Besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 19 februari 2019 tot vaststelling van de Beleidsregel nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2019 (Beleidsregel nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2019)

Geldend van 23-02-2019 t/m heden

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 19 februari 2019 tot vaststelling van de Beleidsregel nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2019 (Beleidsregel nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2019)

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 158, eerste lid, sub a, Provinciewet;

Overwegende dat, het wenselijk is om een beleidsregel vast te stellen voor de toekenning van nadeelcompensatie aan benadeelden die kabels en leidingen hebben aangepast of verwijderd ten behoeve van aanleg van of werkzaamheden aan infrastructuur door de provincie Zuid-Holland;

dat de evaluatie van de Regeling nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2010 in samenwerking met de betrokken netbeheerders leidt tot een aantal gewenste aanpassingen;

dat de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in het Staatsblad is gepubliceerd, maar voor wat betreft titel 4.5 (nadeelcompensatie) pas op een later, nog onbekend, tijdstip in werking zal treden;

Besluiten vast te stellen: 

BELEIDSREGEL NADEELCOMPENSATIE KABELS EN LEIDINGEN ZUID-HOLLAND 2019

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:;

  • a.

    aanpassing: werkzaamheden aan de ligging van een leiding of kabel, inhoudende verplaatsing of het anderszins aanpassen van de fysieke ligging, verwijderen of het aanbrengen van beschermende voorzieningen om de bestaande ligging te kunnen handhaven;

  • b.

    buitenleiding: leiding of kabel die buiten het beheergebied van de provincie is gelegen;

  • c.

    droge infrastructuur: provinciale infrastructuur, anders dan de natte infrastructuur;

  • d.

    kabel: een buigzame verbinding, bestaande uit een of meer geleiders, geschikt voor het transport van elektrische energie en/of elektrische signalen en/of optische signalen;

  • e.

    kruisende leiding: een leiding of kabel die krachtens vergunning of ontheffing kruisend door, op, boven, onder of in provinciale infrastructuur is gelegd;

  • f.

    langsleiding: een leiding of kabel die krachtens vergunning of ontheffing parallel is gelegd aan, boven, onder, op of in provinciale infrastructuur;

  • g.

    leiding: een verbinding vervaardigd van een duurzaam materiaal, zoals staal, beton of kunststof, geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen;

  • h.

    natte infrastructuur: waterwegen en dijken met een waterkerende functie;

  • i.

    provinciale infrastructuur: provinciale infrastructuur zoals bedoeld in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 2 Recht op nadeelcompensatie
  • 1. Indien gedeputeerde staten in de rechtmatige uitoefening van hun publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaken die het gevolg is van het aanpassen van kabels of leidingen die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kennen gedeputeerde staten de benadeelde, met inachtneming van deze regeling, op aanvraag een vergoeding toe.

  • 2. Deze regeling is niet van toepassing op kabels en leidingen die vallen onder de werking van de Telecommunicatiewet en kabels en leidingen zonder een openbaar nut zoals bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht.

  • 3. Gedeputeerde staten kunnen een vergoeding toekennen in andere vorm dan betaling van een geldsom.

  • 4. Schade blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager voor zover:

    • a.

      hij het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard, omdat in de vergunning/ontheffing een bepaling was opgenomen dat binnen een periode van vijf jaar een wijziging of intrekking van de vergunning/ontheffing is te voorzien en binnen deze periode daadwerkelijk een besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning/ontheffing wordt toegezonden;

    • b.

      de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend;

    • c.

      de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd; of

    • d.

      de kabel of leiding evident onrechtmatig is gelegen.

Artikel 3 Berekening schade
  • 1. Bij de berekening van de schade wordt uitgegaan van een levensduur, zoals beschreven in bijlage 1, met dien verstande dat kabels en leidingen met een technische levensduur van meer dan 100 jaar geacht worden niet aan veroudering onderhevig te zijn.

  • 2. Geen vergoeding wordt toegekend voor kabels en leidingen waarvan de technische levensduur binnen een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning of ontheffing danwel het verzoek tot aanpassing verstreken zal zijn.

  • 3. Indien zich bij de schadeveroorzakende gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid een kwantificeerbare voordeeltoerekening voor de benadeelde voordoet, wordt de te vergoeden schade gecorrigeerd.

  • 4. Onder kwantificeerbare voordeeltoerekening als bedoeld in het voorgaande lid wordt in ieder geval begrepen:

    • a.

      capaciteitstoename van de leiding;

    • b.

      verhoging van de drukklasse;

    • c.

      opheffen van een evident verkeerde ligging;

    • d.

      opheffen van constructiefouten;

    • e.

      opheffen van foutieve leidingmaterialen, voor zover deze de technische levensduur significant kunnen beïnvloeden; en

    • f.

      noodzakelijke reconstructie van oudere opstallen.

Artikel 4 Kostencomponenten

Bij de berekening van de schade worden de volgende werkelijke verleggingskosten in aanmerking genomen:

  • a. Uitvoeringskosten, waaronder:

    • kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden (zoals werkputten en ondersteuningen);

    • kosten samenhangend met de uitvoering van het verwijderen van als direct gevolg van de onderhavige werkzaamheden gerooide kabels of leidingen;

    • kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen die nodig zijn in verband met de aanraking van het infrastructuurwerk (zoals overkluizingen en mantelbuizen);

    • kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard: alle tijdelijke fysieke kabel- en leidingverbindingen die de leidingbeheerder moet aanleggen en buiten bedrijf moet laten stellen in het kader van de door gedeputeerde staten gevraagde of uitgevoerde verlegging;

    • de kosten van een CAR-verzekering; en

    • de eenmalige kosten verbonden aan het vestigen van alle zakelijke rechten.

  • b. Kosten van ontwerp en begeleiding, waaronder:

    • onderzoek;

    • voorontwerp;

    • definitief ontwerp;

    • bestek;

    • aanbesteding en gunning;

    • detaillering ten behoeve van de uitvoering;

    • directievoering;

    • oplevering; en

    • onderhouds- en garantietermijn.

  • c. Materiaalkosten, waaronder:

    • kabel- en leidingcomponenten;

    • kosten van elektrotechnische, werktuigbouwkundige en civieltechnische materialen;

    • kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen leiding en daarvoor noodzakelijke beschermingsconstructies;

    • bouwmaterialen;

    • bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht; en

    • transport van materiaal naar de bouwplaats.

  • d. Kosten van het uit en in bedrijf stellen van de kabel of leiding, waaronder:

    • kosten van het spannings- of productloos maken van de kabel of leiding alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen van de kabel of leiding; en

    • kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard nodig om de levering tijdens de uitvoering van een verlegging te waarborgen, zoals extra kosten van personele aard ten behoeve van bedrijfsvoering en hulpmiddelen voor die bedrijfsvoering zoals watertanks, warmteketels, gasflessen en noodaggregaten.

Artikel 5 Langsleidingen
  • 1. De vergoeding voor een langsleiding bestaat uit alle werkelijke kosten als bedoeld in artikel 4 onder een aftrek voor het maatschappelijk risico zoals bepaald in de hiernavolgende leden.

  • 2. Voor langsleidingen in droge infrastructuur is vanaf de eerste dag van het zesde jaar na de datum waarop de vergunning/ontheffing voor de aan te passen kabel of leiding van kracht is geworden het vergoedingspercentage 80%, deze daalt vervolgens 4/3% per verstreken maand. Dit is schematisch weergegeven in bijlage 2.

  • 3. Voor langsleidingen in natte infrastructuur is vanaf de eerste dag van het zesde jaar na de datum waarop de vergunning/ontheffing voor de aan te passen kabel of leiding van kracht is geworden het vergoedingspercentage 80%, deze daalt vervolgens 4/9% per verstreken maand. Dit is schematisch weergegeven in bijlage 2.

Artikel 6 Kruisende leidingen

De vergoeding voor een kruisende leiding bestaat uitsluitend uit de werkelijke kosten als bedoeld in artikel 4, onder a en b, de kosten van ontwerp en begeleiding en de uitvoeringskosten.

Artikel 7 Buitenleidingen
  • 1. De vergoeding voor een buitenleiding gelegen op grond van een eigendomsrecht of een ander zakelijk recht, dan wel een gedoogplicht waarop de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is wordt bepaald op basis van de onteigeningswet.

  • 2. De vergoeding voor een buitenleidingen gelegen op grond van een ander recht dan genoemd in het eerste lid, wordt op eenzelfde wijze berekend als de vergoeding voor kruisende leidingen zoals bepaald in artikel 6.

Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen

Artikel 8 Aanvraag

Onverminderd het bepaalde in artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht bevat de aanvraag, voor zover van toepassing, ten minste:

  • 1.

    een aanduiding van de schadeveroorzakende gebeurtenis;

  • 2.

    een gespecificeerde opgave van de aard en omvang van het geleden nadeel overeenkomstig de kostencomponenten als bepaald in artikel 4;

  • 3.

    een aanduiding van de aantasting van het eigendoms- of ander zakelijk recht of de gedoogplicht waarop de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is; en

  • 4.

    een gemotiveerde onderbouwing inzake het bedrag aan vergoeding waarop verzoeker op grond van deze regeling recht meent te hebben.

Artikel 9 Indieningstermijn

Een aanvraag tot vergoeding wordt zo spoedig mogelijk bij gedeputeerde staten ingediend, in ieder geval binnen een termijn van drie jaar na het van kracht worden van het besluit waarbij de vergunning of ontheffing wordt gewijzigd of ingetrokken, of binnen een periode van drie jaar na het rechtmatig uitoefenen door of namens gedeputeerde staten van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak waardoor een buitenleiding verlegd diende te worden.

Artikel 10 Beslistermijn
  • 1. Gedeputeerde staten beslissen binnen acht weken of, indien een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter, dan wel het enig lid, geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken verlengen of, indien een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter, dan wel het enig lid, geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, zes maanden verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

  • 3. Indien de schade mede is veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, kunnen gedeputeerde staten de beslissing aanhouden totdat het besluit onherroepelijk is geworden.

Artikel 11 Voorschot
  • 1. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek een voorschot toekennen op de vergoeding van de geleden schade tot een maximum van 50% van de geraamde schade, indien de geraamde schade meer dan € 250.000, - bedraagt en zij van oordeel zijn dat de omstandigheden van het geval daartoe nopen.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verlenen onder de voorwaarde van zekerheidsstelling.

  • 3. Een voorschot geeft geen recht op definitieve toekenning van schadevergoeding.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 12 Overgangsrecht

De onder de Regeling Nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2010 ingediende verzoeken tot nadeelcompensatie zullen worden afgehandeld op basis van deze regeling.

Artikel 13 Intrekking

De Regeling nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2010 wordt ingetrokken.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dag van uitgifte van het provinciaal blad waarin deze wordt geplaatst.

Artikel 15 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2019.

Ondertekening

Den Haag, 19 februari 2019

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

Drs. J. Smit, voorzitter

Drs. H.M.M. Koek, secretaris 

BIJLAGE 1 als bedoeld in artikel 3, derde lid

OVERZICHT TECHNISCHE LEVENSDUUR

Het onderstaande overzicht is niet uitputtend zodat de technische levensduur van een kabel of leiding die niet in dit overzicht is opgenomen naar redelijkheid en billijkheid bepaald dient te worden.

1. Waterleidingen

Materiaal

Diameterrange [mm]

Verwachte technische

levensduur [jaar]

Transportleidingen

Staal

>300

> 100

Beton

>300

> 100

Asbestcement

>300

70

Nodulair GIJ

>300

> 100

Laminair GIJ

>300

> 100

PVC vóór 1975

>315

40

PVC van en na 1975

>315

70

PE

>300

70

GVK

>300

> 100

Distributieleidingen

Asbestcement

50-300

70

Nodulair GIJ

80-300

> 100

Laminair GIJ

80-300

80

PVC vóór 1975

32-315

40

PVC van en na 1975

32-315

70

PE

60-300

70

Staal

60-300

80

Aansluitleidingen

Kleinere leidingen (tot 50 mm) niet relevant, grotere conform de distributieleidingen.

2. Gasleidingen

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Transportleidingen (8, 4 en 1 bar)

Staal

> 100

Nodulair GIJ

> 100

PE 1e en 2e generatie

70

PE 3e generatie

> 100

Distributieleidingen (100 en 30 mbar)

Asbestcement

70

Staal

80

Nodulair GIJ

> 100

Laminair GIJ

> 100

PE 1e en 2e generatie

70

PE 3e generatie

> 100

Slv PVC

> 100

HPVC

70

3. Elektriciteitskabels

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Hoogspanningsmasten

Stalen masten

> 100

Transportkabels (>30 kV)

Oliedruk kabel < 1970

55

Oliedruk kabel >1970

70

Gasdrukpijpkabel

70

Gepantserd papier lood kabel (GPLK)

60

(XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

20

(XL)PE kabel, niet gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

40

(XL)PE kabel, waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

70

Distributiekabel middenspanning (tot 30 kV)

Gepantserd papier lood kabel (GPLK)

60

(XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

20

(XL)PE kabel, niet gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

40

(XL)PE kabel, waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

70

Distributiekabels laagspanning (0,4 kV)

GPLK

100

PVC

100

Aardgas. Kl, K2 EN K3 transportleidingen ( > 8 bar)

Materiaal

Diameter [mm]

Verwachte technische levensduur [jaar]

Staal

>100

> 100

BIJLAGE 2 Als bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid

VERGOEDINGSPERCENTAGES LANGSLEIDINGEN

Aan de hand van onderstaande tabel en bijbehorende grafieken kan de vergoeding gemakkelijk worden bepaald. Bij de berekening van de vergoeding voor het verleggen van langsleidingen wordt in ieder geval gerekend per maand en zo mogelijk nog gedetailleerder.

Jaren

Droge infrastructuur

Natte infrastructuur

1e

100,00 %

100,00%

2e

100,00%

100,00%

3e

100,00%

100,00%

4e

100,00%

100,00%

5e

100,00%

100,00%

6e

van 80,00 % tot 64,00 %

van 80,00 % tot 74,67 %

7e

van 64,00 % tot 48,00 %

van 74,67 % tot 69,33 %

8e

van 48,00 % tot 32,00 %

van 69,33 % tot 64,00 %

9e

van 32,00 % tot 16,00 %

van 64,00 % tot 58,67 %

10e

van 16,00 % tot 1,33 %

van 58,67 % tot 53,33 %

11e

0%

van 53, 33 % tot 48,00 %

12e

0%

van 48,00 % tot 42,67 %

13e

0%

van 42,67 % tot 37,33 %

14e

0%

van 37,33 % tot 32,00%

15e

0%

van 32,00%tot26,67%

16e

0%

van 26,67 % tot 21,33 %

17e

0%

van 21,33%tot16,00%

18e

0%

van 16,00 % tot 10,67 %

19e

0%

van 10,67 % tot 5,33 %

20e

0%

van 5,33% tot 0,44 %

foto

Figuur 1 Vergoedingspercentage per jaar bij droge infrastructuur

foto

Figuur 2 Vergoedingspercentage per jaar bij natte infrastructuur

TOELICHTING BIJ DE BELEIDSREGEL NADEELCOMPENSATIE KABELS EN LEIDINGEN ZUID-HOLLAND 2019

Algemene toelichting

1. Inleiding

Bij de uitvoering van werkzaamheden aan bestaande of nieuwe aan te leggen provinciale wegen of vaarwegen, kan het noodzakelijk zijn dat de aanwezige elektriciteitskabels, aardgasleidingen, watertransportleidingen en andere mogelijke nutsvoorzieningen worden verwijderd, verlegd en/of anderszins aangepast. Het aanpassen kan aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Op grond van vele rechterlijke uitspraken, staat het vast dat dergelijke kosten niet in alle gevallen geheel voor rekening van deze eigenaren/beheerders dienen te blijven, maar dat het overheidsorgaan dat rechtmatig de werkzaamheden doet verrichten ten gevolge waarvan de aanpassing noodzakelijk is geworden, de schade in meerdere of mindere mate dient te compenseren. Dit wordt aangeduid met het begrip nadeelcompensatie.

Deze beleidsregel beschrijft hoe gedeputeerde staten in de regel zullen omgaan met een verzoek om compensatie van het nadeel dat als gevolg van die aanpassing voor netbeheerders ontstaat. Op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht, handelen gedeputeerde staten overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Daarvan zou bij toepassing van deze beleidsregel bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als de aanpassing niet noodzakelijk is voor belangen die de provincie Zuid-Holland als (vaar)wegbeheerder beschermt, maar die uitsluitend in het belang zijn van derden.

Nadeelcompensatie wordt later, op een nog onbekend moment, geregeld in afdeling 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze zal worden gewijzigd door de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. Het deel dat gaat over nadeelcompensatie, de invulling van afdeling 4.5 Awb, is nog niet in werking getreden. Vanaf de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb biedt deze wet een uitputtende grondslag voor toekennen voor nadeelcompensatie en mag verder alleen sprake zijn van wetsinterpreterende beleidsregels. Vanaf dit (toekomstige) moment is deze beleidsregel ter uitwerking van titel 4.5 Awb.

2. Achtergronden

Sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw proberen de provincies overeenstemming te bereiken over de inhoud van een algemeen geldende nadeelcompensatieregeling met de overkoepelende organisaties van de nutsbedrijven (EnergieNed, Velin en Vewin). Omdat dit niet lukte hebben de provincies eenzijdig in 1995 een tijdelijke bevriezingsregeling in het leven geroepen. Deze houdt in dat nutsbedrijven bij verlegging van kabels en leidingen een voorlopige vergoeding kunnen claimen en dat, nadat een definitieve provinciale nadeelcompensatieregeling vastgesteld is, een herberekening en afrekening plaatsvindt.

Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft op 17 november 2006 een modelregeling voor nadeelcompensatie bij het verleggen van kabels en leidingen vastgesteld. Daarbij heeft het IPO de "Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwerken 1999" (NKL 1999) als voorbeeld genomen en is afgeweken waar de provinciale dynamiek dat naar redelijkheid rechtvaardigt. De modelregeling kent de volgende uitgangspunten:

  • a.

    er is onderscheid tussen natte en droge infrastructuur;

  • b.

    er is onderscheid tussen langs- en kruisende leidingen;

  • c.

    voor langsliggende leidingen is de maximale vergoedingsperiode voor droge infrastructuur 10 jaar en voor natte infrastructuur 20 jaar;

  • d.

    voor kruisende leidingen worden de kosten van ontwerp en begeleiding alsmede de uitvoeringskosten vergoed, de kosten van uit en in bedrijf stellen en de materiaalkosten blijven voor rekening van de netwerkbeheerder;

  • e.

    bij verlegging van leidingen buiten het provinciale beheersgebied, voor zover deze niet vallen onder het regime van de onteigeningswet, geldt dezelfde regeling als voor kruisende leidingen.

Gedeputeerde staten van provincie Zuid-Holland hebben op 8 december 2009 tot vaststelling van de Regeling nadeelcompensatie kabels en leidingen Zuid-Holland 2010 (hierna: Regeling 2010) besloten. Deze regeling is deels ontleend aan de voornoemde modelregeling van het IPO en de ervaringen van de provincie Noord-Brabant. Alle gevallen die onder de voornoemde bevriezingsregeling zijn aangehouden zijn inmiddels definitief afgehandeld onder deze regeling.

3. Nieuwe regeling

Vanaf begin 2017 hebben de vertegenwoordigers van Dunea, Stedin, Gasunie/Velin, Alliander/Liander, Westland Infra, Evides en Oasen deze regeling tezamen met de provincie Zuid-Holland geëvalueerd. Bij deze evaluatie is een onderhandelingsresultaat bereikt over het toepassen van de modelregeling van het IPO, met als voornaamste punt de vergoedingssystematiek van de kruisende leiding. De provincie heeft dan ook besloten om een nieuwe regeling vast te stellen waarmee dichter wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het IPO.

Kort wordt hier aangestipt de ontwikkeling ‘van het gas af’ in de wereld van kabels en leidingen. Het is de ambitie van het Rijk dat in 2050 alle huishoudens in Nederland geen gebruik meer zullen maken van aardgas. Dit heeft mogelijk ook gevolgen voor de gasnetten in Zuid-Holland. Deze regeling zal in ieder geval niet kunnen worden toegepast voor de in dit kader te saneren verouderde gasleidingen.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

De in dit artikel gegeven definities spreken grotendeels voor zich. De definities van kabel en leiding zijn ruim uit te leggen, in die zin dat daaronder ook afgeleide kabel- en leidingwerken moeten worden beschouwd, zoals b.v. werkzaamheden aan trafo’s, gasregelstations en dergelijke.

Artikel 2 Recht op nadeelcompensatie

Het eerste lid van artikel 2 vormt de kern van deze beleidsregel. Hier wordt de grondslag neergelegd voor het recht op een vergoeding bij nadeel vanwege verlegging van een kabel of leiding en de noodzaak om een aanvraag daartoe in te dienen. Het gaat hierbij om vergoeding van nadeelcompensatie bij rechtmatig overheidshandelen.

Het tweede lid maakt duidelijk dat deze regeling niet van toepassing is op kabels die vallen onder de werking van de Telecommunicatiewet. De Telecommunicatiewet kent een eigen regime inzake verlegging of verwijdering van telecommunicatiekabels en de kosten daarvan. Ook kabels en leidingen zonder openbaar nut zoals bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht vallen niet onder de werking van deze regel.

Het derde lid spreekt voor zich en het vierde lid somt de omstandigheden op waaronder een benadeelde geen recht heeft op nadeelcompensatie. Onder d van het vierde lid betreft kabels of leidingen die onrechtmatig liggen door het ontbreken van de door de eigenaar van de grond verleende toestemming en/of het ontbreken van de vereiste vergunning of ontheffing. Als niet evident blijkt dat een kabel of leiding onrechtmatig ligt, wordt aangenomen dat de kabel rechtmatig ligt.

Artikel 3 Berekening schade

Dit artikel geeft de uitgangspunten en wijze van berekening van de omvang van het financieel nadeel en de daarop te baseren vergoeding. Het artikel betreft onder andere de technische levensduur (zie ook bijlage 1) van de kabels of leidingen, een aftrek oud voor nieuw en kwantificeerbare voordeeltoerekening.

In lid 4 onder f is bepaald dat een noodzakelijke reconstructie van oudere opstallen kan worden aangemerkt als een kwantificeerbare voordeeltoerekening. Afhankelijke van de situatie kan een correctie nieuw voor oud worden toegepast conform de relevante bepalingen van de Onteigeningswet, waarbij een eventuele vergroting van de functionaliteit eveneens in mindering gebracht kan worden op de vergoeding.

Kabels en leidingen zijn incourante objecten. Ze kunnen nadat ze zijn gelegd niet meer op de “markt verhandeld” worden. Dat betekent dat bij de berekening van de vergoeding de alleen werkelijke verleggingskosten als uitgangspunt worden genomen. Dat betreft alle directe kosten die de verlegger moet maken om de kabel of leiding te verleggen. Verleggingen dienen gerealiseerd te worden op basis van een technisch adequaat alternatief dat tegen de maatschappelijk laagste kosten gerealiseerd kan worden. Dat houdt in dat gestreefd dient te worden naar optimalisatie, hetgeen betekent dat bij een verlegging gekozen zal worden voor het meest aantrekkelijke alternatief zonder dat dit nadelen oplevert voor de verlegger en de provincie ten opzichte van de meest voor de hand liggende variant (met de meest voor de hand liggende variant wordt bedoeld een verlegging ter plaatse van de oorspronkelijke ligging van de te verleggen kabel of leiding).

Van de partij die gebaat is bij de oplossing met de maatschappelijk laagste kosten, mag verlangd worden dat eventuele extra schade bij de wederpartij –ten opzichte van de oplossing op de probleemlocatie- gecompenseerd wordt. Hierover worden afspraken gemaakt in de projectovereenstemming. Op grond van het beginsel “laagste maatschappelijke kosten” kan het bijvoorbeeld voorkomen dat de provincie een overkluizing realiseert, om aanpassing van een leiding te voorkomen. Het ligt voor de hand om de meerkosten voor de provincie voor het realiseren van de overkluizing in dat geval te verrekenen met de netbeheerders als ware het een verlegging van de leiding.

Artikel 4 Kostencomponenten

Het geleden nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt bestaat uit de werkelijke verleggingskosten. In dit artikel worden de vier soorten componenten (uitvoeringskosten, kosten van ontwerp en begeleiding, materiaalkosten en kosten van het in en uit bedrijf stellen van de kabel of leiding) voorzien van de onderdelen die hiertoe gerekend worden.

Artikel 5 -7 Vergoedingen per soort leiding

In de regeling worden drie soorten leidingen onderscheiden: langsleidingen, kruisende leidingen en buitenleidingen. In de artikelen 5, 6 en 7 wordt per categorie aangeven hoe de vergoeding moet worden opgebouwd. Voor langsleidingen worden meer kostencomponenten meegenomen in de berekening van de vergoeding dan voor kruisende leidingen en leidingen in het buitengebied. Dit omdat bij kruisende leidingen de provincie en de netwerkbeheerder op elkaar zijn aangewezen en bij langsliggende leidingen de netbeheerder juist profiteert van de ligging van de provinciale infrastructuur. Voor de toepassing van deze verordening zijn de hiervoor genoemde doelen van de ligging van de kabel of leiding in de provinciale infrastructuur (meeliften of een onoverkomelijke kruising) doorslaggevend. Het kan in de praktijk zo zijn dat een bestaande langsleiding moet worden verlegd tot een kruisende leiding, bijvoorbeeld bij de aanleg van een rotonde. Voor de toepassing van deze regeling blijft in dat geval sprake van een langsleiding, de in het verleden verleende ontheffing blijft bepalend. De gebiedsbenadering is van toepassing; er wordt gekeken naar het gehele aan te passen leidingdeel en de rechtsposities daarvan. Bij verschillende rechtposities wordt naar rato van lengte per positie afgerekend.

Artikel 5 Langsleiding

De schade bij een verlegging van een langsleiding wordt bepaald op basis van de ouderdom van de ingetrokken vergunning. Dit lineaire systeem doet recht aan de achterliggende grondgedachte dat het normaal maatschappelijk risico toeneemt naarmate de leeftijd van de vergunning vordert. Bij een verlegging van een langsleiding vanwege een droog of nat infrastructuurwerk is de vergoeding bij een in te trekken vergunning die ouder is dan 10 respectievelijk 20 jaar nihil. Wijzigingen in de droge infrastructuur komen vaker voor dan veranderingen of aanpassingen van natte infrastructurele werken. Met het oog daarop is het redelijk het tijdstip, waarop het normaal maatschappelijk risico voor de gevolgen van een wijziging in de droge infrastructuur voor rekening van een vergunninghouder behoort te komen, bij droge infrastructuur op een eerder moment te fixeren dan bij natte infrastructuur.

Zoals verwoord in het tweede lid: voor droge infrastructuur geldt gedurende de eerste vijf jaren bedraagt het vergoedingspercentage 100%. In het 6e jaar daalt het vergoedingspercentage met 20% ineens en vervolgens daalt het vergoedingspercentage tot het einde van het 10e jaar met 4/3% per verstreken maand lineair van 80% naar 0%.

Zoals verwoord in het derde lid: voor natte infrastructuur geldt: gedurende de eerste vijf jaren bedraagt het vergoedingspercentage 100%. In het 6e jaar daalt het vergoedingspercentage ineens met 20% en vervolgens daalt het vergoedingspercentage tot het einde van het 20e jaar met 4/9% per verstreken maand lineair van 80% naar 0%.

Dit is schematisch weergegeven in bijlage 2. Bij de berekening van de vergoeding voor het verleggen van langsleidingen wordt in ieder geval gerekend per maand en zo mogelijk nog gedetailleerder.

Artikel 6 Kruisende leidingen

De vergoeding voor een verlegging van een kruisende leiding bestaat uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding en uitvoeringskosten. Materiaalkosten en de kosten van het uit en in bedrijf stellen komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 7 Buitenleidingen

Bij het optreden van financieel nadeel ten aanzien van buitenleidingen, wordt dit nadeel niet veroorzaakt door een wijziging of intrekking van een verleende ontheffing, maar door rechtmatige activiteiten van de provincie buiten het eigen beheersgebied, zoals bij de aanleg van nieuwe infrastructuur. De kosten van daardoor noodzakelijke verlegging van buitenleidingen dient ook in zekere mate voor vergoeding in aanmerking te komen. Ten aanzien van de vergoeding voor de verlegging van buitenleidingen is de juridische grondslag van de aanwezigheid van de leidingen van belang voor het bepalen van de vergoeding:

Zoals verwoord in het eerste lid: wanneer de belanghebbende eigenaar is van de grond waarin de aan te passen kabel of leiding ligt, of ten behoeve van de aan te passen kabel of leiding een zakelijk recht (bijvoorbeeld een recht van opstal of erfdienstbaarheid) of een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht is gevestigd, kan ingevolge het onteigeningsrecht aanspraak worden gemaakt op volledige schadeloosstelling. De reden hiervoor is dat buiten beheersgebied privaatrecht voorrang heeft op publiekrecht op dit vlak.

Zoals verwoord in het tweede lid: Is in een wettelijke schadevergoedingsregeling niet voorzien omdat de leiding ligt op basis van een vergunning van een ander bestuursorgaan dan gedeputeerde staten, dan wel op basis van een overeenkomst of een andere vorm van toestemming van de grondeigenaar, dan wordt de vergoeding voor het verleggen van een buitenleiding op dezelfde manier bepaald als de vergoeding voor het verleggen van een kruisende leiding. Daarvoor is wel vereist dat de te verleggen leiding valt onder het begrip “openbaar werk” zoals bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen

Artikel 8 Aanvraag

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) somt in artikel 4:2 een aantal eisen op waaraan een verzoek tenminste moet voldoen. In aanvulling hierop zijn, mede gezien de aard van de materie, een aantal gegevens noodzakelijk om tot een beslissing op het verzoek te kunnen komen. Zo zal indien en voor zover de werkelijke kosten nog niet exact bekend zijn een gemotiveerde en controleerbare raming moeten worden verschaft. Verder wordt met dit artikel geregeld dat een onvolledig verzoek niet in behandeling wordt genomen.

Artikel 9 Indieningstermijn

Een verzoek tot vergoeding van nadeelcompensatie dient zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval drie jaar bij gedeputeerde staten te worden ingediend. Deze termijn begint te lopen vanaf de dag na de intrekking van de vergunning of ontheffing op basis waarvan de kabel of leiding ligt, danwel de dag na dagtekening van het schriftelijk verzoek van gedeputeerde staten aan de betrokken netwerkbeheerder om de verlegging uit te voeren. Deze termijn is zorgvuldig bepaald, gezien projecten doorgaans een doorlooptijd hebben met een duidelijke eindpunt, stimuleren we dat deze verzoeken om nadeelcompensatie binnen de doorlooptijd van het project worden ingediend. Zo kunnen de projectbudgetten voor nadeelcompensatie ook daarvoor worden aangewend en ontstaat er geen administratief schuiven naar de beheerfase en -partij. Op deze wijze kunnen we een juiste en tijdige afhandeling van het verzoek om nadeelcompensatie borgen.

Wanneer de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking treed en daarmee titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht invult komt aan artikel 9 van rechtswege geen werking meer toe. Daarin is bepaald dat de termijn voor het indienen van een verzoek tot schadevergoeding vijf jaar is. Vanaf dat moment kan voor 3 jaar worden gelezen: 5 jaar. Voor het overige blijft deze beleidsregel ongewijzigd in stand en is een wetsinterpreterende beleidsregel.

Artikel 10 Beslistermijn

Wanneer gedeputeerde staten een besluit nemen inzake een aanvraag voor nadeelcompensatie moet deze worden gemotiveerd en met voldoende redenen zijn omkleed. Om de beslissing op het verzoek zorgvuldig te kunnen voorbereiden, waarbij zo nodig een externe deskundige wordt ingeschakeld, regelt dit artikel daarvoor de redelijke termijnen. Het besluit inzake de aanvraag voor nadeelcompensatie is vatbaar voor bezwaar en beroep.

Artikel 11 Voorschot

Dit artikel regelt dat in uitzonderlijke situaties, die gekenmerkt worden door een gecompliceerd karakter van het verzoek om vergoeding en een geldelijk belang van tenminste € 250.000,- uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid een voorschot kan worden gegeven, waarbij een verzoeker overigens schriftelijk moet garanderen, al dan niet met zekerheidsstelling, dat indien achteraf het voorschot geheel of gedeeltelijk onverschuldigd betaald blijkt te zijn, dit onverschuldigd bedrag wordt terugbetaald aan de provincie. Het toekennen van een voorschot leidt niet tot het erkennen van aanspraak op een vergoeding zoals bedoeld in deze regeling.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 12 Overgangsrecht

Het overgangsrecht behorende bij deze regeling zorgt ervoor dat het nieuwe regime met betrekking tot de vergoeding van kabels en leidingen meteen na inwerkingtreding van deze regeling kan worden toegepast. Lopende verzoeken onder de voorgaande regeling, de Regeling 2010, worden onder deze nieuwe regeling behandeld. Over verzoeken onder het regime van de Bevriezingsregeling uit 1995 wordt nog opgemerkt dat deze gezien de termijn van 52 weken opgenomen in de Regeling 2010 naar verwachting niet meer aan de orde zijn. Mocht hier op een bijzondere wijze toch sprake van zijn worden deze, door de afhandeling van verzoeken onder de Regeling 2010, onder deze regeling te brengen ook onder deze regeling afgehandeld.

Artikel 13-15

Deze artikelen over de datum van inwerkingtreding, de intrekking van de voorgaande regeling en de citeertitel spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting.