Regeling vervallen per 01-01-2024

Algemene plaatselijke verordening Velsen 2019

Geldend van 09-02-2022 t/m 21-06-2022

Intitulé

Algemene plaatselijke verordening Velsen 2019

De raad van de gemeente Velsen;

Gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders, nummer …………van …………..;

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

Besluit:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

  • bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Velsen daaronder wordt verstaan;

  • college: het college van burgemeester en wethouders;

  • gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;

  • handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

  • rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  • strand: het door het college als zodanig aangewezen stuk land;

  • weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan;

  • zee: het gedeelte van de Noordzee, gelegen tussen het strand en de gemeentegrens in de Noordzee, alsmede het water van de havens en kanalen gelegen ten westen van het sluizencomplex.

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2:3, 2:4 of 4:7.

Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

  • 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    • a.

      ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    • c.

      indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • d.

      indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

    • e.

      indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:6 Termijnen

  • 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:7 Weigeringsgronden

  • 1. Een vergunning of ontheffing kan in elk geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Een vergunning of ontheffing kan voorts worden geweigerd indien:

    • a.

      de aanvraag daarvoor niet binnen de daarvoor gestelde indieningstermijn is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is; of

    • b.

      de aanvraag daarvoor minder dan vier weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  • 2. Degene die op een openbare plaats

    • a.

      aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    • b.

      aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    • c.

      zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  • 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  • 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2. Betoging

Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen, samenkomsten of vergaderingen op openbare plaatsen

  • 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties of een vergadering te houden geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de activiteit wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2. De kennisgeving bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt;

    • b.

      het doel van de betoging, samenkomst of vergadering;

    • c.

      de datum waarop de betoging, samenkomst of vergadering wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarop de datum en het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  • 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  • 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Afdeling 3. Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:3 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan

  • 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:

    • a.

      het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg;

    • b.

      het gebruik niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; of

    • c.

      het gebruik gevaar oplevert voor personen of zaken.

  • 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake indien niet tenminste:

    • a.

      een vrije doorgang met een breedte van 1,5 meter wordt gelaten op voetpaden;

    • b.

      een vrije doorgang met een breedte van 3,5 meter wordt gelaten op de rijbaan bestemd voor fietsers of gemotoriseerd verkeer;

    • c.

      een vrije rijhoogte van 4,5 meter wordt gelaten op de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer.

  • 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van uitstallingen en reclameborden.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:9;

    • b.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 5:14; en

    • c.

      overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning of ontheffing voor het gebruik van de weg is verleend.

  • 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale wegenverordening.

  • 8. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:4 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. De vergunning wordt verleend:

    • a.

      als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald dat het is verboden is om een dergelijk werk of dergelijke werkzaamheden uit te voeren zonder omgevingsvergunning; of

    • b.

      door het college in de overige gevallen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  • 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:5 Maken en veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien:

    • a.

      degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of

    • b.

      het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.

  • 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien:

    • a.

      daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

    • b.

      dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    • d.

      er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  • 3. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.

  • 4. Van een besluit dat wordt genomen naar aanleiding van een melding, alsook van de instemming van rechtswege als bedoeld in het derde lid, wordt kennis gegeven in het huis-aan-huisblad en in het elektronisch gemeenteblad.

  • 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken , de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.

Afdeling 4. Veiligheid op de weg

Artikel 2:6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:7 Maken filmopnamen

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in de openbare ruimte een filmopname te maken voor andere dan privédoeleinden.

  • 2. Geen vergunning voor het maken van filmopnamen is vereist indien:

    • a.

      de opnamen plaatsvinden tussen 08.00 uur en 24.00 uur;

    • b.

      wordt gewerkt met maximaal 35 personen aanwezig op de set (film- en opnamecrew) en drie camera’s vanaf de schouder of op statief;

    • c.

      geen objecten op de rijbaan of (brom)fietspad worden geplaatst;

    • d.

      voetgangers niet worden gehinderd en maximaal 6 attributen (elk maximaal 1m2, geen voertuigen) op het voor voetgangers bedoelde deel van de weg worden geplaatst;

    • e.

      geen omleidingen of afzettingen worden geplaatst;

    • f.

      maximaal 5 reguliere parkeerplaatsen worden afgezet (gereserveerd) met dien verstande dat in ieder geval niet meer dan de helft van het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de straat wordt gebruikt;

    • g.

      parkeerplaatsen alleen worden gebruikt door auto’s en busjes die belangrijk zijn voor de opname en elk een normale parkeerplaats innemen;

    • h.

      geen geweldscènes of scènes met speciale effecten plaatsvinden;

    • i.

      niet meer dan twee aaneengesloten dagen wordt gefilmd;

    • j.

      de organisator binnen ten minste vier weken voorafgaand aan de opnamen daarvan melding heeft gedaan aan het college met een door deze vastgesteld meldingsformulier.

  • 3. Indien één week voorafgaand aan de opnamen door het college geen tegenbericht is verzonden, kunnen de opnamen zoals gemeld plaatsvinden.

  • 4. Het college kan binnen één week voorafgaand aan de opnamen besluiten filmopnamen te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op het eerste lid.

Artikel 2:8 Verbod gebruik metaaldetector

  • 1. Het is verboden om met een metaaldetector, een gelijksoortig instrument of anderszins, metalen voorwerpen op te sporen in de door het college aangewezen gebieden.

  • 2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de Explosieven Opruimingsdienst Defensie.

Afdeling 5. Evenementen

Artikel 2:9 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoop-, theater- en muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in een daarvoor bestemd gebouw;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • c.

      (kans)spelen en speelgelegenheden als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; en

    • f.

      reguliere sportactiviteiten en sportwedstrijden in of op daarvoor bestemde accommodaties, waaronder niet worden verstaan voetbalwedstrijden in het betaald voetbal en aangewezen vechtsportwedstrijden of -gala's.

  • 2. In deze afdeling wordt onder evenement in ieder geval verstaan:

    • a.

      een braderie;

    • b.

      een optocht, niet zijnde een betoging, samenkomst of vergadering als bedoeld in de Wet openbare maninfestaties;

    • c.

      een snuffelmarkt, zijnde een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats;

    • d.

      een voor publiek toegankelijk (muziek)feest; en

    • e.

      een wedstrijd op of aan de weg.

  • 3. In deze afdeling wordt onder evenement mede verstaan een herdenkingsplechtigheid.

Artikel 2:10 Evenementenvergunning

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2. Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien:

    • a.

      het verwachte aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 500 personen;

    • b.

      het evenement tussen 10.00 uur en 24.00 uur plaatsvindt;

    • c.

      geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 10.00 uur en na 23.00 uur;

    • d.

      geen hoofdwegen worden afgesloten en het evenement geen belemmering vormt voor de hulpdiensten doordat een minimale rijstrook van 3,5 meter breed tot een hoogte van 4 meter hoog vrij wordt gehouden van objecten;

    • e.

      op de weg slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object en niet meer dan twee objecten per straat;

    • f.

      er een organisator is;

    • g.

      een op grond van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen vereiste gebruiksmelding is gedaan;

    • h.

      de organisator ten minste zes weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2.9, eerste lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s.

  • 4. Geen vergunning is vereist voor een wielertoertocht met maximaal 250 deelnemers, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de deelnemers leggen een parcours af dat niet is afgezet;

    • b.

      er wordt geen winnaar uitgeroepen;

    • c.

      deelnemers dienen zich aan de verkeersregels te houden;

    • d.

      er vindt geen enkele vorm van tijdmeting plaats;

    • e.

      er een organisator is; en

    • f.

      de organisator tenminste vier weken voorafgaand aan de wielertoertocht daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  • 5. Indien één week voorafgaand aan het evenement door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden.

  • 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 in samenhang gelezen met artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11 Indiening aanvraag

  • 1. De aanvraag om een evenementenvergunning wordt uiterlijk twaalf weken voor de beoogde datum van het evenement ingediend.

  • 2. De aanvraag om een evenementenvergunning voor het organiseren van een evenement met veiligheidsaandacht of een verhoogde veiligheidsaandacht wordt uiterlijk vierentwintig weken voor de beoogde datum van het evenement ingediend.

  • 3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding moet worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  • 4. De burgemeester kan in verband met de voorbereidingstijd van een evenement of bij bijzondere, periodiek terugkerende evenementen van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen afwijken.

Artikel 2:12 Beoordeling aanvraag

  • 1. De burgemeester kan tot één week voorafgaand aan het evenement besluiten een evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester een vergunning voor door de burgemeester aan te wijzen categorieën van vechtsportwedstrijden of -gala's indien:

    • a.

      de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag van zichzelf als vergunningaanvrager en een eventuele organisator overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

    • b.

      de vergunningaanvrager of de organisator van slechts in enig opzicht van slecht levensgedrag.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:13 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 6. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:14 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval wordt verstaan een hotel, restaurant, pension, café, shisa lounge, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;

    • terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

    • bezoekers van een openbare inrichting: degenen die niet zijn de leden van het gezin of de huishouding van de exploitant alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in rechte lijn onbeperkt en in de zijlijn tot en met de derde graad en degenen die niet zijn personen van wie de aanwezigheid in de openbare inrichting wegens een dringende reden noodzakelijk is.

  • 2. 2.Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een terras.

Artikel 2:15 Exploitatievergunning

  • 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

  • 2. De burgemeester weigert de vergunning, indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan.

  • 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 4. De burgemeester kan voor de toetsing van het levensgedrag verzoeken om een verklaring omtrent gedrag van de ondernemer(s) en leidinggevende(n) te overleggen welke niet ouder is dan drie maanden, gerekend vanaf de dag van verzoek.

  • 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  • 6. Bij de toepassing van de in het vijfde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  • 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt ineen winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    • a.

      een zorginstelling;

    • b.

      een museum; of

    • c.

      een bedrijfskantine- of restaurant.

  • 8. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, indien de openbare inrichting in de directe omgeving, naar verwachting, geen overlast zal veroorzaken of geen negatieve invloed zal hebben op de woon- en leefsituatie en de openbare orde.

  • 9. De vrijstelling wordt ingetrokken indien er een incident voordoet die de woon- en leefsituatie of openbare orde in de directe omgeving van de openbare inrichting negatief beïnvloedt.

  • 10. Met het oog op de in dit artikel genoemde belangen kan de burgemeester nadere regels stellen ter zake van de exploitatie van de openbare inrichting, de handhaving hiervan en de vrijstelling als bedoeld in het achtste lid.

  • 11. Op de aanvraag om een vergunning en de aanvraag om de vrijstelling van het achtste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:16 Terrassen

  • 1. Het is verboden een voor het publiek toegankelijk terras dat deel uitmaakt van een openbare inrichting in te richten en te exploiteren wanneer het terras:

    • a.

      niet is gelegen nabij een openbare inrichting;

    • b.

      op zichzelf of door de wijze van gebruik schade toebrengt aan de openbare weg;

    • c.

      op zichzelf of door de wijze van gebruik schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      op zichzelf of door de wijze van gebruik gevaar of hinder oplevert voor een veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • e.

      op zichzelf of door de wijze van gebruik ontoelaatbare overlast oplevert of een gevaar vormt voor de openbare orde;

    • f.

      in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

    • g.

      in strijd is met het bepaalde in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;

    • h.

      niet voldoet aan de nadere regels die ingevolge het derde lid door het college zijn gesteld;

    • i.

      niet vooraf aan de burgemeester is gemeld.

  • 2. De melding bestaat in elk geval uit:

    • a.

      de naam en het adres van het horecabedrijf

    • b.

      de indeling en uitvoering van het terras;

    • c.

      de periode waarin het terras wordt geëxploiteerd;

    • d.

      een plattegrond met de afmeting van het terras.

  • 3. Het college kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en het voorkomen van overlast nadere regels stellen aan de exploitatie van een terras.

Artikel 2:17 Toelatingstijden

  • 1. Het is de exploitant van een openbare inrichting verboden hierin bezoekers toe te laten tussen 02:00 uur en 05:00 uur.

  • 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 4. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

  • 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:18 Tijdelijke sluiting(stijden) en afwijkende toelatingstijden

  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk verplichte sluitingstijden of afwijkende toelatingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:19 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  • 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, beperking van overlast of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

  • 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  • 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  • 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening, in artikel 13b van de Opiumwet of ander gemeentelijk beleid.

Artikel 2:20 Verboden gedragingen

  • 1. Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.

  • 2. Het is bezoekers van een openbare inrichting of een voor publiek toegankelijk gebouw verboden zich daarin te bevinden gedurende de periode dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:18, eerste lid.

Artikel 2:21 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:15 tot en met 2:17 op als bevoegd bestuursorgaan.

Afdeling 6a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet

Artikel 2:22 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  • 1. In dit artikel wordt onder alcoholhoudende drank en onder paracommerciële rechtspersoon verstaan dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

  • 2. Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 1 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

  • 3. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Afdeling 7. Toezicht op inrichtingen tot verschaffen nachtverblijf

Artikel 2:23 Nachtregister

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder inrichting:

    • a.

      elke ruimte waarin, in de uitoefening van een beroep, aan personen nachtverblijf wordt verschaft; en

    • b.

      elk terrein, daaronder begrepen iedere buitenhaven, iedere binnenhaven en elk binnenwater ingericht tot het afmeren van pleziervaartuigen, dat, in de uitoefening van een beroep of als gewoonte, ter beschikking wordt gesteld voor het houden van nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen.

  • 2. Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding daarvan staakt, is verplicht de burgemeester daarvan binnen drie werkdagen schriftelijk op de hoogte te brengen.

  • 3. Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en dag van vertrek te verstrekken.

  • 4. Degene die een inrichting exploiteert of de feitelijke leiding daarover heeft is verplicht:

    • a.

      zich onverwijld bij aankomst van de persoon die in de door hem gehouden inrichting de nacht zal doorbrengen een geldig reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht te doen overleggen;

    • b.

      een doorlopend register te houden en daarin onverwijld bij de aankomst van die persoon zijn naam, woonplaats en dag van aankomst aan te tekenen of te doen aantekenen alsmede zelf daarin aantekening te houden of te doen houden van de aard van het overgelegde document, en, bij het vertrek, de dag van het vertrek;

    • c.

      dat register op aanvraag te vertonen aan de burgemeester dan wel aan de door deze aangewezen ambtenaar.

  • 5. de burgemeester kan een register als bedoeld in het vierde lid aanwijzen en waarmerken.

  • 6. Het vierde lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 438 van het Wetboek van strafrecht voorziet.

Afdeling 8. Kansspelautomaten

Artikel 2:24 Kansspelautomaten

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      Wet: de Wet op de kansspelen;

    • b.

      kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a. van de Wet ;

    • c.

      hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

    • d.

      laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

  • 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  • 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 9 .Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:25 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

    • 2.

      Het is verboden een krachtens artikel 2:19 gesloten voor publiek openstaand lokaal of daarbij behorend erf te betreden.

  • 3. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 4. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:26 Plakken en kladden

  • 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met teer,een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakplaatsen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de aanplakplaatsen te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:27 Vervoer plak- en kladgereedschap

  • 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen kennelijk niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:26

Artikel 2:28 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:29 Vervoer verontreinigende middelen tijdens luilak

Het is verboden om in de nacht van vrijdag op zaterdag voor Pinksteren tussen 0:00 en 08:00 uur op of aan de weg enig middel bij zich te hebben of te vervoeren met het kennelijke doel een zaak te besmeuren.

Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat andere gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen daarvan onnodig overlast of hinder ondervinden;

    • b.

      zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    • c.

      zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte bestemd is;

    • d.

      voor anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

artikel 2:30a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk openstaand gebouw en daarbij behorend erf zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuursrechtelijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

    2.Onder het verbod van het eerste lid vallen tevens uiterlijke kenmerken die daarmee een sterke gelijkenis hebben.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het Wetboek van Strafrecht in het daarin geregelde voorziet.

Artikel 2:31 Verboden drankgebruik

  • 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en

    • b.

      een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

artikel 2:31a Lachgasverbod

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben, indien en voor zover dit gepaard gaat met overlast.

  • 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter voorkoming van overlast of ter bescherming van het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

  • 3. Het college kan het in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:31b Verbod op gevaarlijke voorwerpen

1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als wapen kunnen worden gebruikt en die zodanig zijn ingepakt dat deze niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan is voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:32 Honden

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd;

  • 2. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben voor de verwijdering van uitwerpselen van de hond en ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd.

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing:

    • a.

      voor zover het een geleidehond of hulphond in functie betreft;

    • b.

      voor zover het een hond betreft die door een aantoonbaar gekwalificeerde begeleider wordt opgeleid tot geleidehond of hulphond.

  • 4. Het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op door het college aangewezen losloopplaatsen;

    • b.

      voor zover het geleidehond of een hulphond betreft die voor zijn inzet als geleidehond of hulphond niet aangelijnd kan zijn.

  • 5. Het tweede lid is niet van toepassing voor zover het een geleidehond of een hulphond in functie betreft.

Artikel 2:33 Gevaarlijke honden

  • 1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2. Onder een aanlijngebod als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte van ten hoogste 1,50 meter, gemeten van hand tot halsband.

  • 3. Onder een muilkorfgebod als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      vervaardigd is van een stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    • c.

      zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4. Een hond als bedoeld in het eerste lid dient voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Afdeling 10 .Vuurwerk

Artikel 2:34 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:35 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden.

  • 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:36 Gebruik van consumentenvuurwerk

  • 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht

artikel 2:36a Verbod carbidschieten

  • 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een melkbus, container, opslagvat of ander soortgelijk object op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide, ook wel carbid genoemd, en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.

  • 2. Carbidschieten is verboden.

  • 3. Het is verboden om voorwerpen te vervoeren of bij zich te hebben die kennelijk bedoeld zijn voor carbidschieten.

Afdeling 11. Drugsoverlast

Artikel 2:37 Drugshandel op straat en openlijk drugsgebruik

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijk doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  • 2. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Afdeling 12 .bepaling ter bestrijding van heling

Artikel 2:38 Inkoopregister

  • 1. De handelaar, als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon is verplicht:

    • a.

      De burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen van:

      • i.

        1˚het feit dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

      • ii.

        2˚. van een verandering van de hierboven bedoelde adressen;

      • iii.

        3˚. het feit dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

      • iv.

        4˚. het feit dat dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor derechthebbende verloren is gegaan.

    • b.

      de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

    • c.

      aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de

  • aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

    • d.

      een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houdenin de staat waarin het goed verkregen is

Afdeling 13 .veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzegging, stadionomgevingsverbod en woonoverlast

Artikel 2:39 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:40 Cameratoezicht

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:41 Gebiedsontzegging

  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 dagen niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  • 2. De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde bevel als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk acht.

  • 3. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:42 Stadionomgevingsverbod

  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen heeft verricht in of in de omgeving van een stadion van een betaald voetbalorganisatie op een dag dat daar een wedstrijd van de betaald voetbalorganisatie werd gespeeld een verbod geven zich vanaf vier uur vóór het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van een voetbalwedstrijd van de betaald voetbalorganisatie in de omgeving en nabijheid van het stadion op te houden.

  • 2. Het verbod geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan twee jaar.

  • 3. De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde verbod als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk acht.

Artikel 2:43 Woonoverlast

  • 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2. De burgemeester kan bij overtreding van de zorgplicht uit het eerste lid een gedragsaanwijzing geven in de vorm van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang.

  • 3. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:44 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1.In dit artikel wordt verstaan onder:

a. Exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

b. Beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 3:1 Afbakening

De artikelen 1:2, 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Begripsbepalingen

  • In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

  • beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

  • bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  • escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon of rechtspersonen die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf of escortbedrijf wordt uitgeoefend;

  • klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf, escortbedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

  • prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  • raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

  • seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen vergoeding of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen vergoeding;

  • seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

  • sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

  • werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding worden verricht.

AFDELING 2. SEKSINRICHTINGEN, E.D.

Artikel 3:3 Seksinrichtingen en escortbedrijven

  • 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan beslist, in afwijking van artikel 1:2 van deze verordening, binnen twaalf weken op de aanvraag om een vergunning.

  • 3. De in het tweede lid gestelde termijn kan door het bevoegd bestuursorgaan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  • 4. Het college kan het aantal te verlenen vergunningen voor seksbedrijven aan een maximum binden.

  • 5. Het bevoegd bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.

  • 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:4 Nadere regels

Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:7 lid 6 en het bepaalde in artikel 3:5 kan het bevoegd bestuursorgaan nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.

Artikel 3:5 Bedrijfsplan

Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan

Artikel 3:6 Bescheiden overleggen bij aanvraag

  • 1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.

  • 2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      het in artikel 3:5 genoemde bedrijfsplan;

    • b.

      bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    • c.

      de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    • d.

      een plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding;

    • e.

      een op grond van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden;

  • 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden vergunning

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 wordt een vergunning geweigerd als:

    • a.

      de exploitant of de beheerder onder curatele staat

    • b.

      de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    • c.

      de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    • d.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • e.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    • f.

      er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

    • g.

      de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    • h.

      de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • i.

        1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en dit hoofdstuk;

      • ii.

        2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420 quinquies, 426 en 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • iii.

        3°. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

      • iv.

        4°. de artikelen 8 en 162, lid 3, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • v.

        5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

      • vi.

        6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

      • vii.

        7°. De artikelen 1, onder a,b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen

    • i.

      de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening.

  • 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g., wordt gelijk gesteld:

    • a.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    • b.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, lid 2, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, lid 3, onder a., van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt.

  • 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g. en h., wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g. en h., telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  • 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

    • a.

      voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:8 of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    • b.

      als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    • c.

      als het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde in de nadere regels op grond van deze verordening.

    • d.

      het maximum als bedoeld in artikel 3:3 lid 4 bereikt is.

  • 6. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • c.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • d.

      de verkeersvrijheid of- veiligheid;

    • e.

      de gezondheid of zedelijkheid;

    • f.

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Artikel 3:8 Intrekking en schorsing vergunning

  • 1.De vergunning wordt ingetrokken als:

  • a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

  • b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

  • c. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

  • d. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7 eerste lid, onder a. tot en met i.;

  • e. de vergunninghouder dat verzoekt;

  • f. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening;

  • g. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

  • h. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

  • i. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

  • j. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen;

  • k. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

  • l. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

  • m. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

  • n. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

  • o. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning;

  • p. wanneer de exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escort bedrijf feitelijk heeft beëindigd.

Artikel 3:9 Wijziging beheer en beëindiging exploitatie

  • 1. Indien een beheerder het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:7 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwachting van het besluit bedoeld in lid 2, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Artikel 3:10 Tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen en tijdelijke sluiting

  • 1. Met het oog op de in artikel 3:7 genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

    • a.

      tijdelijk sluitingstijden vaststellen;

    • b.

      van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in Artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op grond van het bepaalde in Artikel 3:42, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:11 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden.

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:12 Verbod straat- en raamprostitutie

  • 1. Het is gelet op de belangen uit artikel 3:7 lid 6 verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

  • 2. Het is gelet op de belangen uit artikel 3:7 lid 6 een prostituee verboden:

  • 3. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

  • 4. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

Artikel 3:13 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:14 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- pornografische goederen, afbeeldingen e.d.

  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch- pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    • a.

      indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    • b.

      anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, lid 1 van de Grondwet.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluidhinder

Artikel 4:1 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • inrichting: een inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • geluidsgevoelige gebouwen: woningen als bedoeld in de Wet geluidhinder en andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in de Wet geluidhinder, met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. De voorwaarden die in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit worden gesteld ten aanzien van de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor bepaalde gebieden.

  • 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.

  • 8. Bij het vaststellen van het geluidsniveau als bedoeld in het zesde lid wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 9. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet om uiterlijk 00:30 uur te worden beëindigd en op overige dagen om uiterlijk 23:00 uur.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorwaarden van artikel 3.148 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  • 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingediend op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.

  • 8. Bij het vaststellen van het geluidsniveau als bedoeld in het zesde lid wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 9. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van muziek, waarmee de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit worden overschreden, op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet om uiterlijk 00:30 uur te worden beëindigd en op overige dagen om uiterlijk 23:00 uur.

Artikel 4:4 Overig geluidhinder

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, de Provinciale milieuverordening of artikel 2:43van deze verordening.

  • 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2. Natuurlijke behoeften doen

Artikel 4:5 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Afdeling 3. Houtopstanden

Artikel 4:6 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

  • b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

  • 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan:

  • a. rooien, met inbegrip van verplanten;

  • b. het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; en

  • c. het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1. Het college stelt een bomenlijst met beschermenswaardige houtopstanden en overzichtskaarten met beschermenswaardige gebieden vast.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen:

    • a.

      die zijn opgenomen in de Bomenlijst met beschermenswaardige houtopstanden;

    • b.

      die gelegen zijn in beschermenswaardige gebieden zoals aangeduid in de overzichtskaarten, voor zover het gaat om een houtopstand met een diameter van 15 cm of groter op 1.30 m hoogte.

  • 3. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

    • a.

      de natuurwaarde van de houtopstand;

    • b.

      de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • c.

      de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    • d.

      de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • e.

      de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

    • f.

      de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  • 5. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  • 6. De eigenaar van een op de bomenlijst opgenomen houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een dergelijke houtopstand, anders dan door vellen op grond van een verleende vergunning.

  • 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:8 Bestrijding iepziekte

  • 1. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn de daarin genoemde maatregelen te treffen.

  • 2. Het is verboden gevelde niet-ontbaste iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het gaat om versnipperd iepenhout.

Afdeling 4. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:9 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1. In dit artikel wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist en dat bestemd of opgericht is, dan wel gebruikt wordt of kan worden, voor recreatief nachtverblijf.

  • 2. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, een exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  • 3. Het verbod van het tweede lid geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

  • 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bescherming van natuur en landschap;

    • b.

      de bescherming van een stadsgezicht.

  • 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 7. Het college kan plaatsen en tijden aanwijzen waarop het verbod van het tweede lid niet geldt.

Hoofdstuk 5. Overige onderwerpen

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);

  • voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990), met uitzondering van kleine wagens zoals, kruiwagens, kinderwagens, en rolstoelen.

  • weg: weg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d.

  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te verkopen verboden deze op de weg te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen en voertuigwrakken

  • 1. Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

  • 2. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Recreatieve voertuigen, aanhangwagens e.d.

  • 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, waaronder in ieder geval ook aanhangwagens worden verstaan, langer dan drie achtereenvolgende dagen in de openbare ruimte te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:6 Parkeren van reclamevoertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing

Artikel 5:7 Parkeren grote voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 4. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  • 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren uitzicht belemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2. Het is tevens verboden met een voertuig te rijden over een berm of het daarin te doen of te laten staan, voor zover de berm is gelegen aan de zijde van een weg waarvoor een parkeerverbod of een verbod om stil te staan is ingesteld, aangegeven met de borden E1 of E2 zoals bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

  • 3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en

    • b.

      op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 4. Het college kan van de verboden bedoeld in het eerste en tweede lid ontheffing verlenen.

  • 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:10 Neerzetten van (brom)fietsen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan op zodanige wijze dat daardoor:

    • a.

      de toegang tot een gebouw wordt versperd;

    • b.

      voor een bewoner of gebruiker van het gebouw het uitzicht wordt belemmerd ofwel, ingeval het een winkel betreft, het zicht op de etalage wordt belemmerd;

    • c.

      sprake is van een gevaarlijke situatie.

  • 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan.

Afdeling 2. Collecteren en ambulante handel

Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen en leden- of donateurswerving

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waaronder ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd indien de betreffende week reeds aan een andere organisatie is toegewezen op het landelijke collecterooster van het CBF.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die wordt gehouden:

    • a.

      in besloten kring; of

    • b.

      door een instelling met een CBF-keurmerk op een in het landelijke collecterooster van het CBF aangewezen week.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:12 begripsbepaling venten

  • 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2. Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 2:19, tweede lid, aanhef en onder c;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:15.

Artikel 5:13 Ventverbod

  • 1. Het is verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag tussen 17.00 uur en 09.00 uur.

  • 2. In tegenstelling tot het eerste lid geldt het verbod voor het venten op het strand van maandag tot en met zondag tussen 20.00 uur en 09.00 uur.

  • 3. Het college kan van deze verboden een ontheffing verlenen.

  • 4. Het verbod als bedoeld geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5:14 Begripsbepaling standplaatsen

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder een standplaats: een vaste plaats, op een openbare en in de openlucht gelegen locatie, vanaf waar goederen dan wel diensten te koop worden aangeboden, worden verkocht of worden afgeleverd, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2. Onder een standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      een vaste plaats op een markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:9

Artikel 5:15 Standplaatsvergunning

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Het college weigert de vergunning in ieder geval indien sprake is van strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning voorts worden geweigerd:

    • a.

      indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk voorzieningenniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 3. Strand en zee

Artikel 5:16 Overlast aan vaartuigen

  • 1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:17 Rijden op het strand

  • 1. Het is verboden met een voertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op het strand te rijden dan wel deze op het strand te brengen of te hebben.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op fietsen en kleine wagens zoals, kruiwagens, kinderwagens, en rolstoelen.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 4. Het college kan tijden en plaatsen aanwijzen waarop het verbod van het eerste lid niet geldt voor zeilwagens, windrijders of soortgelijke voor de recreatie bestemde voertuigen.

  • 5. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt door of in opdracht van de gemeente, de strandvonderij, de algemeen erkende hulpverleningsdiensten, de KNRM, de KNBRD, Rijkswaterstaat of een andere openbare dienst, allen ten behoeve van de uitoefening van hun taak.

  • 6. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het rijden op het strand ten behoeve van het vervoer van personen voor commerciële doeleinden, voor zover de vervoerder beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 5:18.

Artikel 5:18 Vervoer van personen

Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan het strand voor commerciële doeleinden personen te vervoeren met vaar- of voertuigen, personen in of uit die vaar- of voertuigen te dragen of deze personen tot het bereiken daarvan behulpzaam te zijn.

Artikel 5:19 Rij- en trekdieren op het strand

  • 1. Het is verboden een paard, een pony of een ander rij- of trekdier, al dan niet met bijbehorende wagen, op het strand te brengen of te hebben.

  • 2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor ambtenaren van de politie in de uitoefening van hun taak.

  • 3. Het college kan tijden en plaatsen aanwijzen waarop het verbod van het eerste lid niet geldt.

Artikel 5:20 Vaartuigen op het strand

  • 1. Het is verboden een al dan niet gemotoriseerd vaartuig, waaronder in elk geval een jetski of waterscooter worden begrepen, op het strand te hebben of te brengen dan wel een vaartuig vanaf het strand op zee of vanuit de zee op het strand te brengen of zich met een dergelijk vaartuig te bevinden binnen een afstand van 300 meter uit de laagwaterlijn

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op kleine vaartuigen, zoals een opblaasband, een luchtkussen of een opblaasboot, mits hieraan geen motor is bevestigd.

  • 3. Het college kan tijden en plaatsen aanwijzen waarop het verbod van het eerste lid voor bepaalde vaartuigen niet geldt.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op vaartuigen die worden gebruikt door de KNRM, de KNBRD, de politie of een andere openbare dienst, allen ten behoeve van de uitoefening van hun taak.

Artikel 5:21 Open vuur op het strand

  • 1. Het is verboden op het strand enig vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      indien gebruik wordt gemaakt van een geschikt toestel om te barbecueën, een vuurkorf of een terrashaard aan de achterzijde van een strandhuisje of op het terras van een paviljoen, mits dit gebruik geen hinder, gevaar of anderszins overlast oplevert voor de (directe) omgeving en eventuele (as)resten worden opgeruimd;

    • b.

      op de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

Artikel 5:22 Tenten, strandstoelen en windschermen

Het is verboden op het strand tussen 22.00 en 06.00 tenten, strandstoelen of windschermen te hebben of te laten staan.

Artikel 5:23 Sport en spel op of aan het strand

  • 1. Het is verboden om in de zee te zwemmen of een andere watersport te beoefenen.

  • 2. Het is verboden op of aan het strand vliegers op te laten met twee of meer besturingslijnen.

  • 3. Het college kan tijden en plaatsen aanwijzen waarop de verboden van het eerste en tweede lid niet gelden.

Artikel 5:24 In zee begeven

  • 1.

    Het is verboden zich zonder noodzaak vanaf een havenhoofd, strekdam of pier in zee te begeven.

  • 2.

    Eenieder is verplicht om onmiddellijk gevolg te geven aan de in het belang van hun veiligheid gegeven aanwijzingen door een lid van het erkende reddingswezen.

  • 3.

    Het is verboden om zich in de zee te begeven om te zwemmen of anderszins te recreëren wanneer een rode vlag is gehesen aan de daartoe bestemde palen.

  • 4.

    Het is verboden om zich met een drijfmiddel in zee te begeven of te bevinden wanneer een gele vlag is gehesen aan de daartoe bestemde palen.

Artikel 5:25 Vissen langs het strand

  • 1. Het is verboden om met een vishengel vanaf het strand te vissen.

  • 2. Het is verboden om binnen een afstand van 250 meter vanaf de laagwaterlijn te vissen, met gebruikmaking van staande, drijvende of soortgelijke netten.

  • 3. Het college kan tijden en plaatsen aanwijzen waarop het verbod van het eerste lid niet geldt.

Artikel 5:26 Toegang pieren

Het is verboden de pieren te betreden, indien de toegangshekken zijn gesloten.

Artikel 5:27 Ongeklede openbare recreatie

Het strand tussen strandpaal 58.000 en de gemeentegrens van de gemeente Bloemendaal is aangewezen als plaats geschikt voor ongeklede openbare recreatie als bedoeld in artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht.

5:28 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het gebruik van het strand in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid, het milieu en het voorkomen van overlast.

Afdeling 4. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:29 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wegenverkeerswet 1994.

  • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens.

  • weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:30 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets:

    • a.

      een wedstrijd te houden, te doen houden, dan wel daaraan deel te nemen of een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben;

    • b.

      ter voorbereiding op een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden, dan wel daaraan deel te nemen of een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

    • c.

      Anderszins te crossen, dan wel een motorvoertuig of bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 4. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5:31 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van het publiek.

  • 4. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      die worden gebruikt ten dienste van algemeen erkende hulpverleningsdiensten of door een andere openbare dienst ten behoeve van de uitoefening van hun wettelijke taak;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de in het eerste lid bedoelde terreinen;

    • c.

      die worden gebruikt door zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de gebieden of terreinen bedoeld in het eerste lid of ten behoeve van bezoek en verzorging van deze personen.

  • 5. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing:

    • a.

      op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    • b.

      voor zover in een dergelijk verbod reeds wordt voorzien bij of krachtens een provinciale verordening.

  • 6. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 5. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:32 Verbod verbranden afvalstoffen en anderszins vuur stoken

  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het verbod in het eerste lid niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van flora en fauna.

  • 5. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

  • 6. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

  • 1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van tweede categorie: 2:1, 2:7, 2:8,2:10, 2:13, 2:15, 2:16, 2:17, 2:20, 2:25, 2:26 ,2:27, 2:28,2:29,2:30a, 2:31a,2:31b, 2:32,2:33,2:35 ,2:36a ,2:37 ,2:44,3:11 ,3:12 ,2:43,3:5 ,3:10 ,3:13 ,3:14,4:3,4:9 , 5:2, 5:3 ,5:4, 5:5, 5:6 ,5:7 5:8, 5:9,5:10 ,5:11,5:15,5:16, 5:17 , 5:18, 5:19, 5:20, 5:21,5:22, 5:23 ,5:24,5:25,5:26,5:27, 5:28, 5:30,5:31,5:32

  • 2.

    Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: 2:2, 2:6 , 2:23,2:30,2:31 4:5

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:3, vijfde lid en 2:4, tweede lid, indien sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit 2:5, eerste lid, 4:7, tweede lid.

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de daartoe aangewezen gemeentelijke toezichthouders, alsmede de in het artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, toezichthouders van de Omgevingsdienst IJmond, ambtenaren van de Veiligheidsregio Kennemerland en de vanwege het Recreatieschap Spaarnwoude aangewezen personen voor dat deel van de gemeente dat binnen het recreatiegebied is gelegen.

  • 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de burgemeester aangewezen personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woning

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 intrekken oude verordening

De Algemene Plaatselijke Verordening Velsen 2009 wordt ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2019

Artikel 6:7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Velsen 2019.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van ………………..

De raad van de gemeente Velsen,

De griffier, De voorzitter,

R.B. Palstra F.C. Dales