecten naast CO2 voor landgebonden transport, innovaties in luchtvaart en maritiem transport, alsmede veiligheids- en bereikbaarheidsaspecten van alle verkeersmodaliteiten zijn opgenomen.

Dit programma past binnen de KIA Energie en Duurzaamheid. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.topsectoren.nl/publicaties/publicaties/2019-publicaties/oktober/161019/kia-energietransitie-en-duurzaamheid

2. Gezondheid en Zorg

Projecten binnen dit programma dienen bij te dragen aan de missies van de KIA Gezondheid en Zorg. De centrale missie daarin is dat in 2040 alle Nederlanders tenminste vijf jaar langer in goede gezondheid leven, en dat de gezondheidsverschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen. Op basis van de volgende missies uit de KIA Gezondheid en Zorg worden voor de MIT-regeling een aantal onderwerpen uitgewerkt. Deze missies zijn gericht op i. leefstijl & leefomgeving, ii. verplaatsing van de zorg naar de leefomgeving, iii. verhoging van de participatiegraad van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking en iv. verhoging van de kwaliteit van leven van mensen met dementie. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1.

    Preventie van ziektes of aandoeningen.

  • 2.

    Gezondheidswinst voor patiënten die lijden aan één of meer ziektes of aandoeningen.

  • 3.

    Verbetering van de opsporing of behandeling van ziektes of aandoeningen of van het herstel daarna.

  • 4.

    Verlaging van de kosten van de zorg, bij zorgverzekering of verzekerde.

  • 5.

    Innovaties, bijvoorbeeld hulpmiddelen, die het organiseren van zorg in de eigen leefomgeving in plaats van in zorginstellingen vergemakkelijken.

  • 6.

    Verhoging van deelname aan de samenleving van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking, naar wens en vermogen.

  • 7.

    Verbetering van de kwaliteit van leven van mensen met dementie.

Veel innovaties breken niet door op de markt, zeker ook binnen de KIA Gezondheid en Zorg. Voordat wordt overgegaan op de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject onder de KIA Zorg en Gezondheid worden ondernemers aangeraden het instituut 'Health Innovation NL' (HI-NL) te betrekken. HI-NL weet in een vroeg stadium aan te geven of de kans reëel is dat een project succesvol kan worden. Meer informatie over dit instituut is te vinden op https://www.healthinnovation.nl/

Dit programma past binnen de KIA Gezondheid en Zorg. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/missiedocument-gezondheid-en-zorg.pdf

Tevens is een samenvatting van het missiethema, de beleidscontext en de landelijke aanpak te vinden in deze uitgebreide flyer: https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/Toekomstbeelden%202030.pdf

3. Landbouw, Water en Voedsel

Projecten dienen bij te dragen aan de missies van de KIA Landbouw, Water en Voedsel. Dit programma is onderverdeeld in zes deelprogramma’s.

3.a. Kringlooplandbouw

Doel is dat in 2030 in de land- en tuinbouw het gebruik van grondstoffen en hulpstoffen substantieel is verminderd en alle eind- en restproducten zo hoog mogelijk worden verwaard. De emissies naar grond- en oppervlaktewater zijn dan tot nul gereduceerd. Ecologische omstandigheden en processen vormen het vertrekpunt voor voedselproductie waardoor biodiversiteit zich herstelt en de landbouw veerkrachtiger wordt. Opgemerkt wordt dat het programma 3.a. kan worden gezien als een specifiek onderdeel van de bredere circulariteitsagenda onder programma 1. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1.

    Vermindering van gebruik niet-organische meststoffen en de emissie van nutriënten naar bodem, water en lucht. Via terugwinning en hergebruik van nutriënten en water, betere benutting in de keten of bronmaatregelen.

  • 2.

    Het bevorderen van een gezonde, weerbare bodem en dito teeltsystemen door uit te gaan van ecologische processen en de beperking van emissies. Voorbeelden van manieren om dit te bereiken zijn: weerbare plantaardige productiesystemen, precisieteelt en nieuwe vormen van gewasbescherming in de plantaardige productie, of de vergroting van de weerbaarheid van plantaardig materiaal in de keten, het ontwikkelen en verspreiding van kennis over organismen in quarantaine en de vroege signalering van, en de bescherming van plantten tegen, schadelijke organismen.

  • 3.

    Optimaal hergebruik van zij- en reststromen voor voedsel, diervoeding of non-food toepassingen, inclusief cascadering.

  • 4.

    Duurzame productie van eiwitrijke grondstoffen en biomassa.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/kringlooplandbouw.

3.b. Klimaatneutrale landbouw en voedselproductie

Doel is een netto klimaatneutraal systeem van landbouw en natuur in 2050. Dit onderdeel is de sectorspecifieke invulling van het klimaatakkoord uit bovengenoemd programma 1. Specifiek voor de landbouw en voedselproductie en vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1.

    Het verminderen van de uitstoot van methaan en lachgas in de veehouderij, van het dier of uit de stal en bij de mestopslag, inclusief het opwaarderen van mest.

  • 2.

    Het realiseren van een energieneutraal landelijk gebied, door vermindering van naoogst energiegebruik in transport en opslag, de beperking van energie- en kwaliteitsverlies in de keten, kleinschalige eerste naoogst verwerkingstechnologie op veld of erf, en energiebesparing in de verwerking.

  • 3.

    Productie en gebruik van (aquatische) biomassa. Vaste biomassa als bouwmateriaal inzetten of inzet van biobased koolstof als grondstof.

3.c. Klimaatbestendig landelijk en stedelijk gebied

Doel is dat in 2050, Nederland in zowel het landelijk als stedelijk gebied klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient dan ook gericht te zijn op:

  • 1.

    Klimaatbestendig landelijk gebied. Het klimaatbestendig en waterrobuust maken van het landelijk gebied, via (ondersteuning van) gebiedsgerichte maatregelen. Hierbij geldt regionale zelfvoorzienendheid in de watervoorziening als uitdaging.

  • 2.

    Klimaatadaptieve land- en (glas)tuinbouwproductiesystemen. Het klimaatbestendig en duurzaam gebruik maken van water, waarbij productie, verwerking, organisatie en consumptie in samenhang worden betrokken.

  • 3.

    Waterrobuust en klimaatbestendig stedelijk gebied. Gericht op een systeemaanpak met efficiënter gebruik van water en grondstoffen, vasthouden en hergebruik van water en het maximaal benutten van het natuurlijk systeem in en rond de stad (natuurlijke klimaatbuffers, natuurontwikkeling).

  • 4.

    Verbeteren waterkwaliteit. Innovaties om de ecologische en chemische toestand van het (integrale) watersysteem (waterkwaliteit, Kaderrichtlijn Water) beter te kunnen meten. Daarnaast ‘zuivering van de toekomst’: veelal decentrale zuiveringstechnologieën om emissies van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, (dier)geneesmiddelen en opkomende stoffen naar het watersysteem te beperken, nutriënten terug te winnen en benutten, en het oplossend vermogen van het water- en bodemsysteem te stimuleren.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/klimaatbestendige-inrichting.

3.d. Gewaardeerd, gezond en veilig voedsel

Het doel is in 2030 gezond, veilig en duurzaam voedsel te produceren. Het voedselproductiesysteem is dan robuust en groene producten leveren een waardevolle bijdrage aan hun omgeving. Consumenten waarderen de sector en zijn bereid eerlijke prijzen te betalen. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1.

    Het vergroten van de waardering voor voedsel en van het bewustzijn ten aanzien van de verschillende maatschappelijke waarden die met de productie samenhangen, en het verkleinen van de afstand tussen primaire producenten en andere ondernemers in het voedselsysteem met burgers.

  • 2.

    Faciliteren dat de Nederlandse bevolking in gezondheid opgroeit en ouder wordt, door bij te dragen aan het produceren en consumeren van een gezonder en duurzamer voedselaanbod en het creëren van een gezonde, groene woon-, werk- en leefomgeving.

  • 3.

    Veilige productie via preventie en het wegnemen van risico's. Snelle(re) detectie van pathogenen en contaminanten en ervoor zorgen dat het systeem zelf verstorende invloeden van buiten kan opvangen. Het doorontwikkelen van nieuwe stalsystemen, verdere emissiebeperkende toedieningsmethoden voor gewasbeschermingsmiddelen, en het stimuleren en realiseren van best practices.

  • 4.

    Een substantieel duurzamere en veilige voedselketen in 2030. Betere detectie en beheersing van chemische en microbiële gevaren in de voedselketen en een transparante samenstelling van producten in verband met allergenen. Ketengerichte aanpak, gericht op reductie in zowel energie- als waterverbruik, en het vergroten van grondstofflexibiliteit waarbij de voedselveiligheid en kwaliteit gewaarborgd blijft. Voedselverlies tegengaan door energie- en waterreductie in voedselverwerking, het verbeteren van grondstofefficiëntie en -flexibiliteit, ketenaspecten, verpakkingen, sensor- en detectietechnologie, circulaire voedselsystemen en het gebruik van nieuwe grondstoffen. Verduurzaming en voedselveiligheid dienen steeds samen op te gaan.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/gewaardeerd-gezond-en-veilig.

3.e. Duurzame en veilige Noordzee en andere wateren

In 2030 zijn in Nederland de ecologische draagkracht, waterveiligheid, waterkwaliteit en zoetwatervoorziening van mariene wateren in balans met de vraag naar hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten. In 2050 geldt dit ook voor de rivieren, meren en intergetijdengebieden (estuaria en wadden). Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1.

    Naar een Duurzame Noordzee. Duurzaam en veilig menselijk medegebruik binnen een veerkrachtig Noordzee ecosysteem en meer inzicht in de grenzen van de veerkracht van de Noordzee

  • 2.

    Een natuur-inclusieve landbouw, visserij en waterbeheer in Caribisch Nederland. In 2030 moet visserij, landbouw, toerisme en waterbeheer in balans zijn met de unieke Caribische natuur, en dragen ze structureler bij aan de lokale voedselvoorziening en economie.

  • 3.

    Voor duurzame rivieren, meren en intergetijdengebieden moet in 2050 een evenwichtige balans zijn bereikt tussen enerzijds ecologische draagkracht en waterbeheer (waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en scheepvaart) en anderzijds de opgaven voor hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten.

  • 4.

    De bronnen van de overige zeeën en oceanen duurzaam gebruiken. Innovaties die helpen economie en ecologie in balans te brengen.

  • 5.

    Ecologische én socio-economisch duurzame ontwikkeling van de kust- en zeevisserij sector op de Noordzee.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/duurzame-en-veilige-wateren.

3.f. Lnv duurzame visserij en aquacultuur

Aansluitend op missie 3e is er binnen de MIT-regeling tevens een LNV programma Duurzame visserij en aquacultuur, waarin ondernemers in de visserij en aquacultuur ondersteuning krijgen bij de verdere verduurzaming met behoud van een gezonde bedrijfsvoering. Bij verduurzaming gaat het om gezonde visbestanden en het verlagen van de impact op het ecosysteem door verspilling, ongewenste bijvangst en bodemberoering zoveel mogelijk terug te dringen. Duurzame visserij vereist dat natuur en economie met elkaar in balans komen en blijven. De scope is de primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij/-kweek. Ook alternatieve vistechnieken en aquacultuur in windparken vallen binnen de scope. Projecten moeten bijdragen aan:

  • 1.

    Methoden of vistuigen om selectiever te vissen.

  • 2.

    Vismethoden of -tuigen die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige boomkorvisserij.

  • 3.

    Minder impact op klimaat of milieu door visserijactiviteiten.

  • 4.

    Alternatieve duurzame vangst- of kweekmethoden van primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij-kweek.

3.g. Nederland is en blijft de best beschermde en leefbare delta

Nederland is ook in de volgende eeuw de best beschermde en leefbare delta ter wereld. De stijging van de zeespiegel en de sterke schommelingen in de afvoer van rivieren vragen om een nieuwe aanpak. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1.

    Het verduurzamen van en kostenbeheersing bij uitvoeringsprojecten waterbeheer. Het doel is dat het grondverzet in 2030 energieneutraal is, de kosten per m3 tussen 2020 en 2030 aanzienlijk gedaald zijn en dat er in 2030 een gezonde slibeconomie is.

  • 2.

    Het aanpassen aan versnelde zeespiegelstijging en toenemende weersextremen. In 2030 moet er duidelijkheid zijn over maatregelen die hiervoor op langere termijn genomen kunnen worden.

  • 3.

    Nederland Digitaal Waterland. Voorop (blijven) lopen bij digitalisering ten bate van het waterbeheer, en het daarmee exporteren van Nederlandse kennis en kunde van de watersector.

  • 4.

    In 2030 is Energie uit water integraal onderdeel van het energie- en klimaatbeleid in Nederland. Oppervlaktewateren als bron van duurzame energie (alsook van warmte), als opslagmedium en voor infrastructuur voor duurzame energie. Het waterbeheer is energetisch efficiënt ingeregeld en levert met haar waterpeilbeheer een bijdrage aan klimaatmitigatie door het tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen.

Over deze missies is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/best-beschermde-delta/

Het gehele programma 3 past binnen de KIA Landbouw, Water en Voedsel. Hierover is meer informatie te vinden op: https://kia-landbouwwatervoedsel.nl.

4. Veiligheid

Projecten dienen bij te dragen aan het programma Veiligheid. De missies zijn in nauwe samenwerking met de ministeries van Justitie en Veiligheid en Defensie opgesteld. De overkoepelende ambitie is (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór blijven: 'always ahead of the threat’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij. Het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst, dient daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

Deelprogramma’s

  • 1.

    Integrale aanpak van georganiseerde criminaliteit

    • -

      Interventies en organisatie

    • -

      Real time digitale observatie en ondersteuning

    • -

      Bruikbare data en handelingsperspectief

  • 2.

    Maritieme hightech voor een veilige zee

    • -

      Smart kill-chains – Radar en geïntegreerde sensorsuites

    • -

      Smart operations

    • -

      Smart manning & automation

    • -

      Zero emission and survivable warships

    • -

      Smart design and maintenance

    • -

      Smart concepts

  • 3.

    Veiligheid in en vanuit de ruimte

    • -

      Robuuste plaatsbepaling- en tijdsynchronisatiesystemen

    • -

      Nationale situational awareness, surveillance & tracking capaciteit

    • -

      Grondgebonden situational awareness capaciteit

    • -

      Laser voor veilige communicatie en vergrote transmissiecapaciteit

    • -

      (Gedeeltelijk) eigen satellietcapaciteit met tijdige en veilige toegang

  • 4.

    Cyberveiligheid

    • -

      Bestrijden cybercrime

    • -

      Bevorderen ontwikkeling cybercompetenties

    • -

      Defensieve cybertechnologie

    • -

      Offensieve cybertechnologie

    • -

      Ketenweerbaarheid en governance

  • 5.

    Genetwerkt optreden op land en vanuit de lucht

    • -

      Innovatie in ontwerp en aansturing van netwerken

    • -

      Informatie als wapen

    • -

      Aansturing van genetwerkte logistieke operaties

    • -

      Counter DRAM (Drone, Rocket, Artillery & Mortar)

    • -

      Smart service logistics

  • 6.

    Samen sneller innoveren voor een adaptieve krijgsmacht

    • -

      Toepassing van robots/autonome systemen/drones (RAS/RPAS)

    • -

      3D-printen voor onderdelen, lokale bouw en materiaalontwikkeling

    • -

      Energiesystemen & circulariteit

  • 7.

    Data en intelligence

    • -

      Privacy-bestendige informatiedeling

    • -

      Beslissingsondersteuning

  • 8.

    De veiligheids-professional

    • -

      Qualified-self, Digitaal wapenen middels nieuwe (leer)methodes

    • -

      Quantified-self, Meetbare prestatie en vitaliteit van veiligheidsprofessionals

    • -

      Digitaal uitgerust – Waarneming en communicatie

    • -

      Reframing veiligheid

Dit programma past binnen de KIA Veiligheid. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/Documenten/KIAs/KIA%20Veiligheid%20-%2020191016%20definitief.pdf

5. Sleuteltechnologieën

Ook voor de aanpak van sleuteltechnologieën is een KIA geformuleerd. Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren. Bij de projecten die voor de missies (in de programma’s 1 tot en met 4) worden ingediend zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer van die sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing. Projecten die specifiek voor het programma Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën, door:

  • 1.

    Een ondersteunende bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van kennis over sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld ten behoeve van het onderzoek daarnaar.

  • 2.

    Een ondersteunende bijdrage te leveren aan verbrede of versnelde toepassing van een of meer sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld door de integratie er van in producten, processen of diensten te vergemakkelijken.

Hierbij wordt benadrukt dat onder optie 1 het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie 2 het puur toepassen ervan in een willekeurige sector anders dan binnen de missies geen basis is voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn.

De volgende groepen van sleuteltechnologieën zijn vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland aangewezen:

  • -

    Chemical Technologies

  • -

    Digital Technologies

  • -

    Engineering and Fabrication Technologies

  • -

    Photonics and Light Technologies

  • -

    Advanced Materials

  • -

    Quantum Technologies

  • -

    Life science technologies

  • -

    Nanotechnologies

Meer informatie over bovenstaande groepen van sleuteltechnologieën en een verdere onderverdeling daarvan is te vinden op:

https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/Documenten/KIAs/KIA%20ST/20191024%20KIA-ST%20Bijlage%20B%20-%20MJP's%20overzicht.pdf

Dit programma past binnen de KIA sleuteltechnologieën. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.hollandhightech.nl/kia-sleuteltechnologieen.

5.a. Digital Technologies: Artificiële Intelligentie (AI)

Aansluitend op de sleuteltechnologie Digital Technologies is binnen de MIT-regeling tevens het thema Artificiële Intelligentie (AI) opgenomen, om MKB-ondernemers te ondersteunen bij de ontwikkeling en toepassing van AI.

Voor AI wordt de definitie gehanteerd van de Europese Commissie: “AI verwijst naar systemen die intelligent gedrag vertonen door hun omgeving te analyseren en – met een zekere mate van zelfstandigheid – actie te ondernemen om specifieke doelen te bereiken”.

In aanmerking komen projecten die bijdragen aan de generieke ontwikkeling van AI, door:

  • a.

    De inzet van Machine Learning (machinaal leren), waaronder Supervised Learning (gesuperviseerd leren), Unsupervised Learning (ongesuperviseerd leren) en Reinforcement Learning (bekrachtigingsleren).

  • b.

    Een aantoonbaar nieuwe oplossing voor één of meerdere toepassingsgebieden van de Nederlandse AI Coalitie (NL AIC): Energie en Duurzaamheid; Gezondheid en Zorg; Vrede, Recht en Veiligheid; Landbouw en Voeding; Cultuur en Media; Financiële Dienstverlening; Gebouwde Omgeving; Haven en Maritiem; Mobiliteit; Transport en Logistiek; Onderwijs; Publieke Diensten; en de Technische Industrie. Meer informatie over AI voor deze toepassingsgebieden is te vinden op: https://nlaic.com/toepassingsgebied/

  • c.

    Een aanpak die oog heeft voor betrouwbare en mensgerichte AI. Betrokkenen bij de AI toepassing (bijv. burgers en/of werknemers) worden zoveel mogelijk betrokken in het maken van keuzes over de ontwikkeling en het gebruik.

6. Maatschappelijk verdienvermogen

Het maatschappelijk verdienvermogen wordt versterkt, wanneer de (beoogde) innovaties bijdragen aan de doelstellingen van de maatschappelijke uitdagingen zoals beschreven in de programma’s 1 t/m 5. Aansluiting bij dit programma 6 vereist dat deze oplossingen aan drie voorwaarden voldoen, ze zijn i. maatschappelijk gewenst, ii. economisch rendabel en iii. schaalbaar. De waarschijnlijkheid dat dit kan worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. Projecten onder dit programma dienen derhalve altijd te worden gekoppeld aan één van de programma’s uit 1 t/m 5.

Dit programma past binnen de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen. Hierover is meer informatie te vinden op: https://www.clicknl.nl/kia-verdienvermogen-2020-2023