Verordening sociaal domein 2019 Gemeente Bunschoten

Geldend van 01-01-2019 t/m 31-01-2020

Intitulé

Verordening sociaal domein 2019 Gemeente Bunschoten

Hoofdstuk 1. inleiding omgekeerde verordening

Deze verordening geeft gemeentelijke regels van de gemeente Bunschoten over de volgende onderwerpen:

  • Werken en participeren

  • Uitkeringen

  • Schuldhulpverlening

  • Gezond en veilig opgroeien, en

  • Wonen in een veilige en gezonde omgeving

1.1 waarom deze regels?

In Nederland vinden we het belangrijk dat:

  • mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;

  • mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;

  • mensen hun financiën op orde hebben;

  • mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;

  • mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en

  • kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.

Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken.

Het gaat om de:

  • Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ;

  • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);

  • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

  • Jeugdwet; en

  • Gemeentewet.

De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. De Adviesraad Sociaal Domein heeft over deze regels een advies gegeven.

1.2 uitgangspunten

De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels:

  • 1.

    zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen;

  • 2.

    zijn goed leesbaar;

  • 3.

    regelen niet meer dan nodig is;

  • 4.

    houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk;

  • 5.

    kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners;

  • 6.

    zijn onderling afgestemd op elkaar;

  • 7.

    respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.

1.3 kernwaarden

Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:

  • 1.

    Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de genoemde doelen.

  • 2.

    Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken.

  • 3.

    De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk).

  • 4.

    Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving.

Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 11.

1.4 artikel en wet (PW -IOAW – IOAZ-Wgs-Wmo-Jeugdwet-Gemeentewet-Awb-Burgerlijk Wetboek)

Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel is aangegeven welke wetten op dat artikel van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2. de hulpvraag

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Dit is de standaardprocedure. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. Die wordt aan het einde van dit hoofdstuk genoemd. Hoe de gemeente omgaat met signalen en hulpvragen van andere personen over inwoners die hulp nodig hebben, wordt hier niet beschreven.

2.1 Stap 1: melding bij de gemeente

2.1.1 indienen hulpvraag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente.

De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:

  • Schriftelijk

  • Mondeling

  • Telefonisch

  • Digitaal

2.1.2 doel en procedure (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner in behandeling te nemen. De gemeente bevestigt de melding per brief / email aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan.

Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om binnen een week zelf een plan om te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).

2.1.2 gegevens (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen 7 dagen te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.

2.2 Stap 2: gesprek na de melding

2.2.1 uitnodiging voor gesprek (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is.

2.2.2 doel en procedure gesprek (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen zes weken na de melding. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.

2.2.3 inhoud gesprek (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

  • 1.

    De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken.

    • a.

      In het gesprek onderzoekt de medewerker:

    • b.

      de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?

    • c.

      de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?

    • d.

      de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?

    • e.

      de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?

  • 2.

    De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.

2.2.4 verslag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

  • 1.

    Zo spoedig mogelijk na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner.

  • 2.

    Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het verslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd.

  • 3.

    Uit het verslag blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd (ondersteuningsplan). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.

  • 4.

    De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit binnen zeven dagen naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen.

  • 5.

    Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag.

2.3 Stap 3: aanvraag

2.3.1 aanvraag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

  • 1.

    Na de melding en na een gesprek met een medewerker van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen volgens de regels die daarvoor gelden. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft.

  • 2.

    De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente.

  • 3.

    Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente of bij een van de uitvoerders van de gemeente.

2.3.2 aanvraag voor hulp-op-maat (Jeugdwet-Wmo-PW-Wgs)

  • 1.

    Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan kent de gemeente die hulp toe in de volgende situatie:

    • a.

      De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de 1.1. genoemde wetten te bereiken;

    • b.

      De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisatie

    • c.

      De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner.

  • 2.

    De hulp-op-maat is voldoende in inzet, prijs (goedkoopst adequaat ) en kwaliteit, zodat de inwoner het gewenste effect kan bereiken.

  • 3.

    De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als de inwoner de hulpvraag had kunnen voorzien en kunnen voorkomen. Maar als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (onevenredig nadeel ervaart), dan kent de gemeente de hulp-op-maat wel toe.

  • 4.

    Wanneer de hulp-op-maat bestaat uit het vervangen van een eerder door de gemeente verstrekte voorziening, wordt deze alleen verstrekt als de eerdere voorziening technisch is afgeschreven,

    • a.

      tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die de inwoner niet zijn te verwijten;

    • b.

      tenzij de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

    • c.

      als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt bij de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning.

2.3.3 advisering (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.

2.3.4 beoordelen aanvraag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

  • 1.

    Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:

    • a.

      de behoeften van de inwoner;

    • b.

      de (on)mogelijkheden van de inwoner;

    • c.

      de persoonlijke situatie van de inwoner;

    • d.

      de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente.

  • 2.

    Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen:

    Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is.

    Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn.

    Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel.

    Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties.

    Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

  • 3.

    Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.3.5 Beslistermijn (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

  • 1.

    De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen, en in ieder geval binnen acht weken na de melding.

  • 2.

    De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als de gemeente de aanvraag niet binnen de termijn kan behandelen.

2.4 Stap 4: beslissing

2.4.1 inhoud besluit (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

  • 1.

    De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven.

  • 2.

    Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is;

    • b.

      wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;

    • c.

      hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en

    • d.

      welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.

  • 3.

    Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      waarvoor het pgb bedoeld is;

    • b.

      hoe hoog het pgb is;

    • c.

      wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;

    • d.

      hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en

    • e.

      welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.

  • 4.

    Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk doel het geld wordt gegeven;

    • b.

      wanneer het geld wordt betaald;

    • c.

      hoe vaak het geld wordt betaald; en

    • d.

      welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.

2.4.2 verval van recht (Jeugdwet-Wmo)

Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

2.5 uitzonderingen

2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. (Jeugdwet-Awb)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen.

  • 3.

    Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken stuurt de gemeente een brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.

2.5.2 spoedeisende gevallen (Jeugdwet-Wmo-PW-Wgs)

  • 1.

    In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Het kan dan gaan om de volgende hulp:

    • a.

      het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;

    • b.

      het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;

    • c.

      het bieden van tijdelijke hulp-op-maat voor maatschappelijke ondersteuning; of

    • d.

      het verstrekken van een voorschot op een uitkering of tegemoetkoming die nog niet is toegekend.

  • 2.

    Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.

Hoofdstuk 3. werk en participatie

De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden geholpen bij het vinden van passend werk als zij kunnen werken. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert.

3.1 doelgroep (PW-IOAW-IOAZ)

De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk:

  • 1.

    inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden.

  • 2.

    inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven.

  • 3.

    jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo of vwo-diploma of mbo­diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg.

3.2 samenwerking (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente werkt samen met UWV, regio­gemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk willen aanbieden.

3.3 budget (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan subsidie- en budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen;

  • 2.

    De gemeente kan een plafond vaststellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening;

  • 3.

    Als het plafond is bereikt, verstrekt de gemeente geen voorziening meer. De gemeente kan dan nog wel advies of sollicitatietrainingen geven.

3.4 voorzieningen – werk (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk.

  • 2.

    De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk.

    • a.

      Voorzieningen die kunnen worden ingezet bij alle inwoners uit de doelgroep:

      • solliciteren

      • scholing

      • nazorg

      • vergoeding kosten

    • b.

      Voorziening die kan worden ingezet bij inwoners uit de doelgroep met een grote kans op betaald werk is proefplaatsing

    • c.

      Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een kleine kans op betaald werk zijn:

      • sociale activering / vrijwilligerswerk

      • participatieplaats

      • persoonlijke ondersteuning

      • werkgeverssubsidie

      • loonkostensubsidie

      • beschut werk

  • 3.

    De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget.

VOORZIENINGEN VOOR ALLE DOELGROEPEN

3.4.1 solliciteren (PW-IOAW-IOAZ)

De gemeente organiseert jaarlijks verschillende activiteiten om een inwoner aan een baan te helpen, zoals begeleiding bij solliciteren, een banenmarkt en speeddates met werkgevers.

3.4.2 Scholing (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken of werk te behouden

  • 2.

    De scholing duurt maximaal één jaar. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.

3.4.3 nazorg (PW-IOAW-IOAZ)

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, gedurende een termijn van zes maanden nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen.

3.4.4 tegemoetkoming kinderopvang (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang:

    • a.

      als de inwoner als afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of

    • b.

      een inwoner die op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en

    • c.

      opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.

  • 2.

    Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst Toeslagen (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, worden door de gemeente vergoed.

3.4.5 andere voorzieningen en vergoedingen (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.

  • 2.

    De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk.

VOORZIENING VOOR INWONERS MET GROTE KANS OP BETAALD WERK

3.4.6 Proefplaatsing (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever.

  • 2.

    Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk.

  • 3.

    Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk.

  • 4.

    De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de werkzoekende goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband, moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de werknemer te begeleiden.

  • 5.

    De proefplaatsing duurt maximaal twee maanden en kan eenmalig met één maand worden verlengd, als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner.

VOORZIENINGEN VOOR INWONERS MET EEN KLEINE KANS OP BETAALD WERK

3.4.7 sociale activering (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichterbij werk brengen. Dit heet sociale activering.

  • 2.

    Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

3.4.8 participatieplaats (PW)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.

  • 2.

    Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht.

  • 3.

    Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werk nemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3.4.9 persoonlijke ondersteuning (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.

  • 2.

    Persoonlijke ondersteuning wordt aangeboden door inzet van een jobcoach, door training van een begeleider bij de werkgever of in de vorm van een vergoeding aan de werkgever voor een eigen gekwalificeerde jobcoach;

  • 3.

    Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen.

  • 4.

    De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever.

3.4.10 werkgeverssubsidie (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

  • 1.

    De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke werkgeverssubsidie geven.

  • 2.

    Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden.

  • 3.

    Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties;

  • 4.

    De subsidie wordt niet verstrekt als er voor dezelfde werknemer een loonkostensubsidie of andere financiële tegemoetkomingen worden verstrekt.

  • 5.

    De gemeente kan nadere regels stellen over

    • a.

      De specifieke doelgroepen waarvoor subsidie kan worden verstrekt;

    • b.

      De hoogte en duur van de subsidie;

    • c.

      Het recht op de subsidie in relatie tot de omvang van de dienstbetrekking;

    • d.

      De wijze van betaalbaar stellen;

    • e.

      Het maximaal aantal / het maximale bedrag aan te verstrekken subsidies per werkgever.

3.4.11 loonkostensubsidie (PW-Awb)

  • 1.

    De gemeente kent de werkgever een loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.

  • 2.

    Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.

  • 3.

    De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de methode toe die in bijlage 1 is omschreven. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd.

3.4.12 beschut werk (PW)

  • 1.

    De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.

  • 2.

    De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt.

  • 3.

    Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden.

  • 4.

    De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:

    • a.

      aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;

    • b.

      uitsplitsing van taken;

    • c.

      aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.

  • 5.

    De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen:

    • a.

      hulp bij het invullen van de dag;

    • b.

      sociale activering;

    • c.

      scholing;

    • d.

      loonkostensubsidie;

    • e.

      werkgeverssubsidie; en

    • f.

      schuldhulpverlening.

3.5 tegenprestatie

3.5.1 doel van de tegenprestatie (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente legt een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving.

  • 2.

    Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.

3.5.2 duur en omvang tegenprestatie (PW-IOAW-IOAZ)

De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht wordt opgenomen in het verslag. Dit is om de volgende redenen:

  • 1.

    De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten.

  • 2.

    De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie.

  • 3.

    Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd.

3.5.3 voorwaarden tegenprestatie (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen.

  • 2.

    De gemeente ziet vrijwilligerswerk en mantelzorg als een vorm van tegenprestatie.

3.6 dagbesteding en begeleiding

3.6.1 een ingevulde dag hebben (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor een aantal dagdelen per week.

3.6.2 veiligheid bij deelname aan de samenleving (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om veilig de dag door te komen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-op-een of in een groep plaatsvinden. Het betekent, dat de begeleider toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën, maar neemt deze niet volledig over.

3.7 meedoen aan de samenleving

3.7.1 verplaatsen in en om de woning (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp­-op-­maat kunnen krijgen.

  • 2.

    De hulp­-op-­maat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner. De rolstoel kan bestaan uit een handmatig of elektronisch voortbewogen rolstoel en voor zowel binnen als buitengebruik geschikt zijn.

3.7.2 verplaatsen dichtbij huis (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

  • 2.

    De hulp­-op-­maat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan uit:

    • a.

      de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer;

    • b.

      een taxi;

    • c.

      een scootmobiel, of

    • d.

      het gebruikmaken van een vervoersvoorziening.

  • 3.

    Een combinatie van deze voorzieningen kan tot de mogelijkheid behoren als er verschillende afstandsdoelen zijn.

  • 4.

    Het moet gaan om:

    • a.

      het zich verplaatsen rondom de woning;

    • b.

      het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of

    • c.

      het vervoer naar de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen.

  • 5.

    Een voorziening voor woon-werk verkeer en zakelijk verkeer is uitgesloten.

3.8 Meedoen aan sportactiviteiten (Wmo)

Voor sportactiviteiten is verstrekking van een sportrolstoel mogelijk.

Hoofdstuk 4. gezond en veilig opgroeien

Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop.

Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

4.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp (Jeugdwet)

  • 1.

    Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouders.

  • 2.

    Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouders en hun sociale netwerk.

  • 3.

    De gemeente betrekt de wensen van de jongere en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet.

  • 4.

    Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente.

  • 5.

    Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het wijkteam, of door een jeugdwelzijnsorganisatie. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt hulp­op­maat ingezet.

4.2 preventieve maatregelen (Jeugdwet)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk met:

    • a.

      het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen;

    • b.

      informatie, advies en trainingen;

    • c.

      jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts);

    • d.

      activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen via het jongerenwerk;

    • e.

      opvoedondersteuning;

    • f.

      een vertrouwenspersoon;

  • Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt de gemeente jeugdhulp op vrijwillige basis.

4.3 hulp-op-maat (Jeugdwet)

  • 1.

    De gemeente kan de volgende hulp-op-maat aanbieden:

    • a.

      ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en cursussen;

    • b.

      een plek in een pleeggezin, gezinshuis, of verblijf in een instelling. Pleegzorg of gezinshuis heeft hierbij de voorkeur;

    • c.

      specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling;

    • d.

      persoonlijke verzorging;

    • e.

      vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt geboden;

    • f.

      respijtzorg

  • Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, of een besluit van de gemeente.

  • 2.

    Er is een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.

4.4 overgang van 18- naar 18+ (Wmo-Jeugdwet)

  • 1.

    De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jongeren uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden.

  • 2.

    Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen:

    • a.

      scholing, werk of participatie

    • b.

      wonen

    • c.

      inkomen

    • d.

      zorg en ondersteuning

    • e.

      vrije tijd

    • f.

      het netwerk van de jongeren

  • 3.

    Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan.

  • 4.

    Als sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of verlenging hiervan wenselijk is. Ook dit is maximaal 5 jaar mogelijk, tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt.

4.5 afstemming met andere vormen van hulp (Jeugdwet)

De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties.

Hoofdstuk 5. wonen in een veilige en gezonde omgeving

Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om er voor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die gemeente aan deze inwoners kan geven.

5.1 Uitgangspunten (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren.

  • 2.

    De gemeente stelt normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor hulp-op-maat in het kader van de Wmo. Deze normen moeten zijn gebaseerd op objectief onderzoek dat door onafhankelijke deskundigen is gedaan. De normen maken duidelijk welke concrete hulp er voor inwoners in hun situatie nodig is. De gemeente kan afwijken van deze normen als dat nodig is voor een passend en aanvaardbaar niveau van wonen en leven.

  • 3.

    Dit artikel is ook van toepassing op dagbesteding, begeleiding en meedoen aan de samenleving (zie artikel 3.6 en 3.7).

5.2 zelfstandig en veilig wonen

5.2.1 geschikte woning (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zorg ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. Dit gebeurt door de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, berging en de gang(en), hal of overloop in de woning bouwkundig of niet bouwkundig aan te passen.

  • 3.

    Als de woning van de inwoner niet of slechts tegen zeer hoge kosten (meer dan € 10.000,- ) aangepast kan worden, dan kan de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een geschikte(re) woning, als deze beschikbaar is. De huidige woning wordt dan niet door de gemeente aangepast.

  • 4.

    De gemeente zorgt voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten, zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, als de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning en daarbij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

5.2.2 een schone en leefbare woning (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. De inwoner moet daarbij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2 van deze verordening.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, het doen van boodschappen, het zorgen voor eten en drinken, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de hulp-op-maat.

5.2.3 beschermd wonen (Wmo)

  • 1.

    De gemeente kan de inwoner de indicatie Beschermd Wonen geven als de inwoner:

    • a.

      is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; en

    • b.

      24-uurs (maatschappelijke) opvang of hulp-op-maat in de vorm van begeleiding en dagbesteding wel of niet gecombineerd met respijtverblijf in een instelling niet als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt; en

    • c.

      deze (mede) gericht zijn op het in staat stellen van de inwoner om zich op eigen kracht in de samenleving staande te houden.

  • 2.

    De beschermende woonomgeving gaat samen met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden.

5.3 Mantelzorg (Wmo)

5.3.1 ondersteuning mantelzorger (Wmo)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven in een situatie waarin steeds toezicht nodig is, hulp-op-maat of andere voorziening kunnen krijgen als zij niet in staat zijn om de mantelzorg vol te houden.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen door een professional. We noemen dit respijtverblijf.

5.3.2 Mantelzorgwaardering (Wmo)

  • 1.

    De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Deze is in een nadere regel toegelicht. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers in de samenleving te onderstrepen.

Hoofdstuk 6. de vorm van de hulp

De hulp die de gemeente geeft is in principe “in natura”: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen.

6.1 hulp in natura (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Gemeentewet)

  • 1.

    De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product, dan wordt dit in eigendom verstrekt. Dat geldt niet voor Wmo-hulp. Dat product wordt over het algemeen in bruikleen verstrekt.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.

  • 3.

    De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft.

  • 4.

    De leverancier informeert de inwoner over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product.

6.2 hulp in geld (Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Gemeentewet-Awb)

  • 1.

    De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen een kalendermaand nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling.

  • 3.

    De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een leverancier of een betaling in contant geld, als de inwoner geen bankrekening heeft.

  • 4.

    De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

  • 5.

    De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd.

6.3 persoonsgebonden budget

6.3.1 voorwaarden (Wmo-Jeugdwet)

  • 1.

    In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo­hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen.

  • 2.

    In het geval een inwoner een pgb wenst te besteden bij een zorgaanbieder voor Beschermd Wonen die niet door de gemeente is gecontracteerd, dan legt de gemeente in een nadere regel in ieder geval de eisen vast die gelden voor de accommodatie waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben voor wat betreft het aantal bewoners, de inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) en de eisen die gelden voor de accommodatie.

  • 3.

    Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; het voeren van een pgb-administratie; ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en

    • b.

      kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).

  • 4.

    De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties:

    • a.

      De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was.

    • b.

      Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer.

    • c.

      Uit het door de inwoner ingediende pgb­plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is.

    • d.

      De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgb­beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener.

6.3.2 hoogte en tarief pgb (Wmo-Jeugdwet)

  • 1.

    Het pgb wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (pgb plan). Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd.

  • 2.

    Het college stelt maximale tarieven voor pgb vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en maakt deze Tarievenlijst bekend. De hoogte van een pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de -in de betreffende situatie- goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare hulp in natura.

  • 3.

    Het pgb wordt gebaseerd op minstens één offerte voor de aangegeven kosten én op basis van de kosten die de gemeente gemaakt zou hebben als er hulp in natura zou zijn verstrekt. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoud- en verzekeringskosten.

  • 4.

    Bij de verschillende vormen van hulp op maat horen verschillende tarieven. Als de kosten in het pgb plan lager zijn dan het tarief zoals vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, dan geldt het tarief uit het pgb plan.

  • 5.

    Binnen de Wmo heeft de gemeente verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp op maat:

    • a.

      een ingevulde dag hebben (dagbesteding) en een schone en leefbare woning:

      • de persoon die in dienst is van een aanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst.

      • de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief;

      • de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief.

    • b.

      begeleiding en respijtverblijf (ontlasting mantelzorger/time-outvoorziening):

      • de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. Hierbij is het functieniveau van de persoon in dienst van de zorgaanbieder bepalend voor de hoogte van het tarief.

      • de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief;

      • de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief.

    • c.

      beschermd wonen:

      • het pgb vloeit voort uit het voor de inwoner van toepassing zijnde arrangement en een indicatie in uren.

      • het pgb wordt vastgesteld op basis van de geïndiceerde uren en – bij de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder – 90% van het tarief voor hulp in natura. Bij deze berekening wordt uitgegaan van een all-in tarief.

      • voor de berekening van pgb worden bij de arrangementen twee tarieven voor hulp in natura gehanteerd, gerelateerd aan verschillen in functieniveaus.

      • indien sprake is van overgangsrecht, geldt dat het tarief 75% van het tarief van hulp in natura is.

      • als de inwoner in een accommodatie verblijft of zal verblijven die voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 5.2.3 van deze verordening, dan kan de gemeente een wooninitiatieventoeslag verstrekken. De hoogte van de wooninitiatieventoeslag is opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.

    • d.

      verplaatsen dichtbij huis en meedoen aan sportactiviteiten:

      • voor de taxi en rolstoeltaxi geldt een pgb tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo met een maximum van 2000 kilometer per jaar

      • voor een vervoersvoorziening geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij wel moet worden voldaan aan een programma van eisen

      • voor een sportrolstoel geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes en dat moet worden voldaan aan een programma van eisen, zoals in de toelichting bij deze verordening opgenomen.

    • e.

      geschikte woning:

      • de hulp op maat wordt berekend op basis van en de laagste kostprijs in de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen.

      • als de gemeente de hulp op maat regelt door een gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent.

6.3.3 verantwoording pgb (Wmo-Jeugdwet)

De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag maakt de inwoner gebruik van een formulier van de gemeente.

6.4 wat is de eigen bijdrage? (Wmo)

  • 1.

    De gemeente kan voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een eigen bijdrage vragen. Dat kan bij hulp-op-maat bij:

    • a.

      het schoon en leefbaar houden van een woning (hulp in de huishouding);

    • b.

      het aanpassen van een woning (woonvoorzieningen);

    • c.

      het op een verantwoorde manier kunnen deelnemen aan de samenleving (begeleiding);

    • d.

      een ingevulde dag hebben (dagbesteding);

    • e.

      het zich kunnen verplaatsen dichtbij huis (niet voor een rolstoel).

    • f.

      beschermd wonen.

  • Dat kan bij andere voorzieningen bij:

    • het schoon en leefbaar houden van een woning (hulp in de huishouding), ter hoogte van € 10,00 per uur

    • het schoon en leefbaar houden van de woning voor een mantelzorger van een inwoner (hulp in de huishouding), ter hoogte van € 5,00 per uur

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor, dat de wettelijke regels voor het vaststellen van een eigen bijdrage worden toegepast. Een bijdrage is nooit hoger dan de feitelijke kosten van de voorziening.

  • 3.

    De eigen bijdrage voor hulp op maat wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 4.

    De eigen bijdrage Wmo kan van 0-100% worden verlaagd indien:

    • a.

      Het schuldhulpverleningstraject van de betreffende cliënt wordt geblokkeerd doordat het heffen van de eigen bijdrage voor begeleiding vanuit de Wmo leidt tot oplopende schulden.

    • b.

      Er sprake is van schulden waardoor de cliënt de eigen bijdrage niet kan betalen en hulp vanuit de Wmo noodzakelijk is. Om te besluiten tot een verlaging van de eigen bijdrage is het een voorwaarde dat men deelneemt aan de gemeentelijke schuldhulpregeling.

    • c.

      Indien er sprake is van beperkt ziekte-inzicht of zorgmijdend gedrag waardoor heffing van de eigen bijdrage leidt tot het niet accepteren van hulp vanuit de Wmo en deze hulp noodzakelijk is.

      Van noodzakelijke hulp is sprake bij begeleiding of dagactiviteiten, waarbij:

      • Het ontbreken van deze hulp leidt tot crises waardoor de veiligheid van de cliënt of zijn/haar omgeving in het geding komt en extra inzet van hulpdiensten nodig is.

      • Er sprake is van overbelasting van de mantelzorger, in die mate dat directe uitval van de mantelzorger en opname van de cliënt dreigt.

  • 5.

    Tot een verlaging van de eigen bijdrage Wmo als genoemd in het vierde lid wordt alleen besloten indien er geen andere oplossingen mogelijk zijn en voor de periode, het percentage en de vorm van zorg die noodzakelijk is.

Hoofdstuk 7. inkomen en schulden

Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag besteedbaar inkomen of een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem extra te ondersteunen kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en tegemoetkomingen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij schulden.

7.1 lokaal inkomensbeleid

In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken ven beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan.

7.1.1 wat wil de gemeente? (PW-Wgs-Wmo-Gemeentewet)

  • 1.

    De gemeente wil dat inwoners met een laag besteedbaar inkomen, met een beperking of met een chronisch psychische of psychosociaal probleem en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving.

  • 2.

    De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.

  • 3.

    De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het tegengaan van schulden.

  • 4.

    De gemeente legt in beleidsplannen vast hoe het beleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt en hoeveel budget de gemeente waaraan kan besteden. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen inwoners op welke manier financieel en met hun financiën of schulden worden ondersteund. Tot die groepen behoren in ieder geval:

    • a.

      kinderen

    • b.

      ouderen

    • c.

      inwoners met een beperking

    • d.

      inwoners met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem

    • e.

      inwoners met schulden

  • 5.

    De gemeente betrekt bij het maken van het beleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

  • 6.

    De gemeente zorgt ervoor dat uitkeringen en tegemoetkomingen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode niet opnieuw aangevraagd hoeven te worden of op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.

7.2 bijzondere bijstand (PW)

Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet.

  • 1.

    De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijk heden of op andere hulpmiddelen. Bijzondere bijstand is hulp-op-maat en bedoeld dat inwoners met een laag besteedbaar inkomen en zonder goede financiële buffer:

    • a.

      extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en

    • b.

      voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.

  • 2.

    Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de doelen van het gemeentelijke beleid die bij artikel 7.1.1 beschreven zijn.

  • 3.

    De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening.

  • 4.

    De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente bijzondere bijstand inzet.

7.3 zorgkosten

  • 1.

    Voor inwoners die moeten rondkomen van een laag inkomen, kan de gemeente met een zorgverzekeraar een zorgverzekering afspreken die

    • a.

      Collectieve korting biedt voor zowel de basis- als aanvullende verzekering

    • b.

      Extra vergoedingen voor bepaalde zorgkosten biedt

    • c.

      In aanmerking komt voor een gemeentelijke tegemoetkoming

  • 2.

    De gemeente publiceert jaarlijks eind november /begin december de manier waarop de gemeente aan dit artikel voldoet.

7.4 studietoeslag

Voor studenten met een beperking is het vaak niet mogelijk om hun studiefinanciering aan te vullen met inkomen uit een bijbaantje. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug om een opleiding af te ronden omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald.

7.4.1 doelgroep (PW)

  • 1.

    De studietoeslag is bedoeld voor de student die:

    • a.

      een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen;

    • b.

      wel kan werken, maar

    • c.

      door een beperking niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.

    • d.

      zelfstandig woont, waaronder ook zelfstandig wonen onder begeleiding wordt verstaan;

    • e.

      niet meer dan € 100 per maand aan inkomsten naast de studiefinanciering of tegemoetkoming in de schoolkosten heeft

  • 2.

    De student moet 18 jaar of ouder zijn en mag een vermogen hebben tot de grens die voor algemene bijstand geldt.

7.4.2 vaststellen beperking (PW)

Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de beperking van de student zo groot is dat hij niet het wettelijk minimum loon kan verdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven.

7.4.3 hoogte en duur van de toeslag (PW)

  • 1.

    De studietoeslag is € 100 per maand en wordt maandelijks uitbetaald, gedurende maximaal vier jaar.

  • 2.

    De inkomsten per maand die de student naast de studiefinanciering of tegemoetkoming in de schoolkosten ontvangt, worden van de studietoeslag afgetrokken.

  • 3.

    De gemeente bekijkt elk jaar of de student nog recht heeft op studietoeslag.

  • 4.

    Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.

7.5 inkomenstoeslag

Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.

7.5.1 doelgroep (PW)

  • 1.

    De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner:

    • a.

      die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm plus het bedrag dat maximaal vrijgelaten kan worden, waarbij de kostendelersnorm niet wordt toegepast. De periode van verblijf in een asielzoekerscentrum telt mee in de 36 maanden, en

    • b.

      Geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen.

  • 2.

    Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen.

7.5.2 hoogte van de toeslag (PW)

  • 1.

    De inkomenstoeslag is per kalenderjaar met afronding op hele euro’s naar boven:

    • a.

      voor gehuwden of samenwonenden: 3,2% van de voor hen geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag op jaarbasis.

    • b.

      voor een alleenstaande: 70% van de inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden

    • c.

      voor een alleenstaande ouder: 90% van de inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden;

  • 2.

    Bij gehuwden of samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.

7.6 kindpakket

Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen worden het kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor het kindpakket gelden.

7.6.1 doelgroep (PW-Gemeentewet)

Het kindpakket is bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die geen goede financiële buffer hebben. Voor de voorzieningen binnen het pakket worden verschillende inkomensgrenzen gehanteerd, die nooit hoger zijn dan 120% van de bijstandsnorm.

7.6.2 inhoud kindpakket (PW-Gemeentewet)

De gemeente stelt de inhoud van het kindpakket vast, in overleg met cliënten, hulpverleners en de adviesraad sociaal domein.

Het kindpakket bestaat uit:

  • a.

    Voorzieningen om kinderen zwemdiploma’s A en B te laten halen;

  • b.

    voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan sportieve activiteiten;

  • c.

    voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan culturele activiteiten;

  • d.

    voorzieningen om kinderen mee te laten doen op school;

  • e.

    en andere voorzieningen voor zover er behoefte aan is en er budget voor is.

7.7 tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval

7.7.1 doelgroep (Wmo)

  • 1.

    De tegemoetkoming meerkosten is bedoeld voor

    • a.

      Inwoners met een beperking, of

    • b.

      Inwoners met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem

  • 2.

    Als er sprake is van:

    • a.

      Onvoorziene verhuis- en inrichtingskosten als gevolg van verhuizing en er onvoldoende financiële draagkracht is.

    • b.

      Specifieke problematiek wat leidt tot extra afval, waarbij levensfase gebonden problematiek als incontinentie is uitgesloten.

  • 3.

    De gemeente legt in nadere regels vast op basis waarvan de gemeente de tegemoetkoming meerkosten inzet.

7.2.2 Hoogte van de toeslag (Wmo)

  • 1.

    De tegemoetkoming is een forfaitaire vergoeding.

  • 2.

    De gemeente legt de hoogte van de tegemoetkoming vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.

7.8 schuldhulpverlening

De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.

7.8.1 samenwerking en toegang (Wgs)

  • 1.

    De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden.

  • 3.

    De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is.

  • 4.

    De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.

7.8.2 schuldhulpverlening (Wgs)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt;

  • 2.

    De gemeente werkt daarbij samen met verschillende maatschappelijke partners en gecontracteerde partijen.

Hoofdstuk 8. afspraken tussen inwoner en gemeente

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.

8.1 hoe gaan we met elkaar om?

8.1.1 de rol van de gemeente (PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Wmo-Jeugdwet-Gemeentewet-Awb)

  • 1.

    De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

    • a.

      Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

    • b.

      De inwoner heeft, om zijn problemen te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis.

    • c.

      De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

    • d.

      De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen.

    • e.

      Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

    • f.

      De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

    • g.

      De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.

    • h.

      De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

    • i.

      De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp. De inwoner kan hierbij gebruik maken van een cliëntondersteuner.

  • 2.

    De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende:

    • a.

      De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

      • zijn rechten en plichten;

      • wat er van hem wordt verwacht;

      • welk gedrag niet deugt;

      • wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

      • waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

    • b.

      De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren, tenzij:

      • Dit niet mogelijk is vanwege de spoed

      • de inwoner al eerder de kans heeft gehad over precies hetzelfde;

    • c.

      De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

      • de ernst van het gedrag;

      • de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en

      • de persoonlijke situatie van de inwoner.

    • d.

      De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

8.1.2 de rol van de inwoner (PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Wmo-Jeugdwet-Gemeentewet-Awb)

  • 1.

    De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:

    • a.

      De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente.

    • b.

      Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.

    • c.

      De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.

  • 2.

    De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

    • a.

      De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner.

    • b.

      De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.

    • c.

      De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.

8.2 afspraken en verplichtingen

8.2.1 afstemming op houding en gedrag van de inwoner (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.

  • 2.

    Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:

    • a.

      de ernst van het gedrag;

    • b.

      de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden, en

    • c.

      de persoonlijke situatie van de inwoner.

  • 3.

    Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen:

    • a.

      telefonisch

    • b.

      schriftelijk

    • c.

      in een persoonlijk gesprek

8.2.2 verjaring (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

De gemeente verlaagt de uitkering niet als:

  • a.

    Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of

  • b.

    De gemeente daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of

  • c.

    Het gedrag van de inwoner meer dan één jaar vóór constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering niet meer dan €340 kan worden verlaagd, of

  • d.

    Het gedrag van de inwoner meer dan vijf jaar voor constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering meer dan € 340 kan worden verlaagd.

8.2.3 ingangsdatum en periode verlaging (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de uitkering of bijzondere bijstand vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald.

  • 2.

    Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, mits dit bij een verlaging van €340 of minder binnen een jaar plaatsvindt of bij een verlaging van meer dan € 340 binnen vijf jaar plaatsvindt.

8.2.4 berekening verlaging (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

  • 1.

    De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.

  • 2.

    Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.

8.2.5 niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen (PW-Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en/of g van de Participatiewet niet voldoende nakomt.

  • 2.

    De gemeente verlaagt de uitkering twee maanden met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en/of h van de Participatiewet niet voldoende nakomt.

  • 3.

    De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.

8.2.6 niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 50% van de uitkeringsnorm, voor het niet voldoende proberen werk te vinden en artikel 8.2.5. niet van toepassing is;

  • 2.

    De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag:

    • a.

      het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;

    • b.

      het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;

    • c.

      Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder;

    • d.

      Het niet voldoende nakomen van verplichtingen in de zoektermijn van vier weken, die voor jongeren tot 27 jaar geldt na melding.

  • 3.

    De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlengd als werkzoekende bij het UWV;

  • 4.

    De gemeente verlaagt de IOAW­- of IOAZ­-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:

    • a.

      Het niet voldoende proberen werk te vinden

    • b.

      Het niet aanvaarden van werk

    • c.

      Het door eigen toedoen niet behouden van werk

    • d.

      Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, waardoor de voorziening beëindigd is;

  • 5.

    De gemeente verlaagt de IOAW­- of IOAZ-­uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:

    • a.

      het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;

    • b.

      het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, zonder gevolgen voor voorziening;

    • c.

      het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;

    • d.

      Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder.

  • 6.

    De gemeente verlaagt de IOAW-­ of IOAZ-­uitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlangd als werkzoekende bij het UWV.

8.2.7 stoppen verlaging (Pw-Awb)

De gemeente kan de verlaging stoppen als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de wettelijke arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 8.2.5 nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e­mail indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt.

8.2.8 te weinig besef van verantwoordelijkheid (PW-Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag).

  • 2.

    De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op:

    • a.

      10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -;

    • b.

      20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf €1.000, - tot € 2.000, -

    • c.

      40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -

    • d.

      100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, - .

8.2.9 zeer ernstige misdragingen (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm.

8.2.10 niet nakomen van andere verplichtingen (PW-Awb)

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt.

  • 1.

    De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om:

    • a.

      verplichtingen die gericht zijn op werk;

    • b.

      verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;

  • 2.

    De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand

  • 3.

    De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand.

8.2.11 samenloop van gedragingen (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

  • 1.

    Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging, tenzij voor het gedrag al een bestuurlijke boete is opgelegd. Als al een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd.

8.2.12 herhaling (recidive) van een gedraging

  • 1.

    De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen gaat naar drie maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd,

  • 2.

    De hoogte van de verlaging bij niet-wettelijke arbeidsverplichtingen wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.

8.3 terugvorderen uitkering

8.3.1 terugvordering en incasso (PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner.

  • 2.

    Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner onvoldoende informatie heeft gegeven aan de gemeente.

  • 3.

    Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet;

  • 4.

    De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente terugvordert.

8.4 beëindigen en terugvorderen voorziening

8.4.1 beëindiging voorziening (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

  • 1.

    De gemeente kan een voorziening beëindigen als:

    • a.

      de voorziening niet langer passend of nodig is;

    • b.

      de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;

    • c.

      de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige

    • d.

      gegevens van de inwoner;

    • e.

      de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden

    • f.

      voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;

    • g.

      de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;

    • h.

      de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is.

  • 2.

    De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).

8.4.2 terugvordering voorziening (Wmo-PW-Burgelijke Wetboek)

  • 1.

    De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 8.4.1.

8.5 hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

8.5.1 controle (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:

    • a.

      huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;

    • b.

      heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek of camera-observaties;

    • c.

      bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;

    • d.

      signalen en tips van organisaties of particulieren;

    • e.

      andere passende onderzoeksmethoden.

  • 2.

    De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.

  • 3.

    Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.

  • 4.

    Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

8.5.2 voorkomen van fraude (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

8.5.3 beleidsplan en beleidsverslag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente stelt een beleidsplan vast. In dat plan legt de gemeente vast hoe zij fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).

  • 2.

    In het beleidsplan staat in ieder geval:

    • a.

      wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt;

    • b.

      wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);

    • c.

      welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en

    • d.

      hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.

  • 3.

    De gemeente rapporteert na afloop van ieder kalenderjaar in de programmarekening. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

8.5.4 privacy (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

  • 1.

    De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen over:

    • a.

      huisbezoeken

    • b.

      buurtonderzoeken

    • c.

      agressie (zeer ernstige misdragingen)

  • 2.

    De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privé­leven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar bekend.

  • 3.

    Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privé­leven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

8.5.5 toezichthouders (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Awb)

De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

Hoofdstuk 9. kwaliteit en aanbesteding

De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.

9.1 kwaliteit (Jeugdwet-Wmo-Gemeentewet)

  • 1.

    Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn.

  • 2.

    De diensten en producten:

    • a.

      Passen bij de behoefte van de inwoner;

    • b.

      Zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner;

    • c.

      Voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;

    • d.

      Respecteren de rechten van de inwoner;

    • e.

      Worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd;

    • f.

      Worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld.

  • 3.

    De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de kwaliteitseisen worden uitgewerkt.

9.2 inkoop en aanbesteding (Jeugdwet-Wmo-Gemeentewet)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening een belangrijke rol speelt bij de inkoop en aanbesteding.

  • 2.

    Bij de inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij:

    • a.

      Diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en

    • b.

      Als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht.

  • 3.

    De leverancier moet aantonen dat bij de kostprijs rekening is gehouden met:

    • a.

      Het soort dienst of product;

    • b.

      De omvang van het diensten- of productenpakket dat wordt geleverd;

    • c.

      De arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is;

    • d.

      Een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • e.

      Personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel;

    • f.

      Kosten als gevolg van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen;

    • g.

      Het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten.

Hoofdstuk 10. van oud naar nieuw

In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.

10.1 uitvoeringsregels (Gemeentewet)

De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met bepaalde bevoegdheid omgaat.

Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.

10.2 intrekken oude verordeningen (Gemeentewet)

De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:

  • Verordening Jeugd 2017 Gemeente Bunschoten

  • Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2018

  • Verordening re-integratie Participatiewet (inclusief Tegenprestatie) 2015 gemeente Bunschoten

  • Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2010 gemeente Bunschoten

  • Verordening Wet kinderopvang (VWk) gemeente Bunschoten

  • Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Bunschoten

  • Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Bunschoten

  • Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente Bunschoten

  • Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015 gemeente Bunschoten.

10.3 overgangsrecht (Gemeentewet)

  • 1.

    Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2019 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen.

  • 2.

    Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2019 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2019 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 11.2 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.

10.4 ingangsdatum en naam (Gemeentewet)

  • 1.

    Deze verordening wordt genoemd: Verordening sociaal domein 2019 Gemeente Bunschoten.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2019.

Hoofdstuk 11. begrippen

In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?

  • Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.

  • Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.

  • Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.

  • Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.

andere voorziening:

een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp­op­maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.

arbeidsinschakeling:

aan het werk (kunnen) gaan.

arbeidsverplichting:

de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet.

bijstandsnorm:

de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon­ en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.

bijstandsuitkering:

de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

collectief taxivervoer:

vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).

effect:

het resultaat of het doel.

financiële buffer:

vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.

fraude:

het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt.

gebruikelijke hulp:

de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld.

gemeente:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten.

gesprek:

gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt.

hulp:

ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, of schuldhulp verlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs.

hulp-op-maat:

een op de inwoner afgestemde voorziening.

  • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening.

  • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand.

  • Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden.

  • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.

hulpvraag:

de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft.

inkomen:

het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet.

inwoner:

de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven, of, als het gaat om hulp op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ: degene die woonplaats heeft in de gemeente, volgens de regels van artikel 10, lid 1 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

IOAW:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

IOAZ:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

jeugdhulp:

hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

jongere:

de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

jongerenwerk:

basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener­ en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft.

kindpakket:

een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school.

kostendelersnorm:

norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen.

levensonderhoud:

de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.

leverancier:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling.

medewerker:

de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt.

persoonlijke situatie:

alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging.

ondersteuningsplan:

een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waar in de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt.

persoonlijk plan:

een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan.

Zie artikel 2.3.2. Wmo 2015 voor meer details waaraan een persoonlijk plan moet voldoen Artikel 4.1.2. van de Jeugdwet:

........biedt de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling als eerste de mogelijkheid om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Het voorgaande is niet van toepassing op de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of die de voogdij uitoefent in het geval dat de ouders ontheven of ontzet zijn uit het ouderlijk gezag.

pgb:

persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen.

professional:

iemand die beroepsmatig hulp verleent.

samenwonen:

een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.

uitkering:

de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering.

uitkeringsnorm:

de voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

vermogen:

totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.

voorziening:

hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb of geldbedrag.

wet:

de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet.

Wmo 2015:

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Wmo-hulp:

de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bunschoten van 13 december 2018,

Raadsgriffier

Drs. E. Hoogstraten

Voorzitter

M. van de Groep

Bijlage 1. Loonwaademeting

Bronvermelding

Voor deze verordening is de modelverordening Sociaal Domein van Stimulansz te Utrecht gebruikt. Als gemeente mogen wij deze modelverordening gratis gebruiken. Auteurs van de modelverordening zijn mr. Henk van Deutekom, mr Henk Kooistra, mr. Evelien Meester en drs. Annemieke Wildenburg, www.stimulansz.nl, info@stimulansz.nl

© 2018 Stimulansz

Toelichting

ALGEMENE TOELICHTING

Beleidskader Sociaal Domein 2019-2022

De aanleiding voor deze verordening, is het beleidskader Sociaal Domein 2019 – 2022, die de raad op 1 november 2018 heeft vastgesteld. Daarmee zijn we de lijn ingezet om te streven naar meer integraliteit, zowel in beleidsontwikkeling als in beleidsuitvoering. Dit om verkokering tegen te gaan en de inwoners vanuit een totaal plaatje van dienst te kunnen zijn. Bij de gemeente Bunschoten betreft het de kanteling naar meer dienstverlenend werken vanuit zelfsturende teams. Maar ook vanuit de principes om inwoners zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk te laten zijn, in plaats van de verantwoordelijkheid bij de overheid te leggen. Daarnaast worden de ontwikkelingen van een verzorgingsstaat naar een participatieve samenleving - zowel lokaal als landelijk - meer en meer vorm gegeven. Dit is een verandering ten opzichte van uitvoeren vóór de decentralisaties, waarin vooral gekeken werd waar de mensen recht op hebben.

Omgekeerd denken

In deze verandering hoort ook het omgekeerd denken en “de omgekeerde toets”, waarbij we het gesprek aangaan met de inwoner over het doel van de vraag, in plaats van bespreken van een aanvraagformulier.

Met de omgekeerde toets kiest de gemeente uit een palet van wettelijke mogelijkheden, dwars door alle domeinen heen, en met maar één doel voor ogen: de inwoner zo goed mogelijk helpen. We denken mee met de inwoner over het effect dat hij wil bereiken en kijken of deze hulp-op-maat past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein. Vervolgens bekijken we welke voorzieningen we hebben om dit doel met en voor de inwoner te realiseren.

Opdrachten gemeenteraad

In deze verordening worden verschillende opdrachten aan de gemeenteraad vanuit de wetten vervuld. Hieronder zijn de opdrachten vanuit de verschillende wetten opgesomd.

Jeugdwet, Wmo en Participatiewet

De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij:

  • a.

    In de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen;

  • b.

    Vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;

  • c.

    Worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen;

  • d.

    Deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • e.

    Onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden;

  • f.

    Worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

Participatiewet

De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot

  • a.

    het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid en de periode van de verlaging van de bijstand, bedoeld in artikel 18, vijfde en zesde lid;

  • b.

    het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, waarbij de regels in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen;

  • c.

    het verlenen van een individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, waarbij de regels in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag;

  • d.

    het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid

  • e.

    het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10, eerste lid, waarbij de regels in ieder geval beschrijven onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor in de verordening te omschrijven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld;

  • f.

    het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c;

  • g.

    de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding;

  • h.

    de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a waarbij die regels voor de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval;

  • i.

    het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b;

  • j.

    de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

  • k.

    De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast omtrent de wijze waarop de gemeente uitvoering zal geven aan het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169).

Wmo

De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het volgende

  • a.

    op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;

  • b.

    op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • c.

    welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;

  • d.

    ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is;

  • e.

    op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en

  • f.

    op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

  • g.

    ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar de gemeente ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hoofdstuk 1. inleiding toelichting

In deze verordening komen de onderwerpen aan de orde uit de Jeugdwet, Wet maatschappelijk ondersteuning 2015, Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

1.1 waarom deze regels?

Regels zijn er niet alleen omdat het vanuit een wet moet, maar ook om inwoners te informeren over wat wij als gemeente doen en wat wij van inwoners verwachten die een beroep op de gemeente doen.

1.2 uitgangspunten

Dit artikel spreekt voor zich.

1.3 kernwaarden

Dit artikel spreekt voor zich.

1.4 artikel en wet

Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 2. de hulpvraag

2.1 Stap 1: melding bij de gemeente

2.1.1 indienen hulpvraag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij de gemeente worden gedaan.

In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Het kader hiervoor heeft de gemeente vastgesteld in het Besluit Electronisch berichtenverkeer Bunschoten 2013. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

2.1.2 doel en procedure (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Zoals hier vermeld is cliëntondersteuning op grond van de wet voor de inwoner kosteloos. Gemeenten hebben hiermee de opdracht in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

Ook is bij wet bepaald dat de gemeente de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.

De eigen verantwoordelijkheid en kracht van de inwoner om een oplossing te vinden voor het probleem dat wordt voorgelegd, wordt bevestigd door de mogelijkheid voor de inwoner een persoonlijk plan in te dienen.

Het persoonlijk plan is een belangrijk document in de fase van vraagverheldering en onderzoek, omdat daarin de inwoner zelf een beeld geeft van de relevante feiten en omstandigheden, van te ondernemen acties en van resultaten die bijdragen aan zijn participatie in de samenleving. Door het opstellen van een persoonlijk plan geeft de inwoner blijk van eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. Het persoonlijk plan biedt de inwoner de mogelijkheid zelf optimaal vorm te geven aan het pakket van maatregelen en voorzieningen om het probleem op te lossen. Het geeft een goede uitgangspositie voor het inzetten van de juiste en passende acties. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat de gemeente gehouden is, voor zover een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven.

Het persoonlijk plan is nadrukkelijk aan de orde bij een aanvraag van een pgb en geeft inzicht in de keuze van een pgb boven verstrekking van hulp in natura. Op basis van de specificaties van het plan moet de hoogte van het budget op een zorgvuldige wijze kunnen worden vastgesteld.

2.1.3 gegevens (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

De Wmo 2015 gaat uit van een “aantoonplicht” voor de aanvrager. Ook artikel 8.1.2 van de Jeugdwet wordt dit beschreven. In artikel 17 van de Participatiewet, artikel 6 van de Wgs en artikelen 13 van de IOAW en IOAZ wordt deze aantoonplicht “inlichtingenplicht” genoemd. Beide termen betekenen dat het aan de inwoner is om alle relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Vervolgens is het aan de medewerker(s) van de gemeente om de juistheid van deze feiten te verifiëren. Daarbij is in de Participatiewet, IOAW en IOAZ vastgelegd welke bronnen de gemeente mag raadplegen voor verificatie.

Het spreekt vanzelf dat de inwoner door de medewerker(s) ondersteund wordt in het volledig en duidelijk presenteren van de relevante feiten en omstandigheden.

2.2 Stap 2: gesprek na de melding

2.2.1 uitnodiging voor gesprek (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een inwoner gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.

2.2.2 doel en procedure gesprek (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Artikel spreekt voor zich.

2.2.3 inhoud gesprek (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Voor een zorgvuldig onderzoek zal veelal sprake zijn van enige vorm van persoonlijk contact met de inwoner of een vertegenwoordiger van de inwoner, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de inwoner en zijn situatie verkregen kan worden. Daarom moet het onderzoek plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.

Verder is belangrijk dat het gesprek met de inwoner wordt gevoerd door deskundigen (namens de gemeente). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de inwoner thuis plaats. Indien het over hulp op maat voor een geschikte woning gaat, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.

2.2.4 verslag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Dit artikel borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de inwoner een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor hulp op maat. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de inwoner. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de inwoner van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van hulp op maat noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de inwoner overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat de gemeente en de inwoner dit plan ondertekenen.

Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de inwoner nog nadere informatie moet aanleveren of dat de inwoner onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is snelle levering van het verslag niet mogelijk.

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in lid 5 van 2.2.4. de mogelijkheid opgenomen om een door de inwoner ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.

2.3 Stap 3: aanvraag

2.3.1 aanvraag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

In de Awb, de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ worden regels gegeven omtrent de aanvraag. De verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier de gemeente), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

2.3.2 aanvraag voor hulp-op-maat (Jeugdwet-Wmo-PW-Wgs)

Voor de Wmo en de Jeugdwet kan naast de inwoner ook een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner die een melding kan doen. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.

2.3.3 advisering (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

De gemeente kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.

Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de inwoner en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.

In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo, artikel 17, tweede lid van de Participatiewet, artikel 7 van de Wgs en artikelen 13, tweede lid van de IOAZ en IOAW is een medewerkingsplicht opgenomen. De inwoner is verplicht aan de gemeente desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

2.3.4 beoordelen aanvraag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

Dit artikel spreekt voor zich.

2.3.5 Beslistermijn (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

Dit artikel spreekt voor zich.

2.4 Stap 4: beslissing

2.4.1 inhoud besluit (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Awb)

INHOUD BESLUIT AANVRAAG VANUIT DE Wmo

Uitgangspunt van de Wmo is dat de inwoner een hulp in natura krijgt. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget.

In het tweede lid onder a, en derde lid, onder a wordt vastgelegd waarvoor het is bedoeld, door bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ te noemen en niet ‘een scootmobiel’.

Tweede lid, onder b, en derde lid, onder c: onder ‘wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.

Onder welke verplichtingen er voor hulp gelden, wordt binnen de Wmo in ieder geval verstaan dat een inwoner wordt geïnformeerd als sprake is van een te betalen bijdrage. Dit is uitsluitend ter informatie aan de inwoner. De gemeente neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening (hulp op maat) dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd wordt door het CAK.

2.4.2 verval van recht (Jeugdwet-Wmo)

Dit artikel spreekt voor zich.

2.5 uitzonderingen

2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. (Jeugdwet-Awb)

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist

De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Toegang via Veilig Thuis (voorheen advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling)

Tenslotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang is al in de Jeugdwet geregeld en komt niet terug in deze verordening.

2.5.2 spoedeisende gevallen (Jeugdwet-Wmo-PW-Wgs)

In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. De gemeente is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

Hoofdstuk 3. werk en participatie

De gemeente heeft in de Participatiewet de opdracht gekregen om bij verordening regels te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen.

Re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.

3.1 doelgroep (PW-IOAW-IOAZ)

In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 van de Participatiewet:

  • 1.

    personen die algemene bijstand ontvangen,

  • 2.

    personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend,

  • 3.

    personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet,

  • 4.

    personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet

  • 5.

    personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)

  • 6.

    personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en

  • 7.

    niet-uitkeringsgerechtigden

Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren. De ondersteuning wordt vastgelegd in een plan van aanpak.

Zorgtaken

Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Alleenstaande ouders kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten.

Mantelzorg is geen reden voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Wel houdt de gemeente rekening met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn.

3.2 samenwerking (PW-IOAW-IOAZ)

Dit artikel spreekt voor zich.

3.3 budget (PW-IOAW-IOAZ)

Dit artikel spreekt voor zich.

3.4 voorzieningen – werk (PW-IOAW-IOAZ)

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring.

De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties.

VOORZIENINGEN VOOR ALLE DOELGROEPEN

Deze artikelen spreken voor zich.

3.4.1 tegemoetkoming kinderopvang (PW-IOAW-IOAZ)

In principe is de tegemoetkoming kinderopvang via Belastingdienst Toeslagen geregeld. Via de Belastingdienst kunnen inwoners de kinderopvangtoeslag aanvragen. In sommige situaties vergoed de belastingdienst echter niet, of slechts een deel. In deze situaties is het mogelijk om als gemeente een tegemoetkoming te verstrekken, mits dit ten goede komt aan vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt van de inwoner.

3.4.2 andere voorzieningen en vergoedingen (PW-IOAW-IOAZ)

De gemeente kan nog allerlei andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk voor mensen met een arbeidshandicap te vergroten. Zo kan een tolk gebarentaal nodig zijn voor werkgevers die een persoon met een auditieve beperking in dienst nemen.

Daarnaast kan de gemeente vergoedingen geven om te zorgen dat iemand aan een baan komt of zijn baan behoudt. Daarbij moet de inwoner of werkgever aantonen dat er sprake is van noodzakelijkheid.

VOORZIENING VOOR INWONERS MET EEN GROTE KANS OP BETAALD WERK

3.4.3 Proefplaatsing (PW-IOAW-IOAZ)

Dit artikel spreekt voor zich

VOORZIENINGEN VOOR INWONERS MET EEN KLEINE KANS OP BETAALD WERK

3.4.4 sociale activering (PW-IOAW-IOAZ)

Volgens de Participatiewet in artikel 6, lid 1 onder c wordt onder sociale activering verstaan:

“het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vrijwilligerswerk.

Sociale activering moet uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.

3.4.5 participatieplaats (PW)

Dit artikel spreekt voor zich

3.4.6 persoonlijke ondersteuning (PW-IOAW-IOAZ)

Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie of werkgeverssubsidie komen volgens artikel 10da van de Participatiewet in aanmerking voor persoonlijke ondersteuning. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. (Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115). De persoonlijke ondersteuning kan worden aangeboden in de vorm van een jobcoach. In overleg met de werkgever wordt gezocht naar de juiste inhoud en vorm voor een werknemer. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regelgeving van het UWV.

3.4.7 werkgeverssubsidie (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

De gemeente kan een werkgever die een persoon uit de doelgroep in dienst neemt, een incidentele of in tijd gelimiteerde financiële tegemoetkoming verstrekken, anders dan de loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van de Participatiewet. De werkgeverssubsidie wordt niet verstrekt als een beroep gedaan wordt of kan worden op financiële tegemoetkomingen op grond van andere regelingen.

3.4.8 loonkostensubsidie (PW-Awb)

De gemeente kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit van de werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak, beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan.

Loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de werknemer heeft. Deze loonwaarde is samen met de overeengekomen arbeidsduur rechtstreeks bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie voor de werkgever. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 70 procent, dat wil zeggen dat deze persoon een productiviteit heeft van 70 procent in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loonkostensubsidie van 30 procent van het wettelijk minimumloon (de subsidie vult de vastgestelde loonwaarde aan tot 100 procent WML).

De gemeente bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever het voornemen heeft een persoon die tot de doelgroep behoort een baan aan te bieden. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt de gemeente opgaven en inlichtingen van de inwoner, zijn (voormalige) begeleiders en de werkgever over de praktijkervaringen van de inwoner, bijvoorbeeld tijdens een stage van school, een leerwerkstage of proefplaatsing.

Binnen de arbeidsmarktregio moeten gemeenten met eenzelfde methodiek voor de loonwaardebepaling werken. De arbeidsmarktregio Amersfoort heeft gekozen voor de methodiek van Dariuz. In de bijlage van de verordening staat deze methode beschreven.

3.4.9 beschut werk (PW)

Beschut werk is een voorziening, bedoeld voor personen met een beperkt arbeidsvermogen, die alleen in een beschutte werkomgeving, met structurele begeleiding en/of een grote mate van werkplekaanpassing, werkzaamheden kunnen verrichten.

Het UWV adviseert de gemeente of een inwoner tot de doelgroep beschut werk hoort. Het advies van het UWV is bindend. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan de gemeente besluiten het advies niet op te volgen.

Wanneer de gemeente, op basis van het UWV-advies, heeft vastgesteld dat iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet de gemeente zorgen dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstbetrekking krijgt, waar in een beschutte werkomgeving en onder aangepaste omstandigheden wordt gewerkt.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks vast hoeveel mensen met een indicatie beschut werk de gemeente moet plaatsen.

Omdat echter iedereen aan zijn of haar re-integratie moet werken, biedt de gemeente ook aan de andere inwoners met een indicatie beschut werk een passende (tijdelijke) oplossing.

3.5 tegenprestatie (PW-IOAW-IOAZ)

In artikel 9, lid 1 onder c van de Participatiewet is aangegeven wat de verplichting tot tegenprestatie inhoudt:

“verplichting om naar vermogen door de gemeente opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt”.

Wat wel:

  • -

    Maatschappelijk nuttige werkzaamheden

  • -

    Beperkt in omvang en tijdsduur

  • -

    Additioneel en niet verdringen

  • -

    Naar vermogen

Wat niet:

  • -

    Tegenprestatie mag geen bestaande participatieplek of werkstage betreffen;

  • -

    Mag primair geen arbeidsinschakeling beogen, want dan betreft het een regulier re-integratietraject, maar secundair wel. Dit betekent: ervaring opdoen met op tijd komen, gedrag op werkvloer, enz.

  • -

    Geen ‘dwangarbeid’, dus geen sneeuwschuiven, want dat valt onder de normale burgerplicht op grond van artikel 4, lid 3, Europees Verdrag Rechten van de Mens.

Voor wie:

  • -

    Het gaat om de “niet-kunners” en dus niet over de “niet-willers”. Afhankelijk van het vermogen tot arbeidsinschakeling heeft deze laatste groep een re-integratietraject dat leid naar werk of anderszins, en bij het niet nakomen van de verplichtingen is op deze groep het handhavings- en maatregelenbeleid (hoofdstuk 8 van deze verordening) van toepassing.

  • -

    Toelichting op bovenstaande: omdat de tegenprestatie geen re-integratietraject mag zijn, en geen verdringing op de arbeidsmarkt mag veroorzaken, is de groep in een re-integratietraject uitgesloten van de tegenprestatie. Deze groep moet begeleid worden naar werk en wordt verondersteld hier fulltime mee bezig te zijn.

  • -

    In de verordening wordt dus iedereen geduid met een bijstandsuitkering: afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, heeft dus iedereen een traject: hetzij naar werk, hetzij naar maatschappelijk onbeloonde activiteiten.

3.6 dagbesteding en begeleiding (Wmo)

Deze artikelen spreken voor zich.

3.7 meedoen aan de samenleving (Wmo)

Deze artikelen spreken voor zich.

3.8 meedoen aan sportactiviteiten (Wmo)

Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 4. gezond en veilig opgroeien

4.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp (Jeugdwet)

Dit artikel spreekt voor zich.

4.2 preventieve maatregelen (Jeugdwet)

Dit artikel spreekt voor zich.

4.3 hulp-op-maat (Jeugdwet)

Dit artikel spreekt voor zich.

4.4 overgang van 18- naar 18+ (Wmo-Jeugdwet)

Dit artikel spreekt voor zich.

4.5 afstemming met andere vormen van hulp (Jeugdwet)

In het kader van het uitgangspunt 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur, wordt de hulp of begeleiding die door verschillende partijen gegeven wordt op elkaar afgestemd. En in samenspraak met het gezin vastgelegd in een verslag.

Hoofdstuk 5. wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.1 uitgangspunten (Wmo)

Dit artikel spreekt voor zich.

5.2 zelfstandig en veilig wonen

5.2.1 geschikte woning (Wmo)

Dit artikel spreekt voor zich.

5.2.2 een schone en leefbare woning (Wmo)

Dit artikel spreekt voor zich.

5.2.3 beschermd wonen (Wmo)

Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de inwoner is aangewezen op ondersteuning in een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op onder meer het psychisch en psychosociaal functioneren of een psychiatrisch ziektebeeld en zich manifesteren op verschillende levensgebieden. Daarnaast is het zo dat de maatwerkvoorzieningen zoals ambulante begeleiding geen passende bijdrage kunnen bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling.

5.3 mantelzorg (Wmo)

5.3.1 ondersteuning mantelzorger (Wmo)

Dit artikel spreekt voor zich.

5.3.2 Mantelzorgwaardering (Wmo)

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.

Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening (andere voorziening), maatwerkvoorziening (hulp op maat) of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

Hoofdstuk 6. de vorm van de hulp

6.1 hulp in natura (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Gemeentewet)

Dit artikel spreekt voor zich.

6.2 hulp in geld (Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Gemeentewet-Awb)

Dit artikel spreekt voor zich.

6.3 persoonsgebonden budget

6.3.1 voorwaarden (Wmo-Jeugdwet)

De gemeente kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1. van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van de gemeente worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de inwoner dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).

Het derde lid onder a geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.

Beschermd wonen is primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling (zie ook artikel 5.2.3 van deze verordening). Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht of tenminste een overwegend deel van een etmaal en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. De gemeente stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van ondersteuning met noodzakelijk verblijf.

6.3.2 hoogte en tarief pgb (Wmo-Jeugdwet)

In dit artikel staat vermeld op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de hulp op maat. De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van de gemeente betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. De gemeente kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen hulp op maat al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.

Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door de gemeente ingekochte hulp in natura.

Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb zal de inwoner die is aangewezen op hulp-op-maat een uitvoeringsplan pgb moeten opstellen. Hoewel de gemeente bij het beoordelen van de voorwaarden ook op grond van art. 2.3.6 van de wet kan vragen om een budgetplan, ontleent de gemeenteraad deze bevoegdheid naar analogie van de opdracht in art. 2.1.3, tweede lid onder c van de wet. Hiermee wordt gewaarborgd dat de hulp-op-maat die met het pgb wordt ingekocht van voldoende kwaliteit is. Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de modelzorgovereenkomst van de Sociale verzekeringsbank (SVB). De modelzorgovereenkomsten van de SVB zijn ter bescherming van de budgethouders opgesteld. Door op te nemen dat de budgethouder hier gebruik van dient te maken wordt geborgd dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomst worden opgenomen en dat de belangen van de budgethouder hiermee worden gediend.

Speciaal voor de Wmo geldt ook:

De CRvB heeft op 17 mei 2017 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1803) een uitspraak gedaan over verboden delegatie bij de Wmo. De raad stelt dat de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan de gemeente. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia.

Op grond van deze uitspraak is lid 5 van artikel 6.3.2. toegevoegd.

Bij de onderdelen a en b van lid 5 maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een persoon in dienst van een zorgaanbieder wordt een hoger tarief gehanteerd dan voor een zzp’er of een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Onder iemand uit het sociale netwerk worden in ieder geval bloed- of aanverwanten in eerste en tweede graad verstaan.

Voor lichte of basale vormen ondersteuning wordt een lager tarief gehanteerd dan voor specialistische vormen van ondersteuning. Ook de opleiding van de persoon die de hulp levert kan een onderscheidend criterium zijn. Daarbij is getracht een duidelijke relatie te leggen met het tarief voor vergelijkbare ondersteuning als deze door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder zou zijn geleverd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis van het in de regio overeengekomen tarief voor hulp in natura.

Daarnaast is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).

De hulp op maat die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt” kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd.

6.3.3 verantwoording pgb (Wmo-Jeugdwet)

Dit artikel spreekt voor zich.

6.4 wat is de eigen bijdrage? (Wmo)

Als hoofdregel geldt binnen de Wmo dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend voor een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het derde lid geeft de gemeente de bevoegdheid om nadere regels te stellen waaronder begrepen het bepaalde in dit lid. Gelet op de nagenoeg identieke redactie van de toepasselijke regelgeving (wet en algemene maatregel van bestuur) op grond van de Wmo 2007 en de Wmo 2015 wordt aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich niet verzet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan de gemeente (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 17-11-2010, zk.nmr 08/5873 WMO + 08/6006 WMO + 08/6008 WMO CRVB:2010:BO6880 en uitspraak centrale raad van beroep, 5-6-2013, zk.nmr 10-6227 WMO, CRVB:2013:CA2989).

Alleen voor de bijdrage in de kosten voor andere (algemene) voorzieningen ligt dat anders (uitspraak centrale raad van beroep, 18-5-2016, zk.nmr 16-948 WMO15, CRVB:2016:1404).

De kostprijs is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de inwoner verschuldigd is. De bijdrage in kosten voor hulp op maat (maatwerkvoorziening) mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De inwoner betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de hulp op maat (maatwerkvoorziening). De kostprijs van het pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

De Wmo maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van andere voorzieningen (ook wel algemene voorzieningen)en hulp op maat (maatwerkvoorzieningen). De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.

De gemeente draagt voor de algemene voorziening huishoudelijk hulp maximaal 2,5 uur per week bij. Voor de algemene voorziening huiselijke hulp voor mantelzorgers, bedoeld om mantelzorgers te ondersteunen, draagt de gemeente maximaal 1,5 uur per week bij. Voor de overige uren is de bijdrage van de inwoner gelijk aan de kostprijs van de aanbieder.

Hoofdstuk 7. inkomen en schulden

7.1 lokaal inkomensbeleid (PW-Wgs-Wmo-Gemeentewet)

Voor de komst van de Participatiewet was lokaal inkomensbeleid mogelijk waarbij bepaalde doelgroepen een geldbedrag ontvingen. Met de komst van de Participatiewet is dit niet meer mogelijk, met uitzondering van:

  • een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering

  • een individuele inkomenstoeslag of studietoeslag aan groepen, mits vastgelegd in een verordening;

  • maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten aan groepen conform artikel 57 van de Participatiewet, mits er een individuele toetsing is.

Met individuele toetsing wordt bedoeld dat de gemeente moet kijken naar:

  • 1.

    omstandigheden,

  • 2.

    mogelijkheden en

  • 3.

    middelen van de inwoner.

7.1.1 wat wil de gemeente?

De gemeente legt in beleidsplannen vast hoe het beleid met betrekking tot lokaal inkomensbeleid voor een bepaalde periode er uit gaat zien. Dit zijn:

  • -

    Beleidsplan Sociaal Domein

  • -

    Beleidsplan Schuldhulpverlening

  • -

    Beleidsplan Minimabeleid

In deze beleidsplannen wordt beschreven wat voor de verschillende doelgroepen geregeld wordt.

7.2 bijzondere bijstand (PW)

In de Participatiewet is zeer gedetailleerd vastgelegd wat de bijzondere bijstand inhoudt. De keuzes die in de Participatiewet gevraagd worden aan de gemeente, zijn vastgelegd in de Nadere regels Bijzondere Bijstand.

7.3 zorgkosten (PW)

Al jaren heeft de gemeente een contract met Achmea Zilveren Kruis voor een collectieve gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Door landelijke ontwikkelingen, bekijkt de gemeente nu jaarlijks wat de beste optie lijkt voor de meeste inwoners met een minimaal inkomen. Daarbij adviseert de gemeente de inwoner om vooral jaarlijks aan het eind van het jaar (november/december) de zorgverzekeringen te vergelijken op persoonlijke omstandigheden en mogelijke zorgkosten.

7.4 studieoeslag (PW)

De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de Participatiewet: de individuele studietoeslag. Het is een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5 onderdeel d Participatiewet) en bedoeld voor arbeidsgehandicapte studenten.

De gedachte achter de individuele studietoeslag is dat een diploma vooral voor mensen met een arbeidshandicap van belang is. De wetgever verwacht dat de drempel om een contract aan te bieden lager is als een werkgever ziet dat iemand met succes een studie heeft afgerond. Met het verstrekken van een individuele studietoeslag krijgen mensen met een arbeidshandicap een extra steun in de rug. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan. Doel van de studietoeslag is om studenten met een beperking een bron van inkomsten te geven ter vervanging van inkomsten uit een bijbaan.

Om het recht op studietoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening.

In artikel 36b van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner:

  • -

    minimaal 18 jaar moet zijn

  • -

    recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming

  • -

    geen vermogen mag hebben (als beschreven in artikel 34 van de Participatiewet)

  • -

    de inwoner kan aantonen dat hij of zij het wettelijk minimumloon niet kan verdienen, maar wel kan werken.

Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 12, 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat:

  • -

    de onderhoudsplicht voor ouders voor hun kinderen tot 21 jaar niet geldt;

  • -

    de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden

  • -

    de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen

  • -

    de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt.

7.4.1 doelgroep (PW)

In dit artikel worden de voorwaarden uit de Participatiewet artikel 36b gedeeltelijk herhaald en aangevuld.

In lid 1, onder a staat een aanvulling op de eis “recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming”. De voorwaarden dat een inwoner recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming, moet niet zo worden geïnterpreteerd dat de inwoner ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het is voldoende dat hij/zij recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming.

Voor lid 1, onder c, vraagt de gemeente aan de inwoner bewijs dat de inwoner wegens medische beperkingen / belemmeringen niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon.

De gemeente heeft in lid 1, onder d een extra voorwaarde opgenomen, conform regionale afspraken. De inwoner moet zelfstandig of zelfstandig onder begeleiding wonen. De gemeente gaat er daarbij vanuit dat studenten die thuiswonend zijn het zowel in praktische als financiële zin makkelijker hebben dan zelfstandig wonenden.

In lid 1, onder e wordt aangegeven dat een inwoner geen recht heeft op de toeslag als hij/zij naast de studiefinanciering andere inkomsten heeft van meer dan € 100,– per maand. Bij lagere inkomsten worden de inkomsten aangevuld tot het bedrag van de studietoeslag. Onder andere inkomsten valt ook de situatie dat betrokkene op grond van een andere studieregeling aanspraak kan maken op een financiële tegemoetkoming. Ook het UWV heeft een studieregeling. Dit is een voorliggende voorziening op de studietoeslag zoals bedoeld in deze verordening.

7.4.2 vaststellen beperking (PW)

Artikel spreekt voor zich

7.4.3 hoogte en duur van de toeslag (PW)

In dit artikel is de hoogte van de toeslag opgenomen. De toeslag bedraagt € 100 per maand. Dit bedrag is gebaseerd op de aanname dat het verwerven van circa € 25 aan extra inkomsten per week voor studerenden zonder beperkingen naast hun studie reëel is.

De studietoeslag wordt als periodieke bijzondere bijstand maandelijks verstrekt. Daarmee wordt de studietoeslag door de Belastingdienst gezien als inkomen en is deze belast. Dit is te voorkomen door de toeslag één maal per jaar uit te betalen. Dit strookt echter niet met het doel van de studietoeslag. Daarom wordt de toeslag netto aan inwoner uitgekeerd en betaalt de gemeente de belasting over de toeslag.

7.5 inkomenstoeslag

De hoogte van de bijstand wordt jaarlijks zo vastgesteld dat het genoeg is voor noodzakelijke kosten van bestaan én iets te reserveren voor onvoorziene omstandigheden.

Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen.

Voor deze situatie is de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 van de Participatiewet opgenomen.

Om het recht op inkomenstoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening.

In artikel 36 van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner:

  • -

    minimaal 21 jaar moet zijn en niet ouder mag zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd

  • -

    geen uitzicht heeft op inkomensverbetering

  • -

    in de laatste 12 maanden geen inkomenstoeslag heeft ontvangen

Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 12, 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat:

  • -

    de onderhoudsplicht voor ouders voor hun kinderen tot 21 jaar niet geldt;

  • -

    de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden

  • -

    de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen

  • -

    de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt.

7.5.1 doelgroep (PW)

In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie, plus in die referteperiode maximaal het bedrag dat wettelijk vrijgelaten kan worden als inkomstenvrijlating in de wet, als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder n (Per 1 januari 2017 bedraagt dit 6 maal € 200 is € 1.200 in totaal). Dit bedrag wijzigt bij iedere normwijziging van de bijstand. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.

In het eerste lid onder b is ook bepaald dat er geen zicht mag zijn op een inkomensverbetering. Studenten worden hier expliciet uitgesloten van de inkomenstoeslag. De overweging hierachter is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering.

Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:

  • -

    de krachten en bekwaamheden van de persoon, en

  • -

    de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus teruggekeken. Verder is bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag de inwoner een zelfstandige huishouding moet hebben gevoerd tijdens de referteperiode. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor personen en huishoudens die door een gebrek aan inkomen geen mogelijkheden hebben te reserveren voor vervangingsuitgaven van duurzame gebruiksgoederen. Personen die geen zelfstandige huishouding voeren hebben in veel mindere mate te maken met vervangingsuitgaven. Op grond daarvan is in de verordening bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag er sprake moet zijn van het voeren van een zelfstandige huishouding. Van het voeren van een zelfstandige huishouding is geen sprake als de inwoner inwoont bij een of beide ouders of indien de inwoner langdurig verblijft in een AWBZ bekostigde verpleeginrichting.

In het tweede lid staat dat het recht op toeslag bij gehuwden of samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen. Zie voor de uitzondering artikel 7.5.2, tweede lid.

7.5.2 hoogte van de toeslag (PW)

In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de hoogte vastgesteld op 3,2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond op hele euro’s naar boven. Onder de oude wet waren er toeslagen op de bijstandsnorm voor een alleenstaande en voor alleenstaande ouders. Het nieuwe systeem in de wet is anders (alleenstaande ouders krijgen bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag via de belastingdienst). Daarom wordt er voor de categorieën alleenstaande ouders en alleenstaanden bij de bepaling van de hoogte van de toeslag gekozen voor een afgeleide van de toeslag van echtparen. De hoogte van de toeslag voor een alleenstaande ouder is 90% van de toeslag voor gehuwden en de hoogte van de toeslag voor een alleenstaande is 70% van de toeslag voor gehuwden. Door voor deze vorm te kiezen blijft de verhouding gelijk als onder de oude regeling. Door uit te gaan van een percentage (3,2%) hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te worden door een apart besluit. De bedragen volgen automatisch de aanpassingen van de normbedragen van de Participatiewet. Om een indruk te geven: momenteel (1 januari 2017) bedraagt 3,2% van de gehuwdennorm op jaarbasis inclusief vakantietoeslag een bedrag van € 540.

Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het derde lid.

De peildatum is de datum waarop een inwoner de individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.

7.6 kindpakket

In het beleidsplan minimabeleid is vastgelegd welke minimaregelingen de gemeente heeft. De minimaregelingen zijn in twee groepen verdeeld. Het kindpakket is een pakket aan minimaregelingen speciaal voor kinderen. Het volwassenenpakket is een pakket aan minimaregelingen waarop volwassenen aanspraak kunnen maken voor hunzelf of voor het gezin. We vinden het belangrijk dat kinderen kunnen meedoen. Meedoen met sporten, meedoen met kunst en cultuur, meedoen op school.

7.6.1 doelgroep (PW-Gemeentewet)

Met het kindpakket probeert de gemeente alle kinderen onder de 18 jaar te bereiken die afhankelijk zijn van het inkomen van hun ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om de kinderen mee te laten doen aan sporten, kunst en cultuur en op school, heeft de gemeente mogelijkheden binnen het kindpakket.

Daarbij zoekt de gemeente zo veel mogelijk naar mogelijkheden van de kracht van de samenleving en de basiszorginfrastructuur. Daarbij gelden de criteria van deze professionele organisaties. Over het algemeen houden deze organisaties 120% van de bijstandsnorm aan als criterium voor ontoereikend inkomen. Als gemeente hanteren wij voor ons beleid een lager percentage voor onder andere bijzondere bijstand, studietoeslag en inkomenstoeslag.

7.6.2 inhoud kindpakket (PW-Gemeentewet)

Dit artikel spreekt voor zich.

7.7 tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval (Wmo)

De bevoegdheid om een tegemoetkoming meerkosten te verlenen vormt binnen de Wmo bij uitstek maatwerk in het individuele geval. Een forfaitaire tegemoetkoming kan meer op zijn plaats zijn dan het verstrekken van hulp in natura. De mogelijkheid van het verlenen van een tegemoetkoming meerkosten is verder begrensd tot een aantal kostensoorten.

De verhuiskostenvergoeding wordt alleen verstrekt als de inwoner redelijkerwijs niet had kunnen zien aankomen dat een woningaanpassing nodig zou zijn en er onvoldoende financiële draagkracht is. De vergoeding vindt plaats op declaratiebasis tot een maximum als aangegeven in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.

Tegemoetkoming voor meerkosten door extra afval is mogelijk als sprake is van specifieke problemen (waardoor bijvoorbeeld afval als stomamateriaal). Hiervoor geldt een forfaitaire vergoeding, zie hiervoor de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Levenfasegebonden problematiek als incontinentie is voor deze vergoeding uitgesloten.

7.8 schuldhulpverlening

In het beleidsplan Schuldhulpverlening is het beleid van de gemeente vastgelegd. Dit artikel beschrijft de verplichtingen van de gemeente als basis van dit beleidsplan.

7.8.1 samenwerking en toegang (Wgs)

Dit artikel spreekt voor zich.

7.8.2 schuldhulpverlening (Wgs)

Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 8. afspraken tussen inwoner en gemeente

8.1 hoe gaan we met elkaar om?

8.1.1 de rol van de gemeente (PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Wmo-Jeugdwet-Gemeentewet-Awb)

De gemeente zoekt samen met de inwoner naar oplossingen. In lid 1 van dit artikel staat hoe de gemeente samen met de inwoner naar oplossingen zoekt. Als een inwoner verwacht dat de gemeente geld besteed aan de oplossing voor de inwoner, verwacht de gemeente dat de inwoner zich houdt aan de plichten bij deze oplossing. In het tweede lid is aangegeven dat de gemeente de inwoner goed moet informeren over de plichten en wat er gebeurt als een inwoner zich daar niet aan houdt.

8.1.2 de rol van de inwoner (PW-IOAW-IOAZ-Wgs-Wmo-Jeugdwet-Gemeentewet-Awb)

Dit artikel spreekt voor zich.

8.2 afspraken en verplichtingen

Als een inwoner zelf niet genoeg inkomen kan verdienen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft de inwoner recht op een uitkering. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om genoeg inkomen te krijgen om onafhankelijk te worden van de uitkering.

In de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt gedetailleerd beschreven hoe de gemeente moet handelen als een inwoner niet voldoet aan de plichten.

Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een inwoner. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.

Wanneer de gemeente tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente af van een dergelijke verlaging. De gemeente moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. De gemeente kan dan ook van een verlaging afzien als de gemeente daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.

Afstemmen in de Participatiewet

Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).

Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.

De gemeente beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van inwoner aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. De herbeoordeling heeft slechts als doel vast te stellen of inwoner tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen.

Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als de inwoner daarom vraagt.

Een verlaging op grond van de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat inwoner zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten.

Bijvoorbeeld: inwoner beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.

In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd op grond van de verordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.

Afstemmen in de IOAW en de IOAZ

Sinds 1 juli 2010 heeft de gemeente de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een inwoner de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ).

De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.

Niet verlenen van medewerking

Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.

Schenden van de inlichtingenplicht

De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.

8.2.1 afstemming op houding en gedrag van de inwoner (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

De gemeente moet bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de ernst van de gedraging, de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente af van een verlaging. De gemeente geeft de inwoner daarom de kans zijn mening te geven over de gebeurtenis.

Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een inwoner bezwaar en beroep indienen. Wat in het besluit moet worden vermeld, staat in de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.

8.2.2 verjaring (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

In dit artikel wordt beschreven wanneer de gemeente afziet van verlagen van de uitkering.

Afzien van verlagen

Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ.

Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan de gemeente te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.

De gemeente kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan één of langer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden. De vervaltermijn is afhankelijk van de hoogte van de maatregel. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na één jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van € 340 of minder kan worden opgelegd. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na vijf jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van meer dan € 340 kan worden opgelegd. Deze verjaringstermijn laat overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”) nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging.

Afzien van verlagen in verband met dringende redenen

Onder b is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de inwoner onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor inwoner en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering.

Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen

De Participatiewet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet de gemeente een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een inwoner en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens de gemeente - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de gemeente besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen.

Schriftelijke mededeling in verband met recidive

Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat de gemeente afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive. Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 8.2.12).

8.2.3 ingangsdatum en periode verlaging (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt.

Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

Verlagen met terugwerkende kracht

Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het maatregelbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het maatregelbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een inwoner of is de verlaging het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te solliciteren.

Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering

Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een inwoner geen recht op bijstand (meer) heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen als inwoner binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. De gemeente moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 8.2.2.

Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. De gemeente moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een maatregelbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.

8.2.4 berekening verlaging (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

Uitkeringsnorm

In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ.

Bijzondere bijstand

In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een inwoner bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet.

Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in de definitie van de uitkeringsnorm in hoofdstuk 11 geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

Op grond van het tweede lid is het mogelijk dat de gemeente in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een inwoner en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.

Inkomenstoeslag

De Participatiewet geeft ook de mogelijkheid om een verlaging toe te passen op de individuele inkomenstoeslag. De gemeente maakt hier geen gebruik van. De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een individuele inkomenstoeslag.

8.2.5 niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen (PW-Awb)

De wettelijke arbeidsverplichtingen worden opgesomd in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet. Dit zijn:

  • a.

    het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • b.

    het uitvoering geven aan de door de gemeente opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;

  • c.

    het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen;

  • d.

    bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • e.

    bereid zijn om te verhuizen, indien de gemeente is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de inwoner een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de inwoner geldende bijstandsnorm, kan aangaan;

  • f.

    het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • g.

    het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;

  • h.

    het gebruik maken van door de gemeente aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

De eerste keer dat de gemeente een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Bij het vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de gedraging leidend.

De gemeente vindt de verplichtingen in zwart (onderdelen a, c, d, e en h) ernstiger dan de verplichtingen in oranje (onderdelen b, f en g) en verlaagt de uitkering daarom langer bij de verplichtingen in het zwart. Dit is in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaald.

Verrekenen verlaging

De gemeente heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer inwoner tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt inwoner weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling.

Verrekenen bij bijzondere omstandigheden

Er is met het derde lid gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: - vergroting schuldenproblematiek; - (dreigende) huisuitzetting; - afsluiting van gas en elektriciteit.

Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent bedraagt (derde lid).

Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67 procent bedraagt (derde lid).

De term ‘maand van oplegging’ is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid van de Participatiewet. Met de ‘maand van oplegging’ wordt de maand bedoeld waarin de uitkering feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd wordt).

Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde arbeid

In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in dit artikel. Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.

Geen verrekening bij recidive

Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk.

Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen

Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit dit artikel en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.

8.2.6 niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat de gemeente moest afstemmen als een inwoner de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen.

In het eerste lid wordt bepaald hoe om te gaan met de verwijtbare gedraging “het niet voldoende proberen werk te vinden”. Dit is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime als vastgelegd in artikel 8.2.5. Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 8.2.6 als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals: - het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en – het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.

Het tweede lid, onder d. gaat over de inspanningen voor jongeren in de eerste vier weken na de melding.

De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van de gemeente onvoldoende, dan verlaagt de gemeente de uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 8.2.4. van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een inwoner die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de verordening.

Er is gekozen voor een maatregelregime bij gedragingen zoals bedoeld in dit artikel dat afwijkt van de maatregel bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in dit artikel genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen.

8.2.7 stoppen verlaging (PW-Awb)

Dit artikel spreekt voor zich.

8.2.8 te weinig besef van verantwoordelijkheid (PW-Awb)

Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen.

Leidt een gedraging ertoe dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand):

  • -

    het te snel interen van vermogen;

  • -

    het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;

  • -

    het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 8.2.5. van deze verordening. Op grond van dit artikel kan een verlaging worden opgelegd wegens het tonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan.

Bijstand in de vorm van een geldlening

Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de gemeente tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als de gemeente besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.

8.2.9 zeer ernstige misdragingen (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

Zeer ernstige misdragingen zijn in elk geval elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de betreffende personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de betreffende wetten. Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen; dan is alleen het strafrecht van toepassing.

Sinds 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze verplichting staat dus op zichzelf.

8.2.10 niet nakomen van andere verplichtingen (PW-Awb)

De Participatiewet geeft de gemeente de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:

  • 1.

    verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • 2.

    verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

  • 3.

    verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en

  • 4.

    verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die de gemeente op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een inwoner. De gemeente zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht de gemeente de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een inwoner. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.

8.2.11 samenloop van gedragingen (PW-IOAW-IOAZ-Awb)

Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden

Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een inwoner een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.

Samenloop met een bestuurlijke boete

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en de maatregel dient de gemeente in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. De gemeente bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd.

Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan de gemeente in dit geval nog één of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de maatregel zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen.

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.

8.2.12 herhaling (recidive) van een gedraging

Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting (lid 1)

Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een inwoner een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).

Recidive schending niet-geüniformeerde arbeidsverplichting (lid 1 tot en met 2)

Verdubbeling duur verlaging (lid 1)

Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.

Verdubbeling hoogte verlaging (lid 2)

Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.

Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen

Ook in het geval dat een inwoner voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van toepassing.

Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de duur van de verlaging.

Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.

Eenzelfde gedraging vereist voor recidive

Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon onacceptabel gedrag vertoont (zich zeer ernstig misdragen) (artikel 8.2.9.) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 8.2.6.), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een inwoner niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (8.2.6 lid 1 onder b) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 8.2.6. lid 1 onder d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden.

8.3 terugvorderen uitkering

8.3.1 terugvordering en incasso (PW-IOAW-IOAZ)

In de Participatiewet is het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand een verplichting geworden van de gemeente (artikel 58 van de Participatiewet). De manier waarop wordt beschreven in nadere regels.

De uitkering is voor inwoners om in hun noodzakelijke kosten te kunnen voorzien, als ze dat zelf niet kunnen. De gemeente vindt het belangrijk dat de uitkering alleen terecht komt bij die inwoners die hierop recht hebben. Het plegen van uitkeringsfraude mag onder geen enkele voorwaarde worden beloond. Daarom worden inwoners gekort in hun uitkering als ze zich niet aan hun verplichtingen houden of wordt onterecht verstrekte uitkering van de inwoners terug gevorderd.

Aan de andere kant wil de gemeente voorkomen dat inwoners de noodzakelijke kosten van hun bestaan niet kunnen betalen. Hierdoor zouden mensen meer schulden kunnen krijgen en daardoor meer hulp-op-maat nodig hebben.

Dit geeft de gemeente de lastige taak om aan de ene kant onterecht verstrekte uitkering terug te vorderen en aan de andere kant te voorkomen dat inwoners nog meer een beroep moeten doen op hulp-op-maat. Daarbij helpt de berekening van de beslagvrije voet en de werkwijze van de omgekeerde toets.

8.4 beëindigen en terugvorderen voorziening

In dit artikel worden regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

8.4.1 beëindiging voorziening (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Wgs)

Artikel 8.4.1. lid 1 is een ‘kan’-bepaling. De gemeente kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in dit artikel. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon werk heeft aanvaard. Onder beëindigen wordt ook verstaan het stopzetten van voorzieningen aan werkgevers, zoals een loonkostensubsidie of huisgenoten, bijvoorbeeld bij een pgb.

Artikel 8.4.1. onder h. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft de gemeente de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het eerste lid, onder g.

8.4.2 terugvordering voorziening (Wmo-PW-Burgelijke Wetboek)

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan de gemeente gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat de gemeente het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om hulp-op-maat terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten hulp-op-maat terug te vorderen, kan de gemeente de waarde van de genoten hulp-op-maat uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt’.

In artikel 8.4.1, lid 2 is de bepaling opgenomen die de gemeente de bevoegdheid geeft tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte hulp-op-maat.

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integatiekosten die onnodig zijn gemaakt.

8.5 hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

Controle vindt plaats door handhaving. Onder handhaving worden “alle activiteiten die ervoor zorgen dat mensen zich aan wet- en regelgeving houden” verstaan.

Handhaving draagt bij aan een goede balans tussen het recht op een voorziening / hulp-op-maat en de plichten die daarbij horen. Fraude verstoort dit evenwicht. Wie ten onrechte gemeenschapsgeld misbruikt, haalt uiteindelijk de solidariteit onderuit en belemmert een doeltreffende uitgave van gemeenschapsgeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat handhaving in de wetten een prominente plaats heeft gekregen.

Aan het onderwerp is expliciet aandacht besteed in artikel 8b Participatiewet, artikel 35 IOAW en artikel 35 IOAZ, en artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo. In artikel 53a van de Participatiewet krijgt de gemeente de bevoegdheid om onderzoek te doen zonder toestemming van de inwoner.

Het is belangrijk bij het handhavingsbeleid te onderkennen dat er achtereenvolgens gehandeld kan worden met preventieve maatregelen en repressieve maatregelen. Preventieve maatregelen richten zich op het voorkomen van fraude door optimale voorlichting en dienstverlening. Tot de repressieve maatregelen behoren het vroegtijdig constateren en afhandelen van niet nagekomen verplichtingen en fraude.

Zoals hierboven al aangegeven staat op het terrein van handhaving het bevorderen van de spontane nalevingbereidheid van de inwoners voorop. Inwoners worden (iedere keer weer) gewezen op de aan de hulp-op-maat verbonden verplichtingen. Het is daarbij echter niet realistisch te denken dat daarmee in alle gevallen voorkomen wordt dat door inwoners onjuiste of onvolledige informatie verstrekt wordt. In die gevallen zullen repressieve maatregelen gehanteerd worden. In dit kader zijn dat opsporing, zo nodig met inzet van de sociale recherche en sanctionering.

8.5.1 controle (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

Om te achterhalen of aan een inwoner onterecht te veel is verstrekt, wordt openbare informatie en worden gegevens die aan de gemeente zijn verstrekt, bekeken. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het Inlichtingenbureau. Als iemand bijvoorbeeld verhuist en dit bij de balie van de gemeente opgeeft, maar niet aan de contactpersoon Inkomen, krijgt de contactpersoon Inkomen via het Inlichtingenbureau een signaal. Deze signalen worden onderzocht, de inwoner wordt gehoord en indien nodig wordt te veel betaalde uitkering teruggevorderd.

8.5.2 voorkomen van fraude (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

Dit artikel spreekt voor zich

8.5.3 beleidsplan en beleidsverslag (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

De gemeente stelt in het beleidsplan Sociaal Domein en in het Handhavingsbeleidsplan vast hoe zij handhaaft en zo zorgt dat gemeenschapsgelden niet onterecht verstrekt worden. Daarbij worden zowel preventieve maatregelen als repressieve maatregelen meegenomen in het beleid.

8.5.4 privacy (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ)

Privacy is een belangrijke aandachtspunt voor de gemeente. De gemeente vindt de eenmalige gegevensuitvraag (artikel 2.1.3. van deze verordening) belangrijk, maar dit mag nooit de privacy van de inwoner schenden. Daarom maakt de gemeente aan de inwoner duidelijk wat de gemeente met de gegevens van de inwoner doet en wanneer de gemeente zonder toestemming van de inwoner bepaalde onderzoeksmethoden inzet.

8.5.5 toezichthouders (Jeugdwet-Wmo-PW-IOAW-IOAZ-Awb)

In artikel 3.4. eerste lid van de Wmo is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat de gemeente personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In de andere wetten is dit niet expliciet bepaald. De gemeente heeft de GGD, fraudeconsulenten en sociaal rechercheurs aangewezen om toezicht te houden en onderzoek te doen naar naleving van de regels.

Hoofdstuk 9. kwaliteit en aanbesteding

Voor de Wmo geldt dat bij verordening regels moeten worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van de gemeente door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).

De kostprijselementen waar de gemeente ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren zijn de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen.

9.1 kwaliteit (Jeugdwet-Wmo-Gemeentewet)

Dit artikel spreekt voor zich.

9.2 inkoop en aanbesteding (Jeugdwet-Wmo-Gemeentewet)

Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 10. van oud naar nieuw

10.1 uitvoeringsregels (Gemeentewet)

Artikel spreekt voor zich.

10.2 intrekken oude verordeningen (Gemeentewet)

In dit artikel wordt bepaald welke verordeningen worden vervangen voor deze verordening. Voor de meeste verordeningen geldt dat deze verordening een nieuwe jas betekent en er geen beleidsveranderingen zijn ten opzichte van de vorige verordening.

De uitzonderingen hierop zijn:

  • 1.

    Verordening Jeugd 2017 Gemeente Bunschoten

  • 2.

    Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2018

  • 3.

    Verordening re-integratie Participatiewet (inclusief Tegenprestatie) 2015 gemeente Bunschoten, nl. aanpassing scholing conform regionaal nieuw beleid

10.3 overgangsrecht (Gemeentewet)

Dit artikel spreekt voor zich

10.4 ingangsdatum en naam (Gemeentewet)

Artikel spreekt voor zich