Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zoetermeer houdende regels omtrent de heffing en de invordering van rioolheffing Verordening rioolheffing 2019

Geldend van 24-12-2018 t/m 31-12-2019

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zoetermeer houdende regels omtrent de heffing en de invordering van rioolheffing Verordening rioolheffing 2019

De raad van de gemeente Zoetermeer;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2018;

gelet op artikel 228a, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet;

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2019

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt:

  • a.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • b.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater;

  • c.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.

  • d.

    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte ervan.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het gebruik heeft van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

  • 2. Als gebruiker wordt aangemerkt:

    • a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

    • b.

      ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.

Artikel 4 Zelfstandig gedeelte

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1. De belasting wordt geheven naar een vast bedrag, vermeerderd met een percentage van de waarde in het economisch verkeer van het perceel. Indien het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit de onroerende zaak wordt afgevoerd meer is dan 500m3, wordt de belasting vermeerderd met een bedrag per 100 m3 boven de 500m3.

  • 2. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande en volledig afgesloten verbruiksperiode naar de onroerende zaak is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.

  • 3. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, wordt bij afwezigheid van de verbruiksperiode voor het perceel ingeval van nieuwbouw of verbouw, het aantal kubieke meters afvalwater gesteld op 500 m³, tenzij het aannemelijk is dat er meer dan 500 m³ wordt afgevoerd. In de laatste situatie zal de gebruiker worden verplicht een aangifte in te vullen. In dat geval wordt de belastingschuld voor het eerste belastingjaar vastgesteld aan de hand van het waterverbruik in het eerste jaar.

  • 5. De op de voet van dit artikel berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd, met dien verstande dat met afwijkingen van minder dan 20% geen rekening wordt gehouden.

  • 6. In geval een perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economisch verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 8 bedoelde kalenderjaar geldt.

  • 7. Ingeval voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17,18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 6 Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven van gebruikers van percelen met een directe of indirecte aansluiting op de gemeentelijke riolering, indien het perceel is een:

  • 1.

    onroerende zaak in aanbouw;

  • 2.

    onroerende zaak met een WOZ-waarde tot en met € 50.000,-.

Artikel 7 Belastingtarieven

  • 1. Het tarief van de belasting bedraagt € 64,87, vermeerderd met 0,0195 % van de WOZ-waarde van het perceel, met dien verstande dat de totale belasting niet meer beloopt dan € 224,80 per perceel.

  • 2. Indien meer dan 500 m³ afvalwater vanuit een perceel wordt afgevoerd, wordt de belasting als bedoeld in het eerste lid vermeerderd met € 19,74 voor elke 100 m³ afvalwater of een gedeelte daarvan dat boven de eerste 500 m³ afvalwater wordt afgevoerd.

Artikel 8 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 9 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 geldt ingeval op het aanslagbiljet, dat de aanslag rioolheffing bevat, een totaalbedrag staat van meer dan € 20.000, dat de aanslag(en) moeten worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet staat vermeld.

  • 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 geldt ingeval op het aanslagbiljet, dat de aanslag rioolheffing bevat, een totaalbedrag staat dat gelijk is aan of minder is dan € 20.000,-, dat de aanslag(en) moeten worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de derde maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet staat vermeld.

  • 3. In afwijking van het tweede lid geldt ingeval op het aanslagbiljet, dat de aanslag rioolheffing bevat, een totaalbedrag staat dat gelijk is aan of minder is dan € 20.000,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslag(en) moeten worden betaald in zes gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 4. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met de belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn de overige leden van dit artikel van toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

  • 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Aangiftetermijn

De termijn voor het indienen van een aangifte bedraagt veertien dagen. De termijn vangt aan een dag na dagtekening van de uitnodiging tot het doen van aangifte.

Artikel 12 Kwijtschelding

Bij de invordering van rioolheffing kan voor maximaal 100% van het verschuldigde bedrag kwijtschelding worden verleend.

Artikel 13 Nadere regels door het college

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van het rioolheffing.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. De 'Verordening rioolheffing 2018’ van 18 december 2017 wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2. De op artikel 12 van de in het eerste lid genoemde verordening gebaseerde regels van het college worden geacht mede gebaseerd te zijn op artikel 13 van deze verordening.

  • 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van de vierde dag na die van de bekendmaking.

  • 4. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

  • 5. Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rioolheffing 2019.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 17 december 2018,

de griffier,

drs. R. Blokland MCM

de voorzitter,

Ch.B. Aptroot