VTH-beleid 2019-2022

Geldend van 19-02-2019 t/m heden

Intitulé

VTH-beleid 2019-2022

Vergunningverlening l Toezicht I Handhaving

Inhoud

1 Inleiding 4

1.1 Aanleiding en achtergrond 4

1.2 Kader 4

1.3 Reikwijdte 5

2 Visie op VTH 6

3 Probleemanalyse 7

3.1 Omgevingsanalyse 7

3.1.1 Profiel 7

3.1.2 Landelijke ontwikkelingen 7

3.1.3 Lokale ontwikkelingen 8

3.2 Risicoanalyse 9

3.3 Nalevingsinformatie 10

4 Prioriteiten en doelen 11

4.1 Prioriteiten 11

4.2 Doelen 13

4.2.1 Doelen vergunningverlening algemeen 13

4.2.2 Vergunningverlening omgevingsrecht 13

4.2.3 Vergunningverlening APV en Bijzondere wetten 14

4.2.4 Doelen toezicht en handhaving algemeen 14

4.2.5 Toezicht en handhaving omgevingsrecht 14

4.2.6 Toezicht en handhaving APV en Bijzondere wetten 15

5 Vergunningenstrategie 16

5.1 Vergunningen en melding omgevingsrecht 16

5.1.1 Omgevingsvergunning activiteit bouwen (en afwijken bestemmingsplan) 16

5.1.2 Milieu 16

5.1.3 Monumenten (en archeologie) 16

5.1.4 Meldingen sloop en asbestverwijdering 16

5.1.5 Brandveilig gebruik 16

5.1.6 Omgevingsvergunning overige Wabo-activiteiten 17

5.2 Vergunningen en meldingen APV en Bijzondere wetten 17

5.2.1 Evenementenvergunning 17

5.2.2 Horecavergunning 18

5.2.3 Wet Bibob 19

5.2.4 Overige vergunning en meldingen 19

6 Nalevingstrategie 20

6.1 Preventiestrategie 20

6.2 Toezichtstrategie 20

6.2.1 Algemeen 20

6.2.2 Toezicht omgevingsvergunning activiteit bouwen 20

6.2.3 Toezicht ruimtelijke ordening 22

6.2.4 Toezicht slopen, monumenten en overige Wabo-activiteiten 22

6.2.5 Toezicht milieu 22

6.2.6 Groen en natuur 23

6.2.7 APV en Bijzondere wetten 23

6.3 Handhavingstrategie 24

6.4 Gedoogstrategie 26

7 Organisatie en middelen 27

7.1 Organisatie 27

7.2 Samenwerking en afstemming (intern en extern) 27

7.2.1 Intern 27

7.2.2 Extern 28

8 Kwaliteitsborging en sturing 30

8.1 Kwaliteitsborging 30

8.2 Monitoring, rapportage en evaluatie 30

Bijlage 1: Lijst met gebruikte afkortingen 31

Bijlage 2: Risicoanalyse VTH-taken fysieke leefomgeving 2019-2022 32

Bijlage 3: Risicoanalyse milieu vanuit ROK 34

Bijlage 4: Toetsmatrix Bouwbesluit 2012 35

Bijlage 5: Toezichtmatrix bouwen 36

Bijlage 6: Uitwerking gedoogstrategie 37

Definitieve versie 1.0; 29 januari 2019

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en achtergrond

De gemeente Bernheze zet zich in voor een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame om-geving om te kunnen wonen, werken en leven. De gemeente doet dat onder andere door ver-gunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).

In het voorliggende strategische beleidsplan voor de periode 2019-2022 staat de visie en ambi-tie van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de VTH-taken. Ook is opgenomen welke doelen en prioriteiten worden gesteld. Naast het beleidsplan stellen we jaar-lijks een (operationeel) uitvoeringsprogramma VTH op. In een jaarverslag wordt teruggekeken op de effectiviteit van het beleid in de praktijk en de mate waarin de doelen bereikt zijn.

In dit VTH-beleidsplan staan de veranderingen van de afgelopen jaren en de verwachte ontwik-kelingen en is het VTH-beleid van de afgelopen jaren geëvalueerd en actueel gemaakt. De door de Interbestuurlijk toezichthouder (IBT) van de provincie geformuleerde verbeterpunten en de aanbevelingen vanuit de Rekenkamercommissie Bernheze zijn verwerkt. Met dit strategisch beleidsplan voldoet de gemeente aan haar wettelijke verplichting, vastgelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de wet VTH.

1.2 Kader

Het Besluit omgevingsrecht verplicht het college om beleid te formuleren voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De kwaliteit van de uitvoering wordt geborgd door te voldoen aan de landelijke proceskwaliteitscriteria voor VTH-taken. Op basis hiervan wordt strategisch beleid vastgesteld, met daarin gestelde prioriteiten en doelen. Beleidsvorming en uitvoering worden op basis van een dubbele regelkring (ook wel “BIG-8 cyclus”) steeds op elkaar afge-stemd (zie figuur hiernaast).

Op 15 december 2016 stelde de gemeenteraad de ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Bernheze’ vast. Deze Brabantbrede verordening ziet met name toe op de kritieke massa van de VTH-kwaliteitscriteria krachtens de Wabo (Kwa-liteitscriteria 2.1). Uitgangspunt hierbij is het organiseren van voldoende menskracht, voorzien van een adequaat opleidingsniveau en de vereiste werkervaring.

1.3 Reikwijdte

Het VTH-beleid gaat over alle VTH-taken die volgens de Wabo aan de gemeente zijn opgedra-gen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Daarnaast vallen de VTH-taken die voortko-men uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en de bijzondere wetten, zoals de Drank- en Horecawet en de Opiumwet, er ook onder.

De uitvoering van de milieutaken is ondergebracht bij de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Samen met de aangesloten gemeenten en de provincie is hiervoor strategisch beleid opgesteld (bijv. het Regionaal Operationeel Kader 2017-2020 voor de milieutaken toezicht en handhaving (ROK)). Voor vergunningverlening wordt in 2019 nog een ROK opgesteld. Dit beleid wordt zo veel mogelijk verweven met het voorliggende VTH-beleid.

Voor de VTH-taken inzake brandveiligheid is op initiatief van Brandweer Brabant-Noord, onder-deel van de Veiligheidsregio Brabant-Noord (VRBN), een “Toezichtstrategie brandveiligheid 2017-2020” opgesteld. Op basis hiervan wordt risicogericht toezicht gehouden op brandveilig-heid in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In oktober 2018 is een evaluatiebijeenkomst gehouden, op basis waarvan verbeterpunten zijn benoemd. De hieruit voortvloeiende wijzigingen worden in de loop van 2019 verwerkt in de proces- en werkafspra-ken. In het VTH-beleid wordt terloops ingegaan op de toezichts- en adviestaken inzake brand-veiligheid in relatie tot de door de gemeente uit te voeren VTH-taken.

Op het gebied van openbare orde en veiligheid is het Beleidskader Integrale Veiligheid van de gemeente Bernheze voor de periode 2019-2022 vastgesteld. Met de uitvoering van de VTH-taken wordt een zo groot mogelijke bijdrage geleverd aan doelen uit dit beleidskader.

De handhaving van regels binnen het sociaal domein (uitkeringsfraude), handhavingstaken op het gebied van kinderopvang, leerplicht en belastingen en de aanpak van adreskwaliteit vallen buiten de reikwijdte van het VTH-beleid.

Hoewel taken buiten de reikwijdte van dit VTH-beleid vallen, vindt op uitvoeringsniveau wel samenwerking en afstemming plaats. Over de wijze van (zowel interne als externe) samenwer-king leest u dan ook meer in paragraaf 7.2. De titel van het Bestuursprogramma voor de perio-de 2018–2022 luidt immers niet voor niets: Samen voor Bernheze!

2 VISIE OP VTH

De uitvoering van VTH-taken ziet op het borgen van kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De kern van het VTH-beleid is dat de inschatting van de risico’s voor de leefomgeving doorslagge-vend is voor de prioriteiten die de gemeente stelt bij het stimuleren en/of afdwingen van het naleefgedrag. Naast de sturing vanuit een inschatting van risico’s wordt meer gestuurd op basis van (nalevings)informatie. Omdat de beschikbare capaciteit niet op alles kan worden ingezet wordt prioriteit gegeven aan de onderwerpen en gevallen waarin de risico’s van niet-naleving het grootst zijn. Goede prioritering, heldere focus en voldoende effectiviteit worden steeds belangrijker. Dat vraagt om scherpe keuzes en een overtuigende strategie.

Het nalevingsniveau binnen de fysieke leefomgeving is niet zozeer gebaat bij ‘meer’ handha-ving, maar bij ‘slimmere’ handhaving. Anders gezegd, de effectiviteit van de handhaving in de fysieke leefomgeving wordt niet alleen bepaald door hardere of softere maatregelen, maar ook door de mate waarin de handhavingsstijl is afgestemd op de specifieke achtergronden en ver-wachtingen van burgers en bedrijven.

Bij vergunningverlening, toezicht en handhaving gaat het in de basis om vertrouwen in de sa-menleving. Daar tegenover staat het geven van meer verantwoordelijkheid aan burgers en be-drijven. Dit sluit aan bij de eigen verantwoordelijkheid die ook de wetgever steeds meer bij de samenleving neerlegt. Die samenleving moet binnen de kaders van een veilige, gezonde en schone fysieke leefomgeving, de ruimte krijgen om initiatieven te realiseren. De Omgevingswet die naar verwachting in 2021 in werking treedt biedt meer ruimte om integrale afwegingen te maken en om maatwerk te leveren.

Waar mogelijk wordt gekozen voor een oplossingsgerichte in plaats van proceduregerichte aanpak en houding. Dit doen we door steeds de vraag te stellen: “Hoe kan het wel?”

Voor de vergunningverlening betekent dit dat binnen wettelijke en eigen beleidsmatige kaders met de initiatiefnemer wordt meegedacht om eventuele belemmeringen weg te nemen.

Voor toezicht en handhaving is het schakelen tussen meedenken en ingrijpen. Het in gesprek gaan met overtreders lost al veel op, zeker wanneer overtredingen worden begaan door gebrek aan kennis of bewustzijn. Waar in de samenleving (bewust) geen verantwoordelijkheid wordt genomen, zal de gemeente niet schromen om op te treden. Het uitgangspunt daarbij is ‘high trust, high penalty’.

De gemeente voert VTH-taken slim uit, op basis van risico én informatie, met een heldere focus, is oplossingsgericht en legt de verantwoordelijkheid waar deze hoort.

 3 PROBLEEMANALYSE

De analyse van de problemen die zich kunnen voordoen is een belangrijke basis voor het VTH-beleid. Op basis hiervan worden de keuzes gemaakt over te nemen (beleids)maatregelen in alle schakels van het VTH-proces. De knelpunten en ambities in de fysieke leefomgeving zijn in beeld en zaak is dat rekening wordt gehouden met relevante ontwikkelingen.

Voor de milieutaken op het gebied van toezicht en handhaving is een regionale probleemanaly-se uitgevoerd, die richtinggevend is geweest voor het Regionaal Operationeel Kader 2017-2020 (ROK). Voor de milieutaken op het gebied van vergunningverlening wordt in 2019 nog een ROK opgesteld. De ‘Overige verzoektaken (ook wel ‘plustaken’ genoemd, omdat ze buiten het basis-takenpakket vallen) die de ODBN voor de gemeente uitvoert betreffen voornamelijk adviesta-ken.

3.1 Omgevingsanalyse

3.1.1 Profiel

De gemeente Bernheze heeft een oppervlakte meer dan 90 km², met veel natuur- en land-bouwgebied. Binnen de gemeente zijn relatief veel bedrijven gevestigd. Vooral het midden- en kleinbedrijf is goed vertegenwoordigd. Naast een groot aantal veehouderijen kent de gemeente ook agrarische bedrijven in de land- en tuinbouw en fruitteelt. De gemeente heeft ruim 30.000 inwoners en bestaat uit vijf dorpen: Heesch, Heeswijk-Dinther, Nistelrode, Vorstenbosch, en Loosbroek. Dat maakt Bernheze een eenheid in verscheidenheid, waarbij iedere kern zijn eigen identiteit heeft, z’n eigen kenmerken en z’n eigen historie. De gemeente beschikt over meerdere natuurparels. Zo ligt aan de oostzijde van de gemeente het omvangrijke natuurgebied de Maashorst, dat jaarlijks vele bezoekers trekt. In dit gebied moet de natuur zich kunnen ontwik-kelen en daarnaast moet het aantrekkelijk blijven om te wonen en te recreëren. Landbouw in het gebied moet in balans zijn met wonen, natuur en landschap.

3.1.2 Landelijke ontwikkelingen

Op landelijk niveau spelen ontwikkelingen die van invloed zijn op de uitvoering van de VTH-taken. Een daarvan is dat de wetgever steeds meer eigen verantwoordelijkheid bij burgers en bedrijven legt. Het is daarbij de tendens om te verschuiven van toetsing vooraf naar toezicht achteraf, met als basis meer algemene regels, meer vergunningvrij.

De VTH-kwaliteitscriteria maken inzichtelijk welke kwaliteit mag worden verwacht bij de uitvoe-ring of de invulling van de VTH-taken. Het gaat om criteria voor kritieke massa, inhoud en pro-ces. Kritieke massa criteria geven aan welke capaciteit, kennis en ervaring tenminste in een organisatie aanwezig moeten zijn om de VTH-taken goed uit te voeren.

De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet zijn per 1 januari 2017 opgegaan in één nieuwe Wet natuurbescherming. De nieuwe wet bevat regels voor het behoud van de biologische diversiteit en de bescherming van kwetsbare dier- en plantensoorten (zoals vleermuizen en gierzwaluwen). Op basis van de nieuwe wet toetsen we bij aanvragen omge-vingsvergunning of een activiteit gevolgen heeft voor de natuur.

De nieuwe Omgevingswet vervangt 26 bestaande wetten over de fysieke leefomgeving. De beoogde datum voor inwerkingtreding is 1 januari 2021. Hoewel de veranderingen voor VTH niet fors zullen zijn, vraagt de Omgevingswet vooral om een nieuwe manier van samenwerken aan beleid, plannen en regels.

Het wetsvoorstel Wet kwaliteitsborging in de bouw introduceert, in aanvulling op de rol van het bevoegd gezag bij de vergunningverlening een private onafhankelijke en professionele kwali-teitsborger, die erop toeziet dat wordt voldaan aan de bouwtechnische voorschriften. Deze aanvulling is noodzakelijk om de bouwkwaliteit te verbeteren en omdat het toezicht in complexiteit toeneemt. De gemeente blijft, ook in het beoogde nieuwe stelsel, bevoegd gezag en belast met het toezicht op de naleving van de bouwtechnische voorschriften. Een goed functionerend bouw- en woningtoezicht is en blijft van groot belang, en verdient ook in deze fase vooruitlopend naar het boogde nieuwe stelsel aandacht. Op dit moment wordt verwacht dat de wet op 1 januari 2021 in werking treedt, tegelijk met de Omgevingswet.

De regering werkt aan een verbod op asbestdaken. Als dit verbod doorgaat, zijn asbestdaken per 31 december 2024 verboden. In 2019 wordt geïnventariseerd hoeveel vierkante meters asbestdaken er binnen de gemeente Bernheze nog gesaneerd moeten worden. Met andere gemeenten en de ODBN wordt samengewerkt om de sanering van asbestdaken te begeleiden en te stimuleren. De komende jaren zal het verbod op asbestdaken zorgen voor een toename van werkzaamheden voor VTH, grotendeels uit te voeren als basistaak door de ODBN.

Op 11 december 2018 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot wijziging van de Opiumwet aangenomen. Het gewijzigde artikel 13b Opiumwet met een verruiming van de sluitingsbe-voegdheid van drugspanden is op 1 januari 2019 in werking getreden. Nu kan de burgemeester alleen een drugspand sluiten als daarin daadwerkelijk een handelshoeveelheid drugs aanwezig is. Vanaf 2019 kan dat ook bij strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in en productie van drugs.

3.1.3 Lokale ontwikkelingen

In het Bestuursprogramma 2018-2022 ‘Samen voor Bernheze’ worden belangrijke ontwikkelingen in het buitengebied gesignaleerd waarin de gemeente een belangrijke rol kan en wil spelen. Naar verwachting zet de trend van stoppende agrarische bedrijven zich de komende jaren voort. Aandacht blijft er voor een goede invulling en monitoring van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. De start van het programma (transitie) Landbouw en de provinciale besluiten maken duidelijk dat er de nodige uitdagingen liggen. De zogenoemde ‘transitie veehouderij’ heeft de komende twee jaar veel impact. Ook de opgave vanwege het verbod op asbestdaken per 31 december 2024 wordt in het oog gehouden.

Een en ander betekent dat met name in de periode tot en met 2021 veel extra inspanningen geleverd zullen moeten worden. Te denken is hierbij aan:

• Meer ondersteuning in het begeleiden van stoppers en de daarbij door betrokken agra-riërs te maken keuzes. Ook keuzes voor andere, duurzame en innovatieve vormen van agrarische bedrijfsvoering of combinaties.

• Intensievere inzet op VTH-taken gelet op de toenemende vraag naar maatwerk. Innova-tie en verbrede landbouw spelen daarbij een rol.

In het bestuursprogramma staat ook de woningbouwopgave, waarvoor we 1150 woningen bouwen tot en met 2021. Een deel van de omgevingsvergunningen is daarvoor al verleend, zodat deze ontwikkeling in de beleidsperiode vooral bij de uitvoering van het bouwtoezicht merkbaar zal zijn.

De huisvesting van arbeidsmigranten moet goed geregeld zijn door voldoende spreiding en met behoud van de leefbaarheid in de omgeving. Naast het voorkomen van onveilige huisvesting en overlast staat de bescherming van arbeidsmigranten tegen uitbuiting centraal. Gemeente Bernheze pleit voor een meer eenduidige regionale aanpak voor huisvesting van arbeidsmigranten.

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Beleidskader Integrale Veiligheid voor de perio-de 2019-2022 vastgesteld. De hieruit voor VTH relevante prioriteiten voor de beleidsperiode zijn: woonoverlast, aanpak ondermijning op bedrijventerreinen en buitengebied, aanpak jeugd-overlast, alcohol- en drugsgebruik.

De Erfgoedwet regelt de aanwijzing van te beschermen cultureel erfgoed en een wettelijke in-standhoudingsplicht voor rijksmonumenten. Op basis van de Erfgoedwet is in december 2018 de nieuwe Erfgoedverordening vastgesteld. Deze verordening bevat een instandhoudingsplicht voor gemeentelijke monumenten, die met handhaving kan worden afgedwongen. De VTH-taken op het gebied van monumentenzorg voert de gemeente uit. Van alle rijksmonumenten en op basis van inspectierapporten van Monumentenwacht ook van een deel van de gemeentelijke monumenten, bestaat al een goed beeld van de bouwkundige staat. Uit een inventarisatie in 2019 moet blijken wat de staat is van de overige gemeentelijke monumenten. In eerste instantie (2019) is alleen VTH-capaciteit nodig voor de zeer urgente zaken. Afhankelijk van de uitkomst van de inventarisatie zal vanaf 2020 meer capaciteit worden geraamd.

De hiervoor genoemde lokale ontwikkelingen hebben (of krijgen nog) invloed op de wijze waar-op de VTH-taken worden uitgevoerd.

3.2 Risicoanalyse

De gemeente Bernheze wil risico's voor de fysieke leefomgeving beheersbaar maken en hou-den. Daarvoor worden de risico's voor de leefomgeving goed afgewogen. Aan de hand van die risico's bepaalt de gemeente welke zaken voorrang krijgen. Dat zijn die gevallen waarin de risi-co's het grootst zijn wanneer de regels niet worden nageleefd.

In 2015 is in aanloop naar de vaststelling van het VTH-beleid voor de periode 2016-2019 een uitgebreide risicoanalyse uitgevoerd. Daarmee zijn de kansen op overtredingen en de effecten van niet-naleving in beeld gebracht. De risico’s zijn in beeld gebracht voor een zestal maat-schappelijke effecten (fysieke veiligheid, kwaliteit leefomgeving, financieel-economisch, natuur en landschap, volksgezondheid en bestuurlijk imago). De risicoanalyse is op onderdelen bijge-werkt en geactualiseerd. Alle VTH-taken zijn verdeeld in drie risicoklassen die kunnen worden vertaald naar prioriteiten.

Risico-indeling (en risicocijfer)

Prioriteit

Hoog (groter dan 12)

Hoog

Gemiddeld (tussen 6 en 12)

Gemiddeld

Laag (kleiner dan 6)

Laag

In bijlage 2 is de uitgebreide risicoanalyse te raadplegen.

Samen met de ODBN is in het Regionaal Operationeel Kader (ROK) 2017-2020 voor alle mili-euactiviteiten een risicoanalyse uitgevoerd. Op basis hiervan zijn de activiteiten in drie risico-klassen ingedeeld: hoog risico (risicoscore > 3,5), gemiddeld risico (risicoscore > 2 en < 3,5) en laag risico (risicoscore < 2). Een overzicht van alle milieuactiviteiten en de daaraan verbonden risico’s is opgenomen in bijlage 3.

3.3 Nalevingsinformatie

Uit het in 2018 uitgevoerde bouwtoezicht is gebleken dat in naar schatting 70-80% van de wa-peningscontroles (fundering en verdiepingsvloer) er afwijkingen zijn van de goedgekeurde con-structieberekeningen- en tekeningen. De afwijkingen variëren van het ontbreken van enkele staven betonstaal tot complete wapeningsnetten. De meest vastgestelde afwijking is dat de overlap van wapeningsnetten niet of onvoldoende aanwezig is, waarbij het risico bestaat dat scheuren ontstaan. Grotere incidenten, zoals het instorten van de parkeergarages bij Eindhoven Airport en in Wormerveer, benadrukken dat er risico’s aanwezig zijn. In aanvulling op de risicoanalyse wordt daarom op basis van deze nalevingsinformatie een hogere risicofactor toegekend aan bouwen in afwijking van een omgevingsvergunning, specifiek waar het de constructieve veiligheid betreft.

Uit het in 2017 uitgevoerde Veiligheidsonderzoek (burgerpeiling over veiligheid en leefomge-ving) blijken hondenpoep en rommel op straat de met voorrang aan te pakken problemen. Van-uit de registratie van meldingen met betrekking tot de openbare ruimte wordt dit beeld bevestigd en kan de overlast van illegaal parkeren hieraan worden toegevoegd.

4 PRIORITEITEN EN DOELEN

4.1 Prioriteiten

De bestuurlijke prioriteiten overlappen grotendeels de belangen die op basis van de probleem-analyse prioriteit moeten krijgen.

Bestuurlijke prioriteiten op het gebied van VTH zijn:

• Tegengaan ongewenst gebruik leegkomende stallen. Input vanuit ITV-project over stoppende agrarische bedrijven;

• Huisvesting arbeidsmigranten (going concern en eenduidige regionale aanpak);

• Aandacht voor veiligheid en ondermijning (signaleren en bestrijden);

• Verantwoordelijkheid zoveel mogelijk bij burgers en bedrijven zelf.

In 2019 wordt naar verwachting een keuze gemaakt over de verdere ontwikkeling en het beheer van recreatiepark De Wildhorst. VTH-taken die hieruit voortvloeien hebben prioriteit.

In bijlage 2 is een overzicht opgenomen met alle VTH-taken en de daaraan toegekende priori-teiten. Voor een beperkt aantal VTH-taken worden de risico’s hoog ingeschat (risicocijfer groter dan 12). Hieraan wordt ook de hoogste prioriteit (prioriteit 1) toegekend. Taken met hoogste prioriteit zijn:

Grotere evenementen (klasse B en C)

Leeftijdsgrens alcoholverstrekking

Opiumwet (o.a. XTC laboratoria en hennepkwekerijen)

Brandveiligheid publiektoegankelijk gebouw en zorg- of woongebouw (Bouwbesluit 2012)*

Brandveilig gebruik overige plaatsen (evenemententerrein en tijdelijk bouwsel, bv feesttent)

Sloop met asbest (zonder of in afwijking van sloopmelding)**

Bouwen*** Publiektoegankelijk gebouw (o.a. bijeenkomst-, gezondheidszorgfunctie)

Bouwen*** Woongebouw (appartementencomplex en logiesfunctie)

Bouwen*** Bouwconstructie (in afwijking van constructieberekening of -tekening)

Afwijken bestemmingsplan (gebruiksregels) Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB)

Afwijken bestemmingsplan (gebruiksregels) Huisvesting arbeidsmigranten

* Zowel in de bouw- als in de gebruiksfase.

** Uitvoering als basistaak door ODBN, waarbij de gemeente zelf een oog- en oorfunctie vervult.

*** Bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

Aan de milieuactiviteiten waarvoor in het Regionaal Operationeel Kader (ROK) 2017-2020 de risico’s als hoog zijn ingeschat wordt een ook een hoge prioriteit toegekend.

Industrie: afval(water)beheer

Industrie: Chemische industrie: grootschalige opslag gevaarlijke stoffen, (ook Bevi, Brzo)

Agrarische sector: Veehouderij (zowel IPPC als niet IPPC)

Industrie: Transport en distibutiebedrijven

Industrie: Mengvoederindustrie

Bijeenkomstfunctie: Horeca – cafés en discotheken (hard)

Industrie: Voedingsmiddelenindustrie

Voor onderstaande VTH-taken wordt het risico als gemiddeld ingeschat (risicocijfer tussen 6 en 12). Aan de uitvoering van die taken wordt een gemiddelde prioriteit (prioriteit 2) toegekend.

Bouwen* Grondgebonden woning(en)

Bouwen* Bedrijfsgebouw (industriefunctie; specifiek agrarische sector)

Bestaande bouw Publiektoegankelijk gebouw (o.a. bijeenkomst-, gezondheidszorgfunctie)

Bestaande bouw Woongebouw (appartementencomplex en logiesfunctie)

Afwijken bestemmingsplan (gebruiksregels) Buitengebied

Afwijken bestemmingsplan (gebruiksregels) Bedrijventerrein

Afwijken bestemmingsplan (gebruiksregels) Woonwagenlocatie

Slopen (geen asbest; zonder of in afwijking van sloopmelding)

Seksinrichtingen en (straat)prostitutie

Openbare ruimte Parkeerexcessen

Openbare ruimte Loslopende honden / verontreiniging door honden

Openbare ruimte Ongeregistreerd gebruik gemeentegrond

Openbare ruimte Dumpen afvalstoffen, zwerfafval

Openbare ruimte Wildcrossen

* Bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

Aan de milieuactiviteiten waarvoor in het Regionaal Operationeel Kader (ROK) 2017-2020 de risico’s als gemiddeld zijn ingeschat wordt een ook een gemiddelde prioriteit toegekend. Een overzicht van de milieuactiviteiten met een gemiddelde prioriteit is opgenomen in bijlage 3.

Aan de overige taken wordt een lage (prioriteit 3) gegeven.

4.2 Doelen

De doelen uit het Bestuursprogramma 2018-2022 zijn vertaald naar doelstellingen voor uitvoe-ring van de VTH-taken. Ook hebben we doelstellingen beschreven voor kwaliteitsverbetering. De doelen moeten worden gehaald binnen de beleidsperiode van vier jaar, waarbij continu wordt gemeten, jaarlijks wordt gerapporteerd en zo nodig wordt bijgestuurd in het eerstvolgende uitvoeringsprogramma.

Algemeen doel is dat bij de uitvoering van VTH-taken een vooral oplossingsgerichte in plaats van proceduregerichte aanpak en houding wordt gehanteerd.

4.2.1 Doelen vergunningverlening algemeen

De kwaliteit van de beslissingen op vergunningaanvragen heeft voortdurend de aandacht. Het kwaliteitsniveau op zowel juridisch als op procedureel vlak ligt vast in de vergunningenstrategie (zie hoofdstuk 5).

Voor behandeling van vergunningaanvragen wordt in het uitvoeringsprogramma in kaart ge-bracht hoeveel vergunningaanvragen verwacht worden en hoeveel tijd er nodig is voor de be-handeling ervan. De werkzaamheden worden in het uitvoeringsprogramma nader gespecifi-ceerd. Monitoring hiervan vindt plaats in het zaaksysteem SquitXO.

4.2.2 Vergunningverlening omgevingsrecht

Wat willen we bereiken?

• Op het gebied van omgevingsvergunningen willen we een slag maken met het verbe-teren, vergemakkelijken en vastleggen van het proces en de werkafspraken.

• We delen binnen de organisatie (beleids)informatie die relevant is voor de VTH-taken.

• We streven naar rechtszekerheid met betrekking tot vergunningen (zowel voor vergun-ninghouders als derde belanghebbenden).

Wat gaan we daarvoor doen?

• Aan de hand van een methode van procesverbetering (zoals Lean) wordt het vergun-ningverleningsproces slimmer ingericht en hanteren we een uniforme werkwijze.

• Alle (beleids)informatie komt beschikbaar voor de casemanagers (via Verseon).

• Vergunningen verlenen die juridisch houdbaar zijn.

Wanneer zijn we tevreden?

Eerst maken we inzichtelijk waar we nu staan, zodat we de te maken vorderingen kunnen mo-nitoren. Indicatoren hiervoor zijn:

• Percentage van aanvragen omgevingsvergunning waarvoor de reguliere procedure wordt doorlopen, dat binnen de wettelijke termijn afgehandeld.

• Percentage van aanvragen omgevingsvergunning waarvoor de reguliere procedure wordt doorlopen, waarop van rechtswege vergunning wordt verleend.

• Percentage omgevingsvergunning dat stand houdt in een bezwaar- of beroepsprocedure.

42.3 Vergunningverlening APV en Bijzondere wetten

Wat willen we bereiken?

• De behandelaanpak van een aanvraag evenementenvergunning blijft afgestemd op het risico van het evenement.

• Evenementen met weinig risico worden afgedaan met een melding.

Wat gaan we daarvoor doen?

• De behandelaanpak van een aanvraag evenementenvergunning wordt beschreven en de uitvoering conform die behandelaanpak wordt geborgd. Zodra de vernieuwde risi-coscan vanuit de Veiligheidsregio gereed is, wordt deze opgenomen in de behandel-aanpak.

• De APV is inmiddels aangepast, waardoor voor meer evenementen met een laag risico kan worden volstaan met een melding.

Wanneer zijn we tevreden?

• Zodra de behandelaanpak is geborgd in het vergunningverleningsproces.

Verder maken we inzichtelijk waar we nu staan, zodat we de te maken vorderingen kunnen monitoren. Indicator hiervoor is: Percentage van de evenementen met een laag risico dat wordt afgedaan met een melding.

4.2.4 Doelen toezicht en handhaving algemeen

Algemeen doel voor toezicht en handhaving is dat naast de sturing op basis van een inschatting van risico’s, steeds meer gestuurd wordt op basis van (nalevings)informatie.

4.2.5 Toezicht en handhaving omgevingsrecht

Wat willen we bereiken?

• Betere naleving van de hoge prioriteiten, waaronder de huisvesting van arbeidsmigran-ten en vrijkomende agrarische bebouwing.

• Een oplossingsgerichte in plaats van proceduregerichte aanpak en houding.

• De doorlooptijd van handhavingsdossiers wordt verkort, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit.

• De handhavingsvoorraad loopt niet op (voorkomen achterstanden).

Wat gaan we daarvoor doen?

• Op basis van de nalevingstrategie komen we tot een verbetering van de naleving van de wet- en regelgeving.

• Het eerste contact met een overtreder is bij voorkeur een gesprek.

• We monitoren de doorlooptijd, de kwaliteit van de handhavingsdossiers en grootte van de handhavingsvoorraad.

Wanneer zijn we tevreden?

• Het nalevingspercentage van de taken waarvoor een hoge prioriteit geldt is bij hercon-trole 90 %.

• Het percentage van het aantal handhavingsdossiers dat na enkel gesprekken kan worden afgesloten is 25 %.

• Het percentage van het aantal handhavingsdossiers dat binnen 1 jaar kan worden af-gesloten is 60 % (53 % in 2018).

• Het percentage handhavingsbesluiten dat stand houdt in een bezwaar- of beroepspro-cedure is 75 %.

• Het aantal handhavingsdossiers in de handhavingsvoorraad wordt niet groter (aantal begin 2019 = circa 85).

4.2.6 Toezicht en handhaving APV en Bijzondere wetten

Wat willen we bereiken?

• De leefbaarheid en veiligheid in de openbare ruimte vergroten

• Betere naleving van de hoge prioriteiten (grotere evenementen, leeftijdsgrens alcohol-verstrekking, Opiumwet)

• De boa’s werken samen met de betrokken partners, zowel intern als extern, aan een schone en veilige gemeente.

• De boa’s zijn zichtbaar in de wijk en aanspreekbaar vanuit goed gastheerschap.

Wat gaan we daarvoor doen?

• Uitwisselen van informatie (halen en brengen) en contact met wijkagenten wordt laag-drempeliger (korte lijnen) door een overlegstructuur in het leven te roepen.

• Handhavers steeds meer wijkgericht en informatiegestuurd inzetten en daardoor aan-wezig zijn op de plekken en tijdstippen waar dit het meest noodzakelijk is. Om dit opti-maal te ondersteunen wordt een nieuw handhavings- en informatiesysteem ontwikkeld.

• Vanuit gastheerschap contact leggen met bewoners, ondernemers en bezoekers.

• Mensen aanspreken op hun verantwoordelijkheden en, indien dit nodig is, handhavend optreden.

Wanneer zijn we tevreden?

• Het nalevingspercentage van de taken waarvoor een hoge prioriteit geldt is bij hercon-trole 90 %.

• Het totaal aantal geregistreerde ‘meldingen overlast openbare ruimte’ ligt nu op jaar-basis op circa 250. Doel is om in 2022 uit te komen op maximaal circa 200 meldingen per jaar en daarmee om een daling van 20 % te bereiken.

5 VERGUNNINGENSTRATEGIE

5.1 Vergunningen en melding omgevingsrecht

5.1.1 Omgevingsvergunning activiteit bouwen (en afwijken bestemmingsplan)

Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ worden getoetst aan de regels uit het bestemmingsplan, gemeentelijke bouwverordening, welstandseisen en het Bouw-besluit 2012. Op de eerste drie toetsingsgronden wordt volledig getoetst. Overigens zijn vanaf 2015 voor een groot gedeelte van de gemeente de welstandseisen komen te vervallen. Om de regeldruk te verminderen zijn veel gebieden in de Welstandsnota als welstandsvrij aangemerkt.

Het is praktisch niet mogelijk om alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 volledig te toetsen. De gemeente Bernheze voert daarom de technische toetsing uit aan de hand van de Toetsmatrix Bouwbesluit 2012 (zie bijlage 4). Hiermee wordt duidelijk en transparant aangegeven aan welke aspecten en met welke intensiteit wordt getoetst of een bouwplan voldoet aan de gewenste kwaliteit.

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een (bouw)activiteit die in strijd is met het bestem-mingsplan, wordt beoordeeld of met het verlenen van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. De afwijkingsbevoegdheden zijn opgenomen in de Wabo (artikel 2.12, lid 1). Dergelijke aanvragen worden besproken in de Werkgroep afwijkende bouw-plannen (Wab).

5.1.2 Milieu

Het Regionaal Operationeel Kader 2017-2020 (ROK) ziet nog niet op vergunningverlening. In 2019 wordt hieraan op initiatief van de ODBN alsnog invulling gegeven. Vanuit de gemeente Bernheze wordt hieraan medewerking verleend. In het VTH-uitvoeringsprogramma voor 2020 wordt het ROK vergunningverlening het uitgangspunt.

5.1.3 Monumenten (en archeologie)

De omgevingsvergunning voor monumenten moet voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan cultuurhistorisch erfgoed. De beoordeling van de vergunningaanvraag loopt via de Monumentencommissie (Monumentenhuis Brabant).

5.1.4 Meldingen sloop en asbestverwijdering

In het Bouwbesluit 2012 staat aangegeven wanneer en onder welke voorwaarden een melding gedaan moet worden. Wanneer op basis van het landelijke ‘Asbestverwijderingsbesluit 2005’ een asbestinventarisatierapport moet worden aangeleverd, wordt dit rapport ter advisering voorgelegd aan een asbestspecialist van de ODBN. Het asbest moet in de meeste gevallen verwijderd worden door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf.

5.1.5 Brandveilig gebruik

Voor de toetsing van aanvragen die betrekking hebben op het brandveilig gebruik van een bouwwerk wordt door de casemanager advies gevraagd aan de Specialist brandpreventie van de Brandweer Brabant-Noord. De meldingen voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (ook wel gebruiksmelding) worden normaal gesproken door de casemanager zelf afgehandeld.

5.1.6 Omgevingsvergunning overige Wabo-activiteiten

Voor de overige Wabo-activiteiten (zoals aanleg, kap, reclame en inritten) ligt het beoordelings-kader vooral in de gemeentelijke regels. Zo is in de APV is aan de hand van een Bomenlijst bepaald wanneer voor het kappen/vellen van bomen een vergunning nodig is. Voor de beoordeling van aanvragen voor de activiteit ‘aanleg’ wordt volledig getoetst aan de bepalingen in het bestemmingsplan. In bestemmingsplannen zijn gebieden aangewezen waarvoor ‘aanlegvergunning’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden) nodig is om bomen of ander houtgewas te kappen.

5.2 Vergunningen en meldingen APV en Bijzondere wetten

5.2.1 Evenementenvergunning

De vergunningplicht voor evenementen is opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018. Daarin staat dat het verboden is om zonder of in afwijking van een ver-gunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Onder voorwaarden kan worden volstaan met een melding van het evenement. Het beleid rondom evenementen is opgenomen in de Evenementennota gemeente Bernheze 2014.

Voor de (eerste) beoordeling van een aanvraag voor evenementen wordt gebruik gemaakt van de risicoscan evenementenveiligheid van de Veiligheidsregio Brabant-Noord. Gekeken wordt of een evenement leidt tot risico’s voor de openbare orde. Ingeschat wordt of er maatregelen of voorzieningen nodig zijn om die risico’s weg te nemen of beheersbaar te maken. De uitkomst van de risicoscan bepaalt mede de behandelaanpak van een vergunningaanvraag. Dit levert slechts een indicatie op en is dan ook niet leidend. Op basis van extra informatie of door bij-voorbeeld samenloop van evenementen kunnen de risico’s alsnog hoger of juist lager worden ingeschat. Voor de risicoscan wordt door de Veiligheidsregio overigens deze beleidsperiode een update voorzien.

De volgende risicoklassen worden onderscheiden:

• Klein evenement (klasse 0)  op voorhand geen risico’s te verwachten

• Regulier evenement (klasse A)  leidt (zeer) onwaarschijnlijk tot risico’s

• Aandacht evenement (klasse B)  leidt mogelijk tot risico’s

• Risicovol evenement (klasse C)  leidt (zeer) waarschijnlijk tot risico’s

In de APV is opgenomen dat voor het organiseren van kleine evenementen, zoals een buurt-barbecue en/of straatfeest een meldingsplicht geldt. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. Hiervoor is gekozen in het kader van de vermindering van administratieve lasten.

Wanneer de risicoscan duidt op een Regulier evenement (klasse A) dan worden de hulpverle-ningsdiensten naar behoefte gevraagd om (monodisciplinair) advies uit te brengen en vindt er beperkte afstemming plaats.

Ook bij Aandachtsevenementen (klasse B) worden in beginsel de hulpverleningsdiensten ge-vraagd om (monodisciplinair) advies uit brengen. Specifieke risico’s, het nieuwe of incidentele karakter van een evenement, maar ook bestuurlijke risico’s, kunnen redenen zijn om toch een multidisciplinaire voorbereiding te hebben.

Bij Risicovolle evenementen (klasse C) wordt altijd een vooroverleg ingepland met de organisa-tor en de hulpverleningsdiensten (politie, brandweer en GHOR). De hulpverleningsdiensten brengen (afgestemde) adviezen uit (multidisciplinair advies) op basis waarvan de burgemeester kan beslissen of een evenement kan plaatsvinden. Na afloop van het evenement wordt een evaluatie gepland met de partijen die bij het vooroverleg betrokken waren.

Een gebruiksmelding in het kader van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop) is niet altijd nodig. Dit geldt wanneer een evenementenvergunning is vereist en in het kader daarvan de benodigde gegevens (indieningsvereisten als bedoeld in artikel 2.3 Bgbop) moeten worden aangeleverd. Concreet betekent dit dat bij de uitvraag van gegevens in het kader van een evenementenvergunningaanvraag ook de gegevens voor wat betreft het brandveilig gebruik worden uitgevraagd (zie artikel 2:25, tweede lid, APV Bernheze 2018).

Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 12 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

5.2.2 Horecavergunning

Op basis van de Drank- en Horecawet (DHW) hebben horeca- en slijtersbedrijven, maar ook paracommerciële rechtspersonen (zoals sportkantines en buurt- en dorpshuizen), een vergun-ning van de burgemeester nodig voor het verstrekken van alcoholhoudende drank.

De DHW bepaalt welke stukken bij de vergunningaanvraag ingediend moeten worden en geeft het wettelijke toetsingskader aan. Elke aanvraag wordt volledig getoetst en zo nodig worden er voorschriften aan de vergunning verbonden. Vanuit het wettelijke toetsingskader is er een be-oordeling van het levensgedrag. Bij relevante antecedenten van (toekomstige) leidinggevenden van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf vindt altijd afstemming met de politie plaats. In de APV zijn regels over paracommercie opgenomen, vooral om daarmee oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Deze regels hebben betrekking op schenktijden, bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn. Voor het afwijken van de schenktijden zijn meldingen vereist. Daarnaast worden er ook ontheffingen op basis van de DHW en APV verleend, bijvoorbeeld in verband met het tijdelijk verstrekken van alcohol bij evenementen (artikel 35 DHW).

Voor non-alcoholische horecagelegenheden is een exploitatievergunning nodig op basis van de APV. Toetsingskader hiervoor is of de woon- of leefsituatie in de omgeving van de horecagele-genheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

5.2.3 Wet Bibob

Op basis van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren of daar-aan voorschriften te verbinden dan wel een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob bij het Landelijk Bureau Bibob aan te vragen. In de ‘Beleidsregel Wet Bibob gemeente Bernheze 2015’ staat aangegeven in welke gevallen de Wet Bibob wordt toegepast.

5.2.4 Overige vergunning en meldingen

Andere dan hiervoor genoemde vergunningaanvragen en meldingen gebaseerd op de APV en de Bijzondere wetten, worden beoordeeld conform het daarvoor vastgelegde beleid en de van toepassing zijnde wetgeving.  

6 NALEVINGSTRATEGIE

De nalevingstrategie omvat alles wat wordt gedaan om te komen tot een verbetering van de naleving van de wet- en regelgeving.

6.1 Preventiestrategie

Met preventie bevordert de gemeente het (spontane) naleefgedrag door in te zetten op voorlichting en het doel van regels uit te leggen. Daarmee wordt aantasting van de leefomgeving voorkomen en worden risico’s beperkt. Zo wordt bijvoorbeeld nadat een omgevingsvergunning is verleend voor een wat groter bouwproject door de toezichthouders een ‘servicemail’ verstuurd aan de vergunninghouder. Daarin staat praktische informatie over melden van de start en de voltooiing van de bouwwerkzaamheden. Ook worden de regels uitgelegd voor het aanleveren van constructieberekeningen of – tekeningen en het melden van een betonstort.

In de contacten over VTH-aangelegenheden staat een klantgerichte, pragmatische en oplos-singsgerichte benadering centraal. Uiteraard voor zover dat dit binnen de gestelde wettelijke en gemeentelijke kaders mogelijk is. Tijdens een eventueel vooroverleg of contact wordt al direct zo veel mogelijk informatie verstrekt. Voor een inschatting van de haalbaarheid kan een haal-baarheidstoets worden aangevraagd. Ook na het constateren van een overtreding wordt gepro-beerd eerst in overleg tot een oplossing te komen, zeker als het gaat om goedwillende en on-bewuste overtreders.

6.2 Toezichtstrategie

6.2.1 Algemeen

Het toezicht binnen de gemeente vindt plaats op basis van:

- verleende vergunningen en ontvangen meldingen (bv. sloopmelding)

- specifieke thema’s of projecten (bijv. huisvesting arbeidsmigranten, ondermijning)

- ontvangen meldingen (bv. overlast leefomgeving), handhavingsverzoeken en calamiteiten

- vrije veld toezicht: (surveillance; oog- en oorfunctie)

In het jaarlijks op te stellen VTH-uitvoeringsprogramma wordt onderscheid gemaakt tussen actief toezicht (programmatisch) en reactief toezicht (ad hoc). Waar mogelijk houden we integraal (gebiedsgericht) toezicht. De toezichtstrategie wordt per taakveld toegelicht.

Het is de bedoeling om het toezicht minder melding gestuurd (reactief) en juist meer risico- en informatie gestuurd (proactief) te programmeren.

6.2.2 Toezicht omgevingsvergunning activiteit bouwen

Vergelijkbaar met de technische toetsing in de vergunningsfase, geldt ook bij het toezicht in de bouw- of realisatiefase dat keuzes worden gemaakt over op welke aspecten en met welke intensiteit wordt gecontroleerd. Hiervoor is een toezichtmatrix uitgewerkt. Het landelijke toezicht-protocol (LTP) van de Vereniging BWT Nederland heeft als basis gediend voor het gemeentelijk protocol.

Bouwwerken worden tijdens de uitvoeringsfase op een aantal belangrijke onderdelen gecontroleerd. Daarbij wordt de bouw opgedeeld in de volgende (vier) bouwfasen en toezichtmomenten:

Voorbereiding van de bouw

• check bouwdossier op volledigheid

• verificatie van gegevens over de bouwplaats

• bevestiging werkafspraken met de bouwer

Onderbouw

• uitzetten van de bouw (visuele controle)

• heien (komt nauwelijks voor binnen gemeente)

• controleren van de wapening van de fundering

• begane grondvloeren (specifiek kelderdekvloer)

Bovenbouw / Gevel/ Dak

• verdiepingsvloeren

• eventuele staalconstructies

• kap

Afbouw/ oplevering

• afbouw en installaties (vooral brandveiligheidsaspecten)

• eindcontrole

De prioriteit en de complexheid van het bouwwerk (gerelateerd aan de bouwsom) is uiteindelijk bepalend voor het aantal toezichtmomenten. Het aantal toezichtmomenten bij een omgevings-vergunning voor de activiteit bouwen wordt meer, naarmate de bouwsom hoger is. De bouwsommen hangen immers samen met de omvang en complexiteit van een bouwwerk. Zo zal bij een eenvoudige uitbreiding van een woning volstaan kunnen worden met minder toezichtmomenten en zullen bij een complex woningbouwproject meer toezichtmomenten aanbod komen. Soms zal een toezichtmoment, bijvoorbeeld het controleren van de wapening van de fundering, uit meerdere controles kunnen bestaan. In bijlage 5 is de toezichtmatrix opgenomen.

‘Stoplichtsysteem’

Soms wordt al gestart met bouwwerkzaamheden, terwijl de constructieberekeningen- en tekeningen nog niet zijn goedgekeurd of zelfs nog niet zijn ingediend. Bij wapeningscontroles (fundering en verdiepingsvloer(en)) worden ook regelmatig afwijkingen geconstateerd van de goedgekeurde constructieberekeningen- en tekeningen. De afwijkingen variëren van het ontbreken van enkele staven betonstaal tot complete wapeningsnetten. De meest vastgestelde afwijking is dat de overlap van wapeningsnetten niet of onvoldoende aanwezig is, waarbij het risico bestaat dat scheuren ontstaan. In veel gevallen kunnen door de toezichthouder afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de wapening, voordat beton wordt gestort. Een (formele) stillegging van de bouwwerkzaamheden is dan meestal niet nodig.

Door de toezichthouders wordt hierbij een ‘stoplichtsysteem’ gehanteerd:

Groen = geen afwijkingen  geen actie vereist

Oranje = afwijkingen die direct kunnen worden opgelost  verder bouwen onder voorwaarden

Rood = ontbreken goedgekeurde constructieberekeningen- en tekeningen of afwijkingen die niet direct kunnen worden opgelost  stillegging werkzaamheden

6.2.3 Toezicht ruimtelijke ordening

Het toezicht op de naleving van de bestemmingsplan wordt vooral thematisch uitgevoerd. In de beleidsperiode wordt het toezicht gericht ingezet op de thema’s huisvesting van arbeidsmigranten en vrijkomende agrarische bebouwing. Aan beide thema’s wordt een hoge prioriteit toegekend. Ook wordt ook actief toezicht gehouden op met het bestemmingsplan strijdig gebruik in het buitengebied, op bedrijventerreinen en op woonwagenlocaties (gemiddelde prioriteit). Verder wordt toezicht uitgevoerd naar aanleiding van meldingen en handhavingsverzoeken.

6.2.4 Toezicht slopen, monumenten en overige Wabo-activiteiten

Het toezicht op het slopen (zonder asbest) wordt uitgevoerd door de toezichthouders. Wanneer bij het slopen ook asbest wordt gesaneerd, wordt daarop toezicht gehouden door de ODBN.

Controle op de naleving van een omgevingsvergunning voor de wijziging van monumenten wordt meegenomen tijdens de reguliere bouwinspecties. Zo nodig wordt in een specifieke zaak expertise ingezet vanuit de monumentencommissie (Monumentenhuis Brabant).

Het toezicht op de overige Wabo-activiteiten (zoals aanleg, kap, reclame en inritten) wordt beperkt tot toezicht op basis van meldingen en handhavingsverzoeken. In dit kader gaan wij uit van de eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerder van de werkzaamheden. De inritvergunningen worden gecontroleerd door de ‘buitenopzichter’ van het team Beheer van de gemeente.

6.2.5 Toezicht milieu

Voor het milieutoezicht vormt het Regionaal Operationeel Kader 2017-2020 (ROK) het uitgangspunt. De milieuactiviteiten zijn in het ROK onderverdeel in risicoklassen, waarbij per risicoklasse een toezichtstrategie wordt gehanteerd:

1. Activiteiten met een hoog risico worden onderworpen aan periodiek toezicht afgestemd op de risico’s, het naleefgedrag en de (veiligheids)cultuur van elk bedrijf.

2. Bij activiteiten met een gemiddeld risico wordt regiobreed, uniform en generiek programmatisch toezicht uitgevoerd zo veel mogelijk afgestemd op risico’s, naleefgedrag en naleefmotieven binnen een bepaalde doelgroep.

3. Voor alle activiteiten met een laag risico wordt een ‘piepsysteem’ toegepast. Er worden geen preventieve controles uitgevoerd. Op grond van meldingen of andere signalen kan er eventueel voor gekozen worden een steekproef uit te voeren.

Het bedrijvenbestand van de ODBN is conform dit risicomodel ingedeeld. Elk bedrijf is zo doende ingedeeld in een van de bovengenoemde risicoklassen. Op basis hiervan vindt geprogrammeerd toezicht en handhaving plaats. In aanvulling hierop neemt de gemeente deel aan het project Intensivering toezicht veehouderijen (ITV), waarbij alle veehouderijen binnen een periode van 3 jaar (2018-2020) minimaal 1 keer worden gecontroleerd. Op operationeel niveau wordt jaarlijks in samenspraak met de ODBN een werkprogramma vastgesteld. Vanaf 2019 wordt op basis van toezichtinformatie (nalevingsinformatie vanuit controles) jaarlijks bijgestuurd in de te bezoeken bedrijven en de bezoekfrequentie.

6.2.6 Groen en natuur

Voor het behoud van het buitengebied houden boa’s (domein 2) van “Samen Sterk in Brabant” (SSiB) toezicht. SSiB is een samenwerking van de drie Brabantse Omgevingsdiensten, de Provincie Noord-Brabant, alle Brabantse gemeenten, waterschappen, Openbaar ministerie, politie en terreinbeheerders, met als doel een schoner en veiliger buitengebied in de hele provincie. Hiertoe is een handhavingsteam 24 uur per dag en zeven dagen per week in het buitengebied actief. De prioriteit van het team ligt bij de aanpak van stroperij, wildcrossen en (drugs)afvaldumpingen. Signalen van verwaarlozing van dieren en hennepteelt worden doorgegeven aan de bevoegde instanties.

6.2.7 APV en Bijzondere wetten

Evenementen

De aard en omvang van het evenement bepaalt de wijze en intensiteit van het toezicht. Bij de kleine en reguliere evenementen (klasse 0 en A) vindt toezicht vooral plaats op basis van klachten en meldingen. Bij de grootschalige evenementen (klasse B en C) vinden afhankelijk van de risico’s en de duur van het evenement een of meerdere fysieke controles plaats voorafgaand en/of tijdens het evenement. De intensiteit en diepgang van de controles bij evenementen wordt jaarlijks in het VTH-uitvoeringsprogramma bepaald.

Drank en horeca

Voor het toezicht op de naleving van de Drank- en horecawet (DHW) werkt de gemeente Bernheze samen met de gemeente Oss. Op basis van een convenant is het mogelijk dat DHW-toezichthouders vanuit de gemeente Oss toezichtstaken uitvoeren op het grondgebied van de gemeente Bernheze. De prioriteit ligt bij het toezicht op de naleving van de leeftijdsgrens voor alcohol. Bij overtredingen maakt de DHW-toezichthouder een boeterapport op.

Door zogenaamde hotspots (plaatsen waarvan bekend is dat er veel jongeren komen of het naleefgedrag slecht is) te onderscheiden wordt jaarlijks een controlelijst opgesteld met te bezoeken alcoholverkooppunten. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt het aantal controles en de soort controle opgenomen.

Openbare ruimte

Door de boa’s worden gebiedsgerichte controles uitgevoerd met specifieke aandacht voor parkeren (excessen), hondenoverlast en afvaldumping. De te controleren gebieden (hotspots) en de controlemomenten (hottimes) worden gekozen op basis van meldingen en toezichtsinformatie.

De boa’s worden gericht ingezet voor toezicht bij evenementen en voor woonoverlast en overlast van horeca. Ook bij jeugdoverlast op straat worden boa’s soms ingezet.

Bijkomende taken Boa

De boa’s voeren naast de hiervoor genoemde wettelijke toezichts- en handhavingstaken ook andere taken uit. Een aantal taken zijn structureel aan de orde, andere meer incidenteel.

Structureel: Het toezicht op Basisregistratie personen (Brp) wordt gedeeltelijk uitgevoerd door de boa’s. Bij adresonderzoek worden de betreffende adressen bezocht om na te gaan of de feitelijke situatie klopt met de geregistreerde gegevens.

Incidenteel: bij verkeersongevallen kan het verkeer worden ontregeld. De boa’s worden dan ingezet om het verkeer te regelen.

6.3 Handhavingstrategie

Wanneer toezicht niet leidt tot beëindiging van een overtreding is de gemeente in beginsel ver-plicht om hiertegen op te treden. Vanwege de beperkte capaciteit moeten er echter keuzes worden gemaakt met betrekking tot de zaken die wel en niet opgepakt worden. Afhankelijk van de prioriteit wordt de strategie bepaald.

Prioriteit

Strategie

Hoog

Zaken worden binnen een korte termijn opgepakt. Formele verzoeken om handhaving hebben, gelet op de wettelijke beslistermijn die daaraan verbonden is, een hoge prioriteit, ongeacht de overtreding. Als het handhavingsverzoek gaat over een thema dat onderwerp is van een handhavingsproject, is het soms mogelijk de behandeling van het verzoek om handhaving uit te stellen

Gemiddeld

Zaken worden opgepakt, als daarvoor voldoende capaciteit beschikbaar is. Dergelijke zaken kunnen ook als project, met een apart budget, worden uitgevoerd.

Laag

Zaken worden in principe niet opgepakt. Ook aan anonieme handhavingsverzoeken wordt een lage prioriteit toegekend.

Het gaat hierbij om bestuursrechtelijke handhaving, zoals het opleggen van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang.

Verzoeken om handhaving

Er wordt onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin een handhavingstraject ambtshalve wordt doorlopen en gevallen waarin een belanghebbende om handhaving heeft verzocht. Het aantal (formele) verzoeken om handhaving is de afgelopen jaren fors gestegen (van circa 20 verzoeken in 2016 naar circa 50 verzoeken in 2018). Daarbij wordt de gemeente steeds vaker betrokken in private belangen en conflicten. Denk aan een burenruzie of een concurrentiedis-puut. Voor dit soort zaken wordt capaciteit ingezet, terwijl het beleid totaal andere handhavings-prioriteiten stelt. Dit is onontkoombaar, omdat het handhavingsbeleid op basis van rechtspraak niet kan inhouden dat tegen overtredingen met een lage prioriteit helemaal niet handhavend wordt opgetreden. Bij een verzoek om handhaving moet steeds een afweging worden gemaakt in het individuele geval, waarbij de belangen van de verzoeker om handhaving worden betrokken. Een deel van de handhavingsverzoeken zal niet altijd direct om een strikt juridische oplossing vragen. In die gevallen worden in eerste instantie het gesprek aangegaan en worden mediationvaardigheden ingezet om tot een oplossing te komen.  

Landelijke Handhavingstrategie

De gemeente Bernheze blijft de Landelijke Handhavingstrategie (LHS) volgen ,waarin het volgende stappenplan wordt doorlopen:

Stap 1 Positionering bevinding in de interventiematrix door handhaver

Stap 2 Bepalen of sprake is van verzwarende aspecten

Stap 3 Bepalen of overleg over toepassing van bestuurs- en/of strafrecht nodig is

Stap 4 Optreden met de interventiematrix

Stap 5 Vastlegging van de doorlopen stappen en genomen beslissingen

Stap 1: Positionering bevinding in de interventiematrix

foto

Binnen stap 4 zijn de volgende bestuursrechtelijke interventies mogelijk:

1. aanspreken/informeren

2. waarschuwen – brief met hersteltermijn

3. bestuurlijk gesprek

4. verscherpt toezicht

5. last onder dwangsom of onder bestuursdwang

a. bestuurlijke waarschuwing

b. sanctiebeschikking

c. verbeuren en innen dwangsom/uitvoeren bestuursdwang

6. tijdelijk stilleggen

7. bestuurlijke boete

8. schorsen of intrekken vergunning, certificaat of erkenning

9. exploitatieverbod, sluiting

10. bestuurlijke strafbeschikking milieu (BSBm)

11. proces-verbaal (PV)

De landelijke handhavingstrategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies.

Overtredingen gemeente of andere overheidsorganen

Vanuit een oogpunt van geloofwaardigheid en de voorbeeldfunctie is het belangrijk dat de gemeente Bernheze zelf ook de regels naleeft. Als overtredingen worden geconstateerd die zijn begaan door of in naam van de gemeente vindt hierover overleg plaats met de betrokken collega’s en wordt de verantwoordelijk domeinmanager geïnformeerd. Gezamenlijk wordt een stappenplan met een zo kort mogelijk tijdspad uitgezet om de overtreding te legaliseren dan wel te beëindigen. In dit stappenplan wordt ook meegenomen op welke manier herhaling wordt voorkomen. Als er geen stappenplan kan worden overeengekomen of de afspraken niet na worden gekomen, dan wordt de situatie voorgelegd aan het MT en in uiterste gevallen aan het college. In dat geval nemen wij een bindend besluit ten aanzien van het stappenplan, dat wordt uitgevoerd door de betrokken medewerkers.

6.4 Gedoogstrategie

Er geldt op basis van vaste rechtspraak een beginselplicht om te handhaven bij overtredingen van wet- en regelgeving. Gedogen is het niet optreden tegen overtredingen terwijl daarvoor juridisch gezien wel de bevoegdheid is. Gedogen heeft uiteraard niet de voorkeur. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij een uitzondering verantwoord is en het inzetten van een handhavingstraject niet in alle redelijkheid kan plaatsvinden. De mogelijkheden, worden in bijlage 6 verder uitgewerkt.

7 ORGANISATIE EN MIDDELEN

7.1 Organisatie

Voor het bereiken van de doelstellingen voor de uitvoering van de VTH-taken overeenkomstig de daarvoor opstelde strategieën, zijn personeelscapaciteit en financiële middelen nodig.

Vergunningverlening wordt uitgevoerd door het team Vergunningen en grondzaken (domein Klantcontactcentrum). Toezicht en handhaving zijn ondergebracht bij het team Handhaving (domein Leefomgeving). Vergunningverlening en handhaving zijn gescheiden op bestuurlijk, organisatorisch en medewerkersniveau. De bevoegdheid tot het verlenen van vergunningaanvragen en het handhavend optreden tegen overtredingen is grotendeels gemandateerd aan de ambtelijke organisatie.

De benodigde en beschikbare personele en financiële middelen voor het realiseren van de doelen en acties uit dit VTH-beleidsplan, welke jaarlijks worden geconcretiseerd in het VTH-uitvoeringsprogramma, zijn in de begroting opgenomen. Over de benutting van de budgetten wordt gerapporteerd in het jaarverslag, dat door het college ter kennisname aan de gemeenteraad wordt aangeboden.

In de meerjarenbegroting 2019-2022 is voor de uitvoering van de VTH-taken en de VTH-beleidswerkzaamheden rekening gehouden met een formatie van circa 20 fte (1 fte = 1.400 productieve uren). Zo nodig worden tijdelijk inhuurkrachten ingezet. Wanneer blijkt dat er onvoldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn, worden aanvullende middelen gevraagd of wordt het VTH-uitvoeringsprogramma aangepast. Voor 2019 zijn er echter vooralsnog voldoende financiële middelen beschikbaar.

De uitvoering van de taken wordt nader beschreven in het uitvoeringsprogramma wat jaarlijks wordt opgesteld. Uitgangspunt hiervoor is het organiseren van voldoende menskracht, voorzien van een adequaat opleidingsniveau en de vereiste werkervaring.

7.2 Samenwerking en afstemming (intern en extern)

7.2.1 Intern

Met de medewerkers het cluster Openbare orde en veiligheid (OOV) vindt regelmatig (operationele) afstemming plaats. Op het gebied van ondermijning wordt informatie uitgewisseld, waarbij team Handhaving signalen doorgeeft en het cluster OOV kan vragen om gerichte controles uit te voeren.

Op initiatief van de medewerkers Adreskwaliteit worden gezamenlijke controles uitgevoerd, waarbij wordt nagegaan of de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) kloppen.

De (privaatrechtelijke) aanpak van ongeregistreerd gebruik van gemeentegrond vindt nu op projectbasis plaats. Nog niet duidelijk is hoe en door wie na afloop van het project de reguliere werkzaamheden worden opgepakt.

Met de medewerkers van team Beleid (RO, verkeer, natuur) is er afstemming over het planologisch kader voor uitvoering van de VTH-taken. Vanuit team Beleid wordt uitleg gegeven hoe het beleid moet worden geïnterpreteerd en welke wijzigingen er te verwachten zijn. Richting team Beleid wordt input geleverd over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van ruimtelijke plannen.

7.2.2 Extern

Omgevingsdienst Brabant Noord

Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) behandelt namens de gemeente meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit en vergunningaanvragen voor de activiteit milieu. Namens de gemeente ziet de ODBN erop toe dat deze regels voor milieuactiviteiten worden nageleefd. Regelmatig is er operationeel overleg over voortgang en programmering. Een paar keer per jaar worden ook de zaken met een hoge milieurelevantie en bestuurlijke gevoeligheid besproken met de betrokken portefeuillehouder.

Veiligheidsregio Brabant-Noord

Met de Veiligheidsregio Brabant-Noord (VRBN) werken we samen om voorbereid zijn op het bestrijden van rampen en houden risico's onder controle. De samenwerking is er op het terrein van onder andere brandweerzorg, geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio (GHOR), de samenwerking bij de gemeentelijke rampenbestrijding (gemeentelijke bevolkingszorg), multidisciplinaire crisisbeheersing en het inrichten en in stand houden van de gemeenschappelijke meldkamer.

Politie

Het politie basisteam Maasland (van de politie-eenheid Oost-Brabant) heeft prioriteiten gesteld die raakvlakken hebben op de thema’s woonoverlast, ondermijning en het terugdringen van jeugdoverlast. Het Beleidskader Integrale Veiligheid 2019-2022 is opgesteld in nauwe samenwerking met de politie.

Bij het naleven van regels die in de openbare ruimte gelden, hebben de politie en de gemeente beiden een taak. De politie kijkt vooral naar de openbare orde en veiligheid, de boa’s richten zich op de leefbaarheid en de lichtere veiligheidsproblematiek. De politie en de gemeente hechten veel waarde aan een goede samenwerking en afstemming tussen de wijkagenten en de boa’s, zodat ze elkaar aanvullen en versterken. Hierbij is het uitwisselen van informatie van belang (halen en brengen) en het onderling contact moet laagdrempelig zijn (korte lijnen).

Openbaar Ministerie

Bij handhaving op basis van artikel 13b van de Opiumwet (sluiten drugspanden) is er samenloop met een eventueel strafrechtelijk traject vanuit het Openbaar Ministerie (OM). Door de politie wordt een bestuurlijke rapportage aangeleverd, die voor het bestuursrechtelijk traject nodig is om te kunnen doorpakken. De burgemeester handelt hierin op basis van het daarvoor vastgestelde beleid.

De boa’s kunnen strafrechtelijk optreden tegen overtredingen in de openbare ruimte. De boa’s handelen hierin onder verantwoordelijkheid van het OM.

Zorgteam

Wanneer er vanuit de uitvoering van VTH-taken signalen zijn van problemen op het gebied van zorg en welzijn wordt het zorgteam ingeschakeld. In dit team werken mensen met diverse professionele achtergronden (op sociaal-maatschappelijk vlak) integraal samen. Het zorgteam biedt in overleg met de zorgpartners passende zorg. Het zorgteam verstrekt relevantie informatie door aan toezicht en handhaving (uiteraard met inachtneming van de privacyregels), zodat bij de uitvoering van de VTH-taken eventueel maatwerk kan worden toegepast.

8 KWALITEITSBORGING EN STURING

8.1 Kwaliteitsborging

De landelijke kwaliteitscriteria voor de uitvoering van de VTH-taken zijn bedoeld om te professionaliseren en de kwaliteit in de organisatie te borgen. Er worden eisen gesteld aan deskundigheid (opleiding, werkervaring en aanvullende kennis) en continuïteit (frequentie, benodigde aantal medewerkers en borging).

In het VTH-uitvoeringsprogramma wordt aangegeven of en in welke mate wordt voldoen aan de kwaliteitscriteria. Daar waar kwetsbaarheden worden geconstateerd, worden maatregelen genomen door ofwel bijscholing ofwel inhuur (expertise of tijdelijke extra capaciteit).

8.2 Monitoring, rapportage en evaluatie

Om te kunnen beoordelen of de beleidsdoelstellingen en de geplande werkzaamheden uit het VTH-beleidsplan en - uitvoeringsprogramma worden gehaald, is het belangrijk dat de activiteiten geregistreerd worden. Door monitoring worden systematisch gegevens verzameld om na te gaan of en in hoeverre het gevoerde beleid slaagt. Deze gegevens zijn periodiek opvraagbaar voor zowel managementdoeleinden (voortgang van de uitvoering) als voor periodieke verantwoording aan het college en de gemeenteraad.

De beschikbaarheid van managementinformatie (dashboard) is in ontwikkeling. Steeds meer gegevens halen we uit het zaaksysteem Squit XO (en Squit 2GO voor mobiel toezicht).

Naast registratie van de werkzaamheden, zien we de resultaten van onze inspanningen ook terug in diverse gemeentelijke burgerpeilingen. Wat betreft de prioriteiten en doelen gaan we in het VTH-jaarverslag na wat we bereikt hebben in het afgelopen jaar.

Doel is om de (tussentijdse) rapportages te koppelen aan de P&C-cyclus.

BIJLAGE 1: LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN

APV Algemene Plaatselijke Verordening Bernheze 2018

Boa Buitengewoon opsporingsambtenaar

Bor Besluit omgevingsrecht

Bgbop Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen

Brp Basisregistratie personen

DHW Drank- en horecawet

GHOR Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio

IBT Interbestuurlijk toezichthouder

ODBN Omgevingsdienst Brabant-Noord

VTH vergunningverlening, toezicht en handhaving

VRBN Veiligheidsregio Brabant-Noord

Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wet Bibob Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur

BIJLAGE 2: RISICOANALYSE VTH-TAKEN FYSIEKE LEEFOMGEVING 2019-2022

foto

foto

BIJLAGE 3: RISICOANALYSE MILIEU VANUIT ROK

foto

BIJLAGE 4: TOETSMATRIX BOUWBESLUIT 2012

Het toetsen van een omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen aan het Bouwbesluit 2012 gebeurt op verschillende niveaus:

a) Snelle toets (S)

b) Visuele toets (V)

c) Representatieve toets (R)

d) Integrale toets (I)

Ad a) bij een snelle beoordeling wordt er niet zo zeer gekeken naar de inhoud van de bij een bouwaanvraag behorende technische bescheiden, maar wordt er meer gelet op de aanwezigheid van de vereiste informatie.

Ad b) bij het visueel beoordelen wordt er aandacht besteed aan de uitgangspunten van de ingediende bescheiden zonder deze inhoudelijk te controleren.

Ad e) bij het representatief toetsen wordt niet alles gecontroleerd maar worden er per te toetsen object enkele representatieve onderdelen gepakt. Deze belangrijke onderdelen worden dan geheel getoetst.

Ad d) bij het integraal toetsen is het de bedoeling dat vrijwel alles van het desbetreffende onderdeel gecontroleerd en nagerekend wordt.

Als blijkt dat iets niet juist is wordt een toetsingsniveau dieper getoetst. In principe is dat het eerst volgende toetsingsniveau. Blijkt bijvoorbeeld uit de visuele beoordeling dat er zaken niet lijken te kloppen, dan wordt het bouwplan alsnog representatief getoetst.

foto

In bovenstaande tabel is geen onderscheid gemaakt naar gebieden, zoals bijvoorbeeld buitengebied, woonwijken, bedrijventerreinen en het centrum. Het gaat in principe om de aard van het bouwwerk. Dit laat onverlet dat in specifieke gevallen van het schema kan worden afgeweken in gevallen dat de omgeving er wel toe doet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de veiligheid voor de omgeving door de aard van het gebruik van het bouwwerk.

BIJLAGE 5: TOEZICHTMATRIX BOUWEN

BIJLAGE 6: UITWERKING GEDOOGSTRATEGIE

Inhoud van het kwaliteitscriterium

De handhavingsorganisatie handelt op grond van een restrictieve gedoogstrategie, waarin is

vastgelegd in welke situaties en onder welke condities inzet van sancties tegenover overtreders

tijdelijk achterwege wordt gelaten.

Wat is gedogen?

Gedogen is de bevoegdheid van een bestuursorgaan om willens en wetens al dan niet onder

voorwaarden tijdelijk af te zien van optreden tegen een overtreding (handhaven). Gedogen is een

discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat een bestuursorgaan gebruik kan en mag maken van deze

bevoegdheid, maar hier niet toe verplicht is.

In de jurisprudentie wordt een aantal eisen aan gedogen gesteld:

•Uitdrukkelijk schriftelijk gedogen;

•Tijdelijke karakter (bij voorkeur vooruitlopend op vergunningverlening);

•Verbonden aan voorwaarden;

•Betrokkenheid van belanghebbenden (hoorplicht van artikel 4:7 en 4:8 Awb)

Actief gedogen wordt gezien als het resultaat van een weloverwogen (gedoog)besluit van het bevoegd

gezag. Dit besluit komt op een zorgvuldige wijze tot stand en geeft nauwkeurig aan onder welke

voorwaarden en voor welke duur de overtreding wordt toegestaan, onder afzien van het gebruik van

handhavingsbevoegdheden.

Bij passief gedogen gaat het om het feitelijk niet optreden tegen bij het bevoegd gezag bekende

overtredingen van de regels.

In welke situaties gedogen wij?

1. Wanneer een overtreding overduidelijk tijdelijk van aard is;

2. In situaties waar handhaving zou leiden tot onmiskenbare onbillijkheden (hieronder vallen

overmacht-, nood- en overgangssituaties);

3. In situaties waarin het algemeen belang evident beter is gediend met gedogen:

bijvoorbeeld in proefsituaties ter behartiging van het achter de norm gelegen belang;

4. wanneer er een zwaarder wegend belang in het geding is; bijvoorbeeld wanneer er een

algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in het geding is of er sociaal-maatschappelijke

overwegingen zijn om de overtreding te laten voortbestaan.

1. Tot gedogen wordt slechts overgegaan, indien aan alle volgende inhoudelijke vereisten is

voldaan:

a. de te gedogen activiteit is verantwoord uit het oogpunt van bescherming van de fysieke

leefomgeving;

b. er bestaat concreet uitzicht op legalisatie van de te gedogen activiteit;

c. vooruitlopend op besluitvorming omtrent vergunningverlening wordt gedoogd; indien een

genoegzame vergunning aanvraag is ingediend;

d. indien vooruitlopend op besluitvorming omtrent vergunningverlening wordt gedoogd, is

door ons college een voorlopige inschatting gemaakt waaruit blijkt dat de te gedogen

activiteit vergunbaar is.

e. Er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die gedogen in het concrete geval

rechtvaardigen. Deze bijzondere omstandigheden kunnen ook van sociaalmaatschappelijke

aard zijn.

2. In geval van overmacht zijn de eisen sub b, c en d niet van toepassing.

3. Indien aan de in het eerste lid gestelde eisen is voldaan, wordt niettemin niet tot gedogen

overgegaan:

a. Indien aan de zijde van de overtreder sprake is van recidiverend dan wel calculerend

gedrag, dan wel:

b. Indien blijkt dat de te gedogen activiteit strijdig is met een ander wettelijk voorschrift of

regel en het bevoegd gezag heeft aangegeven dat deze op grond daarvan

handhavend optreedt of gaat optreden.

Uitgangspunt is wel dat belanghebbende zelf alle redelijkerwijs mogelijke stappen heeft ondernomen

om de overtreding te voorkomen dan wel te beperken.

Daarnaast stellen we de volgende procedurele eisen aan een gedoogbeschikking:

•We gedogen uitdrukkelijk en schriftelijk zodat er over het gedogen rechtelijke en

democratische controle kan plaatsvinden;

•De gedoogbeschikking wordt op persoonlijke basis/titel afgegeven;

•We beperken het gedogen zoveel mogelijk in omvang en in tijd. In de gedoogbeschikking

wordt expliciet aangegeven welke activiteiten worden gedoogd.

•We nemen in de gedoogbeschikkking, indien nodig, beperkende voorwaarden op, zodat

het belang dat door de wettelijke regeling wordt beschermd, zoveel mogelijk tot zijn recht

komt.

•Voordat we een gedoogbeschikking afgeven leggen we de ontwerp-gedoogbeschikking

ter inzage ingevolge art. 4:7 en 4:8 Awb.

•Voordat we een gedoogbeschikking afgeven wegen we zorgvuldig alle belangen af en

leggen deze belangenafweging uit in de motivering.

•In de gedoogbeschikking geven we aan dat derden de mogelijkheid hebben om tegen het

besluit bezwaar te maken. Bezwaren leiden tot een volledige heroverweging van het

besluit.

•We vermelden in de gedoogbeschikking dat deze de verantwoordelijkheid van het

Openbaar Ministerie voor de strafrechtelijke handhaving niet raakt.

•We controleren regelmatig of de voorwaarden die aan de gedoogbeschikking zijn

verbonden, worden nageleefd. Wanneer we constateren dat dit niet het geval is volgt

allereerst een waarschuwing en bij een tweede constatering trekken we de

gedoogbeschikking in en gaan we alsnog tot handhaving over.

•We evalueren jaarlijks de gedoogbeschikking en onderzoeken of de argumenten die tot

het gedogen hebben geleid veranderd zijn en tot een heroverweging noodzaken.

De risico’s die voortvloeien uit de illegale situatie c.q. de overtreding van het voorschrift/regel komen

te allen tijde voor rekening en risico van degene die deze handeling verricht of in wiens opdracht deze

worden verricht.

Afwijkingsbevoegdheid

In beginsel wordt er overeenkomstig de bovenstaande beleidsregels besloten. Het college van

burgemeester en wethouders kan op basis van feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen

hiervan gemotiveerd afwijken.

Ondertekening