Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Geldend van 02-04-2026 t/m heden

Intitulé

Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Gedeputeerde Staten maken, gelet op het bepaalde in artikel 136 eerste lid van de Provinciewet, bekend dat zij bij besluit van 19 maart 2019, nummer 2385562 hebben vastgesteld de:

Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

Overwegende dat:

de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 december 2014 een Samenwerkingsagenda hebben ondertekend met de minister van Economische Zaken en vertegenwoordigers van de nationale topsectoren en MKB-Nederland, waarin onder andere is afgesproken om te komen tot stroomlijning van het financiële instrumentarium om innovatie bij het MKB te stimuleren en deze afspraken opnieuw zijn vastgelegd in de MKB-samenwerkingsagenda 2018-2019 op 29 juni 2018;

het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;

de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 een procedureel kader geeft voor subsidiering van activiteiten die passen in het provinciaal beleid;

in deze Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid is toegekend om nadere regels vast te stellen die onder meer betrekking hebben op subsidiecriteria;

ter rechtvaardiging van deze subsidie daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing worden geacht: het artikel 25 van verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 (Algemene Groepsvrijstellingsverordening, hierna: AGVV);

Gelet op het bepaalde in artikel 4, eerste lid van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023,

Besluiten:

Vast te stellen de volgende nadere regels:

Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    AGVV: algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    arm's length-voorwaarden: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen die niet afwijken van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en die geen enkele vorm van heimelijke instandhouding behelzen. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;

  • c.

    ASF 2023: de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023;

  • d.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • e.

    cross-over: samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld;

  • f.

    experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten; dit kan activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele ontwikkeling, de planning en documenteren van alternatieve producten, procedés of diensten.

    Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatie doeleinden.

    Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.

  • g.

    haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;

  • h.

    industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren; het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

  • i.

    innovatie: technologisch nieuw product, productieproces of dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product, productieproces of dienst;

  • j.

    KIA: Kennis- en Innovatieagenda, als bedoelt in Bijlage 3.4.1. behorende bij artikel 3.4.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies;

  • k.

    MIT-haalbaarheidsproject: een project ten behoeve van een innovatie dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie of een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;

  • l.

    MIT-R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerkingen voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband;

  • m.

    MIT-R&D-samenwerkingsverband (samenwerkingsverband): verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemingen, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject;

  • n.

    kennisinstelling:

    • 1.

      onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;

    • 2.

      andere dan onder 1. bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • 3.

      een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • a.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1.;

      • b.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • 4.

      een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder 1., 2. of 3. direct of indirect:

      • a.

        meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;

      • b.

        volledig aansprakelijk vennoot is; of,

      • c.

        overwegende zeggenschap heeft;

    • 5.

      een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder 1. tot en met 4.;

  • o.

    MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • p.

    Nieuwe en innovatieve technologie: een ten opzichte van de huidige stand van de techniek nieuwe en nog niet bewezen technologie, die een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt en geen optimalisatie of opschaling is van een bestaande technologie;

  • q.

    onafhankelijke derde: een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven externe partij die beschikt over aantoonbare kennis en expertise binnen het relevante vakgebied en geschikt is om advies en daaraan gerelateerde diensten te verrichten, en die geen organisatorische, persoonlijke of financiële verbondenheid heeft met de aanvrager of andere contractpartijen, noch anderszins in een positie van belangenverstrengeling verkeert;

  • r.

    penvoerder: MKB-onderneming met een vestiging in Flevoland die deelneemt aan het R&D-samenwerkingsverband en als gemachtigde van dat samenwerkingsverband optreedt;

  • s.

    project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

  • t.

    reguliere bedrijfsvoering: terugkerende werkzaamheden die behoren tot het primaire proces van de onderneming en gericht zijn op het in stand houden van de bestaande producten of diensten, zoals productie, verkoop, administratie en onderhoud en de algemene (interne) bedrijfsvoering;

  • u.

    topsectoren: sectoren uit het landelijke Topsectorenbeleid waar Flevoland op wil excelleren;

  • v.

    vestiging: vestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j van de Handelsregisterwet 2007.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze nadere regels kan worden verstrekt aan MKB-ondernemingen die op het moment van aanvragen en gedurende de gehele looptijd van het project een vestiging hebben in de provincie Flevoland en daar ondernemingsactiviteiten uitvoert.

Artikel 1.3 Openstelling

  • 1. Op grond van deze nadere regels kan alleen een subsidieaanvraag worden ingediend wanneer Gedeputeerde Staten van Flevoland een openstellingsbesluit vaststellen.

  • 2. Gedeputeerde Staten van Flevoland stellen per openstellingsbesluit vast:

    • a.

      één of meer subsidieplafonds;

    • b.

      Één of meer KIA’s en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan;

    • c.

      één of meer onderwerpen waaraan prioriteit wordt toegekend bij aanvragen die worden ingediend in de aanvraagperiode die bij dezelfde publicatie bekend wordt gemaakt;

    • d.

      per plafond een periode waarbinnen een subsidieaanvraag moet zijn ontvangen.

Artikel 1.4 Subsidievorm

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze nadere regels eenmalige subsidies.

  • 2. Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden algemeen

Subsidie op grond van deze nadere regels wordt geweigerd indien:

  • a.

    gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of openbare orde;

  • b.

    ter zake van de subsidiabele kosten verplichtingen zijn aangegaan voor ontvangst van de aanvraag;

  • c.

    ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de AGVV, uitstaat;

  • d.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is;

  • e.

    aan aanvrager voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt op grond van deze nadere regels of soortgelijke regels bij andere provincies of het Rijk rondom de MIT;

  • f.

    het project niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling;

  • g.

    het project niet in overeenstemming is met het doel van deze regeling;

  • h.

    de onderneming de subsidie wil aanwenden voor een project waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een dergelijk project.

  • i.

    de aanvrager binnen de ten tijde van de aanvraag geldende aanvraagperiode zoals genoemd in artikel 1.3 tweede lid onder d reeds subsidie heeft ontvangen;

  • j.

    de aanvragende Mkb-onderneming onderdeel van een partneronderneming of verbonden onderneming is, dan geldt dat per partneronderneming of verbonden onderneming maximaal 1 keer een subsidie mag zijn ontvangen binnen de ten tijde van de aanvraag geldende indieningstermijn zoals genoemd in artikel 1.3, tweede lid, onder d.

Artikel 1.6 Vereisten algemeen

  • 1. Om voor subsidie op grond van deze nadere regels in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aanvrager is een MKB-onderneming die is gevestigd in Flevoland en de te subsidiëren activiteiten dienen ten goede te komen aan de vestiging in de provincie Flevoland;

    • b.

      het project dan wel het te ontwikkelen innovatief product, productieproces of dienst maakt onderdeel uit van dan wel is gericht op:

      • 1.

        de KIA’s als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid onder b; of

      • 2.

        crossovers van een of meerdere KIA’s als bedoeld onder 1.

    • c.

      het project past binnen een of meerdere thema’s uit de missies en sleuteltechnologieën als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid onder b;

    • d.

      de aanvraag betreft een eenmalig project;

    • e.

      de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager.

  • 2. [vervallen]

Artikel 1.7 Berekeningswijze subsidiabele kosten

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 31, eerste lid onder a van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023 bedraagt het forfaitair vastgesteld uurtarief € 60 per uur voor interne personeelskosten. Het forfaitair vastgesteld uurtarief geldt ook voor interne personeelskosten van partner- en verbonden ondernemingen.

  • 2. Kosten voor inhuur van onafhankelijke derden zijn subsidiabel tot een maximum van € 140 per uur exclusief btw.

  • 3. [vervallen]

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 9 van de ASF 2023 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;

  • b.

    fooien en geschenken;

  • c.

    representatiekosten- en vergoedingen;

  • d.

    kosten van personeelsactiviteiten;

  • e.

    gratificaties en bonussen;

  • f.

    kosten van een outplacementtraject;

  • g.

    kosten voor vrijwilligers;

  • h.

    consumpties;

  • i.

    stagevergoeding;

  • j.

    kosten voor marketing, promotie en publiciteit voor marktintroductie;

  • k.

    buitenlandse reis- en verblijfkosten en overheadkosten.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:

    • a.

      subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier;

    • b.

      een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid worden aanvragen voor MIT-Haalbaarheidsprojecten in ieder geval voorzien van de volgende bijlagen:

    • a.

      Een projectplan volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • b.

      een begroting- en dekkingsplan volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • c.

      Een mkb-verklaring volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • d.

      Meest recente jaarrekening;

    • e.

      Een kopie bankafschrift of bankpas;

    • f.

      Verklaring geen financiële moeilijkheden volgens het model dat op de website van de provincie beschikbaar is gesteld;

    • g.

      Indien de aanvraag wordt ingediend door een intermediair, een machtigingsformulier volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld

    • h.

      Indien verbonden- of partnerondernemingen ook kosten maken binnen het project, een instemmingsverklaring volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid worden aanvragen voor R&D-Samenwerkingsprojecten in ieder geval voorzien van de volgende bijlagen:

    • a.

      Een projectplan volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • b.

      een mkb-verklaring per projectpartner volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • c.

      meest recente jaarrekening per projectpartner;

    • d.

      een begroting en -dekkingsplan volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • e.

      Een kopie bankafschrift of bankpas;

    • f.

      verklaring geen financiële moeilijkheden volgens het model dat op de website van de provincie beschikbaar is gesteld per projectpartner;

    • g.

      Indien de aanvraag wordt ingediend door een intermediair, een machtigingsformulier volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld

    • h.

      Indien verbonden- of partnerondernemingen ook kosten maken binnen het project, een instemmingsverklaring volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • i.

      Een formulier penvoerder volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld;

    • j.

      Een formulier projectpartner(s) volgens het model dat op de website van de provincie Flevoland beschikbaar is gesteld.

  • 4. Een aanvraag is tijdig ingediend indien die voor het einde van de periode als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid sub d is ontvangen.

  • 5. [vervallen]

Artikel 1.10 Verantwoording

[vervallen]

2. MIT- HAALBAARHEIDSPROJECT

Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een MIT-haalbaarheidsproject passend bij ten minste één KIA’s en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan, als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, onder b, al dan niet in combinatie met een andere KIA.

Artikel 2.2 Vereisten MIT-haalbaarheidsproject

  • 1. In aanvulling op artikel 1.6, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project bestaat voor:

      • 1.

        tenminste 60 % uit haalbaarheidsstudie; en

      • 2.

        ten hoogste 40 % uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

    • deze verdeling wordt vastgesteld aan de hand van de uitsplitsing van de subsidiabele kosten;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst;

    • c.

      het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen;

    • d.

      het project geeft voldoende inzicht in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit hoofdstuk I en artikel 25 van de AGVV.

Artikel 2.3 Weigeringsgronden MIT-haalbaarheidsproject

Een aanvraag voor subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om het haalbaarheidsproject te rechtvaardigen;

  • b.

    het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft;

  • c.

    het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in of onvoldoende impact realiseert met betrekking tot de verwachte bijdrage aan de programma’s of plannen behorende bij de opengestelde KIA’s als bedoelt in artikel 1.3 tweede lid onder b, binnen provincie Flevoland;

  • d.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de voorgenomen activiteiten;

  • e.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de voorgenomen activiteiten;

  • f.

    onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de voorgenomen activiteiten naar behoren uit te voeren;

  • g.

    de subsidiabele activiteiten hoofdzakelijk ten goede komen aan een vestiging buiten de provincie Flevoland;

  • h.

    de subsidie wordt aangewend voor activiteiten waarvoor reeds op grond van deze paragraaf subsidie is verstrekt, of die daarmee samenhangen of daaruit voortvloeien.

  • i.

    het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 2.500.

Artikel 2.4 Subsidiabele kosten

  • 1. Indien de subsidie betrekking heeft op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek, zijn de volgende kosten subsidiabel:

    • a.

      personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkend boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede; kosten voor onafhankelijke consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • d.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 2. Met betrekking tot de haalbaarheidsstudie zijn enkel de kosten van de studie subsidiabel.

Artikel 2.5 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1 bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 20.000 per aanvraag.

  • 2. Het percentage bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

Artikel 2.6 Verdeelcriteria

  • 1. Het subsidieplafond, als bedoeld in artikel 1.3 tweede lid sub a, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op hoofdstuk 4 van de ASF 2023 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1 in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project wordt uiterlijk vier maanden na de beschikking tot subsidieverlening gestart;

  • b.

    het project wordt uiterlijk 12 maanden na de start van het project gerealiseerd.

  • c.

    In afwijking van sub b kan op basis van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager de in het sub b genoemde termijn met maximaal 6 maanden worden verlengd.

Artikel 2.8 Vaststelling

  • 1. De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld waarbij uitgegaan wordt van een inschatting van de werkelijke kosten zoals die uit de bij de aanvraag ingediende begroting blijkt. De subsidie wordt in een keer uitbetaald.

  • 2. De beschikking vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en de wijze waarop de aanvrager via een schriftelijke melding aan Gedeputeerde Staten, moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn verricht, de werkelijke kosten worden vermeld en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen en resultaten.

  • 3. Wanneer uit de melding van de aanvrager blijkt dat de werkelijke kosten lager zijn dan ingeschat, wordt de beschikking tot subsidievaststelling naar rato van de werkelijke kosten bepaald en het teveel ontvangen bedrag aan subsidie van de aanvrager teruggevorderd.

3. MIT-R&D SAMENWERKINGSPROJECT

Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een MIT-R&D-samenwerkingsproject passend bij ten minste één KIA en de daar bijbehorende missies of sleuteltechnologieën of bepaalde delen daarvan, als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, onder b, al dan niet in combinatie met een andere KIA.

Artikel 3.2 Vereisten

  • 1. In aanvulling op artikel 1.6, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager neemt deel aan een samenwerkingsverband van ten minste twee MKB-ondernemingen;

    • b.

      het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project;

    • c.

      het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, heeft geen rechtspersoonlijkheid;

    • d.

      het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband;

    • e.

      deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn niet anderszins met elkaar verbonden dan in het samenwerkingsverband;

    • f.

      deelnemers aan het samenwerkingsverband hebben geen subsidie gekregen op grond van deze uitvoeringsverordening voor een R&D-samenwerkingsproject dat is ingediend in dezelfde aanvraagperiode;

    • g.

      geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening;

    • h.

      ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemers die zijn gevestigd in Provincie Flevoland;

    • i.

      het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan;

    • j.

      het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor:

      • 1.

        de deelnemers in het samenwerkingsverband;

      • 2.

        de topclusters en topsectoren; en,

      • 3.

        de Flevolandse economie;

    • k.

      het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkens:

      • 1.

        complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

      • 2.

        capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; en,

      • 3.

        de kwaliteit van de projectorganisatie;

    • l.

      het project draagt bij aan:

      • 1.

        vernieuwing van producten, processen of diensten; of,

      • 2.

        wezenlijke nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten;

  • 2. In aanvulling op het eerste lid, wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1, in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit hoofdstuk I en artikel 25 van de AGVV.

Artikel 3.3 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 de kosten in aanmerking genoemd in artikel 25, derde lid van de AGVV.

Artikel 3.4 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per R&D-samenwerkingsproject.

  • 2. Het percentage, bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

  • 3. De subsidie is minimaal € 50.000 en maximaal € 350.000 per R&D-samenwerkingsproject. De subsidie wordt niet verleend als de berekende totale subsidie per R&D-samenwerkingsproject minder dan € 50.000 is.

  • 4. Als de subsidie voor het R&D-samenwerkingsproject € 200.000 of minder is, dan is de subsidie per MKB-ondernemer minimaal € 25.000 en maximaal € 100.000. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie per MKB-ondernemer minder dan € 25.000 is.

  • 5. Als de subsidie voor het R&D-samenwerkingsproject meer dan € 200.000 is, dan is de te verlenen subsidie per MKB-ondernemer minimaal € 25.000 en maximaal € 175.000. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie per MKB-ondernemer minder dan € 25.000 is.

  • 6. Als de te verstrekken subsidie voor een aanvraag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, dan kan de subsidie lager worden verleend. Dit kan alleen na overleg met de aanvrager en onder de voorwaarden dat:

    • a.

      de activiteiten ongewijzigd worden uitgevoerd; en

    • b.

      de aanvrager of derden bereid zijn het financiële tekort zelf aanvullend te financieren. De gewijzigde financiële dekking wordt binnen 5 werkdagen ingeleverd.

Artikel 3.5 Verdeelcriteria

  • 1. Gedeputeerde Staten verdelen de subsidie door middel van een tenderprocedure.

  • 2. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluiting van de openstellingsperiode alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

  • 3. De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria:

    • i.

      De mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht;

    • ii.

      De mate waarin economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers van het samenwerkingsverband, de topclusters / topsectoren en de Flevolandse economie;

    • iii.

      De mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid onderdeel a, tenminste blijkend uit de kwaliteit van het projectplan, de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;

    • IV

      De mate waarin het project in de markt tot maatschappelijke impact gaat leiden

  • 4. Voor ieder criterium, genoemd in het derde lid, sub I, II, II, en IV wordt ten hoogste 25 punten toegekend volgens de bij deze nadere regels behorende scoretabel in bijlage 1.

  • 5. De aanvraag moet per criterium, genoemd in het derde lid, sub I, II, III en IV minimaal 10 punten scoren.

  • 6. De totale score van de aanvraag moet minimaal 50 punten zijn.

  • 7. In aanvulling op het bepaalde in het vierde lid wordt voor het bepalen van het totaal aantal punten van een aanvraag waaraan prioriteit wordt toegekend op grond van artikel 1.3 tweede lid onder c, het aantal punten voor het criterium genoemd in het derde lid onder iv verdubbeld.

  • 8. Indien na toepassing van het eerste lid blijkt dat de binnen de periode als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid onder d ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, zoals bedoeld in artikel 1.3 tweede lid onder a, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.

  • 9. Maximaal 50% van het subsidieplafond voor R&D-Samenwerkingsprojecten zoals bedoelt in artikel 1.3, tweede lid onder a, mag worden besteed aan grote R&D-samenwerkingsprojecten. Dit zijn projecten waaraan meer dan € 200.000 tot en met maximaal € 350.000 subsidie wordt verleend.

  • 10. Indien toepassing van het vorige lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen voor grote R&D-samenwerkingsprojecten, wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden. In het geval van onderuitputting van kleine R&D-samenwerkingsprojecten, projecten waaraan maximaal € 200.000 wordt verleend, kan dit alsnog ingezet worden voor grote R&D-samenwerkingsprojecten.

  • 11. Indien toepassing van het derde lid, ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 3.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op hoofdstuk 4 van de ASF 2023 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    Het project wordt uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag gestart.

  • b.

    Het project wordt uiterlijk 24 maanden na de start van het project gerealiseerd.

  • c.

    In afwijking van onderdeel b kan op basis van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager, de in de onderdeel b genoemde termijn met maximaal 12 maanden worden verlengd.

  • d.

    De subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt.

  • e.

    De subsidieontvanger houdt een administratie bij van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 3.7 Bevoorschotting

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3. Gedeputeerde staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

  • 4. De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 3.8 Vaststelling

Uiterlijk 13 weken na realisatie van het project wordt een verzoek tot subsidievaststelling ingediend conform hoofdstuk 5 van de ASF 2023.

4. Slotbepalingen

Artikel 4.1 Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden in werking met ingang van 1 april 2019 en vervallen met ingang van een door Gedeputeerde Staten vast te stellen datum.

Artikel 4.2 Citeertitel

Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels MKB Innovatiestimulering Topsectoren Flevoland

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Flevoland van 19 maart 2019.

de secretaris, de voorzitter,

De secretaris van Gedeputeerde Staten van Flevoland

Bijlage 1: Scoretabel MIT-R&D Samenwerkingsprojecten

Criterium

Punten

Score

  • i.

    De mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat

  • a.

    de innovatie uniek is voor Nederland.

Matig (1), voldoende

(5), goed (10)

 
  • b.

    de innovatie zich onderscheidt ten opzichte van internationale ontwikkelingen of alternatieven.

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • c.

    de innovatie een technologisch of organisatorisch risico met zich meebrengt om het project als innovatie te rechtvaardigen.

Matig (1), voldoende

(5), goed (10)

 
  • ii.

    de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers van het samenwerkingsverband, de topclusters / topsectoren en de Flevolandse economie, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

  • d.

    de innovatie marktperspectief heeft.

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • e.

    het beoogde verdienmodel haalbaar is.

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • f.

    het intellectueel eigendom beschermd kan worden.

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • g.

    de aanvrager kan aantonen dat hij een marktbenadering kan uitvoeren

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • h.

    wat de effecten zijn voor de belanghebbenden, als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder j.

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • iii.

    de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderk, te bepalen op basisvan de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat sprake is van:

  • i.

    kennis en ervaring van de samenwerkingspartners en de mate waarin de samenwerkingspartners elkaar aanvullen

Matig (1), voldoende

(5), goed (10)

 
  • j.

    de resources en capaciteiten van de samenwerkingspartners

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • k.

    de kwaliteit van de projectorganisatie.

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • l.

    of en hoe er afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de resultaten van het project over de samenwerkingspartners en; of en hoe er afspraken zijn gemaakt over het intellectueel eigendom die uit het project voortkomt

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • iv.

    de mate waarin het project in de markt tot maatschappelijk impact gaat leiden, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

  • m.

    wat de omschrijving van de impact is: wat is de uitkomst/impact van het project? Zitten er ook (negatieve) neveneffecten bij? Hoe belangrijk is deze maatschappelijk impact en waarom?

Matig (1), voldoende

(5), goed (10)

 
  • n.

    wat de omschrijving van wie de maatschappelijke impact gaat merken is: Wie voelen de impact van dit project (zowel positief als eventuele (negatieve) neveneffecten)?

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • o.

    wat de meetbare omschrijving van de impact is: wat levert het van maatschappelijke impact op? Per wanneer is dit inzichtelijk (direct, na een poos)? Hoe lang werk dit door (tijdelijk, lange tijd, blijvend)?

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)

 
  • p.

    wat de omschrijving is van de noodzakelijke contributie en risico: wat deze impact sowieso al gerealiseerd als dit project er niet was geweest? Wat is de essentiële bijdrage van dit project? Wat is het risico voor de maatschappij als dit project deze bijdrage niet levert?

Matig (1), voldoende

(3), goed (5)