Algemene Subsidieverordening Gemeente Middelburg 2007

Geldend van 01-01-2007 t/m 31-12-2018

Intitulé

ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENINGGEMEENTE MIDDELBURG 2007

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    budgetsubsidie: een subsidie voor de duur van één of meerdere jaren op grondslag van producten en prestaties;

  • 2.

    prestatiesubsidie: een subsidie die wordt toegekend om het exploitatietekort te dekken van een instelling die activiteiten ontplooit die de subsidieverlener in stand wil houden; in het activiteitenplan is opgenomen welke prestaties worden nagestreefd;

  • 3.

    waarderingssubsidie: een stimuleringsbijdrage in een activiteit of activiteiten, ongeacht de feitelijke kosten van deze activiteiten;

  • 4.

    investeringssubsidie: een subsidie in de kosten van aankoop, stichting of verbouwing van accommodaties binnen de gemeente of voor het treffen van bijzondere voorzieningen;

  • 5.

    eenmalige subsidie: een subsidie die wordt toegekend ten behoeve van een eenmalige activiteit en/of experiment;

  • 6.

    instelling: een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie, die zich ten doel stelt zonder winstoogmerk producten te leveren en prestaties/ activiteiten te verrichten ten behoeve van de ingezetenen van de gemeente Middelburg;

  • 7.

    prestatie: het resultaat van de activiteiten dat controleerbaar en meetbaar is en een bijdrage levert aan het realiseren van een beleidsdoel;

  • 8.

    Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

  • 9.

    algemene reserve: een reserve bedoeld voor het dekken van exploitatierisico’s;

  • 10.

    bestemmingsreserve: een reserve waaraan een concrete bestemming is verbonden;

  • 11.

    voorziening: een van het eigen vermogen afgescheiden gedeelte, gevormd om eventuele verplichtingen af te dekken.

Artikel 2 Rechtspersoonlijkheid

  • 1. Subsidie kan slechts worden verleend aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

  • 2. In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, subsidie verlenen aan instellingen zonder volledige rechtsbevoegdheid of natuurlijke personen.

Artikel 3 Reikwijdte van de verordening

Deze verordening is van toepassing op de subsidiëring van alle activiteiten die door aanvragers in het gemeentelijk belang worden uitgevoerd en waarvoor geen andere gemeentelijke subsidieverordening geldt.

Artikel 4 Inhoudelijk beleid

De gemeenteraad stelt per programma of hoofdfunctie de beleidsdoelstellingen en/of nota’s vast, waarin wordt bepaald welke producten/prestaties/activiteiten en/of een verzameling hiervan voor subsidie in aanmerking komen en welke specifieke voorschriften van toepassing zijn. De hoofdzaken uit de beleidsstukken worden opgenomen in het subsidiebeleidskader.

Artikel 5 Subsidiebeleidskader

  • Onder deze verordening vallen de subsidies die vastgelegd zijn in het subsidiebeleidskader. Dit overzicht wordt eens in de vier jaar door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin worden opgenomen:

    - de doelstellingen van de subsidie;

    - het door de raad beschikbaar gestelde budget;

    - de voor subsidie in aanmerking komende activiteiten;

    - de subsidiecriteria;

    - de subsidienormen;

    - de subsidievorm en eventueel (mits van toepassing):

    - het subsidieplafond en de verdeelregels.

    Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het subsidiebeleidskader en verlenen de (meer)jaarlijkse beschikkingen en verstrekkingen.

    De gemeenteraad kan tussentijds wijzigingen aanbrengen in het subsidiebeleidskader.

Artikel 6 Uitvoering

Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van deze verordening. Uitvoering houdt mede in het nemen van besluiten op aanvragen, het aangaan van prestatiesubsidie-overeenkomsten, het nemen van verdagingsbesluiten, besluiten omtrent bevoorschotting en het intrekken en/of wijzigen van subsidieverlenings- en/of vaststellingsbesluiten.

Verdagingsbesluiten worden schriftelijk meegedeeld aan de betrokken instellingen, onder vermelding van de reden en geven daarbij de termijn waarbinnen de beslissing kan worden tegemoetgezien.

Artikel 7 Subsidieplafond

  • 1. De gemeenteraad kan voor een bepaald tijdvak, met het vaststellen van de gemeentebegroting, subsidieplafonds vaststellen; van een subsidieplafond is sprake indien voor deze subsidies verdeelregels zijn vastgelegd, in het subsidiebeleidskader, beleidsregels of bijzondere verordeningen.

  • 2. Burgemeester en wethouders verdelen het beschikbare subsidiebedrag volgens een in het subsidiebeleidskader op te nemen verdeelregel.

Artikel 8 Evaluatie

  • 1. Indien dit noodzakelijk is om inzicht te krijgen of te vergroten in de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie evalueren burgemeester en wethouders de gesubsidieerde activiteiten, tenzij de kosten van evaluatie onevenredig zouden zijn in verhouding tot het daarmee gediende belang.

  • 2. Evaluatie heeft, afhankelijk van de duur van de subsidie, alsmede de daarmee beoogde effecten, eenmalig danwel periodiek plaats.

Artikel 9 Toezichthouders

Burgemeester en wethouders kunnen toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Awb aanwijzen, die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen die zijn opgelegd aan de subsidieontvanger.

Artikel 10 Democratisering

  • 1. Het bestuur van een instelling betrekt deelnemers, vrijwilligers, cliënten en beroepskrachten bij het beleid van de instelling.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde betrokkenheid wordt geregeld in de statuten, het huishoudelijk reglement of een afzonderlijk bestuursbesluit van de instelling.

Artikel 11 Toegankelijkheid accommodaties voor lichamelijk gehandicapten

Burgemeester en wethouders kunnen de instelling die subsidie ontvangt, verplichten ervoor te zorgen, dat de accommodatie bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar is voor lichamelijk gehandicapten.

HOOFDSTUK 2 BUDGETSUBSIDIE

Artikel 12 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om budgetsubsidie dient voor 1 april van het jaar voorafgaande aan het eerste subsidiejaar bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.

  • 2. Bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overgelegd:

    • a.

      een meerjarig activiteitenplan;

    • b.

      een meerjarige begroting per activiteit of cluster van activiteiten, waarbij alle kosten en opbrengsten aan de activiteit of cluster van activiteiten zijn toegerekend, inclusief personeelslasten en accommodatielasten.

  • 3. Bij een eerste aanvraag legt de instelling tevens over:

    • a.

      een afschrift van de statuten van de instelling;

    • b.

      een beschrijving van de organisatievorm voor zover deze niet reeds in de statuten is vervat;

    • c.

      een balans en een staat van baten en lasten en een toelichting daarop van het voorgaande jaar.

    • d.

      een opgave van de bestuurssamenstelling, blijkende uit (een kopie van) het uittreksel van de Kamer van Koophandel;

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat ook andere dan in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

Artikel 13 Activiteitenplan

Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen.

Artikel 14 Beslistermijn en toetsing aanvraag

  • 1. Burgemeester en wethouders beslissen schriftelijk op de aanvraag op een zodanig tijdstip dat zij hun besluit bekend kunnen maken uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk zeventien weken verdagen.

  • 3. Indien niet op een aanvraag is beslist voor 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd, is de aanvrager bevoegd uitgaven te doen tot ten hoogste een derde deel van de bedragen die op de overeenkomstige posten van de laatstgegeven subsidiebeschikking zijn vastgesteld.

  • 4. Burgemeester en wethouders toetsen de aanvraag aan:

    • a)

      deze verordening;

    • b)

      het gemeentelijk beleid;

    • c)

      het door de raad vastgestelde subsidieplafond per programma of hoofdfunctie.

Artikel 15 Besluit tot subsidieverlening

  • 1. Bij de verlening van subsidie kan er rekening mee worden gehouden of en in hoeverre een instelling op andere wijze de beschikking heeft dan wel kan krijgen over de voor haar activiteiten benodigde geldmiddelen.

  • 2. De beschikking tot subsidieverlening houdt een omschrijving in van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

  • 3. De beschrijving van de activiteiten kan ook in de vorm van een bijlage aan de beschikking worden toegevoegd.

Artikel 16 Budgetsubsidie-overeenkomsten

  • 1. Ter uitvoering van een subsidieverleningsbesluit kan als privaatrechtelijke uitvoeringsovereenkomst tussen de gemeente en de instelling een budgetsubsidie-overeenkomst worden afgesloten. Per overeenkomst worden specifieke bepalingen opgenomen over de te leveren producten en prestaties alsmede financieel-technische aspecten.

  • 2. Budgetsubsidie-overeenkomsten kunnen voor een periode van maximaal vier jaar worden afgesloten.

Artikel 17 Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De instelling dient uiterlijk voor 1 april van het jaar volgend op het subsidiejaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a)

      een verslag over het afgelopen subsidiejaar. Dit verslag bevat in ieder geval een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en activiteiten en een toelichting op de verschillen;

    • b)

      een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c)

      een verklaring van een accountant inzake de rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten;

    • d)

      een balans naar de toestand aan het einde van het afgelopen jaar met een toelichting daarop.

Artikel 18 Besluit tot subsidievaststelling

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen de subsidie vast binnen vijftien weken nadat de aanvraag is ingediend.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

Artikel 19 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de producten/prestaties zoals deze zijn opgenomen in de budgetsubsidie-overeenkomst te verrichten.

  • 2. De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 3. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaren bewaard.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen naast de in dit artikel bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden opleggen aan de subsidieontvanger.

Artikel 20 Algemene reserve

  • 1. Indien een instelling in enig jaar meer inkomsten dan uitgaven heeft, dienen de overschotten gestort te worden in een algemene reserve.

  • 2. De hoogte van de algemene reserve mag niet meer bedragen dan 10% van de totale inkomsten in een jaar van de instelling.

  • 3. Indien de hoogte van de algemene reserve de in lid 2 genoemde 10% overschrijdt, is artikel 53 van deze verordening van toepassing.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het genoemde percentage in lid 3 indien het bedrijfsrisico naar het oordeel van burgemeester en wethouders hiertoe aanleiding geeft.

Artikel 21 Bestemmingsreserves en voorzieningen

  • 1. Een instelling die een bestemmingsreserve of voorziening wil vormen dient hiervoor vooraf schriftelijk toestemming te vragen aan burgemeester en wethouders.

  • 2. Een verzoek tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening dient vergezeld te gaan van:

    • a)

      het doel van de reserve;

    • b)

      een meerjarig investeringsplan of onderhoudsplan.

  • 3. Indien toestemming tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening is verkregen, mag een instelling niet afwijken van vastgelegde stortingen, ook al is er sprake van een negatief exploitatieresultaat.

Artikel 22 Liquidatiesaldo

  • 1. De bestemming van een eventueel batig liquidatiesaldo bij ontbinding van een subsidieontvanger behoeft de voorafgaande goedkeuring van burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders houden daarbij rekening met de herkomst en samenstelling van het liquidatiesaldo.

  • 2. Burgemeester en wethouders nemen een besluit binnen acht weken na ontvangst van het voorstel van de instelling.

  • 3. Indien burgemeester en wethouders het voorstel van de instelling afwijzen, geven zij tevens een aanwijzing met betrekking tot de gewenste bestemming.

  • 4. Indien de instelling binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn geen gevolg geeft aan de aanwijzing, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat gehele of gedeeltelijke storting in de gemeentekas plaatsvindt.

  • 5. Bij het vaststellen of wijzigen van de statuten van de instelling wordt rekening gehouden met het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 23 Toestemmingsvereiste

  • 1. De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college van burgemeester en wethouders voor de handelingen bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f, i, en j van de Awb.

  • 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken omtrent de toestemming.

  • 3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

HOOFDSTUK 3 PRESTATIESUBSIDIE

Artikel 24 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om prestatiesubsidie dient voor 1 april van het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.

  • 2. Bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overgelegd:

    • a)

      een activiteitenplan;

    • b)

      een begroting voor het komende jaar;

    • c)

      een balans en een staat van baten en lasten en een toelichting daarop over het voorgaande jaar.

  • 3. Bij een eerste aanvraag legt de instelling tevens over:

    • a)

      een afschrift van de statuten van de instelling;

    • b)

      een beschrijving van de organisatievorm voor zover deze niet reeds in de statuten is vervat;

    • c)

      een opgave van de bestuurssamenstelling.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat ook andere dan in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

Artikel 25 Activiteitenplan

Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen.

Ook is aangegeven welke prestaties met de activiteiten wordt nagestreefd.

Artikel 26 Begroting

  • 1. De begroting behelst een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven van de instelling, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.

  • 3. Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaande aan het lopende boekjaar.

Artikel 27 Beslistermijn en toetsing aanvraag

  • 1. Burgemeester en wethouders beslissen schriftelijk op de aanvraag op een zodanig tijdstip dat zij hun besluit bekend kunnen maken uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk zeventien weken verdagen.

  • 3. Indien niet op een aanvraag is beslist voor 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd, is de aanvrager bevoegd uitgaven te doen tot ten hoogste een derde deel van de bedragen die op de overeenkomstige posten van de laatstgegeven subsidiebeschikking zijn vastgesteld.

  • 4. Burgemeester en wethouders toetsen de aanvraag aan:

    • a)

      deze verordening;

    • b)

      het gemeentelijk beleid ;

    • c)

      het door de raad vastgestelde subsidieplafond per hoofdfunctie.

Artikel 28 Besluit tot subsidieverlening

  • 1. Bij de verlening van subsidie kan er rekening mee worden gehouden of en in hoeverre een instelling op andere wijze de beschikking heeft dan wel kan krijgen over de voor haar activiteiten benodigde geldmiddelen.

  • 2. De beschikking tot subsidieverlening houdt een omschrijving in van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

  • 3. De beschrijving van de activiteiten kan ook in de vorm van een bijlage aan de beschikking worden toegevoegd.

Artikel 29 Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De instelling dient uiterlijk voor 1 april van het jaar volgend op het subsidiejaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a)

      een verslag over het afgelopen subsidiejaar. Dit verslag bevat in ieder geval een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en activiteiten en een toelichting op de verschillen;

    • b)

      een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c)

      een verklaring van een accountant inzake de rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

    • d)

      een balans naar de toestand aan het einde van het afgelopen jaar met een toelichting daarop.

Artikel 30 Subsidievaststelling

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen de subsidie binnen vijftien weken vast.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

Artikel 31 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht tot het verrichten van de in de beschikking vermelde activiteiten;

  • 2.

    De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 3. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaren bewaard.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen naast de in dit artikel bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden opleggen aan de subsidieontvanger.

Artikel 32 Liquidatiesaldo

  • 1. De bestemming van een eventueel batig liquidatiesaldo bij ontbinding van een subsidieontvanger behoeft de voorafgaande goedkeuring van burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders houden daarbij rekening met de herkomst en samenstelling van het liquidatiesaldo.

  • 2. Burgemeester en wethouders nemen een besluit binnen acht weken na ontvangst van het voorstel van de instelling.

  • 3. Indien burgemeester en wethouders het voorstel van de instelling afwijzen, geven zij tevens een aanwijzing met betrekking tot de gewenste bestemming.

  • 4. Indien de instelling binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn geen gevolg geeft aan de aanwijzing, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat gehele of gedeeltelijke storting in de gemeentekas plaatsvindt.

  • 5. Bij het vaststellen of wijzigen van de statuten van de instelling wordt rekening gehouden met het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 33 Toestemmingsvereiste

  • 1. De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college van burgemeester en wethouders voor de handelingen bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f, i, en j van de Awb.

  • 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken omtrent de toestemming.

  • 3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

HOOFDSTUK 4 WAARDERINGSSUBSIDIE

Artikel 34 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om waarderingssubsidie dient voor 1 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.

  • 2. Bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overlegd:

    • a)

      een activiteitenplan;

    • b)

      een begroting voor het komende jaar;

    • c)

      een balans en een staat van baten en lasten met een toelichting daarop over het voorgaande jaar.

  • 3. Bij een eerste aanvraag legt de instelling tevens over:

    • a)

      een afschrift van de statuten van de instelling;

    • b)

      een beschrijving van de organisatievorm voor zover deze niet reeds in de statuten is vervat;

    • c)

      een opgave van de bestuurssamenstelling.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat ook andere dan in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

Artikel 35 Activiteitenplan

Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen.

Artikel 36 Begroting

  • 1. De begroting behelst een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven van de instelling, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.

  • 3. Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaande aan het lopende boekjaar.

Artikel 37 Beslistermijn en toetsing aanvraag

  • 1. Burgemeester en wethouders beslissen schriftelijk op de aanvraag voor waarderingssubsidie op een zodanig tijdstip dat zij hun besluit bekend kunnen maken uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk zeventien weken verdagen.

  • 3. Burgemeester en wethouders toetsen de aanvraag aan:

    • 1.

      deze verordening;

    • 2.

      het gemeentelijk beleid;

    • 3.

      het door de raad vastgestelde subsidieplafond per hoofdfunctie.

  • a) deze verordening;

  • b) het gemeentelijk beleid;

  • c) het door de raad vastgestelde subsidieplafond per hoofdfunctie.

Artikel 38 Besluit tot subsidievaststelling

  • 1. Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de uitgevoerde activiteiten van de aanvrager passen binnen het subsidiebeleid, besluiten zij tot het vaststellen van de subsidie.

  • 2. Bij het vaststellen van subsidie kan er rekening mee worden gehouden of en in hoeverre een instelling op andere wijze de beschikking heeft dan wel kan krijgen over de voor haar activiteiten benodigde geldmiddelen.

  • 3. De beschikking tot subsidievaststelling bevat een aanduiding van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, alsmede het bedrag van de subsidie.

Artikel 39 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht tot het verrichten van de in de beschikking vermelde activiteiten.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht voor 1 april na afloop van het subsidiejaar een jaarverslag in te dienen waaruit blijkt dat de activiteiten zijn uitgevoerd.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de inrichting van de administratieve organisatie.

HOOFDSTUK 5 INVESTERINGSSUBSIDIE

Artikel 40 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om investeringssubsidie dient te worden ingediend uiterlijk twintig weken voor het tijdstip waarop een aanvang wordt gemaakt met de realisering van de voorgenomen activiteit of voorziening waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2. Van de in het eerste lid genoemde termijn kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ontheffing verlenen;

  • 3. Bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overlegd:

  • a) een afschrift van de statuten van de instelling;

  • b) een opgave van de bestuurssamenstelling;

  • c) een overzicht van de exploitatie van de afgelopen drie jaar;

  • d) een kostenspecificatie of kostenraming van de voorgenomen investering met een dekkingsplan;

  • e) een balans van het voorgaande jaar.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat ook andere dan in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

Artikel 41 Beslistermijn en toetsing aanvraag

  • 1. Burgemeester en wethouders maken de beslissing op de aanvraag bekend binnen twintig weken nadat de aanvraag voor investeringssubsidie is ingediend.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen het verlenen van de beschikking als bedoeld in het eerste lid uiterlijk tien weken verdagen;

  • 3. De aanvraag wordt getoetst aan:

  • a) deze verordening;

  • b) het gemeentelijk beleid.

Artikel 42 Besluit tot subsidieverlening

  • 1. Burgemeester en wethouders geven in de beschikking tot subsidieverlening in ieder geval aan:

  • a) welk bedrag ten hoogste voor de investering beschikbaar wordt gesteld, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

  • b) voor welke investering het bedrag is bedoeld;

  • 2. In de beschikking tot subsidieverlening kan er rekening mee worden gehouden of en in hoeverre een instelling op andere wijze de beschikking heeft dan wel kan krijgen over de voor haar investering benodigde geldmiddelen.

Artikel 43 Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De instelling dient binnen twintig weken nadat de activiteit heeft plaatsgehad dan wel de voorziening is gerealiseerd waarvoor subsidie is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van een overzicht van de aan de investering verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden dan de in lid 2 genoemde eisen.

Artikel 44 Subsidievaststelling

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag de subsidie vast.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

HOOFDSTUK 6 EENMALIGE SUBSIDIE

Artikel 45 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie moet uiterlijk zeventien weken voor het tijdstip waarop een aanvang wordt gemaakt met de realisering van de voorgenomen activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, te worden ingediend.

  • 2. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een:

  • a) gespecificeerde begroting met toelichting;

  • b) een beschrijving van de geplande activiteiten;

  • c) een mededeling of tevens subsidie is aangevraagd bij één of meer andere bestuursorganen en/of fondsen.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden nadere aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

Artikel 46 Beslistermijn en toetsing aanvraag

  • 1. Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor eenmalige subsidie binnen uiterlijk tien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen omtrent de aard en de hoogte van de eenmalige subsidie.

  • 4. Burgemeester en wethouders toetsen deze aanvraag aan:

  • a) deze verordening;

  • b) het gemeentelijk beleid;

  • c) het door de raad vastgestelde subsidieplafond.

Artikel 47 Besluit tot subsidieverlening

  • 1. Bij de verlening van subsidie wordt er rekening mee gehouden of en in hoeverre een instelling op andere wijze de beschikking heeft dan wel kan krijgen over de voor haar activiteiten benodigde geldmiddelen.

  • 2. De beschikking tot subsidieverlening houdt een omschrijving in van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

Artikel 48 Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De instelling dient binnen dertien weken nadat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend hebben plaatsgevonden een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a) een verslag van de activiteiten;

  • b) een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

  • c) een balans van het voorgaande jaar.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere dan de in lid 2 genoemde gegevens en bescheiden eisen.

Artikel 49 Subsidievaststelling

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen de subsidie binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag vast.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

Artikel 50 Subsidievaststelling ineens

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen, bijvoorbeeld indien de hoogte van de subsidie zich daartoe leent, op een aanvraag voor een eenmalige subsidie gelijk een besluit tot subsidievaststelling nemen.

  • 2. Bij het vaststellen van de subsidie kan er rekening mee worden gehouden of en in hoeverre een instelling op andere wijze de beschikking heeft dan wel kan krijgen over de voor haar activiteiten benodigde geldmiddelen.

  • 3. De beschikking tot subsidievaststelling bevat een aanduiding van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, alsmede het bedrag van de subsidie.

Artikel 51 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. De instelling waarbij de subsidie direct is vastgesteld, is verplicht binnen tien weken na het plaatsvinden van de activiteit een verslag van deze activiteit bij burgemeester en wethouders in te dienen.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen hiervan in bepaalde gevallen ontheffing verlenen.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de inrichting van de administratieve organisatie.

HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 52 Weigeringsgronden

  • 1. De subsidieverstrekking kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Awb genoemde gevallen geweigerd worden, indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat:

  • a) de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente;

  • b) de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

  • c) de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • d) de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente;

  • e) de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken.

  • f) de subsidieverstrekking al of niet gedeeltelijk voorziet in de kosten van een jubileum hetzij voor een aan de persoon verbonden instelling hetzij voor de instelling zelf.

Artikel 52A Samenloop met andere subsidies

  • 1. Indien voor dezelfde activiteit behalve een subsidie bij de gemeente een subsidie bij de provincie Zeeland, het Rijk of een Europees orgaan is aangevraagd en de desbetreffende voorwaarden of verplichtingen afwijken van de toepasselijke bepalingen van dit besluit, worden voor de verstrekking van de gemeentelijke subsidie de afwijkende, door de Provincie Zeeland, het Rijk of het Europees orgaan opgelegde voorwaarden en verplichtingen toegepast.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde in het vorige lid afwijken, indien de gemeentelijke subsidie hoger is dan die van de provincie Zeeland, het Rijk of het Europese orgaan.

Artikel 53 Vergoeding aan de gemeente bij vermogensvorming

  • 1. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb leggen burgemeester en wethouders een vergoedingsplicht op.

  • 2. In het geval dat het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, die uitgaat boven hetgeen als maximale algemene reserve is vastgelegd, is de subsidieontvanger daar eveneens een vergoeding over verschuldigd.

  • 3. De wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt bepaald, wordt vermeld in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 4. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

  • 5. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing in die gevallen waarin de activiteiten door een derde worden voortgezet en activa en passiva met toestemming van burgemeester en wethouders tegen boekwaarde aan die derde worden overgedragen.

Artikel 54 Voorschotten

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen voorschotten op de subsidie verlenen.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen huurbedragen voor gemeentelijke accommodaties en overige vorderingen op een instelling rechtstreeks met voorschotten verrekenen.

  • 3. Voorschotten worden bij de vaststelling van de subsidie verrekend. Op aanzegging van burgemeester en wethouders stort een instelling te veel ontvangen voorschotten terug in de gemeentekas.

  • 4. Indien blijkt dat meer aan voorschotten is verleend dan waarop de instelling ingevolge de vaststelling recht heeft, kunnen burgemeester en wethouders vooruitlopend op de subsidievaststelling:

  • a) bepalen dat het verschil wordt teruggestort in de gemeentekas;

  • b) het verschil in mindering brengen op te verstrekken voorschotten op andere subsidies.

  • 5. Burgemeester en wethouders verlenen geen voorschotten op de subsidie zodra zij kennis hebben genomen van het ontbinden van een instelling, conservatoir beslag op (een deel van) het vermogen van een instelling, een ten aanzien van een instelling verleende surseance van betaling danwel uitgesproken faillissement.

  • 6. Burgemeester en wethouders kunnen het verlenen van voorschotten opschorten indien een instelling naar hun oordeel niet in voldoende mate de aan de toekenning van de subsidie verbonden verplichtingen nakomt.

Artikel 55 Gelieerde instellingen

  • 1. Bij een subsidieaanvraag als bedoeld in de artikelen 12, 24, 34, 40, 45 en 52 wordt een opgave gedaan van de met de instelling gelieerde rechtspersonen, alsmede van de aard van de betrekkingen met die rechtspersonen.

  • 2. Onder gelieerde rechtspersonen worden in ieder geval verstaan:

  • a) rechtspersonen waaraan de instelling in het verleden om niet een bedrag van meer dan € 500,-- ter beschikking heeft gesteld en waarover de instelling op enig moment weer de beschikking kan krijgen;

  • b) rechtspersonen ten aanzien waarvan de instelling een beslissende invloed heeft op de besteding van middelen dan wel invloed heeft op de benoeming van een of meer bestuursleden;

  • c) rechtspersonen ten aanzien waarvan statutair is bepaald dat deze (mede) ten doel hebben de instelling financieel te ondersteunen.

Artikel 56 Meldingsplicht bij wijziging omstandigheden

Een instelling die een subsidie heeft aangevraagd of waaraan een subsidie is verleend, doet zo spoedig mogelijk mededeling aan burgemeester en wethouders van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag danwel een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 57 Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht

  • 1. De instelling beheert de tot haar beschikking staande middelen zorgvuldig en treft maatregelen ter voorkoming van vermogensschade.

  • 2. De instelling is verplicht haar roerende en onroerende zaken te verzekeren en verzekerd te houden op basis van herbouw- of vervangingswaarde tegen de schade van brand, storm en inbraak.

  • 3. De instelling is verplicht het bij haar in dienst zijnde personeel en de voor haar werkzame vrijwilligers gedurende de tijd dat dezen voor haar werkzaam zijn, te verzekeren tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het gestelde in het tweede en derde lid, indien de naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

Artikel 58 Tegengaan vervreemdingen

  • 1. Het is een subsidieontvangende instelling, behoudens vooraf verkregen toestemming van burgemeester en wethouders, niet toegestaan om jaarlijks bedragen van meer dan € 500,-- om niet aan derden ter beschikking te stellen.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden verbinden aan de in het eerste lid bedoelde toestemming.

Artikel 59 Levering van goederen en diensten aan derden

  • 1. Een subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen ook andere gevallen aanwijzen waarin deze bepaling niet geldt.

Artikel 60 Medewerking aan onderzoek door gemeente

Een subsidieontvangende instelling werkt mee aan door of namens de gemeente ingesteld onderzoek dat is gericht op het verkrijgen van inlichtingen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Artikel 61 Betaling

  • 1. Het subsidiebedrag wordt binnen acht weken betaald na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening c.q. het besluit tot subsidievaststelling, tenzij burgemeester en wethouders in het besluit een andere termijn hebben aangegeven.

  • 2. Het subsidiebedrag kan in vier gelijke termijnen bij de aanvang van elk kwartaal worden betaald.

HOOFDSTUK 8 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 62 Zaken waarin de verordening niet voorziet

In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.

Artikel 63 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders kunnen van de bepalingen in deze verordening afwijken, indien toepassing ervan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 64 Overgangsbepaling

  • 1.

    Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een subsidieaanvraag op grond van één van de verordeningen, bedoeld in artikel 65, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop beslist met toepassing van de bepalingen van deze verordening.

  • 2.

    Op een aanhangig bezwaar- of beroepsschrift, betreffende een subsidie, bedoeld in het eerste lid, dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 65, eerste lid, is ingekomen binnen de voor het betreffende bezwaar- of beroepsschrift geldende bezwaar- of beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordeningen bedoeld in artikel 65, tweede lid.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de overgangssituatie tussen de huidige procedurele verwerking en de inwerkingtreding van de nieuwe subsidieverordening.

Artikel 65 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2007.

  • 2. Op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden de volgende verordeningen ingetrokken:

  • a. de Algemene Subsidieverordening Welzijn zoals vastgesteld d.d. 28 september 1993 en laatstelijk gewijzigd d.d. 17 december 2001;

  • b. de Verordening Algemene Subsidievoorwaarden zoals vastgesteld d.d. 20 oktober 1958 en laatstelijk gewijzigd d.d. 1 december 1998.

Artikel 66 Citeertitel

Deze verordening kan aangehaald worden als ‘Algemene Subsidieverordening gemeente Middelburg 2007’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 13 november 2006.
de griffier, de voorzitter,
Publicatie: 4 april 2007
Gewijzigd: 18 juni 2007
Inwerkingtreding: 16 augustus 2007
Publicatie: 8 augustus 2007

INHOUD

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 2 BUDGETSUBSIDIE

HOOFDSTUK 3 PRESTATIESUBSIDIE

HOOFDSTUK 4 WAARDERINGSSUBSIDIE

HOOFDSTUK 5 INVESTERINGSSUBSIDIE

HOOFDSTUK 6 EENMALIGE SUBSIDIE

HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 8 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN