Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Kerkrade 2009

Geldend van 01-01-2009 t/m 01-01-2012

Intitulé

Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Kerkrade 2009

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving
  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    a. de wet: de Wet werk en bijstand;

    b. CWI: het Centrum voor Werk en Inkomen als genoemd in art. 24 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen, dan wel het WERKbedrijf UWV, gevestigd in de gemeente Kerkrade;

    c. wet SUWI : de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen;

    d. bijstand: algemene en bijzondere bijstand;

    e. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

    f. bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet werk en bijstand;

    g. bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 35, eerste lid, alsmede artikel 12 van de Wet werk en bijstand;

    h. langdurigheidstoeslag: de toeslag bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand;

    i. maatregel: de verlaging van de bijstand, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid WWB wegens het niet / niet voldoende of te laat nakomen van de verplichtingen verbonden aan de bijstand;

    i. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de echtgenoten verstaan;

    k. inlichtingenplicht: de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand;

    l. benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of te veel is verleend als bijstand;

    m. reïntegratieplicht: zolang betaalde arbeid nog niet aan de orde is, de plicht van belanghebbenden van 18 tot 65 jaar gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling dan wel een aangeboden voorziening gericht op sociale activering, alsmede de plicht om mee te werken aan een onderzoek naar de noodzaak voor ondersteuning door middel van een reintegratietraject.;

    n. voorziening gericht op arbeidsinschakeling: activiteiten die het College uitvoert of doet uitvoeren om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerde arbeid te helpen. Indien naar het oordeel van het College belanghebbende in staat is om op eigen kracht arbeid te vinden, is er geen sprake van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; o. datum aanbod : De datum waarop de gemeente aan belanghebbende, voor het eerst na de meldingsdatum zoals bedoeld in artikel 44, tweede lid WWB of na definitieve beeindiging van een eerder traject, het voorstel doet om een of meerdere specifiek benoemde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten en / of een al buiten toedoen van de gemeente nodig geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling die reeds gestart is, voort te zetten.

    p. reïntegratietraject: de periode waarin één of meer voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, dan wel voorzieningen gericht op sociale activering, na de datum aanbod worden ingezet, gelijktijdig of opeenvolgend. Begindatum van dat traject is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Een traject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd.

    q. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade.

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 2 Het opleggen van een maatregel
  • 1. Het college legt een maatregel op indien naar haar oordeel een belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende is nagekomen, met inbegrip van de verplichtingen die in het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen.

  • 2. De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.

  • 3. Van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan afgezien worden van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Bij gedragingen van de eerste en tweede categorie wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet nakomen van de verplichting plaats vindt binnen een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

  • 6. Het opleggen van een maatregel vindt plaats op de periodiek algemene bijstand.

  • 7. Bij een belanghebbende jonger dan 21 jaar wordt de maatregel die wordt opgelegd op de bijstandsnorm ook opgelegd over de aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.

Hoofdstuk 2 Bepalingen aangaande de afstemming van de uitkering

Artikel 3 Gedraging van de eerste categorie

De volgende gedraging leidt, in het geval van recidive, tot een verlaging van de uitkering met 5 % voor de duur van 1 maand:

a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie (artikel 9, lid 1, aanhef en onder a Wwb);

Artikel 4 Gedragingen van de tweede categorie

De volgende gedragingen leiden, in het geval van recidive, tot een verlaging van de uitkering met 10 % voor de duur van 1 maand:

a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17, lid 1 van de wet, voor zover dit niet heeft geleid tot een benadeling voor de gemeente;

b. het binnen de door het college daartoe gestelde hersteltermijn verstrekken van inlichtingen die van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand (artikel 17, lid 1 WWB);

c. het niet verlenen van de gevraagde medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet (artikel 17, lid 2 WWB);

d. het niet verlenen van medewerking aan het in naam van belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand (artikel 57, aanhef en onder a WWB);

e. het niet (tijdig) voldoen aan verplichtingen in verband met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot vermindering of beëindiging van bijstand (artikel 55 WWB);

f. het niet voldoen aan de verplichting zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard (artikel 55 WWB).

g. ten aanzien van de in de onderdelen a en b van dit artikel genoemde verplichtingen kan het college de procedure van artikel 54 van de wet volgen indien belanghebbende niet binnen de door het college gestelde hersteltermijn aan de dienovereenkomstige verplichtingen voldoet

Artikel 5 Gedragingen van de derde categorie

De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 20% voor de duur van 1 maand:

a. het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bedoeld in artikel 18, lid 2 van de wet, niet zijnde gedragingen zoals omschreven in artikel 8 onderdeel c, en artikel 9 van deze verordening;

b. het in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek, uitgevoerd door de gemeente, voor de vaststelling van de noodzaak voor ondersteuning door middel van een reintegratietraject;

c. het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17, lid 1 van de wet, voor zover dit heeft geleid tot een bruto benadeling van de gemeente tot € 2000,-.

Artikel 6 Gedragingen van de vierde categorie

De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 30% voor de duur van 1 maand:

a. het aantoonbaar niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen

b. het aantoonbaar blijk geven van gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren

c. het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting tot gebruik van een aangeboden reintegratietraject dan wel een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering,

d. het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17, lid 1 van de wet, voor zover dit heeft geleid tot een bruto benadeling van de gemeente van € 2000,- tot € 4000,-;

Artikel 7 Gedragingen van de vijfde categorie

De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 20% voor de duur van 2 maanden:

a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17, lid 1 van de wet, voor zover dit heeft geleid tot een bruto benadelingbedrag van de gemeente van € 4000,- of meer;

b. het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet.

Artikel 8 Gedragingen van de zesde categorie

De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 50 % voor de duur van 2 maanden:

a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 9 WWB);

b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking;

c. het door eigen toedoen niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een andere uitkering als voorliggende voorziening om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

Artikel 9 Gedragingen van de zevende categorie

De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 20% voor de duur van het aantal maanden, met een maximum van 36 maanden, dat geen beroep op bijstand mogelijk zou zijn geweest indien wel aan de verplichting was voldaan:

a. het onverantwoord interen van vermogen boven de vermogensvrijlating; b. het onverantwoord besteden of beschikken over vermogensbestanddelen.

Hoofdstuk 3 Overige bepalingen

Artikel 10 Berekeningsgrondslag

a. De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.

b. In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel ook toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet.

Artikel 11 Het besluit tot opleggen van een maatregel

In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de bijstandsnorm en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een in de artikelen 3 tot en met 9 van deze verordening benoemde maatregel.

Artikel 12 Horen van belanghebbende
  • 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    b. belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    c. belanghebbende niet of niet tijdig heeft voldaan aan het verzoek van het college inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17, lid 1 van de wet of verzoek tot medewerking te verlenen aan de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 17, lid 2 van de wet;

    d. belanghebbende niet of niet tijdig heeft voldaan aan zijn plicht tot meewerking aan de arbeidsinschakeling waaronder mede begrepen de plicht tot gebruik van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering.

    e. het college het horen niet nodig acht voor het kunnen vaststellen van de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid, de individuele omstandigheden van belanghebbende of het bestaan van dringende redenen.

Artikel 13 Afzien van het opleggen van een maatregel
  • 1. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 14 Ingangsdatum en tijdvak van maatregel voor niet verstrekken van inlichtingen (art 17 WWB)
  • 1. De maatregel wordt opgelegd overeenkomstig het bepaalde van artikel 54 van de wet.

  • 2. Indien verlaging van de bijstand overeenkomstig lid 1 van dit artikel niet mogelijk is, wordt de bijstand verlaagd met terugwerkende kracht middels herziening van de uitkering en terugvordering van dientengevolge teveel verstrekte uitkering.

  • 3. Indien verlaging van de bijstand overeenkomstig lid 1 en lid 2 van dit artikel niet mogelijk is, wordt de bijstand verlaagd gedurende de eerstvolgende maand(en) nadat aan belanghebbende binnen een jaar na de beëindigingdatum van de uitkering opnieuw een uitkering is toegekend. De termijn van een jaar vangt aan op de verzenddatum van het beëindigingbesluit.

Artikel 15 Ingangsdatum en tijdvak ingeval van overige maatregelen
  • 1. Voor zover de maatregel niet het gevolg is van het niet verstrekken van inlichtingen zoals beschreven in artikel 14 van deze verordening, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

  • 2. Indien verlaging van de bijstand overeenkomstig lid 1 van dit artikel niet mogelijk is, wordt de bijstand verlaagd gedurende de eerstvolgende maand(en) nadat aan belanghebbende binnen een jaar na de beëindigingdatum van de uitkering opnieuw een uitkering is toegekend. De termijn van een jaar vangt aan op de verzenddatum van het beëindigingbesluit.

Artikel 16 Heroverweging

Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

Artikel 17 Samenloop van gedragingen

Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, worden de daarvoor geïndiceerde maatregelen bij elkaar geteld.

Artikel 18 Recidive
  • 1. In geval van recidive wordt de periode van de verlaging van de uitkering verdubbeld. Bij een tweede recidive of nog meer recidives bepaalt het college naar eigen oordeel de duur en hoogte van de verlaging.

  • 2. In geval van schending inlichtingenplicht geldt in afwijking van artikel 2 lid 5 een recidivetermijn van 24 maanden.

  • 3. In afwijking van het eerste lid geldt een verlaging van de uitkering met 100% voor de duur van een maand bij een tweede recidive voor een weigering tot medewerking of onvoldoende medewerking aan een reintegratietraject.

  • 4. De recidivetermijn vangt aan op de verzenddatum van het besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd of wordt afgezien van maatregeloplegging wegens dringende redenen.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 19 De inwerkingtreding
  • 1. De op grond van de ingetrokken afstemmingsverordening 2005 opgelegde maatregelen worden geacht te zijn opgelegd overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 2. Maatregelen naar aanleiding van gedragingen die zich voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening hebben voorgedaan, worden opgelegd met inachtneming van de bepalingen van deze verordening.

  • 3. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2009.

Artikel 20 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Afstemmingsverordening WWB Gemeente Kerkrade 2009”.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare raadsvergadering van 17 december 2008.
De Voorzitter, De plv. Griffier,
J.J.M. Som drs. J. Schrijnemaekers

Nota-toelichting

Algemene toelichting

De regeling in de Wet werk en bijstand

Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin. In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden.

In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is primair verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, ziet het college af van zo’n verlaging.

Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de afstemmingsverordening. Het verlagen van de bijstand wegens het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen verbonden aan de bijstand, kan worden aangeduid als ´het opleggen van een maatregel´. Daarmee wordt het sanctionerende karakter benadrukt.

De gemeente had tot 1 januari 2005 de tijd om een eerste versie van de afstemmingsverordening vast te stellen. Nu ligt een derde versie voor vanwege de behoefte aan een nauwkeurige afstemming tussen de bepalingen van deze verordening en de bepalingen van de reintegratieverordening. Het ontbreken van een dergelijke afstemming tussen de onderliggende bepalingen betekende dat in vele gevallen de uitkering niet kon worden afgestemd. Dit gebrek is in deze versie van de afstemmingsverordening gerepareerd. Tevens heeft de hoogste sociale zekerheidsrechter zich uitgelaten over de bevoegdheid tot opschorting vanwege verzaking van de reintegratieplicht. Deze jurisprudentie is relevant voor het verzuimbeleid en is in de verordening verwerkt.

Het verlagen van de bijstand

Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de algemene bijstand, de bijzondere bijstand als de langdurigheidstoeslag worden verlaagd.

In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen worden opgelegd over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt in bepaalde situaties een lage algemene bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep 21-jarigen en ouder. De keuze wordt gemaakt om geen maatregelen toe te passen op de langdurigheidstoeslag. De wet biedt wel de keuze om of de bijstand of de langdurigheidstoeslag te verlagen. Aan verlaging van de langdurigheidstoeslag is het volgende bezwaar verbonden: de langdurigheidstoeslag wordt uitgekeerd indien belanghebbende hiervoor een aanvraag indient en aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet. Dat kan leiden tot de situatie dat in een voorliggend geval de langdurigheidstoeslag al is uitbetaald en belanghebbende daarmee aan de verlaging ontkomt, terwijl in een ander geval de langdurigheidstoeslag mogelijk nog niet is uitbetaald.

Het ligt verder niet voor de hand om niet-bijstandsgerechtigden die in aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag een maatregel op te leggen. De enige verplichting die zij kunnen schenden in verband met de langdurigheidstoeslag is het verstrekken van geen of onvoldoende gegevens. De sanctie die hierop rust is niet het verlagen van de langdurigheidstoeslag, maar het weigeren van deze toeslag.

Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in de rede (zie ook artikel 10).

De relatie met de re-integratieverordening

De gemeente heeft ook een reintegratieverordening vastgesteld. In deze verordening moet zij vastleggen hoe zij de klanten gaat ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. In beginsel wordt aan iedere cliënt de arbeidsverplichting opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. De gemeente kan deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen met specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking vastleggen. In de reintegratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die de gemeente kan inzetten. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien een klant de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de afstemmingsverordening.

Het uitgangspunt van werk boven inkomen staat centraal in de WWB, althans ten aanzien van personen jonger dan 65 jaar. Alle inspanningen van betrokkene en gemeente dienen derhalve te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Onder arbeidsinschakeling verstaat de WWB: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden (zie artikel 6 onderdeel b WWB, artikel 9 lid 1 onderdeel a WWB en TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 4). Met deze laatste beperking heeft de wetgever aangegeven dat gesubsidieerde arbeid, als voorziening in het kader van de WWB, weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar geen einddoel kan zijn. Door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, verwacht de wetgever te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Het college dient uiteraard wel te letten op de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Dienaangaande is het uitgangspunt van de WWB ook niet meer, zoals in de uitvoering van de Abw te doen gebruikelijk was, de belemmeringen als vertrekpunt te nemen, maar eerder de (resterende) mogelijkheden van belanghebbende. Een diagnostische voorziening is derhalve niet zozeer gericht op de belemmeringen maar op de mogelijkheden van belanghebbende.

Het geheel van activiteiten dat leidt tot arbeidsinschakeling van een belanghebbende wordt reïntegratie genoemd. De WWB stelt het college daarvoor mede verantwoordelijk door de opdracht om een belanghebbende bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen (artikel 7 lid 1 onderdeel a WWB). Daarbij wordt een voorziening aangeboden indien dit naar het oordeel van het college nodig is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat het college de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid als daarmee voor betrokkene de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 5). Voor een belanghebbende die bijstand ontvangt, is reïntegratie een plicht die aan het recht op bijstand is verbonden. Het in onvoldoende mate naleven van deze verplichtingen levert derhalve een maatregelwaardige gedraging op, die overeenkomstig het primaat van de eigen verantwoordelijkheid voor het bereiken van uitkeringsonafhankelijkheid, aangemerkt wordt als een ernstige gedraging. De maatstaf voor de hoogte van de op te leggen maatregel (tijdelijke verlaging van de uitkering) sluit aan op de ernst van de gedraging.

Met het oog op de handhaving van rechten en verplichtingen dient deze verordening in onlosmakelijke samenhang met de reintegratieverordening gelezen te worden.

Zowel bij het toekennen van rechten als bij het opleggen van verplichtingen speelt het leveren van maatwerk een hoofdrol. De wetgever heeft gemeenten hierin daarom veel beleidsruimte gegeven met de bedoeling een grotere snelheid van het reïntegratieproces te bewerkstelligen.

Maatwerk bij het opleggen van verplichtingen acht de wetgever vooral van belang bij een aantal specifieke groepen. Zo wordt de integratie van allochtonen niet alleen bevorderd door deelname aan een reïntegratietraject maar ook door het beter leren beheersen van de Nederlandse taal. Dat vergroot ook de kansen van hun kinderen op een goede participatie in de Nederlandse samenleving. Maatwerk is eveneens van belang voor de groep alleenstaande ouders. Daarmee wordt zo goed mogelijk voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te lange afwezigheid uit het arbeidsproces. Vanuit het oogpunt van een verantwoorde zorg voor de kinderen moeten gemeenten er wel voor zorgen dat er adequate voorzieningen worden aangeboden die een combinatie mogelijk maken van betaalde arbeid en zorg voor de kinderen. Deze voorzieningen hebben betrekking op toereikende kinderopvang en op de eisen die aan regulier werk worden gesteld, zoals reistijd en werktijden (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 5). De verantwoordelijkheden van belanghebbende en college voor arbeidsinschakeling en reïntegratie vragen om een heldere formulering van rechten en plichten van belanghebbende. De gemeenteraad moet op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel a WWB bij verordening regels stellen met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het reïntegratiebeleid dient evenwichtig te zijn, zodat alle groepen met specifieke kenmerken daarin worden betrokken. In artikel 77 lid 1 WWB wordt de controlerende taak van de gemeenteraad op de uitvoering door het college van zijn reïntegratietaak sterk benadrukt, doordat de gemeenteraad het verslag over de uitvoering eerst vaststelt alvorens dit aan de Minister, die belast is met het oordeel over de uitvoering door het college geeft, te zenden. Algemeen geaccepteerde arbeid.

Centraal in de Wwb staat het uitgangspunt van werk boven inkomen. De introductie van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid in plaats van passende arbeid beoogt dit uitgangspunt sterker te benadrukken. Alle inspanningen van belanghebbende en de gemeente dienen te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Hieronder wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a Wwb. Gesubsidieerde arbeid is, als voorziening in het kader van de wet, in deze opvatting weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar kan geen einddoel zijn en valt derhalve niet onder het begrip (duurzame) arbeidsinschakeling. Gesubsidieerde arbeid wordt dus beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid; dit geldt niet voor de Wsw-dienstbetrekking. Hierbij dient aangetekend te worden, dat daarbij recht moet worden gedaan aan het vrijwillig karakter van de Wsw. Dit houdt in dat een indicatiestelling wel verplicht kan worden gesteld, maar dat de klant niet verplicht kan worden om het indicatieadvies te volgen.

Het reïntegratietraject is, vanuit de optiek van de gemeente in de rol van procesbewaker, het geheel van één of meer voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, dan wel voorzieningen gericht op sociale activering, die gelijktijdig of opeenvolgend worden ingezet. Begindatum van de reintegratie is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Het reintegratietraject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd. De Wwb stelt het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk door de klant bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen. Daarbij worden een of meerdere voorzieningen aangeboden indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat de gemeente de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid wanneer daarmee voor belanghebbende de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot. Onder duurzaamheid wordt hierbij verstaan ten minste een half jaar een reguliere baan vervullen en hierdoor een (volledige) uitkeringsonafhankelijkheid bereikt.

Ontheffingen.

Voor personen tussen 18 en 65 jaar, wordt het niet wenselijk geacht om groepen categoriaal uit te sluiten van reïntegratie; iedereen heeft immers mogelijkheden en talenten. Categoriale ontheffingen zijn dan ook niet meer toegestaan. Wel kan het college van burgemeester en wethouders in individuele gevallen om dringende redenen afzien van het opleggen van reïntegratieverplichtingen, voor zover en voor zolang reïntegratie in redelijkheid niet mogelijk is. Zorgtaken kunnen hierbij als dringende reden worden aangemerkt voor zover met deze taken geen rekening kan worden gehouden in het kader van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb. De gemeente houdt hierbij rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie arbeid en zorg en dient ook voorzieningen ter beschikking te stellen die deze combinatie mogelijk maken. Voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan sociale activering een eerste stap zijn. Deelname aan deze activiteiten is derhalve geen grond om tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen. Anderzijds geldt echter ook, dat de verplichtingen afgestemd moeten worden op de mogelijkheden om eventueel pas op termijn uit te stromen naar regulier werk. Eventuele belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen door het aanbieden van voorzieningen. Bij uitzondering kunnen zich tijdelijk echter situaties voordoen waarbij ook dit niet mogelijk is. Het college van burgemeester en wethouders dient dan de op te leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de betrokkene wel nog heeft. Medische belemmeringen zijn als zodanig geen aanleiding voor een ontheffing. Om een juiste, individuele beoordeling te garanderen dient het college gebruik te maken van adviezen van extern deskundigen, zoals het CWI, gespecialiseerde reïntegratiebedrijven, etc.

Integrale dienstverlening.

De samenwerking in de keten van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), het Uitvoerings-instituut Werknemersverzekeringen (UWV) en gemeenten stond in 2007/2008 voor een belangrijk deel in het teken van de ontwikkeling van geïntegreerde dienstverlening. Dit sluit aan bij de plannen van het kabinet om de beproefde experimenten uit de toonkamers een structurele plaats te geven in de Locaties Werk en Inkomen (LWI), zoals het Werkplein Kerkrade. Om de samenwerking verder te ontwikkelen – zowel binnen als buiten de keten – moeten belemmeringen worden weggenomen. De op stapel staande aanpassingen (vereenvoudiging) van de Wet SUWI zijn noodzakelijk om de partners ruimte te bieden. Hierdoor zullen zij beter in staat zijn om op de klant toegesneden, geïnte-greerde dienstverlening te bieden. Ruimte krijgen schept ook verantwoordelijkheden. Om de uitdagingen succesvol op te pakken, is een ondernemende houding nodig. Het is dus gewenst dat de uitvoeringsorganisaties de ruimte nemen, juist op regionaal en lokaal niveau. Aldus heeft het kabinet met de sociale partners en gemeenten afspraken gemaakt. Rode draad in deze afspraken is maatwerk. Maatwerk gericht op de specifieke wensen van de werkgevers en maatwerk gericht op klanten, zodat, rekening houdend met hun individuele omstandigheden, aangesloten kan worden bij de wensen van de werkgever. Hierbij is samenwerking met werkgevers in de regio een vereiste. Het kabinet staat een integrale en samenhangende aanpak voor. Het CWI, het UWV en gemeenten zijn bij het realiseren van deze aanpak de hoofdrolspelers. De verwachting is dat het kabinet door de beoogde vereenvoudiging van de SUWI-wet een aantal reële belemmeringen gaat wegnemen. Een succesvol opereren van de LWI’s is niet alleen afhankelijk van de vereenvoudiging van de wet. Integrale dienstverlening staat of valt met het gebruik van het integraal digitaal klantdossier. Ultimo maart 2008 leveren nagenoeg alle gemeenten gegevens aan voor het DKD. De betrouwbaarheid van de gegevens is in 2007/2008 vergroot doordat de meerderheid van alle gemeenten hun bestand binnen het DKD-traject hebben geschoond. Het gebruik van DKD bij de ketenpartners bevindt zich echter nog in de beginfase. De raadpleegfunctie, de minimale variant van gebruik, wordt redelijk veel gebruikt, maar voor een optimale benutting van het systeem zullen de ketenpartners het gebruik nog aanzienlijk moeten vergroten. Ook zullen overigens de ketenpartners vanuit het perspectief van de klant als één organisatie moeten functioneren. Onderzoek geeft aan dat op dit moment de samenwerking tussen UWV, CWI en gemeenten niet altijd soepel verloopt. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat er nog sprake is van drie organisaties met verschillende belangen en culturen. Het succes van geïntegreerde dienstverlening wordt onder meer bepaald door de mate waarin de partijen in staat zijn steeds de klant centraal te stellen bij al hun handelen en zo hun eigen cultuur en belangen te overstijgen.

De uitvoering zou maximaal gestimuleerd en gefaciliteerd moeten worden op het bereiken van het doel: geïntegreerde dienstverlening. Overigens hebben de ketenpartners op centraal niveau ook de intentie uitgesproken om geen blauwdrukken vast te leggen, maar om het decentrale niveau vooral te stimuleren en te faciliteren. Het uitgangspunt is dat de invulling van de integrale dienstverlening vooral op decentraal niveau moet plaatsvinden.

Naar verwachting zullen CWI en UWV reintegratie met ingang van 1 januari 2009 formeel samengevoegd worden tot een WERKbedrijf UWV. Daar waar in deze verordening het CWI vermeld wordt zal na 1 januari 2009 hiervoor in de plaats UWV gelezen moeten worden.

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsomschrijving

De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB. In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. Tevens wordt en de begripsomschrijving, eensluidend met die van de reintegratieverordening, invulling gegeven aan de begrippen reintegratietraject en voorziening gericht op arbeidsinschakeling

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

Eerste lid

De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende 4 verplichtingen:

1. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB).

2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB) bestaande uit twee onderdelen: - de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden; - de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsin-schakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De reintegratieverordening vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.

3. De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4. De medewerkingplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals bijvoorbeeld huisbezoeken. De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand.

Tweede lid

In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een verlaging van de bijstandsnorm. In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaard- maatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:

- Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.

- Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.

- Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.

De ernst van de gedraging komt onder andere tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd . Voor verwijtbaarheid van de gedraging wordt onderzocht of betrokkene een goed onderbouwde reden heeft voor het plegen van de maatregelwaardige gedraging bijvoorbeeld plotselinge ziekte of artsenbezoek. Andere factoren voor verwijtbaarheid zijn opzet, vergeetachtigheid en duur van de gedraging. Wanneer de gedraging de betrokkene in het geheel niet kan worden verweten, wordt er geen verlaging toegepast en komt men niet eens aan individualisering toe (artikel 18 lid 2, tweede volzin WWB). Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:

- bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;

- sociale omstandigheden, gezinnen met meerdere en / of verzorgingsbehoeftige kinderen bijvoorbeeld;

- bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet meer evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 3. Eerste categorie

De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te blijven. De verwachting is dat binnen de werkwijze in het Werkplein Kerkrade de termijn van inschrijving aan de individuele omstandigheden van de klant aangepast zal worden (door de klantmanagers). Het aantal maatregelwaardige gedragingen in dit kader zullen dan zeer waarschijnlijk drastisch afnemen.

Artikel 4. Tweede categorie

Onderdeel a. In dit artikel wordt de zogeheten “nulfraude” geregeld: het (niet tijdig) verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Het binnen de hersteltermijn verstrekken van de gevraagde inlichtingen wordt aangemerkt als niet tijdig verstrekken en leidt op zo een moment derhalve altijd tot de beoordeling van een maatregelwaardige gedraging. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogens-grens, niet tijdig melden van vakantie of het niet melden van vrijwilligerswerk.

Onderdeel b ziet naast de inlichtingenverplichting ook expliciet toe op de verplichting van belanghebbende om in voldoende mate meewerken aan zijn reintegratietraject. De hoofdgedachte van de WWB is immers dat de burger een eigen verantwoordelijkheid heeft om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien door middel van arbeid en pas als dit niet lukt de inkomensvoorziening op de voorgrond treedt. Arbeidsinschakeling is hiermee een onlosmakelijke plicht verbonden aan het recht op bijstand. Alvorens belanghebbende een reintegratietraject aan te bieden zal veelal een onderzoek, uitgevoerd door de klantmanager, noodzakelijk zijn om vast te stellen of er een noodzaak voor ondersteuning middels het aanbieden van een reintegratietraject bestaat, of dat belanghebbende op eigen kracht de weg naar de arbeidsmarkt weet te vinden. Dit onderzoek valt onder het regime van artikel 17 Wwb. Het niet verlenen van de specifiek verlangde inlichtingenverplichting zoals omschreven in artikel 17 Wwb, kan voor burgemeester en wethouders onder omstandigheden aanleiding vormen de verlening van bijstand op te schorten, met toepassing van artikel 54. De bevoegdheid tot opschorting mag niet worden gebruikt in relatie tot schending van de arbeids- of re-integratieplicht, bijvoorbeeld het niet meewerken aan een reintegratietraject of het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid. Dienaangaande valt een onderzoek naar de (resterende) mogelijkheden van de klant, gericht op de vraag welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling als maatwerk aangeboden kunnen worden, onder het schenden van de reintegratie- en arbeidsverplichtingen. Zulke onderzoeken vormen, gelet op de begripsbepalingen, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en maken derhalve onderdeel uit van het reintegratietraject.

Onderdeel c bevat een algemene medewerkingverplichting die zowel geldt ten aanzien van de verlening van bijstand. Burgemeester en wethouders vertalen de algemene medewerkingverplichting in individuele situaties in een of meer concrete verplichtingen. Zo kan bijvoorbeeld van de belanghebbende gevergd worden dat hij medewerking verleent aan een huisbezoek. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat het weigeren van medewerking aan een huisbezoek waarvoor geen concrete aanleiding bestond, geen maatregel rechtvaardigt.

Onderdeel d. Wanneer er naar het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan aan het recht op inkomensaanvulling de verplichting worden verbonden dat de belanghebbende er aan meewerkt dat in diens naam noodzakelijke betalingen worden verricht uit de toegekende uitkering. Ook kan worden besloten om de uitkering in natura te verstrekken. De redenen waarom hiertoe besloten kan worden beperken zich niet uitsluitend tot situaties waarin de belanghebbende zich in een problematische schuldsituatie bevindt, of daarin dreigt te geraken. Ook in situaties waarbij belanghebbende tekort schiet in zijn zelfredzaamheid – zoals dakloosheid, psychosociale problemen en verslaving – kunnen aanleiding geven om toepassing te geven aan dit artikel. Als de belanghebbende niet aan de verplichting meewerkt dat in zijn naam noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand worden verricht kan het verlenen van bijstand daarop worden afgestemd. De uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden en gemeentelijke bevoegdheden op dit punt heeft een versterking van het vangnetkarakter van deze wet tot gevolg. Bijstand in natura is een vorm waarbij de uitkering geheel of gedeeltelijk niet in de vorm van geld, maar rechtstreeks in de vorm van goederen en/of diensten wordt verstrekt. De gemeente kan bijvoorbeeld fungeren als inkoper van goederen en diensten en die leveren aan de belanghebbende. Een voorbeeld hiervan is het voorzien in een slaapplaats voor een dak- of thuisloze. De met de natura verstrekkingen gemoeide kosten kunnen, zowel feitelijk als forfaitair, worden verrekend met de uitkering.

Onderdeel e. Dit onderdeel sluit aan op artikel 55 van de WWB. Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, vanaf de dag van melding aan de belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de verplichting tot het treffen van een boedelscheiding. De verplichting ex artikel 55 WWB kan worden opgelegd naast de verplichtingen die op grond van hoofdstuk 2 van de WWB aan het recht op bijstand verbonden zijn. Dit onderdeel kan ook worden toegepast voor verplichtingen in verband met het (daadwerkelijk) verkrijgen van alimentatie. Zowel alimentatie voor de belanghebbende zelf als voor diens kinderen. Deze verplichtingen strekken immers tot vermindering of beëindiging van de bijstand zoals bedoeld in artikel 55 WWB ( voorheen artikel 106 Abw). Er mag worden aangenomen dat de mogelijkheden die het college heeft om aan de bijstand verplichtingen te verbinden in verband met het (daadwerkelijk) verkrijgen van alimentatie, ten opzichte van de Abw ongewijzigd zijn gebleven. Artikel 56 WWB is niet in werking is getreden. Het voorstel voor herziening van het kinderalimentatiestelsel is ingetrokken.

Onderdeel f. Dit onderdeel sluit eveneens aan op artikel 55 WWB. Burgemeester en wethouders kunnen, indien zij dit noodzakelijk achten voor het herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening van belanghebbende, aan de bijstand de verplichting verbinden dat belanghebbende een medische behandeling ondergaat dan wel enigerlei andere vorm van professionele hulpverlening die naar zijn aard met een medische behandeling kan worden vergeleken. Het opleggen van deze nadere verplichtingen kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer in de persoon gelegen problemen aan arbeidsinschakeling in de weg staan, zoals bij psychische moeilijkheden of verslavingsproblemen. De zorgvuldigheid vergt dat burgemeester en wethouders, alvorens een dergelijke verplichting op te leggen, deskundig advies inwinnen van een arts. Onderdeel g. Tot de verplichtingen die aan de betrokkene worden opgelegd behoort, naast de plicht om passend werk te aanvaarden en mee te werken aan een reïntegratietraject, de plicht Burgemeester en Wethouders te voorzien van alle informatie die door hen worden gevraagd om het recht op uitkering te kunnen vaststellen. Zolang Burgemeester en Wethouders niet over deze informatie beschikken kunnen zij de uitkering niet vaststellen en schorten zij het recht op uitkering op totdat deze informatie wel is verkregen. Het opschorten van het recht op uitkering en het herzien en intrekken van toekenningsbeschikkingen zijn geen verplichtingen meer voor burgemeester en wethouders, maar bevoegdheden. Hiermee krijgt het college ruimte om de te nemen beslissingen af te stemmen op lokaal beleid en specifieke individuele omstandigheden. Uit oogpunt van rechtszekerheid voor de belanghebbende kan de in het eerste lid bedoelde opschorting van het recht op uitkering niet langer duren dan acht weken. Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbende in de gelegenheid het verzuim, waarvoor tot opschorting is overgegaan, binnen een door hen gestelde termijn te herstellen. Welke hersteltermijn in het individuele geval wordt geboden behoort tot de beleidsvrijheid van burgemeester en wethouders. De enige wettelijke beperking vloeit voort uit de in de tijd begrensde mogelijkheid om het recht op uitkering op te schorten. Wanneer de belanghebbende het verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn herstelt, kunnen burgemeester en wethouders het recht op bijstand beëindigen vanaf de eerste dag waarover dat recht is opgeschort. Deze wijze van beëindigen is geen belemmering voor terugvordering van bijstand die als gevolg van betaalsystematiek reeds is uitgekeerd over een periode waarop de opschorting betrekking heeft. Indien de belanghebbende de op hem rustende inlichtingenplicht jegens burgemeester en wethouders en de CWI niet of niet behoorlijk nakomt, kunnen burgemeester en wethouders op grond van het derde lid een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken.

Artikel 5. Derde categorie

Onderdeel a . Dit onderdeel sluit aan bij de verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. Deze verplichting geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. Bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan gedacht worden aan de situatie dat de uitkeringsgerechtigde heeft nagelaten zich te verzekeren tegen ziektekosten, brand, inbraak en dergelijke. Voor niet gebruik van een voorliggende voorziening, zie artikel 8 sub c. Het onverantwoord besteden van vermogen is specifiek geregeld in artikel 9.

Onderdeel b. Dit onderdeel sluit aan bij artikel 17, eerste lid van de wet waarin is bepaald dat belanghebbende onverwijld uit eigen beweging mededeling doet over alles wat van invloed kan zijn op de bijstand. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan brutobijstand.

Artikel 6. Vierde categorie

Ten aanzien van onderdelen a en b het volgende. Van de uitkeringsgerechtigde wordt verwacht dat hij een actieve opstelling inneemt ten aanzien van de arbeidsmarkt. Dit geldt ook voor belanghebbenden aan wie geen reintegratietraject wordt aangeboden. Zo wordt verwacht dat hij activiteiten verricht die zijn gericht op een zo snel mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook wordt verwacht dat hij geen belemmeringen opwerpt tegen de arbeidsinschakeling. Hierbij dient onder meer gedacht te worden aan het voldoende solliciteren naar geschikte arbeid of de houding tijdens het sollicitatiegesprek of het aanvoeren van steeds nieuwe argumenten waarom men niet ingeschakeld kan worden in het arbeidsproces. Niet nakoming van deze arbeidsplicht leidt waarschijnlijk tot een (verder) beroep op de bijstand en druist in tegen het hoofduitgangspunt van de WWB.

Onderdeel c. Een uitkeringsgerechtigde moet in voldoende mate meewerken aan zijn reintegratie. Hij dient op een correcte wijze gebruik te maken van de aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling zoals een sollicitatietraining of een werkstage. Dit begint al met de verplichting om na de datum waarop door de gemeente een aanbod voor de inzet van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling is gedaan, mee te werken aan een medisch/sociaal/psychologisch onderzoek om de verdere, op de individuele klant toegesneden, reintegratievoorzieningen vast te kunnen stellen. Onvoldoende medewerking aan een re-integratietraject kan zich ook voordoen door een vervelende houding, misprijzende gebaren en grof woordgebruik bij het gebruik van een voorziening, waardoor de voortgang van het reintegratietraject belemmerd wordt. Naast een actieve en correcte houding van de uitkeringsgerechtigden ten opzichte van zijn reintegratie ziet onderdeel c ook op de verschijningsplicht bij een scholing, training of afspraak van de uitkeringsgerechtigde. Dit is de verplichting om op een aangegeven of afgesproken plaats en tijd te verschijnen in verband met een oproep. Een uitkeringsgerechtigde dient tijdig te verschijnen op een afspraak die hij heeft bij een jobcoach, een re-integratiebedrijf of medisch adviseur of het CWI.

Artikel 7. Vijfde categorie

Onderdeel a. Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5 onder b.

Onderdeel b. Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WWB. In artikel 18, tweede lid van de wet wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Het zich zeer ernstig misdragen jegens het college in de zin van artikel 18 lid 2 WWB omvat tevens het zich misdragen jegens een medewerker van bijvoorbeeld het re-integratiebureau, omdat deze personen werken in opdracht van het college en de misdraging van negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de WWB rustende verplichting tot arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam 26-03-2008, nr. 07/1478).

De WWB biedt het college van B&W een aantal mogelijkheden en bevoegdheden voor de manier waarop zij kunnen reageren op zeer agressief gedrag van de belanghebbende. De eerste mogelijkheid betreft het (tijdelijk) buiten behandeling laten van de aanvraag, als door het gedrag de aanvraag onvolledig is en burgemeester en wethouders daardoor niet in staat zijn het recht op uitkering vast te stellen. Als tweede kunnen burgemeester en wethouders het recht op uitkering opschorten als door het gedrag van de belanghebbende onvoldoende wordt meegewerkt dan wel de inlichtingenplicht wordt geschonden (artt. 17 jo 54 WWB). De derde mogelijkheid, eventueel in combinatie met de hiervoor genoemde mogelijkheden, betreft de verlaging van de uitkering op grond van artikel 18, tweede lid, WWB. Het zich zeer ernstig misdragen valt expliciet onder de reikwijdte van artikel 18, tweede lid, WWB. Indien belanghebbende zich jegens burgemeester en wethouders zeer ernstig misdraagt, geeft hij immers aan dat hij tekort schiet in zijn besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid om in deze situatie de uitkering lager vast te stellen op grond van in de verordening vast te stellen criteria. Onder de term “zeer ernstig misdragen” kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Bij de behandeling van de WWB heeft de wetgever aangegeven dat er in dat geval sprake is van een reparatoire sanctie, zolang er maar enig verband is tussen de ernstige gedraging en mogelijke belemmeringen voor burgemeester en wethouders bij het vaststellen van de uitkering. Indien er geen verband is tussen het wangedrag van de betrokkene en de mogelijkheid van het vaststellen van het recht op uitkering is er sprake van een punitieve sanctie. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) wijst erop dat onder verlaging wegens het zich jegens burgemeester en wethouders zeer ernstig misdragen als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB dient te worden verstaan diverse vormen van agressie, zij het dat sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag jegens burgemeester en wethouders of hun ambtenaren dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Naar het oordeel van de Raad dient een dergelijke verlaging te worden aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie. Het is volgens de CRvB dus niet noodzakelijk dat er een verband dient te zijn tussen de ernstige gedraging en mogelijke belemmeringen voor burgemeester en wethouders bij het vaststellen van de uitkering. Dit betekent dat ook indien een dergelijk verband niet aanwezig is en de belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen, de uitkering kan worden verlaagd op grond van in de verordening vast te stellen criteria.

Punitieve sancties stellen andere eisen dan reparatoire sancties. Zo rust op burgemeester en wethouders de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van artikel 18, tweede lid, WWB sprake is geweest. Punitieve sancties vallen onder het bereik van artikel 6 EVRM. De waarborgen die in die bepaling zijn opgenomen zijn van toepassing. De gemeente zal aan degene die zich misdraagt de cautie moeten geven, dat wil zeggen hem moeten wijzen op het zwijgrecht. Iemand moet ervan op de hoogte worden gesteld dat hij mag zwijgen en dat hij niet hoeft mee te werken aan het opgelegd krijgen van een dergelijke sanctie. Daarnaast moet de procedure binnen een redelijke termijn worden afgehandeld, dat wil zeggen dat binnen een redelijke termijn een beslissing moet zijn genomen. Wat onder een redelijke termijn moet worden verstaan, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene (zie artikel 2). Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: 1. verbaal geweld (schelden); 2. discriminatie; 3. intimidatie (uitoefenen van psychische druk); 4. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); 5. mensgericht fysiek geweld; 6. combinatie van agressievormen.

Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.

In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.

Het toepassen van een verlaging staat los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een verlaging op. De functionaris tegen wie de agressie zich richtte kan aangifte doen bij de politie.

Voor de aanpak van agressief gedrag van bijstandsontvangende cliënten biedt artikel 54 WWB een mogelijkheid. Het opschorten van de bijstand op grond van het eerste lid van dit artikel is een bevoegdheid die is toe te passen wanneer het agressieve gedrag plaatsvindt binnen het kader van het onderzoek naar het vaststellen van het recht op bijstand. Van belang is dat het college de afweging maakt dat door het agressieve gedrag van de cliënt deze de van belang zijnde gegevens niet of niet volledig heeft verstrekt dan wel anderszins onvoldoende medewerking verleent.

Wanneer bijvoorbeeld een gesprek voor het verkrijgen van deze gegevens wegens agressief gedrag van de cliënt voortijdig moet worden afgebroken dan is het college bevoegd te concluderen dat de cliënt als gevolg daarvan zijn inlichtingenplicht niet of onvoldoende is nagekomen. Wanneer deze tekortkoming aan de cliënt verwijtbaar is vloeit op grond van artikel 54 lid 1 WWB daaruit voort dat de uitkering kan worden opgeschort. Wel dient de cliënt in de gelegenheid te worden gesteld om voor een bepaalde datum alsnog de ontbrekende gegevens te verstrekken (en wel op zodanige wijze dat ze voor de gemeente ook te ontvangen zijn). Blijft de cliënt ook dan nog in gebreke dan kan op grond van artikel 54 lid 4 WWB intrekking van de uitkering volgen.

Indien het agressieve gedrag van een cliënt heeft geleid tot bedreiging of mishandeling van medewerkers of tot vernieling van eigendommen van gemeente of het CWI dan zal het college of het CWI hiervan aangifte moeten doen bij de politie. In het geval van vernieling is daarnaast het instellen van een vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter mogelijk.

Artikel 8. Zesde categorie

Onderdeel a. Algemeen geaccepteerde arbeid is arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Hieronder valt zowel de reguliere betaalde arbeid, als de gesubsidieerde arbeid, met uitzondering van de dienstbetrekkingen in het kader van de Wsw. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zoals prostitutie zijn uitgesloten van de plicht tot aanvaarding. Er kunnen door de uitkeringsgerechtigde geen eisen gesteld worden aan het opleidingsniveau, werkervaring en beloningsniveau van het werk. Ook arbeid van tijdelijke aard dient geaccepteerd te worden. Onderdeel b. Tot deze categorie wordt gerekend de situatie waarin op verwijtbare wijze door eigen toedoen voorafgaand aan de bijstandsaanvraag dan wel tijdens de bijstand, als het gaat om deeltijdwerk, men betaalde arbeid niet behouden heeft. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan verwijtbaar ontslag, zelf ontslag nemen en het niet verlengen van een arbeidscontract op basis van de opstelling van de uitkeringsgerechtigde.

Onderdeel c. Van de uitkeringsgerechtigde mag verlangd worden dat hij zich niet nodeloos in bijstandsbehoevende omstandigheden brengt door niet of in onvoldoende mate ontvangen van een andere (sociale) uitkering als voorliggende voorziening. Een uitkeringsgerechtigde dient zich in te spannen om de beschikking krijgen over andere middelen van bestaan dan de bijstand.

Artikel 9. Zevende categorie

Van een belanghebbende mag worden gevergd dat hij zich niet nodeloos in bijstandsbehoevende omstandigheden brengt bijvoorbeeld door het doen van bepaalde uitgaven, het te snel interen van vermogen, het verkopen van de woning beneden de marktwaarde of onderbedeling bij echtscheiding. Belanghebbenden dienen de middelen waarover zij reeds beschikken op verantwoorde wijze te besteden.

Artikel 10. De berekeningsgrondslag

Eerste lid. In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.

Tweede lid. De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm die, indien noodzakelijk, wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Op de overige vormen van bijzondere bijstand wordt geen maatregel toegepast (zie algemene toelichting). Als alternatief voor het toepassen van een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de bijzondere bijstand geheel of gedeeltelijk worden verstrekt in de vorm van een geldlening (art 48 WWB).

Artikel 11. Het besluit tot opleggen van een maatregel Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, lid 3 WWB). Tegen beide besluiten kan door de belangheb- bende bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met name het motiveringsbeginsel.

Artikel 12. Horen van belanghebbende Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12). In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

Onderdeel c. Het gaat hier om het niet tijdig verstrekken van inlichtingen. Dit is het “op verzoek mededeling doen van …” als bedoeld in artikel 17, eerste lid WWB. Hiervan is sprake als door burgemeester en wethouders expliciet om inlichtingen is gevraagd, en belanghebbende heeft deze inlichtingen niet binnen de daarvoor vastgestelde termijn verstrekt. Hierbij kun je denken aan het niet vóór een bepaalde datum inleveren van het maandelijkse inkomstenformulier dan wel het anderszins binnen een gegeven termijn niet verstrekken van de gevraagde inlichtingen. In deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing. Het college kan bij niet verstrekken van inlichtingen het recht op bijstand opschorten. Belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld binnen een gegeven termijn zijn verzuim te herstellen. Indien belanghebbende zijn verzuim niet herstelt binnen de gegeven termijn, dan kan het college het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort (dus de uitkering te beëindigen). Verstrekt belanghebbende de gevraagde inlichtingen wèl binnen de gegeven hersteltermijn, dan wordt zijn uitkering bij wijze van afstemming verlaagd in verband met het niet tijdig verstrekken van inlichtingen en volgt geen beëindiging.

Onderdeel d. Aan een belanghebbende die onvoldoende meewerkt aan een reintegratietraject kan een maatregel worden opgelegd. Ook ten aanzien van de reintegratieverplichtingen heeft de gemeente Kerkrade behoefte aan een lik-op-stuk-beleid. Dat wil zeggen dat bij niet nakomen van een afspraak, en de verwijtbaarheid staat ondubbelzinnig vast, directe actie wordt ondernomen c.q. maatregel wordt opgelegd. Het horen van een klant doet veel afbreuk aan het gewenste effect en voegt weinig toe aan de vastgestelde feiten.

Onderdeel e. Het college mag ook afzien van het horen als het vaststellen van de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid, de individuele omstandigheden van belanghebbende of het niet bestaan van dringende redenen voorshands voldoende duidelijk of irrelevant zijn voor de hoogte of duur van de maatregel.

Artikel 13. Afzien van het opleggen van een maatregel

Eerste lid. Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB.

Tweede lid. Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht, dat wil zeggen er moet iets aan de hand zijn dat zo uitzonderlijk is dat in incidentele gevallen een afwijking van de algemene regel gerechtvaardigd is. Het afzien van een maatregel wegens dringende redenen komt pas aan de orde als aan alle voorwaarden voor maatregeloplegging is voldaan, maar dit in het voorliggende individuele geval tot onacceptabele gevolgen zou leiden. Daarbij gaat het om omstandigheden, die op zichzelf niets met de maatregelwaardige gedraging van doen hebben. Deze omstandigheden kunnen zowel van financiële als van niet-financiële aard zijn, waarbij bij financiële omstandigheden bedacht moet worden dat belanghebbende altijd de bescherming van de beslagvrije voet blijft behouden. Op grond van dringende redenen kan ook gedeeltelijk worden afgezien van het opleggen van een maatregel.

Derde lid. Bij het afzien wegens dringende redenen dient wel een gemotiveerd besluit aan belanghebbende worden gezonden. Met de verwijtbare maatregelwaardige gedraging voor welke op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk is afgezien van maatregeloplegging, wordt overigens wel rekening gehouden bij recidive. Met uitzondering van de termijn welke wordt gegeven bij het niet tijdig inleveren van het inkomstenformulier kiest de gemeente Kerkrade er overigens niet voor om een waarschuwing op te leggen in plaats van een maatregel.

Artikel 14. Tijdvak van maatregel voor niet verstrekken inlichtingen (art 17 lid 1 WWB) Eerste lid. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:

- met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of

- door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).

Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Tweede lid. Wanneer de uitkering niet kan worden verlaagd overeenkomstig de situatie zoals beschreven in het eerste lid, omdat de uitkering reeds is beëindigd, volgt herziening en terugvordering. Derde lid. Indien om andere redenen de uitkering niet kan worden herzien en aangepast, zoals beschreven in de voorgaande leden, bijvoorbeeld als de uitkering gelijktijdig beeindigd wordt, wordt de geïndiceerde maatregel geëffectueerd middels verlaging van de uitkering over de eerstvolgende maand(en), indien belanghebbende binnen een jaar na beëindigingdatum van de uitkering opnieuw een uitkering aanvraagt. De termijn van een jaar vangt aan op de verzenddatum van het beëindigingbesluit.

Artikel 15. Tijdvak ingeval van overige maatregelen

Eerste lid. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:

- met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of

- door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).

Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

weede lid. Indien de uitkering niet kan worden aangepast (zoals beschreven in het voorgaande lid van dit artikel) dan wordt de geïndiceerde maatregel geëffectueerd middels verlaging van de uitkering over de eerstvolgende maand(en), indien belanghebbende binnen een jaar na beëindigingdatum van de uitkering opnieuw een uitkering aanvraagt. De termijn van een jaar vangt aan op de verzenddatum van het beëindigingbesluit.

Artikel 16. Heroverweging

Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.

Artikel 17. Samenloop van gedragingen

De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende maatregelwaardige gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden, de zogenaamde meerdaadse samenloop. Gedacht kan worden aan het niet verschijnen van een klant bij een reintegratie-voorziening wat zal leiden tot een verzuimmelding door het integratiebedrijf. De gemeente Kerkrade zal een maatregel, bv 1 x 30%, gaan opleggen. Binnen twee dagen en nog voordat de maatregelbeschikking is verzonden, kan klant opnieuw verzuimen om te verschijnen. Dit herhaalde verzuim leidt, op grond van deze samenloopregeling, opnieuw tot toepassing van een maatregel van 1 x 30%. De beide gedragingen in zijn totaal leveren samen 2 x 30% op voor cliënt. Toepassing van de recidivebepaling, d.w.z. 1 x 60% voor de tweede gedraging, kan eerst nadat een maatregel is opgelegd bij beschikking en verzonden aan klant. Deze regeling geldt niet voor één bepaalde gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt, de zogenaamde ééndaadse samenloop. Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de categorie waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.

Artikel 18. Recidive

Eerste lid. Indien er binnen een jaar – na het verzenddatum van het besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd of wordt afgezien van maatregeloplegging wegens dringende redenen – sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag dan wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van het percentage van de verlaging. Een verwijtbare gedraging is de gedraging waarbij een afstemming van de uitkering heeft plaatsgevonden dan wel de gedraging waarbij op grond van dringende redenen geen afstemming heeft plaatsgevonden. In situaties zoals bedoeld in dit artikel kan het zich voordoen dat belanghebbende afkomstig is uit een andere gemeente en op het moment van de verwijtbare gedraging nog geen 12 maanden in Kerkrade woonachtig is. Voor een goede uitvoering van deze verordening dient dan te worden nagegaan of er in de vorige gemeente een afstemming van de uitkering heeft plaatsgevonden. Wanneer een dergelijke afstemming heeft plaatsgevonden dan dient te worden nagegaan of deze gedraging ook in Kerkrade zou hebben geleid tot een verlaging van de uitkering. Wanneer dit het geval zou zijn geweest dan dient de grotere verwijtbaarheid van de gedraging tot uitdrukking te worden gebracht in een verdubbeling van de periode dan wel het percentage van verlaging van de uitkering.

Tweede lid. Ten aanzien van schending van de inlichtingenplicht geldt een afwijkende recidivetermijn van 24 maanden.

Derde lid. Aan uitkeringsgerechtigden die onvoldoende meewerken aan een reintegratietraject kan een maatregel worden opgelegd ex artikel 6 sub c. Bij het niet verschijnen op afspraken of het niet beschikbaar zijn voor een aangeboden voorziening, wordt een maatregel van 30 procent opgelegd ( vierde categorie). De belanghebbende die voor een tweede keer binnen 12 maanden dergelijk gedrag vertoont, krijgt een maatregel van 60 procent vanwege de verdubbeling van het percentage. De belanghebbende die voor een derde keer binnen 12 maanden dergelijk gedrag vertoont, krijgt een maatregel van 100 procent voor de duur van een maand. Deze laatste uitdrukkelijke regel is een afwijking van artikel 18, lid 1. In dit artikel over recidive wordt de uitvoerende vrijgelaten in de keuze van het bepalen van de duur en hoogte van de maatregel. Opschorten of beëindigen van de uitkering wegens het onvoldoende meewerken aan een reintegratietraject is, blijkens recente jurisprudentie, niet mogelijk. Deze afwijkende regeling is noodzakelijk voor het bereiken van doelen zoals het ontwikkelen van werkritme, professionele werkhouding en werkvaardigheden. De afwijkende regeling is redelijk vanwege gebleken herhaald wangedrag en noodzakelijke gedragsverandering bij klant.

Vierde lid. De recidivetermijn begint op de verzenddatum van het besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd. Zie hiervoor ook de definitie van de begrippen recidive en tweede recidive in artikel 1 van de verordening.

Artikel 19. Ingangsdatum

Na inwerkingtreding heeft de afstemmingsverordening onmiddellijke werking. Dit betekent dat alle maatregelen die zijn opgelegd op grond van de vorige verordening gelden als maatregelen die zijn opgelegd op grond van de WWB met toepassing van deze afstemmingsverordening. Bovendien is deze afstemmingsverordening van toepassing op gedragingen die zich vóór de inwerkingtreding van deze verordening hebben voorgedaan.