Verordening Bedrijveninvesteringszone Coevorden Centrum 2019-2023

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening Bedrijveninvesteringszone Coevorden Centrum 2019-2023

No. 2018/

De raad van de gemeente Coevorden;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 oktober 2018;

gelet op artikel 1, eerste lid, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones;

gezien de met de Stichting Centrummanagement Coevorden gesloten Uitvoeringsovereenkomst Bedrijveninvesteringszone Coevorden Centrum 2019-2023 van 1 november 2018;

besluit:

vast te stellen de Verordening Bedrijveninvesteringszone Coevorden Centrum 2019-2023.

Hoofdstuk I Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    bedrijveninvesteringszone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart;

  • b.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • c.

    uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en Stichting Centrummanagement op 1 november 2018 gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, van de wet;

  • d.

    wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones;

  • e.

    BIZ: Bedrijveninvesteringszone;

  • f.

    stichting: de Stichting Centrummanagemanagement Coevorden.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting

  • 1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  • 2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.

  • 3. De BIZ-bijdrage wordt geheven in het gebied, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende bijlage 1.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van:

    de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject gebruikt;

  • 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt:

    • a.

      gebruik door degene aan wie een deel van een belastingobject in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • b.

      het ter beschikking stellen van een belastingobject voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat belastingobject ter beschikking heeft gesteld; degene die het belastingobject ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat belastingobject ter beschikking is gesteld;

  • 3. Indien een belastingobject bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 4 Belastingobject

  • 1. Belastingobject is de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient en die als bestemming hebben, dan wel in gebruik zijn als: handel, detailhandel, winkel, horeca, kantoor of bedrijf.

  • 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan de woning.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde, zoals deze geldt voor het kalenderjaar.

  • 2. Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobjectbepaald met toepassing van artikel 9, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 6 Belastingtarief

  • 1. De belasting per object bedraagt bij een WOZ waarde van:

    • -

      € 300.000 of minder: € 575;

    • -

      van € 300.000 tot € 500.000: € 800;

    • -

      van € 500.000 tot € 1.000.000: € 1.025;

    • -

      meer dan € 1.000.000: € 1.250.

  • 2. Voor belastingbedragen tot € 10 vindt geen invordering plaats.

Artikel 7 Looptijd belastingheffing

De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van vijf jaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Termijnen van de betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 10 Vrijstellingen

  • 1. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

    • a.

      voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

    • c.

      onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • d.

      één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

    • e.

      natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

    • f.

      openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

    • g.

      waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • h.

      werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • i.

      werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

    • j.

      onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;

    • k.

      straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen niet zijnde gebouwen, welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

    • l.

      plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • m.

      begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

    • n.

      objecten die worden beheerd door een vereniging of stichting die geen onderneming drijft, voor zover die objecten bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club- en buurthuiswerk, voor de beoefening van sport, kunst of cultuur, of voor andere activiteiten van sociale of culturele aard;

    • o.

      objecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening inde regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid.

    • p.

      opslag- en distributieruimten die niet gelegen zijn bij of in het pand waar commerciële activiteiten plaats vinden of kunnen plaats vinden.

  • 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j. van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

  • 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de BIZ-bijdrage wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage.

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

Artikel 13 Aanwijzing stichting

De stichting Centrummanagement Coevorden wordt aangewezen als stichting als bedoeld in artikel 7 van de wet.

Artikel 14 Verhouding Algemene subsidieverordening Coevorden

Op de subsidie als bedoeld in dit hoofdstuk is de Algemene subsidieverordening Coevorden niet van toepassing.

Artikel 15 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt aan de stichting voor de volgende activiteiten:

    • a.

      centrummanagement;

    • b.

      evenementenprogrammering;

    • c.

      bevorderen ondernemerschap;

    • d.

      promotie;

    • e.

      monitoring;

    • f.

      aankleding en verlichting; en

    • g.

      leegstandsinitiatieven.

Artikel 16 De aanvraag

  • 1.

    De aanvraag voor subsidie door de stichting, bevat een per post gespecificeerde en toegelichte begroting en een activiteitenplan.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde aanvraag dient uiterlijk 1 mei voorafgaande aan het subsidietijdvak te zijn ontvangen door het college.

  • 3.

    In het in het eerste lid bedoelde activiteitenplan geeft de stichting aan welke activiteiten zij voornemens is uit te voeren, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of van de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Daartoe kunnen ook activiteiten op het gebied van promotie behoren, voor zover deze het publieke belang in de openbare ruimte dienen. Het activiteitenplan is tevens voorzien van een planning per activiteit.

Artikel 17 De subsidie

  • 1. Het college verleent de subsidie voor de uitvoering van de in artikel 15 bedoelde activiteiten aan de stichting.

  • 2. De subsidie bedraagt de hoogte van de in het kalenderjaar te ontvangen BIZ-bijdragen, verminderd met een bedrag ter hoogte van 1% perceptiekosten voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen.

  • 3. Ongespecificeerde kosten worden niet gesubsidieerd, voor zover die hoger zijn dan 5% van de totale subsidiabele kosten.

Artikel 18 Bevoorschotting en betaling

De subsidie wordt 100% bevoorschot en jaarlijks in drie termijnen uitbetaald:

  • -

    50% vóór 28 februari van elk jaar;

  • -

    25% vóór 31 mei van elk jaar; en

  • -

    25% vóór 31 oktober van elk jaar.

Artikel 19 Verantwoording subsidie

  • 1. De subsidieontvanger dient een aanvraag tot vaststelling in bij het college uiterlijk op 1 mei in het jaar na afloop van het subsidietijdvak.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een activiteitenverslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financieel verslag met toelichting, waarin in elk geval is opgenomen:

      1° een opgave van het bedrag van de werkelijk gemaakte en betaalde kosten;

      2° een opgave van het bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van bijdragen van derden en een opgave van het bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht het financieel verslag te onderwerpen aan een onderzoek van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep.

  • 4. De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een controleverklaring van de onderzoeker als bedoeld in het derde lid, die ten minste bevat:

    • a.

      een vermelding op welke activiteiten het onderzoek betrekking had en welke wettelijke voorschriften en verplichtingen op die activiteiten, in het bijzonder op de verstrekte subsidie voor die activiteiten, toepasselijk waren;

    • b.

      een beschrijving van de reikwijdte van het onderzoek, waarin ten minste wordt vermeld welke richtlijnen voor het onderzoek in acht zijn genomen;

    • c.

      een vermelding van de gebleken tekortkomingen naar aanleiding van het onderzoek;

    • d.

      een oordeel over de verenigbaarheid van het activiteitenverslag als bedoeld in het tweede lid, onder a, met de administratie.

  • 5. Het college kan in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 20 Reservevorming

  • 1. De stichting kan een bestemmingsfonds vormen met een deel van het verstrekte subsidiebedrag, voor zover dit fonds wordt aangewend ter dekking van de kosten van een activiteit die additioneel is aan de activiteiten waarvoor subsidie is of wordt verstrekt.

  • 2. De toevoeging aan het bestemmingsfonds, bedoeld in het eerste lid, bedraagt jaarlijks in totaal niet meer dan 5% van de voor dat kalenderjaar verleende subsidie.

  • 3. De stichting vermeldt in zijn administratie expliciet dat het een bestemmingsfonds betreft in verband met subsidieverstrekking op grond van deze verordening.

Artikel 21 Subsidievaststelling

  • 1. Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

  • 2. Indien uit de verantwoording daarvan volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 3. Indien voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip geen volledige aanvraag tot subsidievaststelling is ontvangen, wordt de subsidieontvanger eenmalig gerappelleerd. Indien na dat rappel nog geen volledige aanvraag tot subsidievaststelling is ontvangen, stelt het college de subsidie ambtshalve vast.

Artikel 22 Melding van relevante wijzigingen

De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van:

  • a.

    meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie;

  • b.

    een wijziging van de statuten;

  • c.

    verandering of beëindiging van activiteiten;

  • d.

    overige omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de subsidieverstrekking door het college.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 23 Het tijdvak 2019

Voor het tijdvak 2019 wordt de op [datum] ontvangen aanvraag beschouwd als aanvraag voor subsidie in de zin van artikel 16.

Artikel 24 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag nadat het college heeft bekend gemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

  • 3. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening Bedrijveninvesteringszone Coevorden Centrum 2019-2023’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 6 november 2018.

De raad voornoemd,

B.J. Bouwmeester, J. Kuipers-Meijering,

voorzitter griffier

Bijlage 1 behorende bij de Verordening Bedrijveninvesteringszone Coevorden Centrum 2019-2023.

Het gebied voor de BIZ is aangegeven in onderstaande kaart en bestaat uit de volgende straten:

Het gebied omvat de wegen, welke gelegen zijn binnen de rode markerende lijn:

Aleida Kramerstraat, Aleida Kramersingel, Arsenaal, Bakkersteeg, Bentheimerstraat, Botersteeg, Burg. van der Lelysingel, Burg. Gautiersingel, Coehoornstraat, Dwenger, E D S plein, Eendrachtstraat, Emmastraat, Friesestraat, Gasthuisstraat, Haven, Kasteel, Keizersgracht, Kerkstraat, Koewegje, Koesteeg, Krimweg 1e gedeelte over het spoor, Kromme Elleboog, Markt, Melkkade, Musket, Meindert vd Thijnensingel, Molenbelt, Molenstraat, Oostersingel, Oosterstraat, Oude Gracht, Parallelweg t/m huisnummer 20, Princestraat, Rabenhauptstraat, Rikkerstraat, Rijnsestraat, Sallandsestraat, Schoolstraat, Sint Jansstraat, Spoorhavenstraat, Spoorsingel, Stationsplein, Stoomstraat, Tuinstraat, van Heutszsingel, Weeshuisstraat en de Wilhelminasingel.

Behoort bij raadsbesluit van 6 november 2018,

De griffier,