Verordening van het algemeen bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht houdende regels omtrent zuiveringsheffing Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2019

Geldend van 18-12-2018 t/m 31-12-2019

Intitulé

Verordening van het algemeen bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht houdende regels omtrent zuiveringsheffing Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2019

Het algemeen bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

op voordracht van het dagelijks bestuur van 13 november 2018;

gelet op artikel 110 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en hoofdstuk 6.2 van het Waterschapsbesluit;

B E S L U I T :

vast te stellen de:

Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2019

Artikel 1 Belastbaar feit

Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van het direct of indirect afvoeren op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    het waterschap: het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

  • b.

    stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze verordening;

  • c.

    riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, in beheer bij een gemeente;

  • d.

    zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;

  • e.

    afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;

  • f.

    woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

  • g.

    bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.

  • h.

    de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, lid 3, onderdeel b, van de Waterschapswet;

  • i.

    drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;

  • j.

    ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater, onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;

  • k.

    drinkwaterbedrijf: driinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;

  • l.

    afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet;

  • m.

    warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.

Artikel 3 Bijlagen

Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:

  • -

    Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening;

  • -

    Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel 122k, lid 3, van de Waterschapswet.

Artikel 4 Heffingsplicht

  • 1. Aan de heffing worden onderworpen:

    • a.

      ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

    • b.

      ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die afvoert.

  • 2. Voor de toepassing van lid 1, onderdeel a, is heffingsplichtig:

    • a.

      in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing is aangewezen;

    • b.

      in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • c.

      in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

  • 3. Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing onderworpen.

  • 4. De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:

    • a.

      aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;

    • b.

      aan het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen.

  • 5. Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.

Artikel 5 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid

  • 1. De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 18 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.

  • 2. Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in lid 1 in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd naar rato van het aantal kalenderdagen dat er in het heffingsjaar nog overblijft. De dag van inschrijving in de basisregistratie personen geldt in dat geval als de datum waarop de heffingsplicht aanvangt.

  • 3. Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in lid 1 in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing naar rato van het aantal kalenderdagen dat in het heffingsjaar nog overblijft. De dag vóór die van uitschrijving uit de basisregistratie personen geldt in dat geval als de datum waarop de heffingplicht eindigt.

  • 4. Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de heffingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.

  • 5. Lid 2 en 3 kunnen buiten toepassing worden gehouden indien de heffingplichtige verhuist en vanuit deze nieuwe woonruimte eveneens afvoert.

Artikel 6 Aangifte

Met betrekking tot de zuiveringsheffing geheven van gebruikers van bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan door:

  • a.

    het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;

  • b.

    het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel 7.

Artikel 7

Het doen van aangifte geschiedt door:

  • a.

    het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden;

  • b.

    het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende programmatuur gevraagde gegevens.

Artikel 8 Heffingsjaar

Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 9 Grondslag en heffingsmaatstaf

  • 1. Voor de heffing bedoeld in artikel 1 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

  • 2. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

  • 3. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof.

  • 4. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor wordt bepaald op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde gewichtshoeveelheid van:

    • a.

      1 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink;

    • b.

      0,1 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;

    • c.

      650 kilogram van de stoffen chloride en sulfaat;

    • d.

      20 kilogram van de stof fosfor.

Artikel 10 Beperkte meting, bemonstering en analyse

  • 1. Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I van deze verordening opgenomen voorschriften.

  • 2. De in lid 1 bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 11.

  • 3. De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:

    • a.

      de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;

    • b.

      het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel worden afgevoerd.

  • 4. De heffingplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.

  • 5. De ambtenaar belast met de heffing:

    • a.

      kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in lid 3, onderdelen a en b;

    • b.

      beslist op aanvraag van de heffingplichtige, dat meting en bemonstering kunnen geschieden in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in lid 3, onderdelen a en b;

    • c.

      beslist op aanvraag van de heffingplichtige, dat kan worden afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;

    • d.

      kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere voorschriften geven.

  • 6. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in lid 5, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

    • a.

      de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt afgeweken;

    • b.

      de afwijkingen bedoeld in lid 5, onderdelen a, b en c;

    • c.

      de nadere voorschriften bedoeld in lid 5, onderdeel d;

    • d.

      het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.

  • 7. De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge lid 5 genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.

  • 8. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in lid 5, ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in lid 1 en lid 3.

Artikel 11 Beperkte meting, bemonstering en analyse

  • 1. Op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 10, lid 2. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

    • a.

      de afvalwaterstromen en de stoffen die in het onderzoek dienen te worden betrokken;

    • b.

      de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;

    • c.

      de wijze waarop de op voet van letter b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over het daar bedoelde tijdvak, dan wel het heffingsjaar;

    • d.

      het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.

  • 2. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in lid 1, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van berekenings-voorschrift III van onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.

  • 3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 12 Hoedanigheidscorrectie

  • 1. Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld in artikel 9 in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de heffingplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.

  • 2. De berekening van de correctie gebeurt, met inachtneming van de voorschriften welke zijn opgenomen in bijlage I, onderdeel C en overeenkomstig het Protocol T-correctie AGV.

  • 3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in lid 1, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

    • a.

      de wijze van berekening van de correctie;

    • b.

      de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie van toepassing is;

    • c.

      de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting, bemonstering en analyse;

    • d.

      een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.

Artikel 13 Tabel afvalwatercoëfficiënten

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 10, lid 1, kan het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.

  • 2. Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in lid 1 wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij

    A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;

    B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.

  • 3. Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze.

  • 4. De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in lid 2 wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k van de Waterschapswet.

  • 5. Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in lid 1, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op voet van artikel 10, lid 1, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.

Artikel 14 Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen

  • 1. In afwijking van artikel 10, lid 1, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van lid 2.

  • 2. De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.

  • 3. Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in lid 1 bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van lid 2 bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.

  • 4. Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van lid 2 of 3, van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.

Artikel 15 Franchise en drempel

  • 1. Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 10 tot en met 13, te vermenigvuldigen met 0,0162.

  • 2. Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 10 tot en met 13, te vermenigvuldigen met 0,0027.

  • 3. Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden van de stoffen chloride, fosfor en sulfaat wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 10 tot en met 13, te vermenigvuldigen met 0,023 voor chloride, 0,025 voor fosfor en 0,023 voor sulfaat.

Artikel 16

  • 1. Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 10:

    • a.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, lid 1 bedoelde aftrek te boven gaat;

    • b.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, lid 2, bedoelde aftrek te boven gaat;

    • c.

      het aantal vervuilingseenheden van de stoffen chloride, fosfor en sulfaat op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, lid 3, bedoelde aftrek te boven gaat.

  • 2. Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 10:

    • a.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, lid 1, bedoelde aftrek niet te boven gaat;

    • b.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, lid 2, bedoelde aftrek niet te boven gaat;

    • c.

      het aantal vervuilingseenheden van de stoffen chloride, fosfor en sulfaat op nihil gesteld. Indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, lid 3, bedoelde aftrek niet te boven gaat.

Artikel 17 Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte

De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 16, voor zover deze van toepassing zijn.

Artikel 18 Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten

  • 1. In afwijking van artikel 10, lid 1, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.

  • 2. Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.

Artikel 19 Vervuilingswaarde van woonruimten

  • 1. In afwijking van artikel 10, lid 1, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één vervuilingseenheid.

  • 2. Lid 1 is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

  • 3. Indien de in lid 1 bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag waarop die situatie is ontstaan.

  • 4. Indien de in lid 3 bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingplichtige moet daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.

Artikel 20 Schatting

De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door de heffingplichtige:

  • a.

    meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;

  • b.

    het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 13, lid 1 of 5, 14, lid 1, 18, lid 1, of 19, lid 1, niet mogelijk is;

  • c.

    het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 13, lid 5, wel mogelijk is, maar door de heffingplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan;

  • d.

    niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming.

Artikel 21 Tarief

Het tarief bedraagt € 54,00 per vervuilingseenheid.

Artikel 22 Wijze van heffing en termijnen van betaling

  • 1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2. Een belastingaanslag is invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 3. Het bedrag inzake een bestuurlijke boete is invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 4. In afwijking van lid 2 en 3 zijn, indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven, de aanslag en de bestuurlijke boete invorderbaar in één of acht gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening. Het aantal maandelijkse termijnen kan op een hiervan afwijkend aantal worden vastgesteld.

  • 5. Het minimum termijnbedrag bij automatische incasso bedraagt € 5,00. Indien hierdoor een lager aantal termijnen ontstaat dan in het vierde lid is aangegeven, worden eerst maandelijkse termijnen van € 5,00 geïncasseerd en het restantbedrag tegelijk met de laatste termijn.

  • 6. Aanslagen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. Voor de toepassing hiervan wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één aanslag.

Artikel 23 Nadere regels

Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering.

Artikel 24 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. De Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2018, vastgesteld bij besluit van 30 november 2017, wordt ingetrokken met ingang van de in lid 3 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

  • 4. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2019.

Ondertekening

Amsterdam, 29 november 2018

Het algemeen bestuur,

Dr. ir. G.M. van den Top

Dijkgraaf

Drs. H.J. Kelderman,

Secretaris

Bijlage I. Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening

Definitiebepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a

    etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;

  • b

    debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;

  • c

    debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische inductie) het debiet gemeten wordt;

  • d

    momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een moment van meting;

  • e

    kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard;

  • f

    droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;

  • g

    nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;

  • h

    gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht;

  • i

    open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht;

  • j

    moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;

  • k

    bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;

  • l

    aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van binnenlabreproduceerbaarheid.

A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling

Paragraaf 1 Algemeen

De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet– en bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen respectievelijk NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009) en overeenkomstig de voorschriften van de leveranciers van de apparatuur geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.

In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de bemonstering.

In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde etmaalverzamelmonster.

Paragraaf 2 Meting

De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten.

In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water.

2.1 Open meetsystemen

Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.

Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:

  • 1

    de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet;

  • 2

    de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten debiet.

Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.

De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij afwijking.

2.2 Gesloten meetsystemen

De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet.

Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische pulsteller.

Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer of datalogger of andere vorm van geautomatiseerd registratiesysteem.

Inbouw

Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven. Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling van de debietmeter.

Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:

  • a

    Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot het uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.

  • b

    De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.

  • c

    De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.

  • d

    De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is exact gelijk aan de diameter van de meetbuis.

  • e

    Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.

  • f

    De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met water.

  • g

    De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een aardelectrode die is ingebouwd in de meter.

Natte kalibratie

De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand onder representatieve bedrijfsomstandigheden nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge kalibratie te worden uitgevoerd.

Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op een ijkinstallatie of RvA–geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi).

Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:

  • a

    Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te kalibreren meter wordt geleid (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door de ambtenaar belast met de heffing goedgekeurde methode. De wijze van natte kalibratie vindt in overleg met de ambtenaar belast met de heffing plaats. Hiertoe dient uiterlijk twee weken voor aanvang van de kalibratie een voorstel tot uitvoering (Plan van Aanpak) van de natte kalibratie inclusief de uitvoeringsdata ter goedkeuring bij de heffingstechnoloog van Waternet te worden ingediend.

  • b

    Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een moedermeter, wordt deze voorafgaand in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik. De natte kalibratie vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde of RvA–geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.

  • c

    Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport wordt bij die van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.

  • d

    Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt en een procentuele afwijking is vast te stellen van 0,1%. Bij gebruik van een moedermeter vindt de natte kalibratie plaats in het gehele meetbereik waarin de te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert. Ook het aan- en afschakelen van pompen, en het bijkomen van eventuele extra pompen dient onderdeel te zijn van de kalibratie. Indien de te kalibreren flowmeter is aangesloten op een computer- of een ander bedrijfssysteem waarmee het debiet wordt vastgesteld, dan dient ook de registratie van dit systeem in de kalibratie (en rapportage) te worden meegenomen.

  • e

    Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake is) door middel van printers of dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal per uur geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook de ruwe, onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd.

  • f

    Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens zoals een computer- of Scadasysteem, op een goede werking gecontroleerd en worden de bevindingen in de rapportage van de kalibratie opgenomen.

Droge kalibratie

Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.

Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:

  • a

    Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat de meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.

  • b

    Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis is gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het kalibratierapport vermeld.

  • c

    Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking gecontroleerd.

  • d

    Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan 5%, wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand nat gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een natte kalibratie.

Kalibratierapport

Het kalibratierapport dient binnen één maand na kalibratie aan de heffingstechnoloog van Waternet te worden toegezonden. Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe bevoegde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op het kalibratierapport:

  • -

    de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);

  • -

    de bevindingen van eventueel op de flowmeter aangesloten randapparatuur waarmee registratie van de meetgegevens plaatsvindt;

  • -

    eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);

  • -

    de justering (softwarematige aanpassing van de correctiefactor/meterconstante);

  • -

    de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige aanpassing/justering;

  • -

    de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.

Paragraaf 3 Bemonstering

3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur

De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders is bepaald door de ambtenaar belast met de heffing.

Paragraaf 4 Monsterbehandeling

4.1 Algemeen

De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600-1 (Water-Monsterneming-Deel 1: Afvalwater 2009), en conform paragraaf 9 van NEN 6600-1 wordt direct na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3 (2018). De monsters worden gekoeld en in het donker bewaard tussen 1° en 5° C. Bij bedrijven die de bemonstering in eigen beheer uitvoeren met permanent geplaatste meet- en bemonsteringsapparatuur dient het verzamelde etmaalmonster gedurende 24 uur in het donker bewaard bij maximaal 5° C ten behoeve van eventuele controle en contra-analyse door ambtenaar belast met de heffing. Indien sprake is van de uitvoering met gebruik van mobiele meetapparatuur en de bemonstering wordt uitgevoerd door een erkend adviesbureau dan dient van elk verzameld etmaalmonster een representatief deel van 2 liter gedurende 24 uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker te worden bewaard ten behoeve van eventuele controle en contra-analyse door Waternet. De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar van het waterschap worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de desbetreffende contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar van het waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.

4.2 Conservering en maximale bewaartermijn

De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch geconserveerd, geschiedt dit zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk, binnen 12 uur na afloop van het etmaal. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.

In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse, waaronder onder meer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een zodanige termijn dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de chemische conservering gelden.

Tabel A

Voor analyse op

 

Omgevingstemperatuur

Methode conservering

 

Maximale bewaartijd

 

tijdens transport

tot einde bewaartermijn

Biochemisch zuurstofverbruik

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen onder uitsluiting van licht.

1 dag

<-18 °C

Invriezen binnen 12 uur

1 mnd (indien BZV < =50 mg/l) 6 mnd (indien BZV >50 mg/l)

Chemisch zuurstofverbruik

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen en aanzuren binnen 12 uur met H2SO4 tot pH < 2

6 maanden

<-18 °C

Invriezen binnen 12 uur

6 maanden

Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen en aanzuren binnen 12 uur met H2SO4 tot pH < 2

1 maand

<-18 °C

Invriezen binnen 12 uur

6 maanden

Cadmium, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen en aanzuren binnen 12 uur met HNO3 tot pH < 2

6 maanden

Arseen

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen en aanzuren binnen 12 uur met HNO3 tot pH < 2 Indien hybride techniek wordt gebruikt aanzuren met HCl tot pH < 2

6 maanden

Kwik (Hg)

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen en aanzuren binnen 12 uur met HNO3 tot pH < 2

6 maanden

Kwik (Hg)

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen en aanzuren binnen 12 uur met HCl, 1 ml/100 ml tot pH <2

6 maanden

Chloride

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen

1 maand

Sulfaat

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Koelen

1 maand

Fosfor (totaal)

tussen 2 en 8 °C

tussen 1 en 5 °C

Aanzuren en Koelen met HN03 of H2S04

6 maand

Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de zuiveringsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen; De T-correctie. Voor nadere informatie met betrekking tot conservering, analyse en monsterbehandeling wordt verwezen naar het Protocol T-correctie AGV.

B Analysevoorschriften

Paragraaf 1 Algemeen

De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze.

De analyse worden uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium waarbij de betreffende analyses worden uitgevoerd conform de normbladen genoemd in Tabel B die zijn geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie.

Het onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft plaatsgevonden.

De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen worden.

Paragraaf 2 Analyse

De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in tabel B.

Tabel B

Parameter/stof

Ontsluiting volgens normblad

Meting volgens normblad

Aantoonbaar- heidsgrens 1)

chemisch zuurstofverbruik

 

NEN 6633 2)

5 mg/l 3)

biochemisch zuurstofverbruik

 

NEN-EN 1899-1

volgens norm

som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof

NEN 6645

NEN-ISO 15923

0,5 mg/l

NEN 6646 +

C1:2015

NEN-EN-ISO 11732

NEN-EN 12260

NEN-EN 12260

En voor correctie nitriet + nitraat:

NEN-EN-ISO 13395 of

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 5663

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 5663

arseen

NEN-EN-ISO 11969

NEN-EN-ISO 11969

2 µg/l

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)

chloride (Cl-)

 

ISO 15923-1

5 mg/l

NEN 6476

NEN-EN-ISO 10304-1

NEN-EN-ISO 15682

Fosfor (totaal)

NEN 6645

ISO 15923-1 of NEN-EN-ISO 15681-1

0,1 mg/l

NEN-EN-ISO 15681-2

NEN-EN-ISO 15681-1

NEN-EN-ISO 15681-1

NEN-EN-ISO 15681-2

NEN-EN-ISO 15681-2

NEN-EN-ISO 6878

NEN-EN-ISO 6878

NEN-EN-ISO 15681-1

NEN-EN-ISO 15681-2

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)

NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)

cadmium (Cd),

chroom (Cr),

koper (Cu),

lood (Pb),

nikkel (Ni),

zilver (Ag),

zink (Zn)

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)

Cd: 0,3 µg/l

Cr: 2 µg/l

Cu: 10 µg/l

Pb: 10 µg/l

Ni: 7 µg/l

Ag: 10 µg/l

Zn: 40 ug/l

NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)

NEN 6953, hoofdstuk 5.3.3.3 4)

NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)

NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)

kwik

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 12846 (AAS)

0,25 µg/l

NEN-EN-ISO 17852 (AFS)

NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)

NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)

sulfaat (SO4)

 

ISO 15923-1

volgens norm

NEN-EN-ISO 10304-1

NEN-ISO 22743

1 ) De aantoonbaarheidsgrenzen voor zware metalen zijn gebaseerd op een afvalwatermonster met een soortelijke geleiding tot 1500 µS/cm en een zwevend stof gehalte tot 100 mg/l. Bij afvalwatermonsters met een matrix die groter is dan genoemde waarden voor geleiding en zwevende stof kan een hogere aantoonbaarheidsgrens gelden.

2 ) Met betrekking tot de bepaling van het chemisch zuurstofverbruik is onder voorwaarden de analysemethode beschikbaar volgens normblad NEN-ISO 15705. Op aanvraag van de heffingplichtige besluit de ambtenaar belast met de heffing of analyse volgens NEN-ISO 15705 wordt toegestaan als vervangende methode voor de analyse volgens normblad NEN 6633. De ambtenaar belast met de heffing beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de voorwaarden worden vastgelegd De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is alleen toepasbaar voor onverdunde monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar belast met de heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren indien naar zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

3 ) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600nm en 15 mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000 mg/l.

4 ) NEN 6953, hoofdstuk 5.3.3.3 mag alleen worden toegepast op afvalmonsters met een soortelijke geleiding tot 1500 µS/cm en een zwevend stof gehalte tot 100 mg/l.

CBerekeningsvoorschriften

  • I

    Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden

    • a

      Zuurstofbindende stoffen:

      (artikel 9, derde lid)

      Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het kalenderjaar afgevoerde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8 kilogram.

      Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal afgevoerde zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:

      Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)

      1000

      In deze formule wordt verstaan onder:

      Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;

      CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;

      N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de in onderdeel B van de deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l.

    • b

      Andere dan zuurstofbindende stoffen:

      (artikel 9, vierde lid)

      Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de andere dan zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het totale aantal kilogrammen van deze in het kalenderjaar afgevoerde stoffen te delen door respectievelijk:

      • 1

        1,00 kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink;

      • 2

        0,100 kilogram voor de stoffen arseen, kwik en cadmium;

      • 3

        650 kilogram voor de stoffen chloride en sulfaat;

      • 4

        20,0 kilogram voor de stof fosfor.

  • De afgevoerde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b genoemde stoffen worden bepaald met behulp van de formule:

    Q x C

    1000

    In deze formules wordt verstaan onder:

    Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;

    C: de concentratie van de desbetreffende stoffen in mg/l, bepaald op de onder B omschreven wijze.

  • II

    Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk

    100 – T

    75

    waarbij

    T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

    Voor toepassing van deze correctie moet een verzoek worden ingediend bij de ambtenaar belast met de heffing. Bij toepassing van de correctie wordt gebruik gemaakt van het protocol met betrekking tot het onderzoek voor bepaling van de hoedanigheidscorrectie.

  • III

    Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 12 wordt uitgegaan van de resultaten van de laatste drie jaar, waarbij gebruik gemaakt wordt van de volgende formule:

    n = het berekende aantal meetdagen;

    N = het aantal dagen per jaar waar op wordt afgevoerd;

    on = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende het heffingsjaar;

    tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO, met dien verstande dat VeO vervangen kan worden door respectievelijk VeG, VeZ, VeCl, VeP en VeS, waarbij:

    VeO = vervuilingswaarde van de afgevoerde zuurstofbindende stoffen;

    VeG = vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink;

    VeZ = vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen arseen, cadmium en kwik;

    VeCl = vervuilingswaarde van de afgevoerde stof chloride;

    VeP = vervuilingswaarde van de afgevoerde stof fosfor;

    VeS = vervuilingswaarde van de afgevoerde stof sulfaat.

Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid, Waterschapswet)

Klasse

Klassegrenzen uitgedrukt in aantal ver­vuilings­een­heden met betrekking tot het zuur­stof­verbruik per m3 ingenomen water

Afval­water­coëf­ficiënt uitgedrukt in aantal ver­vuilings­een­heden per m3 ingenomen water in het heffingsjaar

 

ondergrens

bovengrens

 

1

> 0

0,0013

0,0010

2

> 0,0013

0,0020

0,0016

3

> 0,0020

0,0031

0,0025

4

> 0,0031

0,0048

0,0039

5

> 0,0048

0,0075

0,0060

6

> 0,0075

0,012

0,0094

7

> 0,012

0,018

0,015

8

> 0,018

0,029

0,023

9

> 0,029

0,045

0,036

10

> 0,045

0,070

0,056

11

> 0,070

0,11

0,088

12

> 0,11

0,17

0,14

13

> 0,17

0,27

0,21

14

> 0,27

0,42

0,33

15

> 0,42

 

0,5

TOELICHTING OP DE VERORDENING ZUIVERINGSHEFFING AMSTEL, GOOI EN VECHT 2019

A ALGEMEEN

Doelstelling en karakter zuiveringsheffing

Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13 november 1969, Stb. 536) kreeg de toenmalige verontreinigingsheffing als doelstelling de financiering van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18, lid 1 Wvo). Nu de zuiveringsheffing gebaseerd is op de Waterschapswet is dat niet anders, zij het dat het meer specifiek gaat om de bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan het zuiveren van afvalwater (artikel 122d, lid 1 Wsw). De zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van kosten), maar geen retributie (vergoeding van voor een specifieke belastingplichtige gemaakte kosten).

De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan zijn onder te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en zuiveren van afvalwater en het verbranden van zuiveringsslib) en passief beheer (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving, waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot nu toe de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater genoemd.

Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21 mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Kort samengevat betekent deze wet dat er niet langer onderscheid wordt gemaakt tussen waterkwaliteitsbeheer en waterkwantiteits-beheer, maar tussen zuiveringsbeheer en watersysteembeheer. Er wordt met een integrale blik naar het beheer van het oppervlaktewater gekeken. Daarbij is de doelstelling om te komen tot een eenvoudiger en transparanter heffingenstelsel.

Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 3.4 lid 1 van de Waterwet, een taak die bij het waterschap is ondergebracht. De financiering daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater) gebeurt met ingang van 2009 uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122l van de Waterschapswet. Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de zorg voor het watersysteem. De kosten daarvan worden voortaan bestreden uit de opbrengst van de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de omslagen (artikel 117 van de Waterschapswet).

B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING

Considerans

Bevoegdheid algemeen bestuur

Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening (artikel 84 van de Waterschapswet).

Wettelijke grondslag

De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de zuiveringsheffing ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld.

Artikel 1

De opbrengst van de zuiveringsheffing dient om de kosten die zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater te dekken. De zuiveringsheffing is daarmee primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter.

Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct of indirect (via het riool) afvoeren van stoffen op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn, is het niet vereist dat de juridische eigendom van het zuiveringtechnisch werk daadwerkelijk bij het waterschap berust. Dit is met name van belang is situaties waar sprake is van zogeheten grensoverschrijdend afvalwater: het afvalwater ontstaat in het gebied van het waterschap en wordt afgevoerd naar een zuiveringtechnisch werk van een naburig waterschap. In een dergelijk geval zou het ontvangende waterschap bevoegd zijn om degene die de stoffen heeft afgevoerd in de zuiveringsheffing te betrekken. Hierdoor zou de situatie kunnen ontstaan dat voor hetzelfde adres aanslagen worden opgelegd door verschillende waterschappen. Die ongewenste situatie is voorkomen door het sluiten van medebeheersovereenkomsten met naburige waterschappen. waarin onder andere de wederzijdse financiële verplichtingen zijn vastgelegd. Het waterschap is daardoor ook beheerder van het ontvangende zuiveringtechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge Raad 11 december 1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).

Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen over de richtige heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Artikel 2 - Begripsbepalingen

Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze begrippen een omschrijving gegeven in artikel 2. Daarbij is aangesloten bij de begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.

Onderdeel a

Deze verordening is van toepassing voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Het bestaan van dit waterschap alsmede het gebied ervan is vastgelegd in het Reglement voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017 bij besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland (12 december 2016), Utrecht (12 december 2016) en Zuid-Holland (14 december 2016).

Onderdeel b

Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in artikel 9 In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.

Onderdeel c

Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat wordt bedoeld in artikel 10.33, lid 1, van de Wet milieubeheer.

Onderdeel d

Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor het zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen, vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringtechnisch werk. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel c, waarbij het begrip riolering is gedefinieerd).

Onderdeel e

Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap.

Onderdeel f

Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te zijn bestemd om als afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en dus niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168). Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).

Onderdeel g

Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders. Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad 1997, blz. 729). Voor de vraag of sprake is van één of van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd aangemerkt.

Onderdeel h

De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de AWR de bevoegdheid tot het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de AWR van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing gebeurt door het nemen van een aanwijzingsbesluit door het dagelijks bestuur. Het laatste aanwijzingsbesluit bij het waterschap is genomen op 29 november 2005. Behalve tot het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften is deze functionaris op basis van deze verordening ook bevoegd om meetbeschikkingen af te geven (artikel 10 en verder).

Onderdeel i

Hoewel de Drinkwaterwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet hier niet uitsluitend voor menselijke consumptie geschikt water onder worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van kleding vallen hier onder. Daarom wordt aangesloten bij het begrip leidingwater zoals dat is omschreven in artikel 1, onderdeel b, lid 1 van de Drinkwaterwet.

Onderdeel j

Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt door bedrijven voor sanitair gebruik regenwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.

Onderdeel k

Een drinkwaterbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in artikel 1, lid 1, onderdeel d, van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld electrische energie, warmte of aardgas.

Artikel 3 - Bijlagen

De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden (ve’s). Zoals blijkt uit artikel 122g van de Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal ve’s wordt vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen 10, 11 en 12 van de verordening.

In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, te weten voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een vervuilingswaarde van 1.000 ve’s en minder, zijn ook in deze verordening opgenomen.

Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik van 1.000 ve’s en minder kan onder voorwaarden de berekening van het aantal ve’s plaatsvinden met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, lid 3, van de Waterschapswet en voor de volledigheid ook in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 13.

De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.

Artikel 4 - Belastbaar feit en heffingsplicht

Lid 1

Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op verschillende wijzen gebeuren. Voor de omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het object van waaruit wordt afgevoerd.

Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de gebruiker is. Voor het geval dat er meerdere gebruikers zijn, stelt de ambtenaar belast met de heffing beleidsregels vast, op grond waarvan één van de gebruikers als heffingplichtige kan worden aangewezen. Deze beleidsregels worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn voor de heffingplichtigen.

Onderdeel a

Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waaronder de zuiveringsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.

De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 4, lid 2, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari 1995, BNB 1995/92).

In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene die zich min of meer duurzaam te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478).

Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant belastingplichtig.

Onderdeel b

Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.

Deze bepaling komt overeen met die in artikel 122d, lid 2, onderdeel b van de Waterschapswet en is ingevoerd nadat was gebleken dat (incidenteel) afvoeren vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon worden aangemerkt..

Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het afvoeren vanuit een zuiveringtechnisch werk onder de ratio van deze bepaling.

Lid 2

Onderdeel a

Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in het Aanwijzingsbesluit belastingplichtigen waterschapsbelastingen.

Onderdeel b

Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.

Onderdeel c

Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld, kan de heffingplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.

Lid 3

In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het zuiveringtechnisch werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke riolering. Lid 3 voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de gemeente, maar degene die via de riolering heeft afgevoerd in de heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is alleen heffingsplichtig voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten waarvan de gemeente als gebruiker kan worden aangemerkt.

Lid 4

Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing, naast het financieren van het zuiveren van afvalwater, aan kan worden besteed.

Lid 5

Het waterschap kiest er om doelmatigheidsredenen voor om het afvoeren vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet, anders dan de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, geen specifieke vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het waterschap zelf, kan een dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van artikel 122l van de Waterschapswet. Dit artikel is ingevoerd door middel van een wijziging van de Waterschapswet.

Artikel 5 - Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid

Lid 1

Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in lid 1 toch bij het begin van het heffingsjaar. Hierdoor kunnen in het heffingsjaar zelf aanslagen worden opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en hoeft niet gewacht te worden tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de belastingrechter. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:

  • -

    een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, lid 1);

  • -

    een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat als de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld in artikel 5, lid 3 en 4 en voor kleine bedrijfsruimten voorziet artikel 18, lid 2, daarin);

  • -

    een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat als de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is dit geregeld in artikel 19, lid 3 en 4 en voor kleine bedrijfsruimten in artikel 18, lid 2).

Lid 2

De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie ve’s en bij bewoning door één persoon op één ve (artikel 19, lid 1). De zuiveringsheffing is echter een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, lid 6, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de heffingplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal ve’s. In lid 2 is aangegeven hoe dat evenredig deel wordt vastgesteld.

Lid 3

Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op grond van artikel 122h, lid 6, van de Waterschapswet eveneens voor een evenredig deel verschuldigd.

Lid 4

Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan hoe de heffingplichtige aanspraak kan maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de heffingplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingplichtige met voldoende waarborgen omkleed.

Over het algemeen zal het waterschap, op grond van eigen gegevens, uit zichzelf een dergelijke ontheffing verlenen zonder een aanvraag van de heffingplichtige af te wachten.

Lid 5

Wanneer de heffingplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit eveneens wordt afgevoerd, zijn zowel lid 2 als lid 3 van toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht. Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. Om pragmatische redenen is bepaald dat in een dergelijk geval lid 2 en 3 niet van toepassing zullen zijn. De aanslag verhuist dan als het ware mee. Dat is echter pas mogelijk als het geautomatiseerd belastingsysteem hierop toegerust is. Vanaf dit moment zal het bovenstaande worden toegepast.

Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een oppervlaktewater in beheer bij het waterschap wordt geloosd: dan is verontreinigingsheffing verschuldigd.

Artikel 6 en 7 – Aangifte

Artikel 127, lid 1, van de Waterschapswet schrijft voor dat de uitnodiging tot het doen van aangifte geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet. Lid 2 van dat artikel schrijft voor dat het doen van aangifte geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden. Lid 5 biedt de mogelijkheid om in de belastingverordening daar van afwijkende bepalingen op te nemen. Aangezien ook de mogelijkheid bestaat om digitaal aangifte te doen, zijn de artikelen 6 en 7 opgenomen.

Artikel 8 - Heffingsjaar

In artikel 8 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet mogelijk is.

Artikel 9 - Grondslag en heffingsmaatstaf: Algemeen

De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In lid 2 is gekozen voor één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één ve. Voor de stoffen die worden genoemd in lid 4, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffings-jaar. In lid 4 zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden betrokken.

Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde uitgedrukt in ve’s. Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen. Daarbij is één ve de zuurstofbehoefte die ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon per jaar.

In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens. Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar.

Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde om de hoeveelheid van die stoffen die worden afgevoerd. Daarbij is één ve een omschreven hoeveelheid van in het heffingsjaar afgevoerde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink is één afgevoerde kilogram één vervuilingseenheid. Zilver is niet langer vrijgesteld in de verordening. Vanwege de grotere schadelijkheid is bij arseen, cadmium en kwik een afgevoerde hoeveelheid van 100 gram al één vervuilingseenheid. Voor de stoffen chloride, sulfaat en fosfor zijn de gewichtshoeveelheden van respectievelijk 650 kilogram, 650 kilogram en 20 kilogram één ve.

Artikel 10 - Meting, bemonstering en analyse

Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de vervuilingswaarde moet worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen voor het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook voor het afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.

Lid 1

Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het aantal ve’s bepaald door middel van meting, bemonstering en analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal gebeurt of gedurende een beperkt aantal etmalen.

In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:

- de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;

- analysevoorschriften;

- berekeningsvoorschriften.

De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de heffingplichtige. Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt vastgesteld. Maar niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde heffing.

Lid 2

Volgens lid 2 moeten meting, bemonstering en analyse plaatsvinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 11.

Lid 3

In lid 3 zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn een waarborg voor de in lid 3 gestelde criteria. Als aan de voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder omstandigheden worden afgeweken.

Lid 4

De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te gebruiken apparatuur, vooraf medegedeeld aan de ambtenaar belast met de heffing. Dit geldt ook voor aanvang of wijziging gedurende het jaar.

Lid 5

De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:

  • -

    ambtshalve als hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te voldoen aan de voorwaarden in lid 3;

  • -

    op aanvraag van de belastingplichtige als deze aannemelijk maakt dat ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in lid 3;

  • -

    op aanvraag van de belastingplichtige als deze aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.

Verder mag hij nadere voorschriften stellen.

De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat als de heffingplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat als de heffingplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de heffingplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren.

Lid 6

Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval moet bevatten.

Lid 7

Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één brief combineren.

Artikel 11 - Beperkte meting en bemonstering

In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingplichtige. De heffings-plichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden nageleefd als de heffingplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat. In zijn beschikking geeft de ambtenaar belast met de heffing in ieder geval voorschriften met betrekking tot de in artikel 11, lid 1 onder de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.

Artikel 12 - Hoedanigheidscorrectie

Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan ook zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale CZV in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor ten minste 25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt vaak T-correctie genoemd. Artikel 12 voorziet erin dat de voor-schriften die het waterschap met betrekking tot de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor heffingplichtigen (zie ook Bijlage I, onderdeel C en het Protocol T-correctie AGV.

Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingplichtige voor toepassing van de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale rechtsgang open staat. Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking moet bevatten.

Artikel 13 - Tabel afvalwatercoëfficiënten

Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het aantal ve’s van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.

Lid 1

Toepassing van de tabel is toegestaan als:

  • 1.

    de heffingplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt tot een aantal ve’s van meer dan 1.000 en

  • 2.

    er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.

Lid 2

De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.

Lid 3

Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruik over het kalenderjaar.

De wijze waarop dit gebeurt, ligt vast in beleidsregels van het waterschap

Lid 4

De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (Besluit van 30 november 2002, Stb. 534).

Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingplichtige als de ambtenaar belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water.

Lid 5

De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000 ve’s en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op basis van meting, bemonstering en analyse.

Artikel 14 - Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen

Op basis van artikel 14 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing betrokken op basis van een forfait van drie ve’s per hectare permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor glastuinbouw-bedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen (artikel 122i, lid 2, Waterschapswet).

Als de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 14 minder dan vijf ve’s bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine bedrijfsruimten van artikel 18 van toepassing.

Artikel 15 - Franchise en drempel

Artikel 15 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten ten aanzien van de niet–zuurstofbindende stoffen een heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De hoogte van de aftrek is bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte bij de aftrek is dat woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor het afvoeren van zuurstofbindende stoffen en niet voor het afvoeren van andere stoffen. Uit onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat tussen woonruimten en bedrijfsruimten is in artikel 15 een aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen.

Artikel 16 - Meetverplichting

Dit artikel heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek moeten verrichten naar de samenstelling van de afvoer van niet–zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de artikelen 10 en 11 staat dat de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten wordt vastgesteld door middel van (al dan niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt zowel voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.

Volgens artikel 16 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder dan 1.000 ve’s bedraagt. Indien de ambtenaar belast met de heffing echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stoffen hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 15, moeten meting, bemonstering en analyse plaatsvinden. Dit is geregeld in lid 1 van artikel 16.

Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 ve’s bedraagt, geldt het omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen moet in dat geval meting, bemonstering en analyse plaatsvinden, tenzij het bedrijf aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 15. Dit is geregeld in lid 2 van artikel 16.

Ter verduidelijking van de artikelen 15 en 16 volgt hierna een voorbeeld.

Een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen van 900 ve’s. Volgens artikel 16 wordt het aantal ve’s van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000 ve’s) in beginsel op nihil gesteld en hoeft het bedrijf voor die overige stoffen dus niet te bemeten en te bemonsteren. Maar als het waterschap aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf bij voorbeeld een hoeveelheid lood afvoert die groter is dan de in artikel 15 bedoelde aftrek, bedraagt de aftrek in dit geval 900 x 0,0162 = 14,58 ve’s. Het bedrijf zal dus moeten gaan meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in beginsel ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt afgevoerd met een vervuilingswaarde van 25 ve’s. Daarop moet als gevolg van artikel 15 de aftrek (14,58) in mindering worden gebracht. De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (25 – 14,58) = 910,42 ve’s.

In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink (vier ve’s) en 300 gram arseen (drie ve’s) wordt afgevoerd, geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood en zink samen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor arseen (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58) + (3 – 2,43) = 914,99 ve’s.

Artikel 17 - Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte

Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 10 t/m 16 berekende aantal ve’s aan zuurstofbindende stoffen voor een bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang als binnen één bedrijfsruimte:

  • -

    voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;

  • -

    voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;

  • -

    voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;

  • -

    naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen worden afgevoerd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens van niet–zuurstofbindende stoffen).

De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt tot in twee decimalen nauwkeurig.

Artikel 18 - Forfaits voor kleine bedrijfsruimten

Lid 1

De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis in artikel 122i, lid 1, van de Waterschapswet. Als de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal ve’s minder dan vijf bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie ve’s gesteld en op één ve als deze één of minder bedraagt.

Lid 2

Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met een vervuilingswaarde van minder dan vijf ve’s in principe al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie ve’s opgelegd. Dit is in artikel 5, lid 1, geregeld. Na afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder ve bedraagt.

Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor ontheffing of vermindering. Indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal ve’s één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 ve gesteld. Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, lid 1, van de Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.

Artikel 19 - Forfaits voor woonruimten

Lid 1

In navolging van artikel 122h, lid 1, van de Waterschapswet wordt de vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie ve’s, met dien verstande dat deze, wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond, één ve bedraagt.

Lid 2

Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor recreatiedoeleinden bestemd terrein dat ook zo wordt geëxploiteerd. Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingplichtige.

Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden, of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de weken dat zij er zelf niet zijn. In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de zuiveringsheffing. Als de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de heffingplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is hij als heffingplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.

Lid 3

Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één. Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde.

Lid 4

Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel van een aanvraag in de zin van artikel 132, lid 1, van de Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.

Artikel 20 - Schatting

In artikel 122j, Waterschapswet, is expliciet bepaald dat onder bepaalde, in de onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld als een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en analyse of als het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming is met de in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.

De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren van stoffen vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 9 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast.

Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden.

Artikel 21 - Tarief

Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.

Artikel 22 - Wijze van heffing en termijnen van betaling

Op grond van artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.

De betalingstermijnen in lid 2 en 3 komen overeen met die in artikel 9 van de Invorderingswet 1990.

Lid 4 voorziet in afwijkende betalingstermijnen als de heffingplichtige een machtiging voor automatische incasso heeft afgegeven.

Lid 5 voorkomt dat met automatische incasso relatief geringe termijnbedragen ontstaan. Het is ongewenst dat een aanslag wordt geïnd in termijnen van minder dan € 5,00. Dit is dus een doelmatigheidsmaatregel. Hetzelfde geldt voor lid 6, dat de mogelijkheid geeft om voor geringe bedragen geen aanslag op te leggen.

Artikel 23 - Nadere regels

In verband met de Algemene wet bestuursrecht komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 zijn toebedeeld aan de Minister van Financiën toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap (zie artikel 123, lid 3, onderdeel a, van de Waterschapswet). Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:

  • -

    de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;

  • -

    de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;

  • -

    het berekenen van invorderingsrente.

Artikel 24 - Inwerkingtreding en citeertitel

Lid 1

Lid 1 regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de nieuwe heffing. De oude verordening blijft echter gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude verordening.

Lid 2

Artikel 73, lid 1, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt dus ook voor belastingverordeningen. Sinds 1 januari 2014 vindt bekendmaking volgens artikel 73 plaats door het besluit bekend te maken in het waterschapsblad, dat op elektronische wijze wordt uitgegeven. Het algemeen bestuur van het Waterschap heeft in de verordening elektronische bekendmaking AGV bepaald dat bekendmaking plaatsvindt in het elektronische waterschapsblad, dat voor een ieder te raadplegen is via de website van het Waterschap en op www.overheid.nl. De bekendgemaakte besluiten treden volgens artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.

Lid 3

Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding, maar dit is niet beslist noodzakelijk.

Lid 4

Als gevolg van lid 4 wordt de verordening voorzien van een citeertitel.